Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman

Part 15

Chapter 154,092 wordsPublic domain

"Als het nu eens van Kees was," zeide zij, "zou dat zoo'n wonder zijn? We zijn immers altijd zulke goede vrienden geweest, dat.... Met zoo gek kijken, pa! Zal je 't laten? Daar dan... 't is uw eigen schuld... Ik hou heel veel van Kees." Bij het uitspreken der laatste woorden had zij in de lucht gekeken; nu verliet zij haar tijdelijke zitplaats en meteen het doosje meenemende, dat Wije naast zich gezet had, besliste zij: "En daarom mag ik het ook hebben."

Zij zette zich, eenigen tijd zwijgend voor zich starende, terwijl ook Wije zijn mond hield. Hij vond het heel moeielijk nu iets verstandigs te zeggen; hij moest er eerst eens over pikiren. Om een afleiding te vinden, die hij nu wenschte, nam hij het nog altijd ongeopende doosje van Piong Pan Ho. Een kreet van verbazing ontsnapte hem, en lokte Anneke weer naast zijn stoel.

"Gut pa, hoe mooi!" riep zij uit, haar blik vestigende op het geschenk van den Singkeh. "Hij heeft woord gehouden. Weet u nog wel dien avond, toen hij zei, dat hij het bloedkoralen snoertje zou omzetten in goud en edelsteenen?"

"Ja," zeide Wije; "maar hij heeft overdreven. Je zult dien armband, althans voorloopig, niet kunnen dragen. Een briljant als daar in gezet is, bezit misschien niemand hier."

"Och".... begon Anneke, die meende dat juist dit de groote aardigheid er van was; maar zich bedwingend vervolgde zij: "Wat zonderling dat iedereen hetzelfde geeft!"

"Ja, dat kan zoo treffen," zeide haar vader. "Vooral bij huwelijkscadeaux is het dikwijls het geval dat men met één artikel overstelpt wordt, bijvoorbeeld met ijskannen. Het grappigst van dien aard, dat ik ooit heb gezien, gebeurde toen ik pas hier op de plaats was. Ik woonde toen samen met iemand, die eenige jaren ouder was dan ik, en zich in gezelschappen heel aardig had gelanceerd. Op zijn verjaardag kreeg hij acht cadeautjes, van acht jonge dames, die allen gemeend hadden de vele attenties zijnerzijds niet beter te kunnen beantwoorden, dan door een handwerkje voor hem te maken. Ik zie ze nog arriveeren! Het eerste was een sluimer-rol. "Kijk," zei mijn contubernaal, "dat is gezellig. Zoo'n ding geeft aan je inrichting een prettig cachet." En hij gaf het een plaats. Het tweede was..."

"Weer een sluimer-rol?"

"Juist. En zoo ging het voort. Ik zie geen kans je te beschrijven welk een humeur mijn vriend bezielde, toen het zesde, het zevende..."

"Ajàkkes, pa!"

".... en eindelijk het achtste pakket geopend was! Acht sluimerrollen! Ik had moeite de onschuldige dingen tegen zijn woede te beveiligen."

"Die arme dames!" zeide Anneke. "Men zou bang worden ooit meer iets voor een heer te maken.--Het wordt zoo zachtjes aan laat... en ik heb slaap. Zal ik uw boeltje te gelijk wegbergen?"

"Dat is goed," vond Wije. Doch hij geloofde niet veel aan dien voorgewenden slaap. Zij ging natuurlijk in haar kamer zitten turen op dat ding van dien Duna; jawel, dat was te begrijpen. Enfin, men was nog zoover niet, en hij wilde er zich nu het hoofd niet mee breken. Het beste was maar Anneke's voorbeeld te volgen; alleen te zitten was toch erg ongezellig.

Een paar weken later ontving Wije een schrijven van de directie der sociëteit, erg officieel, tot zelfs in de manier van dichtvouwen, waarin hij een berisping las over zijn gedrag bij gelegenheid van het jongste feest. En waarlijk, men had kans gezien het stuk zóó op te stellen, dat er voor Wije's gevoel niets kwetsends in stond. Er was een briefje bij van den secretaris, dienende om dit vooral nader toe te lichten.

"... Er werd veel gekakeld," schreef deze, "en het duurde een heele poos eer ze het eens waren. Eindelijk zou niemand voor zoover hemzelf betrof, een andere handelwijze hebben voorgestaan dan nu gevolgd is, zoo er niet van buitenaf invloeden aan 't werk waren geweest. Het komt mij voor dat je een paar fameuse stille vijanden hebt...."

Lachend om deze uitdrukking, verscheurde Wije de beide geschriften en begaf zich aan zijn arbeid.

VI.

OOK EEN COMPAGNON.

Het was een drukke tijd. Om een zuivere balans te kunnen opmaken wilde men den geheelen inventaris van de toko opgenomen hebben, iets wat in de meeste zaken slechts met een taxatie wordt afgedaan. Het lastige hierbij was dat de verkoop ondertusschen niet stilstond en er in de aanwezige hoeveelheden dagelijks dus verandering kwam, die zorgvuldig moest worden bijgehouden. Met de ijverige hulp zijner bedienden kwam Wije er doorheen, en een week na Nieuwjaar verraste hij zijn chef met de netjes geschreven lijsten.

"Mooi zoo," zeide deze. "Nu kunnen ze hier aan den slag komen. Als je 's morgens een half uurtje kunt komen helpen met inlichtingen en zoo, zullen ze die balans spoedig genoeg klaar hebben.--Apropos, Kan Liong Tjoe is hier geweest; het is al eenigen tijd geleden, maar met die drukte is 't mij door het hoofd gegaan; hij wou, geloof ik, zijn zoon in de toko hebben. Kan je dien plaatsen?"

"Hij is met hetzelfde verzoek bij mij geweest," antwoordde Wije, "en ik... heb het met de drukte óók vergeten."

"O zoo," zeide de chef, na Wije een poos te hebben aangekeken. "Is je bedoeling het blijvend te vergeten?"

"Ja meneer. Ik had informaties..."

"Al goed; 't is mij onverschillig."

Zonderling, dacht Wije bij het heengaan, als de zaken maar marcheeren wordt de lastigste chef tam!

Een week of wat later kreeg hij de boodschap om 's morgens van den volgenden dag op het kantoor te komen en te blijven bij het afsluiten der balans. Wije had daarvan slechts een vaag begrip. Zoolang hij bij de firma was geweest, herinnerde hij zich, dat telken jare de chefs, de procuratiehouder en de hoofdboekhouder zich een geheelen morgen opsloten in de chefskamer. Zij trokken er met gelegenheidsgezichten in en kwamen er met fideele gezichten uit, mompelend "'n mooi jaar!" En de employé's, die fijne opmerkers, wisten een uur daarna elkaar precies te vertellen of het een heel mooi, dan wel een matig mooi jaar was geweest. In het laatste geval toch werden zij uitgenoodigd, om met de chefs op het welzijn der firma een glas bier te drinken; in het eerste geschiedde hetzelfde, doch met champagne, en zoo er voor de tweede maal werd ingeschonken... ja, dàn bleef ook een maand extra-tractement niet uit!

En nu moest Wije tegenwoordig zijn bij zulk een geheimzinnige handeling in de chefskamer, want het betrof de balans van de door hem bestuurde toko. Wije betrapte zich, bij het binnenkomen, op het deftig plooien van zijn trekken; dat was aanstekelijk! Maar wat er binnen gebeurde viel hem tegen; daar zat nu niets maçonnieks in; het was eenvoudig beraadslagen over de sluitposten: hoeveel men mocht en kon afschrijven, zonder het winstcijfer te sterk te drukken. En hier viel niet veel te redeneeren; er was flink verdiend en er behoefde geen schijn te worden opgehouden; men kon zoo royaal te werk gaan als men verkoos. Het duurde dan ook niet lang of de boekhouder zat van zijn kladstaten de posten over te schrijven in de boeken.

"'t Is verbazend goed gegaan," merkte de chef op, zich met Wije bij een venster opstellend, en fluisterend om den boekhouder niet te storen. "Jij komt er ook best af; en dat doet me het meeste pleizier."

"U is wel vriendelijk, meneer."

"Ja, want toen we je in de toko plaatsten, had ik er een zwaar hoofd in. Maar zooals het nu gaat, zit er een fortuintje voor je in. Eén ding is jammer, dat de zaak weer aan Kan Liong Tjoe teruggaat zoodra wij voldaan zijn; anders kon je er best voor teekenen."

"Zou Kan Liong Tjoe er niet uit te houden zijn? Ik bedoel, dat hij alleen de winst thuis krijgt?"

"Ik twijfel er aan. Maar ik zal er Duna eens over hooren; het zou voor ons ook veel voordeeliger en solieder zijn."

"Meneer Duna is op reis, niet waar?"

"Ja, hij is even naar Soerabaja. Maar dat belet jou niet om te toucheeren wat je toekomt."

"O, daar dacht ik niet eens aan," zeide Wije.

Zij keken een tijdlang uit het raam, naar de onder hen voortbewegende drukte van sappie-karren, toko-wagens en kisten pikelende inlanders. Toen kuchte de chef en zeide:

"Van Beek komt nogal eens bij je, niet waar?" En op Wije's bevestigend gebaar, ging hij een weinig aarzelend voort: "Ik heb hem zoo'n beetje onder mijn voogdij, naar je weet; houd me dus de vraag ten goede: Trekt hij verliefde gezichten tegen je dochter?"

"Niet dat ik weet," antwoordde Wije, vroolijk. "Hij vertoont steeds dezelfde merkwaardige facie, die alleen verandert als hij lacht of gaapt."

"Ik zal je zeggen waarom ik het vroeg," zeide de chef ernstig blijvend. "De oude heer van Beek heeft van iemand--wie doet er niet toe--een zoogenaamde waarschuwing ontvangen. Hij heeft die natuurlijk aan mij gezonden... trouwens, dat is al iets heel bijzonders. Weet je hoe Hollandsche menschen gewoonlijk doen?"

"Neen..."

"Wel, die met Indië te maken hebben, houden er hier één persoon op na, bij wien zij alles informeeren of door wien zij zich geregeld bericht laten zenden. Wat zij buitendien ontvangen, gaat zonder mededoogen in de voddenmand."

"Dat is toch niet altijd verstandig!"

"Dikwijls niet, maar... Enfin, ik heb geantwoord, dat naar mijn weten, er niets van aan was. Voor de voorzichtigheid heb ik er nog bijgevoegd: en al was het zoo, dan zou je zoon den verstandigsten streek doen, die hij ooit van zijn leven kon uithalen. Ik heb het wel in andere woorden uitgedrukt, maar je begrijpt...."

"Jawel," zeide Wije. "Nu, ik ben zeer gevoelig voor uw opinie..."

"Ik ben klaar, meneer," klonk het van den anderen kant der kamer, en zij braken hun gesprek af om zich weer aan de "zaken" te wijden.

"Mag ik u feliciteeren, meneer," zeide ten slotte de boekhouder. "En jou ook, Wije; je hebt het er kranig afgebracht."

En er verscheen ook champagne, waarop de overige employé's geïnviteerd werden. Weer stonden zij allen om Wije heen, evenals zooveel jaren geleden. Het waren op een enkel na, dezelfde gezichten, alleen wat verouderd, doch dat merkt men niet, als men met elkaar gelijk op leeft, en zij uitten hun gelukwenschen voor de toekomst, juist als toenmaals.

Toen Wije het kantoor verliet, om naar zijn toko terug te keeren, deed de chef hem uitgeleide tot aan de trap, arm in arm met hem over de monsterkamer wandelend en hem tot driemaal toe de hand schuddend op amicale wijze. Van den toko-wagen wilde hij geen gebruik maken; hij had behoefte zijn ledematen eens flink uit te strekken. En dit deed hij, zonder te letten op den modder en de plassen, zoodat de voorbijgangers hem verbaasd aankeken en snel uitweken om niet bespat te worden. Hij had het gezien, onder cijfers, wat hij voor zich reeds sedert maanden had vermoed, gezien met eigen oogen, dat hij nu geld genoeg bezat om zoo noodig onafhankelijk te kunnen leven. Op bescheiden voet, weliswaar, maar het kòn toch. En als er nog een jaar bij kwam, zoo gelukkig als het afgeloopene, dan zou hij er mee uitscheiden en naar Holland gaan; voorgoed, en daar een welverdiende rust genieten, bij een heel klein beetje werken voor eigen plezier. Het aardigste was dat niemand het kon gissen! Want hij had zijn spaarpenningen nooit bij één kantoor gelaten, doch hier een weinig, dáár een weinig, wat courante aandeeltjes in plaatselijke prauwenveeren, een paar spaarbankboekjes, en zoo voort. Maar nu werd het lastig; het bedrag dat hij dezer dagen zou toucheeren was te groot, om zoo maar te worden weggemoffeld... soedah! hij kon er nog een poos over nadenken, en zelfs al vond hij er niets op, dan was die verlegenheid eigenlijk niet eens zoo erg.

Behoefte gevoelende zijn geluk mee te deelen aan een ander, liep hij bij Piong Pan Ho binnen. Deze was zeer verheugd dat meneer zooveel oentoeng had, en zelfs min of meer verbaasd dat de toko nog zóóveel had afgeworpen. Dat was bijna zoo goed als de losse handel, dien hij met een deel van zijn geld dreef! Als meneer wilde dan zou hij eens wat kapitaal voor hem uitzetten.

"Ik dacht," zeide Wije, bij dit aanbod stilstaande, dat hem na zijn overlegging van even te voren niet zoo verwerpelijk scheen, "dat je zelf met je geld geen weg wist."

Dat was zoo geweest, legde de Singkeh uit, maar nu niet meer. Hij had nieuwe kanalen gevonden, en... men had hem een belegging aangewezen, die wel geen groote winsten zou geven, maar toch buitengewoon voordeelig beloofde te zijn. Meneer herinnerde zich wel wat zij destijds samen besproken hadden, over die cadeaux? Nu, hij had er wil van gehad. Men was bij hem gekomen om eens poolshoogte te nemen. Bij die gelegenheid was er druk gesproken en men had hem verteld wat hij zoo al aan onroerende goederen moest kunnen aantoonen, om in aanmerking te komen voor luitenant-Chinees. Want het stond niet om enkel vlottend kapitaal te hebben, dat zàg men niet. En zoo terloops was er gepraat over een suikerfabriek in het Japarasche, die te koop was.... De vorige week had hij haar gekocht; en nu zou de zoo gewenschte benoeming wel niet lang meer uitblijven, ten minste er werd al voor gezorgd.

"En wou je mijn geld in die suikerfabriek steken?" vroeg Wije.

"Tida!" riep Piong Pan Ho; "ik zal er mee handelen; dan mag meneer er later een suikerfabriek voor koopen."

De Chinees beschouwde die suikerfabriek blijkbaar als een stuk dood kapitaal of een voorwerp van luxe; doch Wij e wilde hem niet vragen, wat hij dan onder "handel" en "serieuse zaken" verstond, uit vrees van een antwoord te zullen krijgen dat hem zou weerhouden zijn geld aan Piong Pan Ho toe te vertrouwen, vanwege het soort dier zaken. Hij beloofde dus binnen een paar dagen terug te zullen komen, zoodra hij het in de toko door hem verdiende had ontvangen. De Singkeh vond het uitstekend en droeg hem de groeten op aan Anneke, een beleefdheid die hij nooit verzuimde sedert zij eenige dagen na Sinterklaas met haar vader was meegekomen om hem persoonlijk te bedanken.

De heer Duna was van zijn reis terug en zat bij Wije's chef, de boeken van de Chineesche toko na te zien. In het notitieboekje dat geopend naast hem lag, schreef hij nu en dan iets op. Eindelijk sloeg hij de boeken dicht.

"Wel?" vroeg de chef.

"We zijn er," zeide Duna.

"Hoe bedoel je dat?"

"Ik zal Kan Liong Tjoe laten aanzeggen, dat hij het nog ontbrekende moet aanzuiveren."

"Dat kan hij immers niet!"

"Dan houden we vendutie van den inventaris en de goederen. Ik zie dat die er ons juist zullen brengen. En desnoods maken we gebruik van onze hypotheek op het pand zelf."

"Maar wat bezielt je, Duna? Dat is tegen alle afspraak."

"Lees dan de contracten nog maar eens over."

"Die zijn voor geval van nood."

"Dat zie ik anders in," zeide Duna bedaard. "We hebben die zaak geëntameerd om ons geld te redden, niet om Kan Liong Tjoe van dienst te zijn. Of denk je dat die een oogenblik zou hebben geaarzeld jou te bedriegen en schade te doen, als hij had gekund? Waarom dan consideratie gebruikt tegenover hem?"

"Dat toegegeven; maar het plotseling opheffen dier toko zou aan onzen afzet enorm veel kwaad doen."

"Onzin; wat de een minder neemt, neemt de ander meer; aan de behoefte moet worden voldaan."

"En Wije?"

"Dat is jouw zaak. Maar ik mag het geld van onze instelling niet zoo lang vastzetten; dat strijdt tegen alle gezonde beginselen."

"Nu, maar ik neem geen genoegen met die handelwijze."

Duna haalde de schouders op, alsof hem dat volmaakt onverschillig was.

"En ik waarschuw je," vervolgde de chef, zich opwindend, "mij niet te contrarieeren. Het zou je berouwen."

"Al genoeg," zeide Duna, opstaande. "Ik wil je niet overhaasten. Als de boel tegen einde Mei uit de wereld is, ben ik tevreden; dan kan ik er nog een woord over zeggen in mijn verslag. Neem jij het op je om Kan Liong Tjoe aan te pakken, of zal ik het doen?"

"Doe jij het. Misschien bedenk je je nog wel. En anders, denk aan mijn waarschuwing!"

"Allright," spotte Duna. "Bonjour!"

Het was voor Wije een harde slag, toen hij het besluit van den heer Duna vernam. De chef trachtte het hem te verzachten door de mededeeling, dat Duna zelf er niet lang plezier van zou hebben. Hij grondde deze voorspelling op den reeds genoemden brief van den ouden heer van Beek. Deze toch had gevraagd wie die mevrouw Duna was? Of haar man aan het hoofd stond van het Semarangsche kantoor dier crediet-instelling in welke hij, van Beek, verscheiden aandeelen bezat? Zoo ja, of de chef hem dan eens een en ander wilde schijven over het verband tusschen de mooie deftige verslagen en het kleine dividend van die zaak. Nu, dàt zou hij doen, dáár kon Duna op rekenen! Doch Wije, ofschoon gestreeld door de warmte waarmee de chef voor hem partij trok, en ook een weinig door het uitzicht op wraak, putte uit dat alles niet veel troost. De schoone toekomst, die hij zich gedroomd had, lag in duigen. Het ergste was dat hij een betrekking zou moeten gaan zoeken, want de firma kon hem, vanwege de inkrimping die haar zaken door dit geval zouden ondergaan, niet weer als verkooper aannemen. Of men moest Terborg ontslaan; en dàt wilde hij niet. Hij besloot er maar dadelijk werk van te maken; het haastte wel niet, maar er was ook niet zoo dadelijk een vacature. De chefs, die hij er in de nu volgende weken over aansprak, beloofden allen zijn sollicitatie in het oog te zullen houden; op 't oogenblik had niemand een plaats voor hem, maar... men kon nooit weten. Doch toen er op een paar dier kantoren werkelijk vacatures kwamen en deze werden aangevuld, zonder dat men om hem scheen te denken, kreeg Wije den indruk dat men hem "aan 't lijntje hield" met halve toezeggingen, doch dat feitelijk niemand hem plaatsen wilde. En toen hij, om daarvan zekerheid te krijgen en tevens van de redenen die de menschen tot een dusdanige handelwijze bewogen, nogmaals aanklopte, ontving hij de meest zonderlinge en voor hem onbegrijpelijke antwoorden. Men had gedacht dat hij die betrekking niet zou willen hebben, dat die andere te veel buiten zijn eigenlijke line of business lag; één had hem zelfs voor te ontwikkeld geoordeeld, om hem te kunnen aannemen als inférieur van een ander employé, die "niet erg hoog vloog!" Sommigen beweerden dat het hun speet zich vergist te hebben, een beleefdheid die anderen weer verzuimden, maar het eind van de historie bleef: geen betrekking.

Men had iets tegen hem, dat bleek hoe langer hoe meer. Maar wat? Na veel vergeefsche pogingen om er achter te komen, gelukte het Wije ten slotte een der hoogstgeplaatste employé's eener groote firma aan het spreken te krijgen. Hij vond zijn vermoeden bewaarheid. Er was destijds iets met hem gebeurd, vertelde men; het rechte wist natuurlijk niemand, doch het was niet geheel in orde met hem. En bij gebrek aan bekende feiten, sprak men eenvoudig over zijn "antecedenten." Dat woord was door één gebruikt, en het had opgang gemaakt: iemand met zijn antecedenten wilde niemand hebben. Iedereen sprak er over, maar niemand was er verantwoordelijk voor. Telkens als Wije er een aanklampte, verklaarde de zoodanige het natuurlijk beter te weten, Wije's antecedenten waren van de beste soort, het was onzin, laster en zoo voort. Elk afzonderlijk was hem bijzonder genegen en beloofde hem zijn steun, zoowel tot verkrijging van een betrekking als tot tegenspreken van alle mogelijke kletspraatjes... doch met hun allen drongen zij hem onverbiddelijk uit hun maatschappij.

Wije worstelde wanhopig tegen, pleitte zich moe om een beschuldiging van zich af te wentelen, die... eigenlijk niet eens een beschuldiging was, om ten slotte in te zien dat zijn moeite vergeefsch was. Tot het uiterste verbitterd gaf hij het eindelijk op, allen die betrekkingen te vergeven hadden collectief voor een "vervloekten ploertenboel" uitmakend; iets wat men zich eveneens collectief aantrok, terwijl elk afzonderlijk het volkomen met hem eens beweerde te zijn.

Eindelijk werd de vendutie van de toko in de nieuwsbladen aangekondigd, en nog had Wije geen betrekking. Zelfs zijn sollicitaties naar andere plaatsen op Java, waren zonder vrucht gebleven; het scheen wel dat zijn antecedenten hem ook daarheen vooruitgeloopen waren!

Op een avond zat hij ongekleed in zijn achtergalerij. Het was een uitzondering. Hij kleedde zich anders altijd; maar vandaag had hij er geen trek in gehad; en daarbij kwam dat Anneke uit was, en eerst in den naävond zou terugkomen. Voor wien zou hij zich dus kleeden? Hij gaapte eens, ten bewijze dat de rest van het menschdom hem geheel onverschillig was.

Er kraakte een voetstap in de grind van het voorerf. Wije hoorde het, door de aan beide zijden der binnengalerij openstaande deuren. Hij trok de schouders op en strekte zich behagelijk uit in zijn luierstoel, zoodat de verlengstukken, waarop zijn beenen lagen, zwiepten en een kreunend geluid gaven; hij dacht er niet aan te ontvangen, maar zou belet geven. Wel zeker, die weelde kon hij zich nog veroorlooven!

Doch er volgde geen sapada-geroep. Zonder zich één oogenblik te bedenken, stapte de bezoeker voort, het huis in, door de donkere galerijen, recht op het licht af dat achter brandde. Wije zag verbaasd op, vooral in den laatsten tijd aan dergelijke familiariteiten niet gewoon. Even achter de deur hielden de voetstappen op en Wije bespeurde in het halfduister de omtrekken van een vrouwengestalte, die hem wenkte. Met een gevoel van ergernis en nieuwsgierigheid te gelijk, schoot hij zijn sloffen aan en voldeed aan het zwijgend verzoek. In de binnengalerij stond hij neus aan neus met mevrouw Duna, die zich weer geheel in het donker had teruggetrokken, zoodat Wije, uit het licht komend, geruimen tijd werk had eer hij haar herkende.

"Ik moet u even spreken," zeide zij, "over zaken. Maar niemand behoeft te weten dat ik hier ben geweest. Kunnen we ergens gaan zitten?"

"Laat ons dan in mijn kantoortje gaan," sloeg hij voor, de deur daarvan openend. Binnengekomen, sloot hij de jaloezieën en stak de lamp op.

Het was een gezellig kamertje. Ongeveer een meter van den muur af stond de schrijftafel en daarboven hing de lamp, dus niet in het midden, wat al dadelijk de stijfheid der gewone Indische inrichting brak. In een hoek, schuin achter den lessenaar, was een halfronde rustbank geplaatst, waarachter een kleine draperie, gekroond door een witmarmeren beeldje op een hoekconsôle. Het verdere meubilair bestond uit stoelen en knaapjes, zóó gesteld, dat men haast overal, door de stoelen een weinig te verschikken, een zitje had. Het geheel lokte als het ware uit tot causeeren.

Mevrouw Duna nam plaats op de rustbank; en met een gebaar dat zij zacht wou spreken, drong zij Wije een stoel te kiezen, die daar vlak tegenaan stond.

"Men zegt dat u overal rondloopt om een betrekking," begon zij; "is dat waar?"

"Hm..." deed Wije verlegen.

"Wat belet u om op die vendutie alles op te koopen en de zaak eenvoudig voort te zetten?"

Hij schrok ervan. Het was iets waaraan hij in 't geheel nog niet gedacht had, en het imponeerde hem dit denkbeeld, dat zoo stout maar tevens zoo zakelijk was, door een vrouw te hooren opwerpen.

"Ik heb niet zooveel geld," zeide hij. "En denkt u dat zij, die mij niet eens een betrekking willen geven, mij kapitaal zouden toevertrouwen?"

"Ja, daar heb ik van gehoord," zeide zij, antwoord gevend op het laatste deel van zijn gezegde. "Die mannen meenen gewoonlijk dat zij de wijsheid in pacht hebben, doch ze zijn met hun allen één groote domheid. Wat de een den ander niet kan nadoen deugt niet. Maar soedah, je sprak over geld... Je begrijpt wel dat ik hier niet ben gekomen enkel om een praatje te maken?"

Of hij dat begreep! Men had haar slechts aan te zien, om te weten dat zij steeds met een doel sprak of handelde.

"Ik zou het niet durven veronderstellen," zeide hij, met iets ondeugends in zijn blik.

"Doe het dan ook niet," zeide zij kort.

"Ik wil in die toko je compagnon zijn. Denk daar eens over na, en vertel me dan hoeveel geld je zelf kunt bijbrengen en hoeveel je schat dat er noodig is om alles op te koopen."

Hij noemde een bedrag van tachtigduizend gulden, als zijn schatting van de opbrengst der vendutie, en meende daarvan zelf ongeveer de helft te kunnen voldoen. Het scheen haar mee te vallen.

"Er zal nog wel wat meer noodig zijn?" informeerde zij. "Men moet toch voor de loopende uitgaven wat hebben!"