Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman

Part 16

Chapter 164,157 wordsPublic domain

"Dat is zooveel niet," zeide Wije. "De verkoop is hoofdzakelijk à contant, terwijl de inkoop op crediet gaat."

"Zou je dat krijgen?"

"Bij onze firma natuurlijk," meende hij, "en die is de voornaamste. Maar er is iets anders dat ik mij afvraag: het tokogebouw is van Kan Liong Tjoe, zal hij het willen verhuren?"

"Kom, daar moet je maar voor zorgen. En nu, de tijd is kort; om alles in orde te brengen mag je geen dag verliezen, dus er moet dadelijk beslist worden; neem je mij aan als stille vennoot?"

Wije aarzelde. Zooeven had hij gesproken alsof de zaak reeds beklonken was, maar nu schoot het hem plotseling in, dat het toch een malle verhouding gaf. Hij wist, evenals iedereen, dat zij buiten haar man om "scharrelde" en dat deze haar daarin alle vrijheid liet, maar de zaak die zij thans wilde beginnen, behoorde tot een andere categorie als die welke zij tot hiertoe gedreven had. Zij sprak van een stille vennootschap, doch zou men die geheim kunnen houden? Het was heel moeielijk. Men moest elkaar meer dan gewoonlijk ontmoeten om de zaken te bespreken, en dat kon niet altijd wachten op een gelegenheid als die zij heden avond blijkbaar met opzet had gekozen. En zoo het uitkwam, wat dan? Men zou hem uitlachen; nu, dat was minder, hij zou zich daaraan niet storen, dat deed hij reeds lang niet meer. Doch ook Duna, en die wel in de eerste plaats, zou de risée worden van de stad, ja bij de eigenaardige snelheid der Indische faam, van geheel Java. En dan sprak het wel vanzelf, dat hij in zijn qualiteit als echtgenoot den boel in de war zou sturen en afbreken. Neen, 't was te gek om met de vrouw van een ander zaken te doen; dat mocht over twintig jaar kunnen gebeuren, als de getrouwde vrouw wederom zal hersteld zijn in de positie die zij in den lateren Romeinschen keizertijd bekleedde, nù ging het niet. Toch, aan den anderen kant, was het aanbod voor hem erg aanlokkelijk.

Hij begon zijn bezwaren op te sommen.

"Bah," zeide zij, na eenigen tijd te hebben geluisterd, "wat geef ik daarom? Ik wil het stilhouden, omdat het niemand aangaat. Maar anders kon het mij niet schelen."

"Alles goed en wel," zeide Wije, "maar uw man?"

"Duna doet als de rest; hij werkt voor anderen en weet voor zichzelf niet meer te verdienen dan zijn levensonderhoud; hij mag dus blij zijn als zijn vrouw weet op te leggen; en dat is hij ook, want hij geniet van het voordeel dat ik hem bezorg, zonder ooit te vragen hoe ik dat doe. Maak je niet ongerust; als ik er je plezier mee kan doen, zal ik het hem mededeelen, zoodra we een poos aan den gang zijn."

"En als hij het dan afbreekt?"

"Dat zal hij niet, dat durft hij niet! Of voor wat zie je mij aan? Denk je dat ik in mijn schulp kruip voor een boos gezicht van 'n man? Hoor eens, als je zakelijke bezwaren hebt, zeg het dan, maar kom niet met zulk een onzin voor den dag. Ik had dien niet van je verwacht. Juist omdat ze allen zoo tegen je zijn, dacht ik dat je wel een uitzondering zou maken op den regel. Neen... ik wil me niet vergist hebben. Hier, sla toe!"

Zij was onder het spreken opgestaan, de woorden hoe langer hoe hartstochtelijker uitstootende. Het koele en onvoldane dat haar gelaat kenmerkte was als weggevaagd, haar oogen openden zich wijder, een kleur steeg haar naar de wangen, en toen zij de hand uitstrekte en Wije die onwillekeurig aanvatte, las hij in haar oogen, duidelijker dan woorden het hadden kunnen uitdrukken dat die vrouw, die nog mooi kon zijn als zij wilde, behalve haar geld ook nog iets anders wou inbrengen in de compagnieschap en dat het de vraag was voor welke gedeelte van haar doel zij zich het sterkst beijverde.

Het plotselinge daarvan verraste hem en overmeesterde hem.

Toen zij wegging was de zaak op alle punten besproken en beklonken. Wije bleef achter met een gevoel van herlevende energie en groote dankbaarheid. 't Was toch zonderling, vond hij, dat een vrouw van dien leeftijd nog zulk een invloed kon uitoefenen. Hij schreef het toe aan de omstandigheid dat zij een volbloed-Europeesche was. Van een indische verwachtte men, misschien zeer ten onrechte, veel eerder toenadering en stelde die daarom minder op prijs. Doch een Europeesche was opgevoed en zoo vastgeroest in begrippen van uiterlijk fatsoen, dat dit haar ophield zelfs wanneer iets beters ontbrak. Als die uit den band sprong was dat iets nieuws, iets zeldzaams; dan zag men over een jaar of wat gemakkelijk heen.

Aan tafel verbaasde hij den bediende door een paar maal hardop te lachen in zijn eentje, en na den eten ging hij weer in zijn luierstoel liggen na-mijmeren, zich vragen stellende, hoe dat idee toch in haar hoofd was opgekomen, of zij het een wilde om het ander, dan wel het ander om het een, waarom zij daar vóór dezen nooit iets van had laten blijken, en zoo voort. Daarna fantaseerde hij over de toekomst; in de toko zou een kantoortje worden aangebouwd, dat gesloten kon worden; dáár zou zij komen om over zaken te spreken, 's middags; dáár zou hij als chef troonen en geld verdienen nu ook voor zich, twee zeer aangename bezigheden.

Het rijtuig reed uit de wagenkamer. Het was tien uur; Anneke moest worden gehaald. Anneke! Hij kleurde als een schooljongen bij de gedachte aan zijn dochter. Welk een gezicht zou zij trekken als zij het vernam! Dat kon toch niet uitblijven; in Indië houdt men dergelijke zaken niet geheim. Wat zou zij zeggen, met het oog op de lessen die hij haar placht te geven? Niet dat hij haar al te strenge begrippen had ingeprent, maar toch, een waarschuwing nu en dan, een afkeuring van wat met fatsoen en moraal in strijd was, had hij wel laten hooren en daarbij zichzelf steeds op een tamelijk hoog standpunt geplaatst. En nu? Foei, wat was het warm, men kon nauwelijks nadenken! Enfin, misschien werd het wel niet bekend, althans niet zóó dat Anneke het vernam; men kon daartegen maatregelen nemen, bijvoorbeeld de kabaja verwisselen, die erg gekreukt was en een geur afgaf die sterk deed denken aan de parfum... wat drommel, zijn kantoortje kon er ook naar rieken! Hij sprong op om er de jaloezieën weer open te gooien en ging toen in zijn slaapkamer, waar hij zich in overmaat van zorg ook de handen waschte.

De chef schudde het hoofd, toen Wije hem zijn plan meedeelde en vroeg om crediet voor latere inkoopen.

"Ik zou het je gaarne gunnen," zeide hij, "en misschien ware het ook wel in ons eigen belang, maar het gaat niet. Het crediet heeft zijn vaste regels, zijn oude traditie, en daarvan wijkt men niet af. Wij hebben nooit aan een Europeaan crediet gegeven."

"Maar meneer," betoogde Wije, "we beginnen met een geheelen voorraad als het ware contant te koopen, waarmee niet veel minder dan een ton gemoeid is. Welke Chinees doet dat?"

"Dat is waar, en toch... ik twijfel er aan of de Javabank je accepten zou discompteeren. Maar kan je de zaak niet op naam van een solieden Chinees drijven?"

"Jawel, maar het is voor mij niet aangenaam. Zoudt u aan Kan Liong Tjoe, als hij de toko weer opnam, crediet geven?"

"O zeker."

"'t Is sterk!" riep Wije uit.

"Die compagnon van je... is dat geen Chinees?"

"Neen meneer," zeide Wije, lachend zijns ondanks. "Doch als het moet, zal ik wel een solieden Chinees opduikelen. Er zijn er genoeg," spotte hij, "die pas over den kop zijn geweest."

De chef lachte erom; hij vond de woorden van zijn ex-verkooper geestig en raak; dat nam niet weg dat hij bleef bij wat hij gezegd had; alleen zou hij terwille van Wije, dien hij vertrouwde en kende, iets door de vingers zien wat betrof den te kiezen Chineeschen strooman. Maar Wije, in zijn hart spijtig over de positie waarin de bekrompenheid van zijn chef hem ging plaatsen, beloofde, nu in ernst, met een heel solieden Chinees voor den dag te zullen komen. Hij had daarbij het oog op Piong Pan Ho, die het hem niet zou weigeren. Op weg naar dezen, bedacht hij echter, dat het zaak zou zijn eerst Kan Liong Tjoe op te zoeken en te spreken over de huur van het tokogebouw. Eigenlijk had hij hiermee wel mogen beginnen, doch hij was niet ontsnapt aan de zucht die de meeste menschen onaangename zaken tot het laatst doet uitstellen. Hoe dichter hij de woning van den Babah naderde, des te sterker werd zijn voorgevoel, dat hem reeds gister een oogenblik had bevangen en hem zeide dat die man zijn plannen zou contrarieeren, om zich te wreken over de behandeling hem destijds in de toko aangedaan.

Kan Liong Tjoe dacht echter niet meer aan die kleinigheid. De streek hem door Duna gespeeld, hield zijn geest geheel alleen bezig en hij beschuldigde allen die tot de beide firma's behoorden, van medeplichtigheid. Voor 't eerst van zijn leven zag Wije een Chinees in allen ernst boos. Vóór hem staande, zonder de minste deferentie voor den Europeaan, schold hij de beide chefs voor dieven en oplichters, zich heesch pratend, den mond wijd open, met de handen kletsend op zijn dijen en andere vleezige gedeelten. Nooit zou hij weer een Europeaan vertrouwen en in zijn toko, waarin reeds zijn vader had gewerkt, wilde hij er geen dulden. Zoodra hij die weer in zijn macht had, zou hij haar laten uitrooken om den peststank te verdrijven, dien dat gespuis er in gebracht had... Het was Wije bijna niet mogelijk aan het woord te komen, zóó raasde de Chinees voort. Inziende dat hij tot geen kalme bespreking kon komen, vertrok hij.

In de toko riep hij de bedienden bijeen en na hun de zaak te hebben uitgelegd, hun voorhoudend dat het ook in hun belang was zoo de zaak werd voortgezet, droeg hij hun op dien avond Kan Liong Tjoe te bepraten. Doch den volgenden morgen berichtten zij hem, dat de Babah niet te bewegen was. Het stond op hun gezichten te lezen dat zij er zelf grooten spijt van hadden, en een hunner opperde het denkbeeld om de toko ergens anders te vestigen; zij wilden gaarne met meneer meegaan, dien zij hadden leeren kennen als een goed en pinter chef. Maar daar viel niet aan te denken. Het verlies van het gebouw nam het cachet van de zaak. Wije, in een andere lokaliteit een toko openende, zou voor een Europeesch toko-houder worden aangezien, de klandizie zou daarmee geheel veranderen, geen inlander zou zijn inkoopen daar komen doen, en ook verscheiden Europeanen zouden er niet meer koopen wat zij nu eenmaal gewoon waren in een Chineesche toko te halen. Men stuurde thans naar de toko van Kan Liong Tjoe; of die er niet langer in was deed niets ter zake; de loop was er heen, en zou niet ophouden voordat de deur gesloten was; dan echter zou zich de stroom verdeelen, doch dien te leiden was ondoenlijk. Het besluit van Kan Liong Tjoe beteekende voor Wije het niet doorgaan van zijn plan, dat hoe jong nog, hem reeds gansch had ingepalmd. En dan het malle figuur tegenover mevrouw Duna! Er was intusschen niets aan te veranderen, dus schreef hij haar een kort briefje, haar verzoekend dien middag in de toko te komen.

Zij kwam en luisterde aandachtig naar zijn verslag.

"Waar woont die Chinees?" vroeg zij toen hij had uitgesproken.

"Hoe, je wilt toch niet zelf....?"

"Natuurlijk. Waar woont hij?"

Hij duidde het haar uit, aarzelend.

"Zal ik meegaan?" vroeg hij ten slotte, doch zij schudde het hoofd, opstaande en zich met vluggen, veerkrachtigen stap naar haar rijtuig begevend.

Wije bleef achter; zijn wenkbrauwen omhoog, de wangen opblazend, ging hij weer naar zijn lessenaar. Hij had haar eergister een kranige vrouw gevonden en hij zou bij die opinie blijven zoolang zij uitsluitend tegenover hem haar beradenheid toonde, doch als zij deed, wat hij vermoedde dat zij van plan was te doen om Kan Liong Tjoe tot andere gedachten te brengen... dan verspeelde zij zijn achting ten eenenmale. Dan, meende hij, was het geen voorkeur die haar bewogen had hem een gunst te schenken, maar koele berekening; dan sloot zij eenvoudig een koop en payant de sa personne, en dat was gemeen, ten minste als het buiten hem omging.

Na betrekkelijk korten tijd kwam zij terug en Wije herademde toen hij aan haar gezicht zag dat zij niet geslaagd was.

"Die vent is krankzinnig," riep zij uit. "Hij loopt den geheelen dag te schelden en te mopperen. Ik heb een inlander uitgehoord, die voor zijn huis den weg stond te begieten. Had je 't niet bemerkt?"

"Neen," verklaarde Wije; "wel dat hij erg opgewonden was, toen ik met hem sprak..."

"Nu, zoo is hij den geheelen dag. Ik ben maar een oogenblik bij hem gebleven; er viel niet te onderhandelen. Maar, wat nu gedaan?"

"Niets," zeide Wije; "het sprookje is uit."

"En wat ga jij beginnen?"

"Ik... wacht totdat de vendutie is afgeloopen en dan ga ik weg."

"Weg? Waarheen?"

"Naar Holland. Hier kan ik niet leven van 't geen ik heb, en ik krijg er toch niets bij; misschien lukt me dat ginds beter, en zoo niet, dan is het daar toch altijd aangenamer wonen."

"Doe het niet," raadde zij, "het zou je tegenvallen, zooals het iedereen tegenvalt, die hier gewend is. Luister eens, nu ik mijn geld toch niet in die toko kan zetten, moet ik er meer huizen bijkoopen. Want aan een Bank vertrouw ik het niet toe, dàt laat ik aan jelui over. En ik kan als vrouw zoo moeilijk voor al die dingen zorgen, vooral als er meer bijkomt. Wil jij de administratie daarvan op je nemen? 't Is wel geen lucratieve betrekking, maar voor bijverdienste toch altijd voldoende. Dan kun je tevens hier blijven."

"Voorloopig kan ik het wel aannemen," zeide Wije. "Als ik het niet kan volhouden, is daarvoor licht iemand anders te vinden. Ik zal echter moeten verhuizen naar een goedkooper woning."

Zij had er een voor hem, in een der dwarslanen die op den Bodjongweg uitkomen; daar kon hij intrekken en voor zijn administratie het paviljoentje inrichten, dat een aparten uitgang had op een kampong-pad.

De vendutie van de toko Kan Liong Tjoe had reeds lang te voren de aandacht getrokken. Een zoo groote partij goederen, berekende men, ineens op publieke veiling, moest noodzakelijk goedkoop gaan; en men nam zich voor zijn slag te slaan, terwijl men andere inkoopen zooveel mogelijk uitstelde. Maar juist doordat iedereen dezelfde berekening had gemaakt, liep het druk en joeg men elkaar op, zoodat de opbrengst de taxatie ruim overtrof. Toen het afgeloopen was, werden de deuren gesloten, om in langen tijd niet weer open te gaan.

Wije werkte eenige dagen mede op het kantoor der firma, ten einde de finale afrekening op te maken; toen kwam het oogenblik dat de chef hem met iets weemoedigs in zijn blik, de hand reikte tot afscheid. Geen van beiden sprak een woord en even zwijgend stonden de employé's aan den uitgang der monsterkamer.

"Bonjour kerels," zeide Wije, toen hij den laatsten de hand drukte, en met brandende oogen liep hij de trap af. Beneden gaf hij een ontkennenden wenk aan den koetsier van den toko-wagen en stapte haastig voort met eenigszins gebogen hoofd. Op den Bodjong-weg gekomen, verminderde hij zijn vaart, den kant van den weg houdend, in de schaduw, den voet af en toe hoog opheffend en wijd neerzettend om over een zonneplek te stappen alsof het een plas water was.

VII.

EEN OORSPRONKELIJKE DECLARATIE EN EEN BLAUWTJE.

Thuis gekomen liep Wije onmiddellijk naar zijn kantoortje, om het geld op te bergen dat hij zooeven van de firma ontvangen had. Morgen kon hij dat bezorgen, en in één woord, aan zijn eigen zaken beginnen. Ja, het beste was maar al het oude van zich te schudden en met kalmte en moed de toekomst in te gaan, die toch zoo heel donker nog niet was. Hij scheurde de papiertjes van drie dagen van den kalender en las dat van heden: Quand tout est perdu, c'est l'heure des grandes âmes, stond er op. Wel niet heelemaal toepasselijk, doch als men het vrij vertaalde: wanneer het slecht gaat, steek dan het hoofd op, dan was het te gebruiken; bovendien kon men zich desnoods verbeelden een grande âme te zijn.

"Is u daar al?" vroeg Anneke binnenkomende. "Alles afgeloopen?"

"Ja, we zijn zoover."

Zij zag hem even aan, doch zijn gezicht stond niet treurig en ook de toon van zijn stem klonk niet gedrukt, dus scheen hij zich de zaak niet zoo erg aan te trekken als zij had gevreesd. Wat er eigenlijk gebeurd was, besefte zij niet ten volle. Nog nooit in de omstandigheden verkeerd hebbende voor zich zelf en anderen te moeten zorgen, wist zij niet wat dat beteekende, en evenmin wat het was zich te moeten verminderen, als men niet alleen staat op de wereld. Zij kon er derhalve ook geen angst voor gevoelen, en het alleen naar vinden dat haar pa ergens over tobde. Doch zoo dit niet langer het geval was, dan was immers alles in orde. Zij praatte met hem door over al wat er gedaan moest worden in de eerstvolgende dagen, hoewel ze reeds alles wist: welke meubels meegingen naar het kleine huisje en dat de rest netjes opgepoetst werd voor de vendutie. Want daarmee was reeds een begin gemaakt. En hij vond het gelukkig dat zij het blijkbaar beschouwde als een niet onplezierige verandering, zonder begrip van meerdere of mindere weelde.

Een groot uur later, terwijl Wije in zijn kamer was, stond zij in de achtergalerij en bespeurde aan den kant van de pagger van Beek, die zoodra zij hem in 't oog kreeg, haar wenkte. Zij ging er heen.

"Juffrouw Anneke, u gaat verhuizen?" vroeg hij, met iets afgemetens in zijn houding.

"Ja, dat heb ik u immers voor een paar dagen al verteld!" zeide zij.

"Juist," ging hij voort; "dus we zullen geen praatje meer kunnen houden zooals nu."

"Neen, dat is jammer. Maar u komt ons ginds toch wel opzoeken?"

"Zeker heel graag. Komt u morgen... neen... ik zal het nu maar doen. Ik... had u wat te zeggen, hier, aan de heg." En hij wees met zijn vinger op een blaadje, alsof dàt er niet bij kon gemist worden.

Anneke knipte met de oogen. Als Indisch meisje op die punten zeer gevat, begreep zij dadelijk waar hij heen wilde, doch zij miste den slag hem te voorkomen; en terwijl zij nadacht over de wijze hoe hem nog van zijn stuk te brengen, stak hij van wal, eentonig de woorden opdreunend, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzei, wat dan ook werkelijk het geval was.

"Er komt," sprak hij, "in het leven van elken man een oogenblik waarop hij diegene ontmoet, die hem aan het geluk doet gelooven. Dan grijpt er een verandering in hem plaats; uit wat hij gisteren nog gewoon en prozaïsch vond, schept hij heden poëzie, de reinste, de schoonste, die hem het hart doet zwellen in de borst, zich uit in alles wat hij spreekt of schrijft, hem den verrukkelijksten droom doet droomen en, door hem te vergrooten in zijn eigen gevoel, den moed inboezemt haar te naderen, die van dit alles de oorzaak is, en haar te vragen dien droom te verwezenlijken. Dat oogenblik is voor mij aangebroken, en die ik bemin zijt gij, Anneke. Wilt gij de zonnestraal zijn die mijn pad verlicht? En, ziet u, u kunt het best doen, wat dat betreft; mijn papa is schatrijk, hij is millionnair."

De laatste zin was oorspronkelijk.

Van Beek's declaratie had het gewone effect dat die dingen altijd hebben; er volgde geen antwoord. Maar ook uit Anneke's houding viel niet op te merken of zij hem aannam of niet. De zaak was dat zij het een niet wilde, het ander niet durfde, en het ten slotte zelf niet meer wist. De tirade door hem geuit, had zij voor ernst, voor uit hemzelf gekomen aangezien, en meende daarom dat het hem in 't hoofd geslagen was, een tijdelijke toestand, doch die misschien door een weigering bestendigd kon worden. Zij had in 't algemeen te veel kassian met hem, en thans in 't bijzonder, om hem dàt aan te doen. Dan de laatste woorden, waarvan het lompe haar ontsnapt was, doch de beteekenis niet. Millionnair! Dat wil zeggen... Anneke wist het nauwelijks, maar wel dat het nog meer was dan officier of ambtenaar, ook schoone zaken, zooals zelfs een zestienjarige gevoelt vanwege het gedurig hooren zeggen. Dat vulde aan wat er aan die hoekige gestalte ontbrak, fatsoeneerde den neus, tintte de oogen, maakte den bril tot een sieraad, was oorzaak dat zij van Beek de voorkeur gaf als zij aan Kees dacht, maar aan Kees als zij van Beek voor zich zag.

Terwijl de gedachten haar door het hoofd kruisten in snelle opvolging en afwisseling, het antwoorden onmogelijk makend, zich oplossende in één verlangen, om weg te kunnen loopen, stond van Beek daar onbewegelijk, schijnbaar zonder spanning en onverschillig. Een vraag om antwoord, een aandringen, had hij te voren niet geprepareerd, en in zijn langzaam denken kon zich dat niet zoo ineens ontwikkelen, daar waren minstens eenige dagen mee gemoeid. Hij bleef staren op haar bewogen trekken, niet in staat daarvan af te lezen wat zij uitdrukten.

"Anneke! Waar ben je?" riep haar vader; en het was een verlossing.

"Ik zal het papa zeggen," sprak zij, zich verwijderend.

"Alsublieft," zeide hij, "dan ben ik er meteen af."

Anneke hoorde het laatste niet meer; op een drafje snelde zij naar het huis terug. Wije was gekleed en had zin een eindje te wandelen. Anneke deed dit gaarne; en om uitstel te voorkomen, en tevens zelf nog eens te kunnen bedenken hoe zij het zou vertellen, zeide zij voorloopig niets van het zooeven gebeurde.

Toen zij terugkwamen was het donker met zwartbewolkte lucht. De lantaarns, opgehangen in het midden tusschen de boomen, vermochten hun petroleumlicht niet te doen doordringen tot op den weg; het bescheen slechts een bolvormige ruimte in de duisternis, daartegen zichtbaar stuitend, met takjes en bladeren van boomen in den kring, groener dan overdag, door de inwerking van het oranjegeel schijnsel. Laag bij den grond, dicht langs den wegkant, de oliepitjes en smeulende stukken hout, waarvan men de inlandsche dragers niet zien kon, dan als voorbijzwevende vlekken op het zwart rondom.

Gestuurd door de gewoonte van dagelijks doen, vonden Wije en Anneke hun weg op het voorerf, zij hangende aan zijn arm tot zij stil stonden voor de trap van de voorgalerij, er tegen stootend met den voet.

"Papa, van Beek heeft mij gevraagd."

Hij liet haar los, onwillekeurig starend in de richting waarin zij stond, een hè! van verrassing uitstootend. Maar hij kon haar niet zien; en kloppend op zijn zak, waarin hij gewoon was een doosje lucifers te hebben, liep hij naar binnen; Anneke hem achterna, de warme kleur die zij bij het zeggen der laatste woorden had gekregen, onder het gaan voelende zakken, langzaam wegtrekkend van haar voorhoofd naar omlaag in haar hals. Haastig stak hij de lamp op, en die nog vasthoudend, het hoofd half onder de kap, zag hij haar scherp aan; te laat.

"Je hebt zeker nog wel meer te vertellen?"

"Neen pa."

"Wat heb je hem geantwoord?"

"Niets pa; alleen dat ik het u zou zeggen."

"Doe me een plezier en zeg wat je wilt. Het is je gewoonte niet om je de woorden zoo uit de keel te laten halen; waarom dat dan nu gedaan?"

"Omdat ik het zelf nog niet weet," zeide Anneke eenvoudig. "Ik zou graag trouwen, maar liever niet met van Beek."

"Je zegt dat op een toon alsof je bedoelde: desnoods met van Beek."

"Ja pa, dat bedoel ik."

Wije zweeg, niet wetend hoe hij het had. Hij zag haar aan, terwijl zij droomerig naar buiten staarde, en ontdekte een vreemden trek om haar mond, rimpels, loopende van de neusvleugels naar de mondhoeken, cirkelvormig. Hij kende dat bij oudere meisjes, die een leeftijd hadden bereikt waarop zij heetten te berusten in het denkbeeld van nooit te zullen trouwen, doch bij Anneke vond hij het onrustwekkend vroeg. Het gaf hem een vraag in, die hij niet durfde uiten, zich geneerende voor het antwoord, al kwam dat van zijn eigen dochter.

"Correspondeer je nog met Duna?" vroeg hij, naar den bekenden weg.

"Ja pa. Kees komt over een week of wat thuis."

"Hoe sta je met hem?"

"We zijn altijd goede vrienden geweest, en met Sinterklaas... dat weet u." Zij stond op, om uit het glazenkastje, aan het andere eind van de galerij, de minoeman te krijgen, zijn verklaring overhoorend, dat hij het eigenlijk niet wist. Maar toen zij weer terugkwam, erg druk met het overeindzetten der glaasjes en inschenken, was hem plotseling een andere gedachte ingeschoten, aan mevrouw Duna.