Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman
Part 4
Wie stoorde hem daar in zijn rust, wie uitte dien dissonant? Van onder zijn voor twee derden gesloten oogleden wierp Piong Pan Ho een blik naar buiten, te gelijk dienende om den toestand even op te nemen en den koetsier die de woorden gesproken had, te kennen te geven dat hij niet van plan was aan het verzoek te voldoen.
Het voertuig stond stil, halverwege de steilte, in het mulle grint, dat voor de nederdalende wagens een uitmuntende rem was, maar waardoor het Javaansche paardje geen kans zag zijn zware vracht tegen de hoogte op te trekken. De koetsier was uitgestegen om den last te verlichten en een beter--of liever wreeder--gebruik van zijn zweep te kunnen maken, doch het hielp niet.
"Stap even uit," herhaalde hij, "het paard kan zoo niet verder."
"Trek dan zelf mee," zeide Piong Pan Ho.
Met een spijtig tonggeluid begon de inlander aan dezen raad te voldoen, duwende tegen het slikbord en wrikkende aan een der wielen, tevens zijn paard opjagende. Doch het hielp niet, want zoodra hij zelf zijn handen en krachten gebruikte, bleef het dier volkomen lijdelijk; en omgekeerd, als dit onder herhaalde zweepslagen zich in het tuig wierp en rukkend trachtte vooruit te komen, bleef de koetsier in gebreke.
"Houd dan ten minste de leidsels vast," riep hij uit, en Piong Pan Ho verwaardigde zich dit met twee vingers te doen.
Het paard bij het hoofd nemende, gaf de voerder het een geweldig pak slaag vooruit; toen de spaken vattende riep hij: hrrr, hrrr! en met vereenigde krachten nu kwam men over de moeielijke plek heen. Boven op de helling gekomen, stapte de koetsier weer in, en joeg zijn dier met de andere helft van het pak slaag in vollen ren vallei-waarts. Dit was de laatste stuiptrekking van snelheid; van nu af ging het op een sukkeldraf, afgewisseld met stilstaan en weigeren van het door slechte voermanskunst koppig gemaakte paard.
De zon, bij het vertrek van Semarang achter het karretje, had het reeds lang ingehaald, maar hinderde den reiziger niet, daar haar stralen werden opgevangen door de kruinen der boomen op den berm van den weg, waarvan geen karig gouvernement de beplanting had verhuurd en die dus nimmer van dit sieraad werd beroofd. Toen hij Kendal binnenreed betrok de lucht, zich voorbereidende tot regen in den avond, die reeds niet meer ver was. Piong Pan Ho richtte zich uit zijn luie houding op, de plooien van zijn buis gladstrijkende. Daarna raadpleegde hij zijn lijstje van namen en noemde den bovenste aan den koetsier.
"Soedah tahoe," gromde deze, landerig over den moeielijken tocht en in 't vooruitzicht van geen of slechts een geringe fooi te zullen krijgen.
Doch dit viel mee. Voor het opgegeven huis hield het karretje stil. Het was geen toko, dat zag men dadelijk; de beide ramen, aan weerszijden van de deur één, waren met blinden gesloten; van de deur stond slechts één vleugel open en vergunde een blik naar achter, in het duistere voorvertrek, op iets dat het midden hield tusschen een altaar en een schoorsteenmantel, waarboven de schilderij van de godheid, den tepèkong, prijkte met den grimmigen scherprechter naast hem. Voor het huis zaten, onder het afdak, een paar jonge Chineezen en een oude, allen met ontbloot bovenlijf, bleekbruin met gemarmerde witte vlekken, de oude uit een pijp rookende van Chineesche bamboe, waarvan het worteleind een klein kopje vormde.
Schijnbaar onverschillig zagen zij het voertuig aan; maar toen Piong Pan Ho, na den naam gelezen te hebben, die in vergulde letters met rood afgezet boven de deur stond, hun toeriep van waar en van wien hij kwam, schoten zij toe, de jongeren hem helpende met grooten ijver en dienstbetoon, ondanks zijn protest. Toen alles naar binnen was gedragen, betaalde Piong Pan Ho den voerder en gaf hem een halven gulden fooi.
"Trima kassih toewan Singkeh!" zeide de inlander, vleiend beleefd. "Wanneer gaat u weer terug?"
De Chinees gaf hierop geen antwoord, maar trad het huis binnen, terwijl de koetsier vergenoegd wegreed, zijn vreugde aan het paard meedeelende door tusschenkomst van de stukgeslagen zweep.
Er zijn in het leven van elken mensch oogenblikken, die nietig en onbelangrijk schijnen, en toch inderdaad op zijn toekomst een zoodanigen invloed uitoefenen, dat hij die ze opmerkt, zich verbaast en eindigt met niets meer gering te achten. Hoort men van menschen die, met niets begonnen, fabelachtig rijk zijn geworden, dan zal men negen van de tien keeren de energie en werkkracht van zulk een persoon hooren roemen en de tiende maal zijn geluk in een of andere speculatie. Den laatsten verwaarloozende, vraagt men zich af waarom dan anderen, de genoemde hoedanigheden in minstens even groote mate bezittende, niet eveneens reüsseeren? Ontledende en waar het mogelijk is de carrière dier weinige gelukkigen naspeurende, stoot men geregeld op het feit, dat zij plotseling een kapitaaltje of bescherming en hulp gevonden hebben, waarmee zij hun talent konden ontwikkelen. Is men voorts zoo gelukkig de aanleiding tot dien onverwachten steun te ontdekken, zoo vindt men een dier nietigheden, als de oude bekende historie van den jongen die, nadat hem werk geweigerd was in een boekwinkel, bij het uitgaan van de deur een speld opraapte en daardoor opnieuw de aandacht trok van den chef der zaak, die hem nu aannam en op het pad der fortuin verder leidde. In zulke oogenblikken handelt men spontaan, onbewust van de gevolgen.
Aan Piong Pan Ho, tot voor een paar dagen een nederige klontong, ongeacht door den minsten toko-bediende, werd plotseling een zending van vertrouwen opgedragen; de koetsier noemde hem toewan Singkeh, de Babah's bij wie hij aanlandde, ontvingen hem als hun meerdere, vierden hem, vleiden hem, onthaalden hem rijker dan de gastvrijheid, een maatschappelijk geloofs-artikel der Chineezen, voorschreef; en hij, opgewonden door zulke weelde, praatte onstuimig door, niet lettende op zijn woorden. De oude Babah deed hem een vraag, maar op hetzelfde oogenblik sloeg de scherpe walm van de offerstokjes vóór het beeld van den tepèkong, hem in de keel.
Een hevige hoestbui overviel hem; en onder het bijkomen zag hij de begeerig starende varkensoogjes van zijn gastheeren.....
"Kan Liong Tjoe is een rijk man, en doet veel zaken," antwoordde hij, maar bedaard en afgemeten.
Teleurstelling spiegelde zich op aller gelaat af, maar zij maakten onmiddellijk hun rekening op. Piong Pan Ho was slimmer dan men gedacht had, men moest hem te vriend houden en boven de officieele inlichtingen die hij kwam ophalen namens Kan Liong Tjoe, hem persoonlijk interesseeren in datgene, dat hij onvermijdelijk moest bemerken met zijn vlug verstand, doch den baas niet aanging. Dat zij hem overschat hadden, is nooit bij hen opgekomen; integendeel, toen hij gebruik gemaakt hebbende van wat zij hem in dien tijd leerden, van jaar tot jaar klom in aanzien en fortuin, prezen zij zichzelf om hun juisten blik.
Den morgen na zijn aankomst, ging Piong Pan Ho met een der jonge Babah's, beiden met een pikoelan koopwaren, te voet naar de dessa. Zij stapten regelrecht naar de woning van den bekel. Het dorpshoofd ontving hen vriendelijk en liet dadelijk koffie koken en manisan gereed zetten. Den Babah kende hij; naar den ander vroeg hij niet; doch toen hij vernam dat Piong Pan Ho namens den Tjina-besaar te Semarang kwam, begon hij mededeelingen te doen omtrent den stand der rijstvelden van diegenen zijner onderhoorigen, die van dezen voorschot op hun oogst hadden ontvangen. Een voor een liet hij hen roepen, voorzoover zij niet in de sawah's of in heerendienst op het werk waren; enkelen kochten iets uit den meegebrachten voorraad, doch de hoofdzaak was het verifieeren der ongeschreven contracten en obligaties, waarbij de schuldenaars veelal trachtten nog iets meer los te krijgen, en ook de belangen van den notaris-bekel niet uit het oog werden verloren.
Weer buiten de dessa gekomen, op weg naar een volgende, legde de Babah Piong Pan Ho uit voor hoeveel diens chef voordeel had in de transacties, en wat er voor de agenten overschoot.
"Een mooie winst, die twee bij elkaar," vond Piong Pan Ho. "Die schuld wordt dus nooit afgelost?"
"Met de rijst; maar dan moeten zij weer nieuwe schuld maken," was het antwoord; "de renten betalen zij gewoonlijk niet geheel, daar die ieder jaar hooger wordt. Als zij vast zitten geven wij geen geld meer."
"En dan?"
"Dan verhuren zij hun grond en gaan werken. De bekel houdt hen in 't oog. Soms hebben zij dochters, die we in pand nemen als wij ze noodig hebben. Het geld is altijd goed."
Na de omstreken van Kendal alzoo doorkruist te hebben, keerden Piong Pan Ho en zijn geleider terug in het huis van waaruit zij hun tocht begonnen waren.
"Vriend," zeide de oude Babah, "waarom zoudt ge niet eenige zaken doen voor uw particuliere rekening?"
"Kan Liong Tjoe heeft mij gezonden," antwoordde Piong Pan Ho; "als ik later zelfstandig ben, kom ik hier terug."
De Chineezen zagen elkaar ongerust aan. Als de Singkeh aan de verleiding weerstand bood en zijn chef van alles wat hij wist rapport deed, waren zij verloren; althans zouden zij zich met veel geringere winsten moeten tevreden stellen. Zij drongen bij hem aan, hem voorspiegelend hoe goed zij zijn belangen zouden behartigen; eindelijk maakten zij hem duidelijk dat hij geen kapitaal behoefde in te brengen, daar zij hem hierin zoover hun middelen reikten van dienst zouden zijn. Doch Piong Pan Ho bleef ontwijkende antwoorden geven; hij gevoelde zijn kracht en voorzag zijn zwakte als hij zich met hen, die hem onderwezen hadden, inliet.
Tot laat in den nacht zaten de Babah's onder elkaar te overleggen. Zij begrepen eindelijk dat er nog maar één middel overschoot: zij moesten den Singkeh omkoopen. Toen Piong Pan Ho den volgenden morgen in zijn karretje zat, op weg naar Bodja, en gebruik wilde maken van de ververschingen hem door zijn gastheeren medegegeven, ontdekte hij in een met papier omwikkeld theekopje enkele biljetten der Javasche bank. Hij lachte en sprak eenige woorden hardop, in zijn moedertaal, zoodat de voerder verschrikt omkeek, denkende dat de Singkeh gek was geworden, en deze ternauwernood tijd had zijn vondst voor onbescheiden blikken in den binnenzak van zijn buis te verbergen.
Bij de andere agenten ging Piong Pan Ho geheel verschillend te werk. Hij wist nu, en verraste hen met zijn kennis. En wanneer zij, bang geworden, hem smeekten en met aanbiedingen overstelpten, liet hij zich ten slotte vermurwen, en verbaasde hen ten tweeden male door zijn groote bescheidenheid in het gebruik maken van hun diensten. Wat hij hen echter op het hart drukte, was geheimhouding, niet alleen voor Kan Liong Tjoe, doch ook tegenover hun collega's. Nu, een Chinees kan zwijgen. Eén der agenten, een ongelukkige stakker, die in zaken weinig te beteekenen had, offerde hij op om daarmee een mooi figuur te maken bij zijn chef.
Kan Liong Tjoe was zeer tevreden toen zijn zendeling thuiskwam en hij diens rapport had ontvangen. Hij zond hem onmiddellijk weer op reis, een andere richting uit. Toen Piong Pan Ho van deze tournée terugkeerde, had hij onder nadere goedkeuring van zijn chef nieuwe betrekkingen aangeknoopt, die zeer winstgevend beloofden te zijn. Doch de lof dien hij hierover verwachtte, kwam niet terstond.
"Daar is heel wat geld toe noodig," zeide Kan Liong Tjoe, een ernstig gezicht zettende... "Ik zou grooter crediet moeten vragen bij de handelshuizen."
Zij zwegen beiden, nadenkende; de een met de spijtige gewaarwording van een handelsman, die zich bij ongeluk heeft uitgelaten over zijn zaken, de ander aan zijn jeugdige voortvarendheid plotseling een hinderpaal in den weg geworpen ziende, waarop hij niet gerekend had. Want voorshands waren de zaken die hij deed, slechts parasietplanten op die van Kan Liong Tjoe; als deze geen geld verschafte, vorderde hij ook niet.
"Hoe meer zaken, hoe meer winst," dacht hij hardop.
"Maar als ik de goederen niet verkoopen kan, blijven ze liggen," zeide de ander, "en ik zou boven mijn kracht gaan werken."
"Dan failliet gaan," meende Piong Pan Ho.
De toko-houder lachte hartelijk. Die Singkeh! Toch was het aardig, zoo spoedig als hij zich had ontwikkeld; het kwam er maar op aan zijn nog eenigzins verwarde inzichten te ordenen, dan zou hij het ver kunnen brengen. Reeds nu had hij zich beter gehouden dan een der vroeger gezonden dwarskijkers, waaronder zelfs Kan Liong Tjoe's eigen zoon. Wie hunner had ooit een agent betrapt op knoeierij? Een groote genegenheid voor den jongen man beving den toko-houder; hij kreeg lust hem te onderwijzen, hem op te voeden.
"Soedah, laat die nieuwe contracten maar bestaan," zeide hij; "ik zal er over schrijven. En... het geld is er nog wel."
V.
RELATIES AFGEBROKEN EN AANGEKNOOPT.
Reeds had zich de namiddag-koelte verspreid over de stad, langzaam de hitte verdringende uit de nauwe ruimten van het Chineesche kamp, eer de conferentie tusschen de beide zonen van het Hemelsche rijk was afgeloopen. Zij wandelden, nog fluisterend, de toko binnen, door de achterdeur. Ook daar was uit den doodslaap der heete uren nieuwe bedrijvigheid ontstaan. Bedienden van Europeanen met bonnetjes stonden te wachten, onder elkaar pratende over niets en toch druk; in den hoek waar galanterie-artikelen in glazen kastjes te kijk waren gesteld, een groep jonge meisjes, de ééne die wat wilde koopen, omstuwend, en meer omhaal makend over de bestelling van eenige dubbeltjes waarde dan anderen voor even zooveel rijksdaalders; de meesten in baatje en broek, enkelen van meer gevorderde ontwikkeling, in losse jurken zonder bepaald model, die gaapten als zij bukten, tot stil genot van den jongen Chinees die de koopster heette terecht te helpen, maar volstrekt geen haast maakte.
Eindelijk waren zij gereed en drongen half stoeiende de toko uit. Op den weg haakten zij de armen in elkaar, langzaam voortbewegend in de richting van Bodjong; die aan den buitenkant liepen een stap vóór, zich naar het midden der rij overbuigend om te verstaan wat er gesproken werd. Men had een plannetje. Wie het had bedacht wist niemand, doch allen kenden het; zij praatten nog slechts over de uitvoering, die ook al was afgesproken en heel eenvoudig. Jongens zouden hen ontmoeten en opwachten op het erf van de hoogere burgerschool, een uitgezocht plekje! Men kon er heengaan zonder de opmerkzaamheid te trekken, heen en weer wandelen, babbelen en eindelijk het gebouw omloopen, om daar achter een onbeperkte vrijheid te genieten, door niemand bespied.
Bij die meisjes was ook Anneke Wije. Misschien de jongste, doch zeker de kleinste, was zij door de andere meisjes met bereidwilligheid als kameraadje opgenomen; vooreerst had zij zich met verbazende vlugheid opgewerkt tot in op één na de hoogste klasse, ten tweede was zij om haar lief gezichtje en brutale vroolijkheid de gunsteling van alle jongens. De door haar aan Kees beloofde trouw had zij slechts matig gehouden. Maar Kees was ook zoo stil en ernstig! Toch hield zij van hem; de andere jongens dienden tot afwisseling, tot tijdverdrijf, voor hoogstens veertien dagen; dan keerde zij tot Kees terug, door wien zij steeds weder werd aangenomen, zonder dat hem eenige herinnering scheen te zijn bijgebleven van het leed, dat zij hem al dien tijd had aangedaan.
Kees was een wonderlijke jongen. Zoolang Anneke goed voor hem was, maakte hij druk werk van haar, zich inspannende voor allerlei verrassingen; maar gaf zij tijdelijk de voorkeur aan een ander, dan trok hij zich terug en leerde met dubbelen ijver. Eens slechts had hij een medeminnaar voor de kracht zijner vuisten doen wijken; doch die had het dan ook te bont gemaakt, door hem uit te lachen waar Anneke bij was!
Anneke wist dat zij hem nu tegen zouden komen, want Kees was gewoon om dezen tijd Bodjong af te wandelen en voor het erf der Wije's zijn praatje te maken met haar; toch hoopte zij dat hij ditmaal iets later van huis mocht zijn gegaan, en onder het praten met de meisjes keek zij beurtelings in de verte, of hij ook aankwam, en naar het hek van de hoogere burgerschool, als om den afstand te berekenen, dien zij nog te loopen hadden, eer zij het doel van dien avond zouden bereikt hebben. Want geheel gerust was zij niet, zoo min als de andere meisjes; dat bewees hun drukte en hun gegiegel, even gemaakt als het zingen van een kind dat alleen in het donker is, of het piepen van de kruiwagens der Chineesche mijnwerkers op Biliton, als zij alleen langs een eenzaam boschpad moeten gaan om het gewonnen erts te vervoeren.
"Anneke, waar ga je heen?"
Zij schrikte toen zij die woorden hoorde en een hand aan haar baatje trok. Het was Kees Duna. Ook het gesprek der meisjes verstomde, maar zij zagen Anneke aan met lachende, tartende oogen.
"Wandelen," zeide Anneke, kleurende; want dertig pas verder stonden de jongens aan het hek in nieuwsgierige afwachting.
"Kom even hier," zeide Kees, haar meetrekkend. "Ik weet waar je heen gaat. Ze hadden mij ook gevraagd of ik kwam, maar ik wou niet; het zijn gemeene jongens; ze willen.... Ga er niet naar toe, Anneke!" En hij zag haar smeekend aan.
"Waarom niet?"
"Omdat..." hij aarzelde. Plotseling kreeg hij een idee; en met iets slims in de uitdrukking zijner oogen, ging hij voort: "Zij hebben erover gepraat op school; ga mee, dan zal ik het je vertellen; zoo ineens kan ik het niet."
Het scheen een oogenblik dat zij zoude doen wat hij voorstelde; omziende naar de meisjes met het voornemen hen te beduiden dat zij Kees moest volgen, ving zij echter hun blik op, die duidelijk genoeg zeide: hè, hoe flauw! Het was haar te machtig; flauw was zij niet; dat had zij dikwijls genoeg getoond, doch als de jongste moest zij haar reputatie handhaven door het telkens opnieuw te bewijzen.
"Vertel het morgen maar," zeide zij, trachtend haar hand los te rukken, die hij gegrepen had.
"Neen," zeide hij, terwijl hij zijn verzoekenden toon liet varen. "Niet morgen; nu of... als je gaat, Anneke, dan... ja, dan kom ik niet meer en wil niet langer met je omgaan."
Het was een ongelukkig woord. Anneke was niet gewoon dat Kees haar zóó aansprak; had zij geweten wat hij wist en zoodoende den angst kunnen peilen die hem dreef... maar dat was niet te verwachten van een elfjarig kind, zelfs niet van een Indisch meisje, hoe vóórlijk zij ook wezen mocht.
Zij stampvoette van drift.
"Laat me los," riep zij uit; en zonder hem verder aan te zien voegde zij zich bij haar vriendinnetjes, nog diep ademend van woede.
Kees stond daar alsof hij een slag in 't gezicht ontvangen had. Langzaam wendde hij zich om, zijn terugweg nemend over Pontjol, denzelfden weg waarlangs hij ditmaal gekomen was; want de hoogere burgerschool wilde hij nu niet voorbijgaan, om te zien hoe Anneke zich vermaakte...
Hij was diepbedroefd; voor het eerst wilde het werk, waarin hij anders altijd troost vond, niet vlotten. Telkens weer herinnerde hij zich de gesprekken van die jongens, lummels van omstreeks vijftien jaar, die zich gereed maakten om te toonen dat de opvoeding, die zij van hun baboe ontvangen hadden in vuiligheid, niet aan hen verkwist was. Kees huiverde, maar hoe hij ook pikirde, er wilde hem maar geen goed denkbeeld invallen om het dreigend onheil af te weren.
Och, hij wist nog niet dat er tusschen het woord en de daad een groote afstand is!
Toen de meisjes het erf van de school opliepen, hadden de jongens hem, verlegen lachend onder elkaar, laten passeeren. Geruimen tijd wandelden beide partijen geheel afzonderlijk, en het duurde lang eer er een den moed had zelfs maar een woord tot de andere te richten. Eindelijk wierp een jongen met een kluitje aarde naar de meisjes.
"Pas op; ik heb wel gezien wie het deed," riep een meisje.
"Wie dan?" vroeg de brutale jongen, en het gesprek was aangeknoopt.
"Zullen we krijgertje spelen?" stelde een voor, daarmee een schrede verder doende.
Zij vonden het allen goed, er niet op lettend hoe bespottelijk en kinderachtig het was op hun leeftijd, en dat terwijl zij zich hadden voorgenomen zich aan te stellen als mannen!
Dat waarop zij gebluft hadden, bereikten zij niet; zelfs toen de duisternis gevallen was, was hun spel niet minder onschuldig dan op het meest gewone partijtje. Gelukkig! Maar hoe het op den duur zou geworden zijn, toen men zich minder en minder begon te geneeren?
Wel was het erf van de hoogere burgerschool veilig terrein, maar het telkens binnengaan daarvan door de jongens en meisjes, had alras de aandacht getrokken van de familie die er juist tegenover woonde. Deze waarschuwde de autoriteiten, en op zekeren avond stonden de kinderen voor een gesloten hek; een maatregel, die zonder ophef genomen, een eind maakte aan iets waar nauwelijks een begin van was.
De band tusschen Kees Duna en Anneke was echter verbroken; hij wilde haar nu eens toonen dat hij zijn woord hield, en zij van haar kant was te trotsch om een eersten stap tot toenadering te doen. Zij wenden er eindelijk aan elkaar te ontmoeten als gewone kennissen, en de vroegere hartelijkheid in hun omgang scheen geheel verdwenen.
Anneke's ouders hadden het wel gemerkt, doch hechtten er weinig waarde aan. Iets anders boezemde hun meer ongerustheid in, althans Wije. Wat toch was er geschied op het kantoor?
Op een morgen kwam de oudste chef later dan gewoonlijk binnen, beantwoordde den groet van zijn jongeren collega met een gebrom en zette zich, diepe rimpels in zijn voorhoofd trekkend, aan het schiften van een pak brieven en stukken, die hij den vorigen avond in zijn huis ontvangen had.
"Iets bijzonders in de mail?" vroeg de ander.
"Alsjeblieft; lees zelf," was het onvriendelijk antwoord, en een dikke brief in zwaar blauw envelop, werd naar het ander eind van den dubbelen lessenaar over het lage loket heen geworpen.
De jongste chef vouwde hem open, keek eerst het begeleidend schrijven in, en daarop de rekening-courant, die het grootste en belangrijkste deel van den inhoud uitmaakte.
"Hm, verduiveld onaangenaam!" was zijn opmerking, en hij richtte zich op, starende over het houten scheidsmuurtje naar zijn medebeheerder, die met zijn gladgeschoren gezicht en witte das wel iets had van een rechter.
"Ja, dàt is het," klonk het terug. "Heel onaangenaam! En ik zou wel willen vragen waar dat heen moet; altijd wordt er verloren op den export, terwijl een ander zich afslooft om een beetje winst te maken met den import; dat gaat zoo niet op den duur."
De jongste chef had even geglimlacht om de uitdrukking "afsloven", maar dadelijk daarop bedwong hij zijn trekken. Het verwijt hem naar het hoofd geslingerd, was te scherp dan dat hij mocht zwijgen. Hij toch was de man die de exportzaken deed.
"Een verliespost komt overal voor," zeide hij. "Als een Chinees failleert..."
"Dat staat niet gelijk," viel hem de ander in de rede. "Dáár wordt op gerekend, en door de bank geeft het nooit verlies; maar wel de export, die eigenlijk dien naam niet dragen mag; want meer dan een speculatie zie ik er niet in; een onberedeneerd, onbekookt dobbelen, dat ons ten langen leste op de flesch helpt."
Hij had zijn stem uitgezet, zoodat het gesprokene krakend weergalmde over de kraamschutten. De employés hoorden het en rekten hun halzen om te verstaan. "Ze hebben standjes!" fluisterde een.
Zij konden niet alles opvangen; doch het weinige dat zij verstonden in onderling verband brengende, kwamen zij tot het resultaat dat de firma een "klap" gekregen had, die raak moest zijn, te oordeelen naar den duur van het "standje." Men nam zich voor op zijn hoede te zijn, en zoo mogelijk uit te vorschen hoe erg het was. Zij praatten er over onder elkaar met ernstige gezichten, middelen beramende om den hoofd-boekhouder die in een apart hokje zat tot mededeelingen te bewegen; want hij was de eenige die het weten kon, daar de rest der boekhouding zoodanig in onderdeelen gesplitst was, dat winst of verlies voor alle anderen een onoplosbaar geheim bleef.