Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman
Part 12
"Dat komt er niet op aan," zeide Wije. "De zaak is maar hoeveel geld zij afdragen. Dat schrijf je af; en zoo zij goed noodig hebben, schrijf je de waarde bij."
"De klontongs willen echter weten of hun rekening uitkomt."
"Kwam hun rekening gister uit?"
"Ja meneer."
"Dan moet die immers voor vandaag verminderd worden met wat zij afdragen; en vermeerderd met wat zij opnieuw ontvangen aan goed?"
"Ja meneer."
"Welnu, wat dan nog meer?"
"Niets meneer; maar zij begrijpen dat niet."
"Laat ze stikken!" riep Wije uit, woedend nu. "Denk je dat ik voor ieder hunner een aparte boekhouding aanleg?"
"Zooals meneer wil."
"Nu, ik wil het niet anders. Zeg het hun en ruk uit."
De Chinees deed wat hem bevolen was. Vijf minuten daarna verscheen de ander, de man van de klontongs.
"Meneer, de klontongs zeggen dat zij het zoo niet gewoon zijn."
"Dan moeten zij er maar aan wennen."
"Een Chinees kan niet wennen aan iets waaraan hij niet gewoon is."
Wije schoot in een luiden lach.
"En jullie dan?" vroeg hij. "Er is dunkt me hier heel wat veranderd sinds ik gekomen ben."
Dat was zoo, gaf de man toe. Maar zij waren bereid meneer in alles ter wille te zijn, hoe moeielijk het ook was, doch een klontong was daartoe te dom. Het beste zou zijn dat meneer hem het boekje teruggaf; dan zou hij dat voor de klontongs aanhouden en probeeren het andere naar den zin van meneer in te schrijven.
Wije wilde daar echter niet van hooren. Hij besloot vol te houden, inziende dat de tegenpartij hier zwak was en haar lijdelijken tegenstand zou moeten opgeven. De Chinees verzocht hem ten slotte zijn voornemen zelf aan de klontongs kenbaar te willen maken; hij was overtuigd dat zij zich bij meneer's besluit zouden neerleggen, als zij het uit diens eigen mond vernamen; het was dan toewan poenja soeka [3] en niet, zooals zijn nu meenden, een uitvinding van den bediende.
Dat scheen billijk, en Wije begaf zich derhalve naar het magazijn, waar de klontongs waren. Onderweg had hij zich bedacht op welke manier hij de zaak zou aanvatten. Zich zettend voor het tafeltje, nam hij het boek en riep den eersten naam die daarin stond, uit. Niemand antwoordde.
"Zijn Chineezen soms niet gewoon bij hun naam genoemd te worden?" vroeg Wije den achter hem staanden bediende.
"Wien wil meneer hebben?" vroeg deze terug en op Wije's aanwijzing herhaalde hij den naam, tevens den drager daarvan een wenk gevende.
Een kleine magere Chinees trad uit den hoop naar voren.
"Jij hadt gister f 132.26 schuld," zeide Wije. "Klopt dat of niet?"
De aangesprokene grijnslachte, doch zeide niets.
"Vraag jij het hem," gebood Wije den bediende, en deze deed het.
"Tida tahoe [4]," klonk het nu, onder heftig hoofdschudden.
"Klopte het gister?"
"Ja meneer," antwoordde de bediende.
"En waarom weet hij het nu niet?"
"Hij zal het misschien vergeten zijn."
"Maar wat geeft het dan, of het boek in Chineesch schrift wordt bijgehouden, en alles van het goed wordt opgeschreven?"
"Ja... dan herinnert hij het zich weer."
"Baik," zeide Wije kort. "Laat hem zijn geld uittellen."
De bediende begon te spreken, doch in het voor Wije onverstaanbare argot.
"Houd op!" viel deze in. "Spreek Maleisch."
"Als ik Maleisch spreek geeft hij zijn geld niet."
Wije's geduld was ten einde. Opstaande diende hij den bediende een klinkende oorvijg toe. Doch de Chinees, die niet gewoon was zich als een inlander te laten slaan, en er dus volgens zijn eigen uitspraak ook niet aan wennen kon, vloog, zoodra hij van de verbazing bekomen was, op Wije aan. En plotseling ontwaakten ook de anderen uit hun apathie, om hun landgenoot te hulp te komen. Zij waren echter niet vlug genoeg. Met een schop tegen diens maag had Wije zich van zijn bespringer ontslagen, een poot losrukkende van den stoel waarop hij gezeten had, timmerde hij daarmede op de lichaamsdeelen van hen die hem eveneens hadden aangegrepen, en een sprong doende daar waar de rij het dunste was, brak hij er door en bereikte de deuropening. Hier konden zij hem alleen in het front aanvallen en één had de spits moeten afbijten; daartoe scheen niemand lust te hebben.
"Trek dat tafeltje hierheen," gebood Wije den bediende van het winkelboek, die zich tot nu toe geheel passief had gehouden. "Ziezoo. Laat hen één voor één hun geld afdragen, en boek het in. Als zij niet willen, sluit ik de deur en haal de politie."
Dit hielp. De een na den ander telde uit en werd door Wije naar buiten gejaagd met het bevel zich onmiddellijk in het logies te begeven. Eindelijk bleven alleen de twee bedienden over.
"Nu weet je hoe het gedaan wordt. Morgen precies eender," zeide Wije tot den man der klontongs, en ging terug naar de toko.
Er was dien avond groote conferentie in het logies der Chineezen. In plaats van de vermoeienissen van den dag te verdrijven door een langen nacht slapens, zaten of stonden de klontongs rondom de bedienden die op dien middag bij Wije's handelingen waren tegenwoordig geweest. Het eerste uur was doorgebracht met een wild dooreenschreeuwen, waaruit niemand, zelfs geen Chinees, wijs kon worden. Toen kwam er een toestand die den naam van een ongeregeld debat mocht dragen, maar dan toch een debat, ingeleid door een voorstel van den bediende die de administratie over de klontongs voerde, dat hem eindelijk gelukt was aan allen verstaanbaar te maken. Dit was om den volgenden morgen het werk te staken. Met horten en stooten, telkens een oogenblik van betrekkelijke stilte afwachtende, voerde hij de verdediging, daartoe bijgestaan door zijn kameraad, die beweerde evenals hij de manieren der Europeanen door en door te kennen. Deze toch wisten zich niet te helpen, zoodra er een afwijking plaats vond in den dagelijkschen gang van zaken; zij meenden alles te kunnen regelen met bevelen en geweldplegen, doch waar noch bevelen noch vloeken noch geweld hielp, en ze bovendien niet aan het geld van hun ondergeschikten konden komen, daar stonden zij machteloos. Er was geen sprake van dat hij, die thans aan het hoofd der toko stond, een middel zou weten te bedenken om hen te dwingen. Een Chinees... dat was iets anders. Die zorgde wel dat zij zich door hun schuld gebonden achtten; als hij die niet wettelijk kon invorderen, dan waren er nog andere manieren om tot hetzelfde doel te geraken, want hij vond altijd steun bij zijn landgenooten, en daardoor stond men steeds tegenover een sterkere macht, die nimmer verzwakte, omdat men zich onder elkaar getrouwelijk hield aan de goede gebruiken en wetten der gewoonte. Bij de Europeanen was dat juist omgekeerd. Zij hadden een wet ontvangen van hun overheid, waarbij bepaald was dat iemand die niets bezat, niet verplicht was zijn schuld te betalen en er ook niet voor behoefde te werken. In plaats nu van zich aaneen te sluiten en door onderlinge maatregelen die wet onschadelijk te maken, nam de een den man in zijn dienst, die feitelijk een pandeling van den ander behoorde te zijn. Ja, zij hadden er schik in als hun buurman nadeel leed.
De winkelbediende voegde hier een voorbeeld bij. Toen hij nog boodschappen bezorgde, voor Kan Liong Tjoe, was hij eens ergens gekomen waar juist een dame bezig was de baboe van een andere dame af te troggelen. De meid antwoordde dat zij wel genegen was bij mevrouw te komen, maar dat zij niet weg kon omdat zij achttien gulden voorschot had. Tra perdoeli, had hij toen die dame hooren zeggen, en zij had er bijgevoegd dat die schuld toch niet was te innen en de meid niet bang behoefde te zijn voor bedreiging met de politie; dit was tempo doeloe wel anders geweest, maar nu kon zij volstrekt geen gevaar.
Tegen dat alles hadden de klontongs niets te zeggen; maar hun hoofdbezwaar, een dag verlies, bleef bestaan. En als het nog maar met één dag afliep! Maar wie weet of die Europeaan niet zou volhouden; hij had reeds meer getoond dat hij koppig was als een muildier. Wat dan?
Dan nog geen nood, luidde het tegenbetoog. Het was beter twee dagen, ja een week, niets te verdienen en daarna op den bestaanden voet te kunnen doorwerken, dan zich neer te leggen bij den wil van den Europeaan. Want deed men dit, dan waren alle extra's uit. Men zou rekenschap moeten geven van elke halve el goed, van elken knoop; in de boekhouding der Europeanen ging niets verloren. En zoo heel lang kon het niet duren. Leden zij schade, de zaak eveneens; en al wilde de chef dit tijdelijk laten doorgaan, heel spoedig zouden de anderen, aan wie hij ondergeschikt was, tusschenbeiden komen.
Doch het idee van een strike wilde er bij de Chineezen niet in. Hoe de bedienden ook hun best deden, de klontongs bleven zich verzetten. Er moest iets gedaan worden, dat erkenden zij, maar werkstaken... dat was zóó nieuw, zóó ongewoon! Eindelijk bedacht een der volksleiders in spe een uitkomst. Hij wilde Kan Liong Tjoe opzoeken en diens oordeel vernemen; als dit ten gunste van zijn voorstel uitviel zouden de klontongs het werk staken, zoo niet, dan moest men iets anders verzinnen. Dit werd aangenomen; en terwijl de bediende zich, ondanks het nachtelijk uur, op weg begaf, zochten de anderen hun slaapsteden op.
Wat Kan Liong Tjoe gezegd had bleek den volgenden morgen. Toen Wije kwam en de sleutels van het magazijn aan den bediende overhandigde, deelde deze hem mede dat er geen enkele klontong wilde werken.
"Ook al goed," zeide Wije, die wel begrepen had dat er iets van dien aard zou geschieden. "Maar dan heb ik jou ook niet noodig. Ga je vrienden opzoeken. Zoodra zij weer uitkomen, kan jij ook terugkeeren. Intusschen staat je verdienste stil."
"Baik," zeide de bediende, maar blijkbaar ten hoogste verrast.
Wije nam de zaak in den beginne niet heel zwaar op. Wat gisteren gebeurd was mocht zich natuurlijk niet herhalen, daarvoor zou hij zorgen; voor het geval dat men hem aanviel had hij een zakrevolvertje bij zich gestoken, en zelf zou hij zijn handen niet meer uitsteken. Op den duur konden de klontongs toch niet blijven luieren; elders werk vinden was voor hen zeer moeilijk; dus het einde van de zaak moest zijn dat hij overwon.
In den loop van den dag ging hij naar het kantoor zijner firma en maakte terloops melding van het geval. De chef echter bleek zijn optimisme niet te deelen. Een enkele dag kon geen kwaad, maar als het langer aanhield zou de toko er geducht onder lijden, vond hij. De verkoop door de klontongs bedroeg meer dan men had verwacht en had het groote voordeel van uitsluitend à comptant te zijn. Wije moest derhalve zorgen dat hij de zaak, hoe dan ook, spoedig schikte.
"Men moet toch wat zeggen," mompelde Wije, toen hij het kantoor verliet, doch 's namiddags, nadat de chef door van Beek had laten vragen hoe het stond met de klontongs, zag hij in dat het ernstiger dreigde te worden dan het zich had laten aanzien. Zoolang men hem vrijheid van handelen liet was het niets, doch die onbekookte inmenging en overhaasting konden alles bederven. Aan toegeven dacht hij echter niet, ook niet toen zich den volgenden dag de boodschappen van het kantoor herhaalden.
"Zeg dat ik wel bericht zal sturen," zeide hij eindelijk tot van Beek; "en als je weer gestuurd wordt, loop dan maar een straatje om. Je gezicht maakt mij zenuwachtig."
"Meneer schijnt zich erg ongerust te maken; hij is al naar meneer Duna geweest ook," deelde van Beek mee.
"'t Kan me niet schelen," zeide Wije. "Weet ge wat... zeg dat ze op het punt stonden van toe te geven, maar dat zij daarvan hebben afgezien toen zij bemerkten dat jij zoo dikwijls hierheen kwam. Daaruit maken ze op dat ik door den baas word opgejaagd."
"Maar dat is immers niet waar?"
"Zeker is dat waar! Een der bedienden heeft het mij verteld."
Aan den avond van den derden dag was Wije wanhopig. Van Beek was weggebleven, maar in diens plaats had de chef een mandoer gezonden met een briefje, een uur daarna weer een en zoo voort, telkens een ander als "brenger," maar zonder variatie in het verzoek om aan genoemden brenger bericht mede te geven omtrent de klontongs. Hij had een bezoek gebracht aan Kan Liong Tjoe, doch zonder resultaat.
De gewezen toko-houder ontving hem beleefd, doch betuigde hem niet te kunnen helpen. Ten eerste schatte meneer zijn invloed te hoog; hij was uit de toko en had dus niets meer te zeggen; ten tweede stond hij gereed om op reis te gaan naar het binnenland, waar hij zaken had.
"Die ellendeling!" zeide Wije 's avonds tot Anneke, aan wie hij de geheele historie had verteld. "Ik ben overtuigd dat hij er plezier in heeft. Eén woord van hem en 't is uit. Maar ik geef het niet op. Buigen zullen ze, of ik verzoek ontheven te worden van dat baantje."
"Maar Papa," vroeg Anneke. "Zou die andere Chinees u niet kunnen helpen?"
"Welke andere?"
"Die toen hier was... u weet wel, de man van dat armbandje."
"Piong Pan Ho!" riep Wije uit. "Wie weet! Ja... ik ga er dadelijk heen."
"Daar komt iemand aan," zeide Anneke, eenige oogenblikken later, juist toen het rijtuig voorreed. "O!"
"O!" herhaalde Wije, met een begin van goeden luim. "Tot straks!" En hij sprong in den mylord om halverwege het voorerf den verbaasden van Beek voorbij te rijden.
De klontongs waren wederom vergaderd. In het langwerpig nauw vertrek heerschte een drukkende hitte. De zware balken aan de zoldering, die niets te dragen hadden dan hun eigen gewicht en een dun planken dek, oorspronkelijk donkerbruin geverfd met roode randen, doch nu zwart door in roetmoppen saamgegroeide spinnewebben, de muren vuilblauw van de eenige jaren geleden opgestreken met indigo vermengde witkalk, de daar tegen steunende rollen beddegoed van hen wier slaapplaats dit vertrek uitmaakte, zogen de weinige lichtstralen, die een pit op een met petroleum gevulde wijnflesch flikkerend verspreide, nagenoeg geheel op, voorzoover zij niet loodkleurig reflecteerden op de aangezichten en bovenlijven van de klontongs, die ditmaal zwijgend den geschorsten bediende aanzagen, luisterend naar hetgeen hij te zeggen had.
Meer dan het vorig plan, droeg het zooeven gesproken woord hun instemming weg.
"Het is deze Europeaan, die ons in den weg staat," luidde het. "Een ander zou het al lang hebben opgegeven. Als wij hem kunnen verwijderen zal alles goed gaan. Nu, er is niets anders aan te doen dan dat wij hem doodslaan. Voor minder wijkt hij niet. Maar wij moeten het gezamenlijk doen, en zóó dat het een ongeluk schijnt."
Eenige kreten bewezen den spreker dat men het geheel met hem eens was.
"Morgen ochtend," vervolgde hij, "gaan allen weer aan het werk. Dat wil zeggen, jelui wacht als gewoonlijk vóór de deur van goedang. Als ik die heb opengemaakt dringen allen naar binnen, op twee na." Hij wees er twee aan. "Binnen, blijf jij"--wederom een aanwijzing--"vlak achter de deur staan. De anderen heffen een vervaarlijk geschreeuw aan."
De klontongs lachten. Dat viel in hun smaak!
"Dan loopt hij natuurlijk naar binnen, om te zien wat het is. Maar de twee die buiten blijven, haken hun voeten om zijn beenen. Kijk, zóó. Dan struikelt hij. Op dit oogenblik steekt hij, die achter de deur staat, hem het mes in de borst. Goed raken hoor!"
Dat beloofde de bedoelde.
"Vervolgens dragen wij hem een eindje verder, naar een pak goed, en leggen hem daar op, het mes tusschen rottan-touwen stekend. Dan loopen wij naar de toko en vertellen dat de blanda gevallen is... toevallig juist in een mes dat op de gewone manier aan het pak van de pikoelan was vastgestoken."
Een daverend applaus op Chineesche manier, gelijkend op het brullen van tijgers en het geschreeuw van krolsche katten doorelkaar, volgde na deze woorden. Het scheen niemand te treffen, dat de bediende zelf geenerlei aandeel in de te plegen handeling voor zijn rekening nam. Wel protesteerden zij die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, doch dit werd geschikt door hun getal op vier te brengen. Toen achtten zij zich sterk genoeg en prezen mede den ontwerper van het plan, zich verheugend over zijn terugkeer tot Chineesche begrippen, in de ontwikkeling waarvan hij zich een meester getoond had.
"Hondenkinderen!"
Met één woord, schrijft Tacitus, dempte Caesar een soldatenoproer: door hen Quirites, Ridders, te noemen, die den krijgseed schonden. Piong Pan Ho, plotseling verschijnend in de deuropening, deed iets dergelijks. Wel was er een groot verschil in den aanhef van beider redevoering, maar men bedenke dat Caesar te doen had met mannen die eergevoel bezaten. De uitwerking was nochtans dezelfde.
Verlamd door schrik staarden de klontongs op den in donkerblauw gekleeden Singkeh, wiens streng gelaat zij ondanks de slechte verlichting onmiddellijk herkend hadden. En zij luisterden zwijgend naar hetgeen hij verder te zeggen had. Het was weinig en stond wat kieschheid van vorm en inhoud betreft, tot datgene wat Caesar op zijn "Quirites" deed volgen, als de zooeven door Piong Pan Ho gebruikte term tot het woord van den grooten veldheer. Het laatste gedeelte gold in 't bijzonder den bediende, die rillend en met starren blik voor zich keek.
"Haal een rottan," gelastte de Singkeh, en een der Chineezen verliet het vertrek om spoedig daarna met het verlangde terug te keeren. "Neem het licht van die kist en leg hem er op."
De bediende liet het doen, zonder aan tegenstand te denken. Voorover op de kist, lag hij roerloos. Men had zijn armen uitgespreid; op ieder daarvan en ook op elken voet, ging een Chinees zitten. Door een grillig spel van het toeval waren het juist die vier, die aangewezen waren om Wije te doen struikelen, en hij die den messteek zou toebrengen stond, na een hinderlijk kleedingstuk te hebben verwijderd, op zij van de kist met de rottan in de hand, wachtende.
Er was een oogenblik van zoo groote stilte, dat men de ademhaling der klontongs hooren kon, grof en zwaar, als van menschen die na langdurige lichaamsinspanning nog niet gerust hebben.
"Twee dozijn," klonk het vonnis, kort maar beteekenisvol.
Scherp suisde de rottan door de lucht, neerkomend met een geluid als van een hevigen snik, en de kist met allen die er op zaten, schudde door de geweldige spiertrekking van den getroffene. Bij den derden slag bleef een bloedige striem achter en de bediende uitte een doordringenden gil, den eersten, doch die bij de volgende slagen zich herhaalde, telkens langer, vervloeiende tot een jankend gehuil tegen het einde van de strafoefening. Deze had twee minuten geduurd.
"Wie van af heden den toewan-toko nog iets in den weg legt, ja hem alleen maar niet ijverig genoeg dient, zal gestraft worden," zeide Piong Pan Ho. "Zorgt dat allen het vernemen. Die blanda werkt onder ons en met ons, daarom is hij een der onzen." En hiermede verdween hij.
III.
GOED INTRIGEEREN IS NIET IEDERS WERK.
Van Beek had natuurlijk gezien dat Wije uitreed, ja zelfs iets opgemerkt van de haast waarmede deze in zijn rijtuig was gesprongen. Een wijl stond hij besluiteloos wat te doen. Hij kwam om een visite te maken en niet zooals Wije scheen te denken, gezonden door den chef. Mocht hij hem in dien waan laten, en tevens zijn visite voor niet gemaakt doen gelden? Zijn traagheidsvermogen kwam in conflict met het laatste; men zette zich in beweging om een bezoek af te leggen, dus men volhardde in die beweging. En wat het eerste betreft, zoo was het hem betrekkelijk onverschillig wat Wije van hem dacht, doch niet hoe Anneke het zou opnemen. De klap dien hij van haar ontvangen had, had hem in 't eerst geducht boos gemaakt, doch hoe langer die scène geleden was, hoe meer zij haar scherpe kanten voor hem verloor, en eindelijk vond hij dat het toch maar niet iedereen te beurt viel om door zoo'n mooi meisje op de wang gestreeld te worden. Het was een aangenaam souvenir. Maar waarom zou het dit blijven? Kon men er niet een herhaling van provoceeren, altijd op een minder onzachte wijze? Zoover was hij met zijn denken gekomen, en dat bleek machtig genoeg om hem tot den gang van heden op te wekken.
Met kleine, langzame passen liep hij voort, daarmee te kennen gevende dat hij zou omkeeren als Anneke de voorgaanderij verliet, in plaats van hem af te wachten. Zij zag het met verwondering, doch niet in 't minst verlegen.
"U komt toch niet met mij vechten?" vroeg zij met gemaakten schrik.
"Neen juffrouw, ik wou een visite maken. Maar ik zie dat uw papa is uitgegaan."
"Ja, dat is een moeielijk geval," spotte zij.
"Toen ik het zag, dacht ik, kijk, daar heb ik eindelijk eens gelegenheid u te spreken. Ik moet u nog altijd mijn excuses maken."
"Och kom," zeide Anneke, "laat ons daar nu niet weer over beginnen."
"Ik heb toch heel dikwijls aan de heg gestaan, maar u kwam nooit meer zoover."
"Aan de pagger?" vroeg zij geërgerd. Want plotseling overviel haar een gedachte; zij dacht er nooit om dat op het achtererf vreemde oogen haar konden zien; dikwijls liep zij in een enkele sarong en den handdoek over de schouders naar de badkamer, en hij was nu net zoo'n vent.... "Hoe laat?"
"Altijd om denzelfden tijd als toen," zeide hij tot haar groote verlichting. "Maar om daarop terug te komen. U moet bedenken dat iedereen mij steeds wat trachtte wijs te maken, in dien tijd."
"Kassian," zeide Anneke. "Daar heb ik van gehoord. Doen ze het nog?"
"Neen nu is het uit."
"A la bonne heure!"
"Hoe, spreekt u Fransch?" vroeg hij opgetogen.
"Zeker, U ook?"
"Mais si! On ne parle que ça chez nous."
"Hiernaast? Ik wist niet..?"
"O neen," zeide van Beek lachende. "Thuis bij ons, in Holland. Mijn moeder was een Française. Ik heb haar wel niet gekend, doch papa hield van die taal en zoo komt het dat we altijd Fransch spraken. Ik doe het ook graag, maar men komt hier nooit iemand tegen die het kan; alleen de kapper; en daarom laat ik mij tweemaal in de maand knippen."
"Er zijn toch meer menschen die het kunnen," verklaarde Anneke. "Papa zegt dat de meesten het niet graag doen, omdat zij uit gebrek aan oefening het vlotte spreken verleerd hebben. Hijzelf spreekt het heel goed, en hij heeft het mij geleerd. We wisselen om de week; deze week is de Engelsche. Spreekt u dat ook?"
"Jawel, maar niet zoo gemakkelijk. Als ik mag, kom ik eens terug in de Fransche week."
"Dat behoeft nu juist niet. Ik zal het papa zeggen, misschien vraagt hij u wel eens ten eten."
"Heel graag," zeide hij eenvoudig, haar de hand ten afscheid reikend.
Het was een smalle, magere hand, week en zonder veerkracht bij 't aanvatten, een hand die nooit gewerkt had. "Net 'n dood vischje," resumeerde Anneke haar gevoelens, toen van Beek zich verwijderde. Physiek trok die jonge man haar in 't geheel niet aan. Doch zijn spreken beviel haar. De totale afwezigheid van Indische uitdrukkingen was iets nieuws voor haar, en het nieuwe heeft altijd een zekere bekoring. Dan zijn Fransch! Want het laatste gedeelte van hun gesprek was in die taal gevoerd, en Anneke moest de gemakkelijkheid waarmee hij zich uitdrukte, onwillekeurig bewonderen. Ofschoon zij het Indisch publiek tegenover hem in bescherming genomen had, was echter de waarheid, dat zij behalve haar papa, nog nooit iemand zoo vloeiend een vreemde taal had hooren spreken; ja eigenlijk in 't geheel niet, daar men er zich gewoonlijk met een half zinnetje of met een bekend citaat afmaakte. Zelfs Kees maakte op dien regel geen uitzondering. Misschien kon hij het wel--hij had er immers examen in gedaan--maar dan durfde hij niet. Hoeveel moeite had het hem niet gekost om hem eens "je t'aime" te laten zeggen! Hij had eerst gelachen en verklaard het veel liever in 't Hollandsch te doen, of het zonder woorden te toonen, zoo zij even uit het licht van de lantaarn wilde gaan; en eindelijk, toen zij half boos was geworden door zijn hardnekkig weigeren, had hij het op zulk een zonderlinge manier uitgesproken, dat de aardigheid er glad af was. Zij wilde trachten haar vader te beduiden dat hij van Beek een weinig moest aanhalen, daar er van hem veel te leeren was; intusschen kon zij wel eens opletten of hij werkelijk 's avonds aan de pagger stond en dan, zoo nu en dan, een praatje met hem maken; voorzichtig altijd, want "je t'aime" behoefde hij niet te zeggen; dat mocht alleen Kees... die het niet wilde; maar daar was bij van Beek haars inziens zoo gauw geen gevaar voor.