Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman
Part 11
Hij zag neer op het meisje vóór hem, haar van zich houdende op korten afstand. Zij droeg slechts een slaap-sarong met verschoten kleuren van grijs en rood, toegeknoopt over de borst, armen en hals vrijlatende waarin Hoggarth zijn geliefde lijnen niet vergeefs zou gezocht hebben en waarvan de teint, zachtgeel reflecteerende in het zonlicht overdag, nu marmerwit opkwam uit de duisternis der binnengalerij. En op de mat een paar voetjes, klein maar solide, fraai gewelfd, niet door schoeisel bedorven, oploopende tot een fijnen enkel die in vollere vormen overging daar waar de onderrand der sarong begon. Hij beschouwde dit alles met het oog zijner herinnering; en turend in het donkergekroonde gelaat, streelde hij haar schouder, bewogen fluisterend: "In alles je moeder! Ik moest me zoo vergissen."
"Kon ik u dan ook maar zoo troosten," zeide zij hartelijk. "Zal ik nog wat bij u komen? Wacht, ik ga een kabaja aantrekken."
"Neen," zeide hij, zwak glimlachend voor het eerst, "het is al over. Ik had me opgewonden over iets van de firma; daardoor kwam het. Ga maar weer slapen en wees gerust; ik zal dadelijk sluiten."
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
I.
UN HOMME AVERTI... VAUT DEUX CHINOIS.
Kan Liong Tjoe failleerde niet.
Het was een feit zonder precedent in de geschiedenis van den handel, ongehoord nieuw, en volgens Wije Engelsch energiek! Want, zeide hij, men mag van de Engelsche principes houden of niet, één ding zal men moeten erkennen, namelijk dat zij, waar het belang van hun handel op het spel staat, niet van halve maatregelen houden. Zij durven als natie, door de afschaffing der slavernij de wereld in beroering te brengen, om in een concurrent land de cultures te fnuiken; zij schieten steden als Kopenhagen, Vlissingen, Alexandrië plat, ter wille van Londen als stapelplaats; zij vergiftigen millioenen menschen in China, na met de wapenen den import van opium gedwongen te hebben, om de papavercultuur in hun kolonie te doen bloeien. En ziet een Engelsche vennootschap dat een zaak goed is, doch door omstandigheden in de eerste jaren met verlies heeft gewerkt, dan verdubbelt zij zonder aarzelen haar kapitaal, om met het goede, nieuwe geld het kwade te redden en óók weer goed te maken.
Iets dergelijks was nu door twee Hollanders gedaan; en niet schroomvallig giving too little, maar flink, snel en afdoende.
Wije's chef was op dien bewusten avond niet veel vroeger naar bed gegaan dan zijn verkooper. Hij had zich gedwongen tot denken, de punten, de kansen telkens neerschrijvend en later overwegend, tot hij vóór zich had wat uitvoerbaar was, met hulp, en wat zonder hulp van anderen. Den volgenden morgen kwam hij vroeg op het kantoor, riep Wije en den boekhouder, gelastte hen geen der employé's in kennis te stellen van hetgeen zij wisten en vertrok weer, regelrecht naar het kantoor van den heer Duna gaande. Met dezen besprak hij de zaak en slaagde niet alleen in het verkrijgen van den steun dien hij vroeg, maar zelfs stelde Duna hem voor nog iets verder te gaan dan zijn oorspronkelijk plan.
Met hun beiden overvielen zij den jongeren chef en deze, onvoorbereid, gesteld voor de keus om zich te laten uitkoopen voor een billijke som, betaalbaar in payementen, òf te moeten toezien dat het huis zijn betalingen staakte en er op die manier toch te worden uitgedrongen, koos, daar men hem geen tijd wilde geven, het eerste. In haast werd een concept-contract hierover opgemaakt, hetgeen de jongste chef persoonlijk bij de notaris ging bezorgen, terwijl de andere heeren zich naar het Chineesche kamp begaven en de toko van Kan Liong Tjoe binnentraden.
Zij vroegen naar den eigenaar. Een der jonge Chineesche bedienden ging dezen, die zich achter bevond, roepen; doch op het oogenblik dat hij de binnendeur der toko opendeed, zagen de Europeanen elkaar plotseling aan, alsof dezelfde gedachte tegelijk in beiden was opgekomen.
"Ik hoor timmeren."
"Ik ook. Zouden ze...?"
"Natuurlijk."
"Maar dat moeten we beletten."
"Dat spreekt. Als we kunnen. Hei, Babah!" riep de heer Duna een bediende aan. "Meneer wilde straks gaarne langs een anderen weg naar huis. Kan men hier achter uitkomen?"
"Neen meneer."
"Dus is de toko de eenige uitgang."
"Ja meneer, alles moet door de toko."
"Dat is jammer," zeide Duna en wendde zich af.
Kan Liong Tjoe kwam te voorschijn en begroette de Europeanen zonder een spoor van onrust. Toch stond hij tegenover den man, die over eenige uren, tenzij hijzelf zich aangaf, bij den Raad van Justitie zijn faillietverklaring zou vragen. En deze, zoodra zij in het particuliere ontvanghoekje van den toko-houder gezeten waren, nam het woord op gemoedelijken toon.
"We hebben vandaag nog al wat te betalen," zeide hij; "ik aan meneer Duna, en deze aan anderen, zoodat, als iedereen wacht tot het laatste oogenblik, het kon gebeuren dat de Javasche Bank gesloten was eer de accepten konden worden ingelost. Dit doet men liever niet, zooals de sobat wel begrijpen kan. Of hij er ook iets op tegen heeft wat vroeg te betalen?"
"Baik," antwoordde Kan Liong Tjoe, langgerekt. "Hoe laat wil u het hebben?"
"Liefst dadelijk."
"Hoeveel is het? En weet meneer waar de accepten zijn?"
"Jawel," zeide de chef, "meneer Duna heeft ze. Met de rente is het twaalf duizend vierhonderd twintig gulden."
"O, dat is gemakkelijk," vond de toko-houder, glimlachend; en achterover leunend in zijn stoel, riep hij zijn kassier.
De Europeanen wisselden een snellen blik, getuigende zoowel van verwondering als van groote spanning, beiden met een lichte kleur door de emotie van 't oogenblik. Zij twijfelden er niet aan of de Chinees zat vast; het timmeren dat zij gehoord hadden, en niets anders kon verraden dan het inpakken van goederen om die aan den boedel te onttrekken, had hen geheel overtuigd; er bestonden nu slechts twee mogelijkheden, òf Kan Liong Tjoe had ter elfder ure nog hulp kunnen vinden, die hem eenigen tijd boven water hield--misschien tegen afgifte van de goederen die hij aan 't inpakken was--òf hij speelde een rol, en in dat geval meesterlijk.
Van het gesprek met den kassier, gehouden in het bekende argot, verstonden zij niets. Toen het was afgeloopen wenkte de toko-houder den man dat hij kon teruggaan.
"Er is nog niet zooveel in kas," zeide hij bedaard; "wij wachten zelf. Maar ik zal erom zenden, en het over een half uur bij meneer laten bezorgen."
Wije's chef keek op zijn horloge; zijn hand beefde.
"'t Is lastig," zeide Duna luid; en toen, onder zijn adem en snel sprekend: "Er moet minstens één van ons hier wachten, nog beter allebei."
"Een half uur is zoo lang niet," zeide de chef. "We kunnen hier wachten. Onderwijl kan de sobat ons eens vertellen of de nonja welvarend is?"
Voor het eerst toonde Kan Liong Tjoe's gelaat iets van wat er in hem omging. Het was alsof zijn wangen opzetten en de kleur bruiner werd, terwijl wenkbrauwen en oogleden een schuiner stand aannamen, en de zwarte pupillen inkrompen, tevens schitterend met dieper glans.
"Wie heeft het u medegedeeld?" vroeg hij kort.
"Hoe? Heb je soesah?" was de tegenvraag, die de chef met een quasi verrast gebaar deed, blij echter dat men tot de ontknooping naderde.
"Ja meneer, heel erge soesah met... mijn vrouw. Die is nu al drie maanden ziek..."
"Gévédé!" ontsnapte aan Duna.
"... en wil maar niet beter worden," ging de Chinees voort. "Ik heb er een dokter blanda bij gehad, die mij in één maand duizend gulden heeft gekost; maar 't hielp niets."
"Dat is heel erg," stemde Duna toe, om zijn vergissing goed te maken. "Maar... heeft de sobat al iemand uitgestuurd?"
"Nog niet; ik zal het dadelijk doen." En hij stuurde werkelijk iemand weg.
Het halfuur groeide aan tot drie kwartier, heel gezellig doorgebracht met een praatje. Toen kwam de gezondene terug.
"Brr!" deed Kan Liong Tjoe. "Hij zal het vóór den middag zenden, zegt hij. Als de heeren niet hier waren zou ik zelf even gaan."
"Hoe denk je er over?" vroeg Duna.
De ander haalde zijn schouders op.
"Als we hem laten gaan, kunnen we lang wachten."
"Meneer is het met mij eens," zeide Duna, zich tot den toko-houder wendende, "dat we wachten, terwijl de sobat gaat. Mocht het ons te lang duren... wel, dan laten wij een employé ontbieden en gaan zelf naar het kantoor terug."
Kan Liong Tjoe verhief zich een weinig van zijn stoel, met de handen steunend op de leuningen. Een in goed gezelschap niet getolereerd geluid weerklonk; toen liet hij zich met een smak terugvallen op de zitting.
"Soedahlah! Ik kan niet betalen. Dàt is het."
Het was gezegd, eindelijk. In slimheid zouden de Hollanders het misschien hebben afgelegd tegen den Mongool, hun geduld had hem overwonnen.
Van nu af ging de zaak vlot genoeg. Inziende dat hij onmogelijk iets meer kon uitdragen, en vernemende dat zijn grootste schuldeischers geen accoord wilden, gaf hij zich over en nam genoegen met het voorstel dat hem gedaan werd, en hem ten slotte nog zoo kwaad niet leek. De toko zou blijven zooals zij was, doch het beheer voortaan berusten bij de Europeesche firma, die er een employé in zou zetten met speciale volmacht. Daartoe moest Kan Liong Tjoe zijn zaak cedeeren. Zoodra de schulden gedelgd waren en ieder het zijne had, kon hij de toko terugkrijgen en men hoopte als van ouds op de klandizie.
"Dat is nummer twee," merkte Duna op, toen zij met Kan Liong Tjoe het notariskantoor verlaten hadden, en de Chinees zich verwijderde in de richting van zijn wijk.
"Ja," zeide de chef, "de rotte plekken zijn uitgesneden."
"'t Is nu etenstijd," vervolgde Duna. "Van middag kom ik bij je, tegen half drie. Ik zal van te voren onze overeenkomst concipieeren. Denk intusschen eens na wien je in de toko zult zetten."
"Ten derden male," zei de notaris halfluid en liet zijn vuist voor hamer fungeeren op den rand van zijn bureau ministre, 'n zeldzaam mooi stuk voor Indië. In de linker hield hij het concept van de overeenkomst tusschen de beide huizen, door Duna opgemaakt, evenals de beide vorigen die hij dien dag had ontvangen. En hoe duidelijk stond er alles in! Geen hoekje om door te kruipen! Taal onberispelijk, stijl gespierd; de laatste misschien iets te kort, maar toch, zoo de noodzakelijke woorden als: gereede penningen, inschuld, uitwinning, interessen, werden toegevoegd, nec non met de even noodzakelijke aanhangsels over het compareeren en het verleden zijn met of zonder doorhalingen en renvooien, zouden deze drie acten de schoonste zijn die sedert jaren ten zijnen kantore waren opgemaakt. Voorts de inhoud! Een geschiedenis, een roman in drie deelen--neen, een epos: Múze notáris bezing d'overeénkomst tússchen ons béiden... Dat was maar gekheid; doch zulke stukken zouden iemand plezier in zijn vak doen krijgen.
"En wie gaat nu in de toko?"
"Ik heb er over nagedacht dat... zieje, Duna, nu we den export opruimen kan ik één employé missen, en... Kan Liong Tjoe was altijd een onzer voornaamste klanten... dus, nu de toko alles bij ons nemen moet, dacht ik dat... Wije ... als hij wil..."
"Hm, Wije..."
"Hij is daarbij zoo thuis in Chineesche zaken, zieje."
"Ja."
"De vraag is of hij wil."
Duna zweeg. Hij dacht aan Kees en Anneke, aan den wensch van zijn zoon, den tegenstand zijner vrouw. Wije in een Chineesche toko geplaatst... die positie was zóó nieuw, dat zij onmogelijk de achting der maatschappij kon genieten, en zijn vrouw zou triumfeeren; maar Kees... Ja, in dit geval gingen de belangen van Kees voor; hij zou eventueel met Anneke trouwen, niet zijn moeder. Maar... nòg hooger gold het belang der zaak; de chef had gelijk; het moest! Wat dan Kees betrof... "Er is nog and're grond dien hij beploegen kan."
"Stel Wije maar aan," zeide Duna, met een wreeden trek om den mond. "Als hij niet wil... dan wordt hij, juist om de redenen die je zooeven opnoemde, te duur voor de firma."
"Dat vind ik geen manier van doen."
"Ik wel," zeide Duna, toonende dat hij "geholpen" had en dus mocht bevelen. "Het kan niet anders. Eigenlijk is hij ook voor de toko te duur; doch dat kan gevonden worden. Stel hem aan op vijfhonderd gulden 's maands en tien procent van de netto winst, onder voorwaarde dat die twee te zamen minstens evenveel zullen bedragen als zijn tegenwoordig salaris of wij anders moeten bijpassen. Dan hangt het van hem af om door activiteit meer te maken. Je zult zien dat hij onmiddellijk toehapt."
Teruggekomen op zijn kantoor, zag de chef den tegenover hem zittenden jongeren collega aan en zeide met een zucht: "Je bent verdomd nog beter af dan ik."
De veranderingen waren nu onderwijl ook bij de employé's bekend geworden en hadden op allen een grooten en goeden indruk gemaakt. Vooral op Wije, die natuurlijk het meest over de zaak had nagedacht. Toen de chef hem aarzelend vroeg of hij genegen was de firma in de toko van Kan Liong Tjoe te vertegenwoordigen, antwoordde hij, tot diens groote verwondering en verlichting, dadelijk met ja; en op het vernemen der voorwaarden toonde hij buitengewone blijdschap, sprekende van een hem te beurt gevallen onderscheiding, te groote belooning voor den geringen dienst dien hij bewezen had, nooit vergeten, altijd op hem kunnen rekenen, enzoovoort, tot de chef er door medegesleept werd, en hand in hand met hem staande, repliceerde met trouwe diensten, billijke erkenning, hopen op succès, daar niet aan twijfelen, en "mooie positie." En bij het hooren van dit laatste woord, door hem zelf uitgesproken, nam hij zich voor het voort te planten onder zijn kennissen, en zoodoende de publieke opinie te dwingen.
Doch deze laat zich niet dwingen, althans niet door een woord. Waar dit zoo schijnt, heeft optisch bedrog plaats; een woord kan het uitvloeisel zijn der publieke opinie, nooit omgekeerd. Te Semarang vond "men" dat Wije gedegradeerd was. Men maakte glossen op het geval, noemde hem Wij Kong Hoei en zijn dochter Ann Njo; en toen zich plotseling het praatje verspreidde, dat Wije door onvoorzichtig, ja roekeloos! credietgeven de firma in gevaar had gebracht en daarom met deze positie "gestraft" was, vond het gereedelijk ingang.
Behalve de betrokkene zelf, hoorde natuurlijk iedereen het. De employé's gaven zich moeite om uit te vinden wie het in de wereld geschopt had, doch tevergeefs; en op wien men ook vermoeden had, niet op van Beek. Zij spraken het tegen met het vernietigend argument, dat Wije als verkooper met geen credietgeven te maken had; en het publiek was welwillend genoeg dit aan te nemen en liefderijk de uitspraak te doen: dat er dan wat anders gebeurd moest zijn.
Intusschen, daar Wije zelf ten zeerste was ingenomen met zijn verbetering van positie, roemde hij daarover in zijn gesprekken met Anneke; en zoo kwam het dat Kees Duna op zekeren dag twee brieven ontving, één van haar, een anderen van zijn moeder, die met elkaar in flagrante tegenspraak waren.
Kees woonde te Batavia bij een familie in, waar hij een paviljoen te deelen had met een ander, die even als hij aan de afdeeling B studeerde, natuurlijk met hetzelfde doel, om door middel van die enkele B tot de dubbele te worden gepromoveerd. Deze gelijkheid van carrière had hen tot confidenties gebracht, en zoo wist Kees dat zijn vriend een meisje had te Soerabaja, met wie hij samen een lot in de loterij speelde, om te trouwen als er de honderdduizend... of iets minder op viel. En de vriend wist precies hoe lief Anneke was en hoe mooi.
"Begrijp jij er iets van?" vroeg Kees, nadat hij de voornaamste punten had voorgelezen.
"Niets. Alleen dat je ouwe vrouw dat meisje niet mag lijden."
"Toch geen reden om expres leugens te verzinnen."
"Hm, een vrouw is 'n diepzinnig wezen."
"Ja," gaf Kees toe, "dat zeg je wel. Maar dat andere?"
Dat andere was de mededeeling dat Anneke met een der employé's van het kantoor gevochten had en dezen een blauw oog geslagen.
"Dat is kranig! Meer kan je er niet van zeggen. Als het waar is."
"Juist, als het waar is. Maar... Anneke is driftig."
"Verdomd kerel, ik mag het zoo graag zien," zeide de vriend. "Als je 'n meisje bekijkt, dan denk je: waar zitten de spieren? En dan zoo opeens... Ik herinner me nog, even voor ik wegging van Soerabaja, die ui bij den kapitein-Chinees."
"Wat was dat?"
"Er was een groot bal..."
"Bij een Chinees?"
"Ja, dat is op Soerabaja gewoonte. De resident komt er, en de officieren... enfin alles."
"Hoe gek!"
"Och, als het gewoonte is..."
"Dat is waar. Maar vertel op."
"Nu, ik was er ook. Voor 't eerst, dat begrijp je. We waren vroeg, zoodat we de meesten zagen komen. In 't midden van de balzaal stond een groepje stoelen, die de bedienden langzamerhand wegdroegen, en daarnaast een familie, pratende met kennissen. Er was een jonge dame bij, gedecolleteerd natuurlijk, zoowat van mijn lengte, een pracht van 'n meid!"
"En jij verliefd."
"Neen... maar je mag toch wel kijken als je iets mooi vindt?"
"Ja, maar jij kijkt altijd zoo heel erg," lachte Kees.
"Toen niet; ik gevoelde me ook nog wat... Soedah! Daar komt opeens een ventje binnen; een die bij alle meisjes nagenoeg 'n blauwtje geloopen had, maar indringerig als 'n vlieg. Hij knikt haar familiaar toe, alsof ze hem niet pas een week geleden de hand geweigerd had. Ik stond net te kijken...."
"Sla maar over; dat sprak vanzelf."
"Zwijg nou, hoor! Ze lacht zoo zoetjes voor zich heen; en juist toen hij aan den anderen kant van de stoelen is, steekt ze zoo'n langen arm uit... Hij is zoo stom en neemt haar hand aan. Ze schudt hartelijk, en gaandeweg, zonder inspanning--ten minste je zag niets--buigt ze haar elleboog en trekt hem naar zich toe. Hij scharrelt met zijn voeten en zijn anderen arm tegen de stoelen op, tot ze buitelen en hij er tusschen in rolt, op het oogenblik dat zij hem loslaat. Hoe vind je hem?"
"Uiïg," zeide Kees. "Maar voor een dame..."
"Ja, dat mag je achteraf zeggen. Op 't moment was het een mooi gezicht. En... ik wou maar zeggen dat het kranig is van je meisje, als ze er een op zijn gezicht gegeven heeft. Wie weet wat hij gedaan heeft!"
"Dan mag hij oppassen," uitte Kees, "ik zal het haar vragen."
Voor een beschrijving van Batavia was er in dezen brief van Kees al evenmin plaats als in zijn vorigen, en Anneke achtte zich daardoor ook niet gebonden veel over het jonge Semarangsche publiek te schrijven. Toch was de inhoud van de acht zijdjes voor Kees zeer belangrijk. Slechts een klein gedeelte las hij zijn vriend voor en dat liep over de historie met van Beek, waarop de vriend verklaarde, dat hij het van Kees zijn ouwe vrouw, met alle respect, eene minne streek vond. Kees nam den brief zijner moeder en trok langs een liniaal, regel na regel, dikke strepen door al wat over de Wije's liep. Zoo deed hij eveneens met volgende berichten van dien aard, van de vrij schaarsche brieven een bundeltje makende, nog onbesloten wat hij er bij voorkomende gelegenheid mee zou uitvoeren.
II.
TWEE DOZIJN MET DE ROTTAN.
Zoo Wije met lust en moed zijn nieuwe betrekking had opgevat, hij mocht van beiden wel een voldoenden voorraad hebben om onder haar last niet te bezwijken; want al spoedig zag hij in dat er op medewerking van den kant der Chineezen niet te rekenen viel. Vroeg hij iets in de toko aan een der bedienden, dan wist hij haast zeker dat het antwoord dáárop zou neerkomen, dat de man het niet wist; zelfs de meest dagelijks voorkomende zaken schenen zij allen plotseling te zijn vergeten. Als er klanten kwamen die naar de prijzen vroegen van het een of ander, liepen zij geregeld naar Wije; en als hij, die natuurlijk daarvan ook nog niet geheel op de hoogte was, dan lang werk had eer hij het kon zeggen, of er zich blijkbaar met een Franschen slag uitredde, vermaakten zij zich inwendig met zijn verlegenheid; dat gevoelde hij, hoewel aan hun gezichten niets was te zien. Wat er vroeger voor betaald werd?
Ja, nu eens zooveel, dan weer zooveel, al naar men krijgen kon. Men was gewoon maar een prijs te noemen, zorg dragend dat die niet te laag was, en dan betaalde de een, terwijl de ander tawarde; in het uiterste geval liep men naar den baas. Doch nu meneer alles zoo precies wenschte, durfde men dat zoo niet meer te doen.
Daar viel niets tegen te zeggen, maar lastig was het.
Wije begon een boek aan te leggen, waarin hij al de duizend en één artikelen met hun in- en verkoopsprijs opschreef, ruimte latend voor de notities van de schommelingen der markt, een reuzenwerk weliswaar, doch dat hem een boel gemak bezorgde toen het eenmaal gereed was.
Ook in de boekhouding had hij orde en regelmaat moeten brengen, doch hierbij was hij zelf de man die het wist, dus dat ging gemakkelijker. De kas werd elken avond opgemaakt. De eenige moeilijkheid die zich bij dit gedeelte van het werk voordeed, was het kleine geld. Overdag was er nooit genoeg om voor de koopers te wisselen, maar 's avonds, als Wije voor de securiteit het geld meenam, was het juist omgekeerd. Dan ontbrak het zoo gewilde bankpapier ten eenenmale en moest de bodem van zijn wagenbak dikwijls een zware proef doorstaan, om niet te spreken van het uittellen, eerst in de toko en dan weer als hij het afdroeg aan de firma.
Wije maakte bij zichzelf de opmerking, dat het een der moeilijkste dingen ter wereld was, om plotseling het beleid eener eenigszins omvangrijke zaak op zich te nemen. Het was daarmede als met een nieuwe taal die men te leeren had; niet alleen moet men de woorden kennen en herkennen, doch men moet ze ook tot zijn beschikking hebben, op ieder oogenblik. Dat kost oefening, die grooter schijnt dan die waarmee men zijn moedertaal heeft aangeleerd.
Toen Wije zoowat twee maanden in de toko was geweest en het daar zoover had gebracht dat de zaken een geregelden gang gingen, en het scheen dat de Chineezen hun lijdelijken weerstand hadden opgegeven, gebeurde er eensklaps iets dat hem bijna bewogen had er den bijl bij neer te leggen. De dagelijksche administratie over den verkoop door de klontongs berustte bij een der toko-bedienden. Op zekeren dag bespeurde Wije dat deze zijn aanteekeningen in Chineesche karakters hield, niettegenstaande hij dit dadelijk bij zijn komst voor goed had verboden, zoowel als het spreken in hun koeterwaalsch als hij tegenwoordig was.
Want hij had zich nu eenmaal, terecht of ten onrechte, in zijn hoofd gezet, dat de Chineezen beide dingen enkel deden om de Europeanen te bedriegen.
Zonder iets te zeggen nam Wije het boekje weg, sloot het in zijn lessenaar en maakte een ander op volgens de staatjes, die hij van denzelfden bediende ontvangen had. Dit legde hij neer op de plaats van het oude. Daarop verwijderde hij zich van het tafeltje, zeer tevreden over zichzelf, daar dit juist de eenige gelegenheid was waarbij men kon knoeien, sedert er een aparte uitgang was gemaakt voor de localiteiten waar de Chineezen huisden, en toko en magazijn 's avonds konden worden afgesloten.
Toen de klontongs eindelijk binnenkwamen, en de bewuste bediende zich naar het magazijn begeven had, waar hij met hen afrekende, vond hij het nieuwe boek. Hij bladerde er eenige oogenblikken in, zich bezinnende wat hij tegen deze nieuwe akal van den Europeaan moest doen. Daarop ging hij naar Wije; en het was merkwaardig om te zien, welk een uitdrukking van goeden wil door groote domheid ijdel gemaakt, zich op dat ronde gelaat had afgespiegeld.
Wije kende dien trek en vermoedde wat er gebeuren zou toen hij den Chinees zag aankomen.
"Meneer, ik begrijp dit niet."
"Kan je het soms niet lezen?"
"Jawel meneer; het is heel goed."
"Wat begrijp je er dan niet van?"
"Niets."
"Dat is niet veel," zeide Wije flegmatiek. "Wil je het begrijpen?"
"Heel graag, als meneer mij leeren wil."
"Goed." En Wije riep den bediende die het winkelboek bijhield. Dezen gelastte hij met den ander mede te gaan en hem te wijzen, hoe hij, uitgaande van de saldo's die in het door hem opgemaakte boekje stonden, de dagelijksche bijschrijving of afschrijving moest noteeren. "Die is erin geloopen!" zeide hij bij zich zelf, toen de twee Chineezen zich verwijderden.
Doch hij had zich te vroeg verheugd; want een kwartier later kwam de een terug met het bericht dat zij in het boekje van meneer niet konden zien hoeveel goed iedere klontong moest hebben.