Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman

Part 14

Chapter 143,976 wordsPublic domain

Op een morgen verscheen Kan Liong Tjoe in de hem ontnomen toko. Toen hij binnenkwam stond Wije met den rug naar den ingang, een bediende iets aan te wijzen bij een der stellingen met goederen, en deze, die de ontvangen inlichting, volgens een door Wije ingevoerde gewoonte, repeteerde om te doen blijken dat hij het begrepen had, dempte plotseling het geluid van zijn stem, terwijl een ander die haastig kwam aanloopen van uit het magazijn, eensklaps zijn vluggen tred inkortte en voortliep met een slentergang dien Wije al sinds maanden niet meer kende. Het was zulk een verrassende verandering, dat Wije, die met een snellen blik hetzelfde ook bij de overige bedienden opgemerkt had, den bewerker daarvan onwillekeurig onvriendelijk te gemoet trad.

"Mau apa di sini?" [6] vroeg hij norsch en uit de hoogte.

Kan Liong Tjoe had wel weer heen kunnen gaan, zoo hij ten minste gekomen was met het voornemen om den door zijn komen veroorzaakten toestand te bestendigen; want nauwelijks hadden de bedienden gehoord op welken toon hun vroegere baas werd aangesproken, of zij gingen weer hun gang als bestond er geen Kan Liong Tjoe. Wellicht gevoelden zij dat hier een conflict dreigde te ontstaan tusschen de groote machten, waarin de kleinere, zoo zij er zich in mengen, steeds het gelag betalen.

"Ik wilde meneer gaarne even spreken," zeide Kan Liong Tjoe beleefd, en toen Wije hem medegenomen had naar het hoekje waar hij zelf vroeger zijn menschen ontving, vervolgde hij: "Men zegt dat het zoo goed gaat met de toko."

"Jawel," antwoordde Wije, nog steeds kortaf; "maar je komt zeker niet alleen om dàt te vertellen."

"Om te vragen of het waar is."

"Nu ja! Het is waar. Wat verder?"

"De menschen zeggen dat het komt doordat meneer zoo pinter is."

"Dat kan wel," lachte Wije, door deze woorden toch eenigermate gevleid.

"Nu dacht ik," zeide Kan Liong Tjoe, "dat zoodoende de toko gauw weer aan mij terugkomt. Maar wat zou ik er aan hebben, als ik haar toch niet zoo goed kan beheeren, dat zij winst afwerpt?"

"Waar moet dat heen?" vroeg Wije zich af. "Denkt hij mij te kunnen engageeren voor dat geval?"

"Met mijn andere zaken gaat het ook al niet," vervolgde de Chinees. "Ik kan er van leven totdat ik de toko terugkrijg, maar meer ook niet. En dan gaat het toch niet, omdat ik niet pinter genoeg ben. Mijn schuld aan de firma is heel groot; het kan nog eenige jaren duren eer die uit de toko is betaald; zou meneer mijn zoon als bediende willen aannemen en hem leeren, tot hij bijna zoo pinter is als meneer zelf?"

Wije's gelaat betrok. Hij had niet veel zin in dat voorstel, daar hij den Chinees niet vertrouwde en het zoontje achteraf wel eens een nieuwe oplage van het Trojaansche paard kon blijken. Aan den anderen kant had hij medelijden met den man, die in zijn eigen zaak een plaatsing kwam vragen voor zijn zoon. En over 't algemeen weigert men niet graag iets aan iemand, die voor een ander wat komt vragen. Wije aarzelde.

"Eerst had ik naar de firma willen gaan," zeide Kan Liong Tjoe, het zwijgen van den ander misduidend, "maar ik bedacht dat ik beter deed, voor ik daartoe overging, bij meneer te komen."

Lag in deze woorden een bedreiging? Wije meende het en werd woedend. Als de Chinees naar de firma ging, stond de kans tien tegen één, dat de chef hem terwille zou trachten te zijn, enkel en alleen omdat hij, Wije, het anders inzag. Er zou weer een reeks onaangenaamheden uit voortvloeien, maar.... hij liet zich niet dwingen en niet dreigen ook. Op het punt Kan Liong Tjoe met een weigering af te schepen, ging hem echter plotseling de vraag door het hoofd: wat zouden de Chineezen er van zeggen? Dáármee viel rekening te houden, dat moest eerst onderzocht.

"Ik zal er over denken," zeide hij, "en je dezer dagen bericht sturen. Trouwens op het oogenblik is er personeel genoeg."

"Hij behoeft geen geld te verdienen, eer meneer hem werkelijk gebruiken kan," opperde Kan Liong Tjoe.

"Begrepen," zeide Wije. "Nu, zooals gezegd, ik zal bericht sturen." Hiermede liet hij den Chinees gaan.

Er verliepen een paar dagen, gedurende welke Wije het te druk had; doch toen begaf hij zich, op een middag, naar Piong Pan Ho om dezen te raadplegen. Hij trof hem gelukkig thuis, wat anders een zeldzaamheid was, daar de Singkeh in den laatsten tijd bijzonder dikwijls op reis ging.

"Kan Liong Tjoe is een dikke leugenaar!" barstte Piong Pan Ho los, na Wije aangehoord te hebben. "Nu hij de toko kwijt is, heeft hij meer vrijheid en ruimte in zijn zaken dan voorheen; en met de tienduizend gulden die ik voor zijn aandeel in de pacht heb gegeven, ontbreekt het hem niet aan contanten. Meneer moet het niet doen; het is een akal, daar ik die varkens in de toko wel commandeeren kan, doch hem niet, noch zijn zoon. Maar anders had hij dubbel het pak rottan-slagen verdiend, dat ik toen aan dien bediende heb laten geven."

"Oho!" riep Wije uit. "Ik heb er lang over gepikird, sobat, hoe je dat in der tijd hebt aangelegd..."

"U zult het toch niet aan den resident vertellen?"

"Waar zie je me voor aan? Je hebt me immers geholpen!"

"Betoel," zeide Piong Pan Ho, die er nu reeds aan begon te wennen tusschen oorzaak en gevolg, waar hij het verband niet zag, daarvoor eenvoudig het geheimzinnige Europeesche ati in de plaats te brengen; een begin van abstraheeren! "Dus meneer keurt de rottan-straf niet af?"

"Neen," zeide Wije, "dat doet niemand."

"Waarom hebben de Hollanders die dan verboden?"

"Ja, dàt weet ik ook niet."

"Sebab dia poenja ati baik," [7] besliste Piong Pan Ho, waarmee Wije lachend instemde.

"Wat is dat toch voor een feest," vroeg de Singkeh een oogenblik later, "waarvoor al de toko-blanda zoo mooi gemaakt worden?"

Wije legde hem uit, zoo goed hij kon, wat Sinterklaas was.

"Het is aardig voor de kinderen, dat zij op dien dag cadeautjes mogen ontvangen," zeide Piong Pan Ho met een uitdrukking alsof hij zich plotseling iets herinnerde. "Maar," ging hij peinzende voort, "nemen ook groote menschen geschenken aan op dat feest?"

"Zeker," antwoordde Wije. "Hoezoo?"

"Ik wou graag luitenant worden," fluisterde de Singkeh.

"Pas op!" waarschuwde Wije. "Een poging tot omkoopen wordt zeer kwalijk opgevat."

Dat wilde de Chinees dan ook niet doen, enkel een cadeau sturen aan de mevrouw; als die maar dikwijls tegen haar man zeide, "die Piong Pan Ho zou zoo'n geschikt luitenant wezen" dan ging het van zelf.

"Maar men benoemt iemand niet tot luitenant," zeide Wije, om van dit chapitre af te komen, "die niet minstens een mooi huis bewoont."

"Ada!" riep de voormalige klontong. "Wil meneer het zien?"

Hij leidde zijn bezoeker door de propvolle goedang, tusschen kisten en balen, langs nauwe gangetjes en opende een deur. En Wije stond eensklaps voor een groot, in Europeeschen trant gebouwd woonhuis. Een flauwe bocht in het dak, ten bewijze dat de nokbalk niet uit één stuk bestond en de booze geesten er derhalve geen voor hen geschikt verblijf konden vinden, wat verguldsel aan de ijzeren kolommetjes der voorgaanderij en de paneelen van deuren en vensters, doch overigens een woning van de fraaiste soort, met breede marmer-bevloerde galerijen en ruime hooge vertrekken.

Op die plek maakte het een zonderlingen indruk, als van iemand in gala-costuum in een smidswerkplaats of een paard in een huiskamer, omgeven als het was door dichtbijstaande Chineesche barakken met opgelapte zij- en achtergevels.

"Hoe komt dàt hier?" zeide Wije onwillekeurig.

"Ik heb het gemaakt," verklaarde Piong Pan Ho, hem voorgaande in de stijf maar kostbaar gemeubelde binnengalerij. Een der deuren van de kamers was hoog uit den grond, en daarvóór stond een los houten trapje. De Singkeh nam het weg en ontblootte dusdoende de brandkastdeur, die tot den halfonderaardschen kelder toegang gaf.

"Wacht even, meneer," zeide Piong Pan Ho; en afdalend, ontstak hij een lamp die aan het gewelf hing. Toen riep hij Wije.

Langs den muur stonden kleine, gemakkelijk te hanteeren kistjes, die voorheen volgens het ingebrande merk, tot verpakking van cognac hadden gediend, op sommige plaatsen tot drie en vier hoog opgestapeld; waar berging te kort kwam, waren ze vervangen door aarden kwalies. Een huivering doorliep Wije's leden toen hij den inhoud zag, zilvergeld en bankpapier. Hij was niet gewoon geld te zien gestapeld en kon dus geen taxatie maken, doch zooveel zag hij wel, dat hier een vermogen was opgeborgen.

"Zonde van 't geld," merkte hij op, een kistje met banknoten aanwijzende, waar de schimmel een duim dik op lag.

"Soesah," klaagde Piong Pan Ho; "ik kan niet meer in zaken steken. Het volgend jaar, als de opium weer verpacht wordt, denk ik voor de helft mee te doen; dan ruim ik iets op. Maar er komt toch altijd meer bij."

Wije verliet spoedig den kelder; de geldstank maakte hem wee.

"Maar zeg eens," vroeg hij, toen ze het geheele huis hadden gezien, "waar woon je zelf?" Geen der kamers toch droeg sporen van bewoning.

"In de bijgebouwen."

Zoo was het. De Singkeh wilde wel een mooi huis bezitten, doch niet bewonen. Wije begreep dit niet.

"Heb je geen kinderen?" vroeg hij, om een verklaring daarvoor te zoeken.

"Nog niet," zeide Piong Pan Ho, met iets treurigs in zijn stem.

Wije had een wonde plek aangeraakt. Piong Pan Ho had niemand aan wien hij met genoegen zijn rijkdommen kon achterlaten; en dat steekt elk mensch, van welken landaard hij wezen moge. En wat had hij er al niet voor gedaan! Eerst had hij zijn vrouw de schuld gegeven en deze hem eindelijk een voorstel gedaan als oudtijds Sarah aan Abraham; evenals deze had hij zich tot een Hagar gewend, neen, tot verscheiden; doch als hij die de woestijn inzond, hadden zij geen van allen een Ismaël, noch bij zich, noch ook bij Piong Pan Ho achtergelaten.

Hij was geëindigd met het te beschouwen als een vloek, die op hem rustte en waaraan hij liever niet dacht. In de zwakke hoop van misschien een goeden raad te zullen krijgen van een Europeaan, die toch zooveel wist, sprak hij er even over met Wije; maar toen hij bemerkte dat het te vergeefs was, veranderde hijzelf haastig van onderwerp.

V.

SINTERKLAAS-SURPRISES.

In de sociëteit was feest, den avond vóór Sinterklaasavond. Want, zoo had men geredeneerd, op dien avond zelf willen de menschen òf thuis zijn òf een kijkje nemen in de schitterend geëtaleerde toko's. Dat genoegen mocht de sociëteit niet storen, en aan den anderen kant wilde zij niet achterblijven om het hare te doen ter eere van den populairen bisschop en tot amusement van kinderen en menschen. Tot tien uur genoot de jeugd, eerst van de tombola, daarna van den marmeren dansvloer; toen hernamen de ouderen van jaren hun tijdelijk opgeschorte rechten, een regeling waarbij niemand zoo profiteerde als meisjes van Anneke's leeftijd, die ditmaal klein genoeg voor een servet en groot genoeg voor een tafellaken, met beide partijen mochten meedoen.

Van af negen uur hadden zich in de voorgaanderij en waar men verder gelegenheid vond, partijtjes georganiseerd, doch Wije, die geen geregeld sociëteitsbezoeker was en dus ook tot geen vast clubje behoorde, had geen partners ontmoet; en ook zij die zonder vaste afspraak zich heden bijeen hadden gevoegd, hadden hem niet uitgenoodigd. Trouwens hij had het niet gezocht; het amuseerde hem veel meer om rond te wandelen, nu dezen dan genen aansprekende. Dat was, vond hij, een surrogaat voor een discours met iemand van veelzijdige ontwikkeling, daar toch ieder afzonderlijk wel over één punt iets dragelijks wist te zeggen.

"Zeg, Wije, zou je mij even willen aflossen?"

Het was Duna, die met twee hooge handelchefs en den president van den Raad van Justitie speelde. Zijn vrouw had hem door een bediende dringend laten verzoeken even bij haar te komen, en nu trachtte hij op deze wijze voor zijn medespelers de stoornis op te heffen.

"Ziehier," zeide hij, de volgorde aanwijzende op de kaarten die Wije van hem had overgenomen. "Eerst die, dan die, die,... en verder naar omstandigheden."

Wije knikte en hield zijn blik op de kaarten gevestigd, niet ziende wat er op de aangezichten van Duna's partners omging. Anders zou hij hebben bespeurd dat deze aan de tijdelijke persoonsverwisseling hun goedkeuring niet hechtten. Hij bemerkte het echter toen, na afloop van den robber, de volgende gever volstrekt geen haast maakte, doch met zijn hand op de kaarten, eenvoudig een praatje begon.

Het was moeielijk. Opstaan en wegloopen kon hij niet, blijven zitten had geen reden.

"Mag ik de heeren een sigaar aanbieden?" vroeg hij plotseling, den eenen handelchef zijn koker voorhoudende, en deze, overbluft, nam er een, welk voorbeeld de president volgde terwijl de andere chef bedankte.

"Nu," zeide de eerste, met welbehagen den rook uitblazende, "die mag je ook wel achter slot houden, want de bedienden van den tegenwoordigen tijd zijn eerste kenners."

"Ja, 't is krengentuig," voegde zijn collega er aan toe, grimmig, zoowel van wege den inhoud der opmerking als door het feit dat de sigaar van Wije zoo meeviel en hij die had afgeslagen. "Ze moesten de rottan maar weer invoeren."

Maar de president trok het zich aan, dat de ander iets beoordeelde, dat op zijn gebied thuis hoorde, en zoo ontstond een korte discussie over de wenschelijkheid van de wederinvoering der rottan-straf.

Nu, dat was een punt waarover Wije in den laatsten tijd veel had nagedacht. Toch mengde hij zich niet dadelijk in het gesprek. Met de snelheid hem eigen, had hij een plan ontworpen om zich te wreken over de beleediging van zooeven en minder voorzichtig dan vroeger in het voor zich houden van stekelige invallen als men hem prikkelde, nam hij toen hij in de verte, door de openstaande deur der balzaal den heer Duna zag aankomen, het woord.

"Bij het bespreken van wat de invoering der rottan-straf in 't bijzonder, en andere ingrijpende goede maatregelen in 't algemeen, tegenhoudt, meneeren, moet men tegenwoordig niet meer vragen: welk beginsel is er tegen, doch wie zijn er uithoofde van hun private beginselen of begrippen tegen? En dan moet men hier rekening houden met deze drie partijen: orthodoxen, modernen en juristen. Volgens mijn opinie zou in dit geval geen der partijen er tegen zijn, zoo er maar een grondig onderzoek vooraf ging; de orthodoxen niet, want God zelf heeft de rottan, tot gebruik gereed, laten groeien; de modernen niet, want de straf is volkomen in harmonie met hun.... met de humaniteit, aangezien de inlander haar als niet onteerend beschouwt; de juristen niet, omdat zij, in tegenstelling met gevangenisstraf, het karakter niet onherroepelijk bederft, alle rancune verdwijnt zoodra de striemen genezen zijn, en dus zuiver correctioneel werkt. Daar is meneer Duna. Heeren!"

Met een lichte buiging verwijderde hij zich.

"'n Knappe vent," zeide de president met een fijn lachje. "Maar ik geloof dat hij ons alle drie 'n beetje voor den mal hield."

"Beunhazerij," bromde de orthodoxe chef.

De moderne chef zeide niets maar keek strak op een reepje papier, dat lag onder zijn holle hand, naast het spel gewasschen kaarten, dat straks, na deze gift, door Duna zou worden opgenomen. Met de sigaar die hij uit Wije's koker genomen had was het meegekomen, en zoolang deze bij hen zat, had hij er de hand op gehouden. Toen iedereen zich bezighield met het opnemen der kaarten, schoof hij het papiertje ongemerkt onder het tweede spel. Wat de woorden die er op stonden te beteekenen hadden, begreep hij niet, maar bij intuïtie gevoelde hij dat hij dusdoende Wije een kool stoofde; in welk gevoel hij versterkt werd, toen eenige oogenblikken later Duna, met een onderdrukten uitroep en een kleur, het noodlottige reepje in zijn zak stak en in den daarop volgenden robber een fout beging, die hem het gemakkelijk te winnen spel deed verliezen.

Het dansen werd hoe langer hoe geanimeerder, en Anneke, voor wie het een nieuwtje was eens in een "heuschelijke" balzaal rond te zweven, gevierd en om strijd genood door "werkelijke" heeren, genoot met volle teugen.

"Neen, nu is meneer van Beek aan de beurt," riep zij uit, drie vier anderen lachend terugwijzende, en den arm nemend van den genoemde.

In een der deuren stond een groepje jongelui, van het soort dat niet danst, omdat hun opvoeding de beoefening dier kunst niet had omvat, en nu met minachting sprak over het "koelie-werk," er tevens met hongerige oogen naar kijkend.

"Zou je niet....!"

"Wat is er?"

"Die gekke van Beek springt ook al mee."

"Waarachtig! En lekker ook!"

"Dat zal waar zijn! Wie is dat?"

"Ken je haar niet? 'n Dochter van Wije. Van 't goeie soort."

"Hoe zoo?"

"Kijk haar maar aan..." En de spreker vervolgde zijn zin, Anneke de gevoelens toedichtend, die alleen in staat zouden zijn geweest zijn oogen zoo te doen glinsteren en op zijn wangen die kleur te voorschijn te roepen. Want daar hij niet langer rein genot begreep, kon hij het zich ook niet bij anderen voorstellen.

"Pas op!" zeide zijn vriend. "Achter je!"

De waarschuwing kwam te laat. Het jongemensch wendde zijn hoofd om, zag twee oogen op zich gevestigd in uitdrukking niet ongelijk aan de zooeven door hem gecritiseerde en ontving een slag met de vlakke hand in zijn gezicht.

Er volgde een oogenblik van opschudding, waarin het eene deel der toegeschoten heeren veel moeite had Wije tegen te houden om den beleediger van zijn dochter verder te kastijden, doch hem betrekkelijk snel tot bedaren bracht, terwijl het andere deel weinig moeite had om het jongemensch tegen te houden, die beweerde Wije zijn klap te willen teruggeven, maar lang tobde eer men hem het zwijgen kon opleggen en meetroonen naar het buffet.

"Ik zal hem uitdagen."

"Ja, daar kan je niet buiten."

"Maar waarom vlogen jelui er tusschen, eer ik hem zijn klap kon teruggeven?"

"Dat gebeurt altijd, je kunt toch midden op een bal geen kloppartij houden!"

"'t Was buiten de zaal."

"Maar in de sociëteit."

"Dat is waar... in de sociëteit... Weetje wat? Ik daag hem niet uit."

"Hm!"

"Neen. Om de kans te loopen 'n kogel in mijn body te krijgen..... dankje, dat is geen satisfactie. Ik klaag hem aan bij de directie; dan wordt hij geschrapt, volgens het reglement."

Het was duidelijk dat dit besluit de meesten niet beviel; doch slechts één gaf het op ondubbelzinnige wijze te kennen, door op zijn hakken om te draaien en zich te verwijderen in de richting van de balzaal.

"Doe wat je wil," zeide een ander, daarmee zich opwerpend als tolk van de overigen. Wel ja, hij moest het zelf weten, men zou oordeelen naar den uitslag. Gelukte het hem Wije uit de gezelschapskringen, waarvan de sociëteit het middenpunt vormde, te doen uitstooten, dan kon men zich bij hem blijven houden; leed hij échec, en werd hij daardoor genoopt zich zelf terug te trekken, dan bleef Wije "getapt." Dat was de veiligste weg.

Wije had zich een poos in de leeszaal opgehouden, om zijn zenuwen tijd van bedaren te laten, en daarop, als ware er niets voorgevallen, zich weer onder de menschen begeven. Het incident was intusschen bij iedereen bekend geworden, behalve bij de jonge dames die alleen voor den dans oogen en ooren open hadden; dat de anderen het wisten, bleek uit de verhoogde vriendelijkheid waarmee men "le vainqueur" behandelde.

Den volgenden dag bleef hij in afwachting of soms de ander nog iets van zich zou laten hooren, doch toen de avond gevallen was, begreep hij daarvoor geen oogenblik langer bezorgd te moeten zijn, en hij gaf zich over aan het genoegen der Sinterklaas verrassingen, die hij en Anneke elkaar bereid hadden.

Zij zaten in de achtergalerij; want de pakjes moesten natuurlijk aan de voorgalerij worden bezorgd! Met mysterieuse gezichten liepen de bedienden, de vertrouwden van beide partijen, telkens om het huis heen, "Sapada" roepend met veranderd stemgeluid en zelf antwoord gevend, om daarna op een drafje aan te komen bij meneer en de juffrouw, met de oprechte verzekering, dat "dit" juist was afgegeven door een koelie of een jongen dien zij niet kenden, grinnikend toen kokki, die ook eens wou meedoen, een pakje heette te hebben aangenomen, dat bij nader onderzoek voor haarzelf bestemd bleek. Want de Wije's waren gewoon op dien avond ook hun bedienden te bedenken, wat zeker niet door den grijzen bisschop zou zijn afgekeurd, als hij het had kunnen zien.

Reeds herhaaldelijk had Anneke haar vader bedankt en deze zijn dochter, onder geveinsd terugwijzen van den dank door beiden, en ook was er een paar maal iets gekomen voor Anneke, dat met zekerheid kon worden gezegd van deze of gene vriendin afkomstig te zijn, toen er een pakket arriveerde welks inhoud werkelijk te raden gaf. Het was een gouden armband, niet zwaar, zooals voor een meisje van Anneke's leeftijd paste. Een viertal dunne hoepeltjes, hier en daar met een bandje in gespvorm bijeengehouden.

"Hé, van wie komt dat?" was de vraag, die voor de hand lag.

Maar hoe zij de verpakking ook bekeken, niets was er dat hun eenig licht gaf.

"'t Zal wel uitkomen," meende Wije. "Maar eer we het weten, kan je hem niet dragen."

"Waarom niet, Pa?"

"Het cadeau is te kostbaar om bloot als een attentie te kunnen gelden...."

"Ik weet het!" riep Anneke uit. "Hij heeft het me gisteravond gezegd.... niet met ronde woorden, maar ik heb het toch begrepen... het is van van Beek."

"Zoo," zeide Wije, "dat is meer dan ik achter hem gezocht zou hebben. Nu,...."

"Dari kampong tjina," annonceerde de huisjongen, de galerij inkomende met een nieuw pakket.

"Dat blijkt," zeide Wije, het aannemende. "Er zit geen stuk Europeesch papier omheen." En hij begon het te ontpakken.

Het duurde lang, daar hij de gewoonte had de knoopen der touwtjes met de vingers los te peuteren, en nog was hij bezig, toen de bediende verscheen met een pakje, waarvan Anneke zich meester maakte.

"Een man van het stoomboot-kantoor bracht het," zeide de jongen, "ik ken hem."

Anneke nam een schaartje en knipte de touwtjes door. Een étui kwam te voorschijn, dat ze opende...

"Kees!" riep zij onwillekeurig.

"Wat is het?" vroeg haar vader, zonder op te zien. Hij was juist aan den laatsten knoop. "Heb je 't al?"

Maar hij kreeg geen antwoord. Anneke had uit het étui een armband genomen, niet van goud ditmaal, maar van geëmailleerd zilver, bestaande uit vijf platte schakels. Eén er van vormde de sluiting, en daarop stonden tevens haar initialen. Op elk der anderen was een woord gegraveerd: God zij met ons, las zij zacht, en door plotselinge aandoening overmeesterd, boog zij het hoofd, terwijl twee groote tranen in haar ooghoeken parelden en toen neervielen, bol inkrimpend op de gladde oppervlakte van het zilver, in een punt het licht van de lamp weerkaatsend.

Wije schoot in een luiden lach. Het laatste papier verwijderend, hield hij een doosje in de hand, waarop met ruwe letters Piong Pan Ho zijn naam had geschreven.

"Kijk, Anneke, een cadeau van onzen Singkeh," zeide hij, "die zich wil schikken naar Europeesche adat, doch tegelijk begrijpt dat een practisch man ook als gever zijn naam niet verbergt. Misschien wist hij niet.... Wat heb je?"

"Niets, pa," zeide Anneke, trachtend zich te herstellen.

"Van wie is dat?" vroeg hij, het geschenk van Kees opnemend.

"Ik weet het niet... ik geloof... Wat zit dáár in?"

"Neen, zóó kom je er niet af," zeide Wije. "Wacht, ik zal je toonen dat je voor mij geen geheimen kunt hebben.--Waar drommel zit dat ding?" vervolgde hij, zoekend in zijn sigarenkoker. "Dat is sterk! Gister heb ik het nog gezien."

"Wat toch pa?"

"Ik begrijp er niets van," zeide Wije, met de hulpeloosheid van iemand, die een vooruit berekend effect ziet falen. "Soedah, het is van den jongen Duna."

Anneke stond op van haar stoel en zette zich sans gêne op haars vaders knie. En hem onder de kin streelende zag zij hem, hoewel sterk kleurend, onbevreesd in de oogen.