Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal

Part 9

Chapter 93,989 wordsPublic domain

Vrolik antwoordde hij: »Galant en ik hebben leeuw gespeeld en om Kool doodgeschoten. Kom maar nader, er is geen gevaar."

De andere mannen drongen door het riet en toen zij de dode leeuw zagen, wensten zij de twee dapperen hartelik geluk met hun ontkoming.

Een hunner sprong te paard om de Kommandant, die de schoten zeker ook had gehoord, te gaan gerust stellen, en de anderen begonnen het beest te villen. De kogel van Dirk was hem van oor tot oor door de kop gegaan. Die van Galant had slechts zijn onderkaak verbrijzeld.

Toen de voorste wagens weldra de riet vallei bereikten, werd halt gemaakt en uitgespannen. De Kommandant prees Dirk voor zijn koelbloedigheid, maar zijn moeder stortte tranen van vreugde over zijn behoud, drukte hem aan haar hart, en maande hem tot voorzichtigheid aan. Door zijn makkers, voor wie hij de held, de leeuw van de dag was geworden, met vragen bestormd, antwoordde hij lachende: »De buit behoort aan mij en Galant te zamen, maar hij heeft zijn deel aan mij afgestaan, en als wij nu weer leeuw spelen, bezit ik mijn eigen leeuwenvel."

De trek werd verder voortgezet zonder enig noemenswaardig voorval, en 's avonds werd het kamp aan de voet van het gebergte bereikt, waar de anderen hen reeds wachtten.

Een dag rust zou de trek zich hier vergunnen, alvorens de tocht over het gebergte te aanvaarden; een tocht die zijn menigvuldige bezwaren en gevaren had, niettegenstaande de trekkers, die in Natal reeds waren, de baan gebroken en de weg gewezen hadden.

Dit gebergte, reeds meermalen door ons genoemd, is een nadere beschrijving waardig. De naam Quathlamba, er door de inboorlingen aan gegeven, is een passende er voor. Die naam betekent, vrij vertaald: »Een verwarde opeenstapeling." Door de blanken werd aan het gebergte de naam van »Drakensbergen" gegeven, de oorsprong voor welke benaming ons onbekend is.

Deze grote keten vangt aan in het Zuiden en loopt op een afstand van honderd tot tweehonderd vijftig mijl langs de kust op, tot in het verre Noord-Oosten. Hij vormt de natuurlike grens van sommige der schoonste, meest schilderachtige streken van Zuid-Afrika, en verheft zich als een rotsig bolwerk ter hoogte van zes duizend tot twaalf duizend voet boven de oppervlakte van de zee. Het land daalt van deze bergen terrasgewijze af, tot aan de kust, in op elkander volgende hooglanden. Zijn grootste hoogte bereikt het gebergte in de omtrek waar ons verhaal ons heeft gevoerd, waar de Mont aux Sources, Champagne Kasteel, Reusburgs Kop, het Reuzen Kasteel en Nelsons Kop, zijn hoogste toppen zijn. Aan de westelike zijde gezien, schijnt het gebergte niet zo hoog; hier is het slechts de rand van het hoogland, dat zich naar het Westen en Noorden uitstrekt in bijna eindeloze grasvlakten. Maar van de oostzijde beschouwd, verheft het zich trots omhoog, en met weinig verbeelding kan men uit de grillige vormen der rotsen op zijn kruin, zich de lijnen van kastelen, bolwerken en torens voorstellen; bouwvallen van wat door een verdwenen reuzegeslacht werd tot stand gebracht; verblijfplaatsen van de berggeest, die volgens de sage zich in het gebergte schuil houdt, om zijn tegenwoordigheid een enkele maal bij stormweer en noodgetij te openbaren. Naar het Zuid-Westen schijnt de bergrug zich te verbreden, en vormt zich een kortere bergketen naast de hoofdketen. Hier zijn de Malutis, de Dubbele Bergen, der Basuto's. In deze omtrek ontspringen verscheiden rivieren, en stromen naar alle windstreken voort, om zich in de schoot van de oceaan te werpen. In de vruchtbare valleien van dit gebergte woonden vele inboorlingen, in zekere mate van welvaart. De rijke bodem voorzag hen met een overvloed van graan, niet alleen voldoende om hen te voeden, maar nog genoeg latende, om aan andere, minder gezegende stammen te verruilen voor vee, en om hun kafferbier te bereiden. Langs de hellingen der bergen graasden hun talrijke kudden, en over het geheel genomen, konden deze bergbewoners gelukkig worden genoemd.

Hoger op in het gebergte bevonden zich de verblijfplaatsen of liever holen van minder gelukkige wezens. Buiten twijfel is het, dat de vertelseltjes omtrent de menseëters, bij het aanhoren waarvan menig kind rilt en beeft, om er toch met kinderlik genoegen en genot naar te blijven voortluisteren, niet van alle grond zijn ontbloot, maar dat hier de schuilplaats van kannibalen was te vinden. Dat de Bosjesmannen zich hier ophielden, blijkt nog uit de vele tekeningen van hun hand, die op de rotsen en spelonkzijden worden aangetroffen.

Ten zuiden vooral zijn diepe kloven, waarvan de zijden veelal door loodrechte, zich honderden voeten omhoog heffende rotswanden zijn gevormd, en in het midden waarvan de bergbeek voortmurmelt, om nu een glinsterend over de klippen te springen en zich dan weer als een zilveren waterval in de afgrond te slingeren. De plantegroei is in deze kloven allerweelderigst. Niet slechts worden er de schoonste bloemen en slingerplanten, het sierlikste struik- en heestergewas gevonden, maar dikwerf vormen eeuwenoude krachtvolle bomen een ondoordringbaar woud.

Doch laat ons tot ons verhaal terugkeren. Nadat men een dag op de verzamelplaats was overgebleven, om de trekdieren te doen uitrusten, zowel als om alles in volkomen orde te regelen voor het opstijgen en weer afdalen der bergen, werd het lager opgebroken, en de tocht voortgezet. Als men het oog sloeg op de zwaar beladen wagens, en op de bergen waarover zij vervoerd moesten worden, scheen het te vergeefs en nutteloos de poging te ondernemen; en toch, de Voortrekker deinsde niet terug. Reeds was door de afdeling die zich in Natal bevond, een weg gebaand, indien men de met groeven en greppels doorsneden en met rotsblokken bezaaide baan, die zij hadden achtergelaten, een weg kon noemen. Maar voorwaarts gaat het, zo goed en zo kwaad als het kan. Een aantal krachtige mannen gaan voor de wagens uit. Zij dienen niet alleen als voorhoede tegen de vijand, zo deze zich mocht vertonen, maar zijn ook van graven en pikken voorzien, en ruimen, waar grote beletselen en voortgang der wagens belemmeren, die zoveel mogelik uit de weg. Andries Viljoen, die zijn aan Uijs gegeven woord gestand deed, en naar Natal terugtrok, was met het bevel over deze afdeling belast. Geschikter persoon had men moeilik kunnen vinden. Reeds tweemaal was hij met wagens dit bergpad langs getrokken, de laatste maal slechts enige dagen geleden. De Voorzienigheid had in hem aan de trek de beste gids toebeschikt.

Zo ging het langzaam, voet voor voet opwaarts. Waar soms de helling te steil werd, en het bleek dat het voor één span ossen onmogelik was, het zware voertuig op te slepen, werd halt gemaakt, een tweede span voor het eerste vastgehaakt, en op deze wijze onder veel zweepgeklap, met menige sjambokslag, gepaard met het onvermijdelik breken van jukscheiën, en het geklank van het uitgerekt geroep van: »Trek! Trek nou!" de wagen door dubbele trekkracht naar boven gesleurd, tot het »Ho, ha, nou! Hokaai!" aankondigde dat het bezwaar overwonnen was, en het volgend voertuig naar boven kon worden gebracht.

Maar de moeilikheden van het bergpad zelf waren niet het enige bezwaar. Vaak werd de weg gevaarlik, wanneer men langs de rand van een afgrond of kloof, het pad ternauwernood breed genoeg om aan het voertuig doortocht te verlenen, trekken moest. Waar dat pad dikwels schuin afhelde naar de kant van de gapende afgrond, en aan de andere zijde het uitwijken of hoger opgaan onoverkomelik belet werd door de rechtopstaande, het pad beperkende rotswand. Als zodanig punt werd bereikt, verlieten de vrouwen en kinderen de wagen. Zelfs de drijver klom van zijn zitplaats op de voorkist. Aan de assen en de langwagen werden sterke riemen bevestigd, door een twintigtal mannen aan de zijde van de rotswand in handen genomen, en alzo de wagen tegengehouden en belet om onder het voortgaan, door de schuinte medegesleept in de richting van de afgrond, als 't ware tot hem aangetrokken, daarin neder te storten. Soms weer kronkelde het pad zich om een vooruitspringende rotspunt, met een zo plotselinge bocht, dat de grootste omzichtigheid werd vereist, de draai met het lange span ossen zó te volgen, dat het voertuig in het pad bleef, en niet in de kloof afrolde.

Zo hadden mens en dier enige uren voortgezwoegd en voortgeworsteld, en de voorste wagens reeds de grootste bezwaren van de bestijging overwonnen en bijna het punt bereikt vanwaar de niet minder gevaarlike afdaling zou aanvangen.

Dirk en Galant bevonden zich bij de wagen van Uijs, onmiddellik achter de wagen van Andries Viljoen, de gids, die het bestuur over zijn voertuig aan zijn zoontje, een kind van elf jaren oud, en aan zijn bedienden had moeten overlaten.

»Baas Dirkie," zei Galant, »ik wens dat we boven op de berg waren. Van eergister af heb ik al regen verwacht, en vandaag zullen we het zeker krijgen. De wolken pakken al op mekaar; net nou zal de donder dreunen."

»Wel, Galant," antwoordde Dirk, »het zal wel niet de eerste maal zijn, dat wij een nat pak oplopen, en ik vertrouw de laatste maal ook niet."

Nauweliks had hij deze woorden geuit, of een dof gedreun kwam voort uit de zwarte wolkemassa, die zich ten Zuid-Westen van het gebergte had opeengehoopt, terwijl de wind uit die richting kwam opzetten. De lucht, daareven nog azuurhelder, werd asgrauw van kleur, en belette weldra het doordringen aan de zonnestralen. Het gehele landschap, daar straks nog in vrolike tinten gekleurd, lachend en dartelend in de zonneschijn, scheen achter een sombere sluier teruggezonken. De vogels zochten in snelle, lage vlucht de bescherming hunner nesten. De drukkende, met elektriciteit geladen dampkring werkte zwaarmoedig op onze trekkers, en maakte hun trekdieren loom en traag. De wind verhief zich in steeds sterker wordende vlagen, en dreef de orkaan op zijn witgepluimde wolkekoets steeds nader en nader. Daar kliefde de eerste bliksemflits als een vlammend zwaard de lucht, gevolgd door een ratelende donderslag, die het gebergte op zijn grondslagen scheen te doen schudden, en door de rotsen weerkaatst, van kloof tot kloof bleef voortbulderen; en het gerommel was nog niet in de verte verstorven, toen een tweede bliksemstraal de wolken scheen te scheuren, gevolgd door een even zware slag. Tans barstte de storm los met volle woede. Galant had dadelik zijn wagen doen stilstaan, hetgeen noodwendig de anderen, die hem opvolgden, hetzelfde deed doen, en hij was naar voren, naar de wagen van Viljoen gelopen, die juist een punt bereikt had, waar het pad een draai maakte tussen de bergwand en de rand van een diepe kloof. De vrouw van Viljoen, die met haar kinderen van de wagen was geklommen, wilde weer daarin beschutting zoeken tegen het onweer, maar Galant hield haar tegen, en op zijn aandringen spoedde zij zich met de kleinen terug naar de wagen van Uijs, die betrekkelik veiliger was geplaatst. De regen, van grote hagelstenen vergezeld, viel tans in stromen neder, en de rukwinden kwamen met zoveel geweld, dat zij de zeilen der wagens scheurden, de wagens dreigden omver te werpen, en het struikgewas op de bergranden uit de grond rukten. Onafgebroken schoot de bliksem van wolk tot wolk en dikwerf loodrecht in de aarde. Het geluid van de ene donderslag rolde in de andere, een majestueus maar vrees inboezemend akkoord. De ossen, door wind en regen gezweept, door de hagelstenen getroffen, door de bliksem verschrikt en verblind, weigerden stil te staan en werden door drijvers en leiders met de uiterste moeite tegengehouden. Galant bevond zich nog bij de wagen van Viljoen, met wiens zoontje en twee bedienden hij trachtte de ossen te doen stilstaan, hetgeen hun echter slechts ten dele gelukte. Door het heen en weer rukken en slingeren waren de achterwielen van de wagen reeds op de rand van de kloof geraakt. Galant zag het gevaar en zond de jonge Viljoen terug naar de achterste wagens om hulp te halen. Druipnat liep de kleine knaap, die zich ternauwernood in de sterke wind op de been houden kon, naar achteren terug. Het was echter reeds te laat. Op eens lieten enige grote klippen bij het achterstel van de wagen los, en stortten naar beneden; het ene achterwiel sloeg over de rand van de kloof, een ogenblik nog stond de wagen te waggelen, alsof hij trachtte het verloren evenwicht terug te bekomen. De achterossen hieven een angstig gebrul aan, de andere ossen vlogen naar voren; het trektouw brak voor de disselboom af, en de wagen, de twee in doodsangst loeiende achterossen met zich slepende, verdween over de rand van de kloof en stortte in de diepte neder.

Alsof de stormgeest met dit zoenoffer bevredigd was, begon de orkaan spoedig na dit ongeluk te bedaren. De wind ging liggen, de regen hield op, en het wolkgevaarte, gedekt door een regenboog, schitterend in zijn prismatiese kleurepracht, zakte statig af naar het Noord-Oosten, uit de verte zijn dof gedreun als ten afscheidsgroet doende horen. De zon brak door, en speelde in schitterend licht op de met hagelstenen wit beladen bergkruinen en hellingen, waarlangs het regenwater, hier in kleine voren, daar in bruisende stromen, afdaalde. Het landschap, als door de regen gereinigd, was in schoner, helderder tinten getooid. De gezuiverde atmosfeer scheen met verse ademtochten het aardrijk te verlevendigen, en het lustig gekweel der vogels weerklonk opnieuw vrolik door het gebergte.

Op de plaats van het ongeluk hadden zich velen trekkers verzameld en stonden geschaard om Andries Viljoen en zijn gezin. De wakkere man had tranen in de ogen. Hij, die de vijand steeds moedig te gemoet ging, de dood in de ogen had gezien zonder schromen, hem schoot het gemoed vol, nu hij met uitzondering van twaalf ossen, al zijn have, het weinigje dat hij uit de overvloed die hij in de Kolonie genoten had, met zich in de wildernis had gevoerd en zorgvuldig had bewaakt, in de afgrond voor zijn voeten verpletterd en verzwolgen moest denken. En zijn twee trouwe achterossen, Zwartland en Potberg, waarop hij zo staat kon maken, die hem reeds zoveel jaren hadden gediend, vermorzeld lagen zij daar in de diepte. Zijn vrouw stond te weeklagen. Arme ziel! Niet alleen was met de wagen het voertuig, maar ook de woning van haar en haar kinderen verdwenen, en met die woning alles wat zij bezaten. Hier stonden zij zonder een droge draad aan het lichaam, en hun andere kleren had de bergkloof verzwolgen. Alles, alles, hun beddegoed, mondbehoeften, medicijntrommeltje of huisapotheek, direkt uit de winkel van Juritz afkomstig; de grote Statebijbel, geschenk der Dortse vaderen van geslacht tot geslacht, en het Psalm- en Gezangboek, haar door haar moeder in de hand gedrukt op de dag toen zij als een blozende bruid het ouderlik huis verliet. Verloren! Alles verloren! Was het wonder, dat die arme vrouw, die moedig in de kruitdamp, toen de Zulu's hen aanvielen, aan de zijde van haar echtgenoot gestaan en hem de ammunitie had aangereikt, tans in tranen wegsmolt? »Here! Here! Wat begin ik nu? Mij is niets overgebleven" riep Andries Viljoen wanhopig uit.

»Nee broeder, zo erg is het niet," klonk de forse stem van Barend Greyling. »Denk er aan hoe velen onzer broeders niet alleen al hun have, maar nog vrouw en kroost in de laatste tijd zich hebben zien ontrukt; en misschien nog zelf verwond en verminkt, van alles beroofd, het lieve leven moeten voortslepen, afhankelik van de genade van anderen. Hier staat ge met de uwen nog fris en gezond; en wat het verlies van je have betreft, dat is niet jou verlies, maar dat van ons allen. In aller belang waart ge als gids aan ons hoofd en moest je eigen belang in de waagschaal stellen. Gezamenlik behoren en zullen wij je verlies goed maken." »Dat zullen wij!" weerklonk het rondom hem. »Welnu, waarom dan getreurd? Laat een twaalftal mannen bij het begin van de kloof afklimmen en zien wat nog te redden is. Dank de Hemel, dat je vrouw en kleintjes niet met de wagen samen in de afgrond zijn geslingerd."

Deze krachtige en verstandige woorden misten hun uitwerking niet, en brachten Viljoen en zijn gezin tot berusting en kalmte. Met spoed waren verscheiden mannen in de kloof afgeklommen. Viljoen had zich bij hen gevoegd. Zij moesten een moeitevolle taak ondernomen hebben, want lang, wel enige uren, lieten zij op zich wachten. Maar eindelik, daar klauterden zij weer naar boven, ieder beladen met zijn last. Onder de biezondere omstandigheden van de trek, hadden vele zaken, die in de wildernis niet verkrijgbaar waren, een biezondere waarde. Het houtwerk van de wagen was natuurlik geheel verbrijzeld, maar al het ijzerwerk werd losgemaakt, verzameld en naar boven gedragen. Veel van het beddegoed en de kleren, schoon enigszins gehavend en beschadigd, werd gered. De medicijntrommel was met zijn inhoud verbrijzeld, maar de Statebijbel en het Psalmboek werden tot vreugde van vrouw Viljoen, haar heel en gaaf ter hand gesteld.

Ruimte ontbreekt ons, de verdere tocht voet voor voet te volgen. Wij moeten ons bij het neerschrijven der voornaamste gebeurtenissen bepalen. Sluiten wij dan dit hoofdstuk met te zeggen, dat de wagentrek van Uijs zonder verder ongeval vier dagen later bij het lager van de Grote Trek in Natal aankwam.

IX.

Aankomst van het lager van Piet Uijs in Natal.

Zalig uur van het wederzien, te meer wanneer de scheiding is gevallen in tijden van rampspoed en gevaar; wanneer de gescheidenen, aan elkander denkende, zich de geliefde afwezige voorstellen, door lagen en listen omringd, door een sluwe en naar bloed dorstende vijand bezet, met de dood worstelende, stervende met de geliefde naam op de lippen. Als ieder uur de angst en de spanning heeft doen stijgen, de onrust het hunkerend verlangen heeft vermeerderd, en het gelovig gemoed slechts verlichting heeft gevonden in het ootmoedig: »Gij weet het, Heer!" Als het hart sneller klopt, de boezem heviger prangt, hoe meer de stonde genaakt wanneer het floers van de onzekerheid zal worden weggerukt, men zich in de armen van de geliefde zal kunnen werpen, of voor altijd van hem op aarde gescheiden, zijn droevig lot bewenen zal, en slechts lafenis zal kunnen putten uit de bron van de hope des wederziens hiernamaals. Zalig uur van het weerzien op aarde, als de benauwende vrees en twijfeling zich oplossen in het zeker zijn omtrent elkanders veiligheid en welzijn, als het zweven tussen hoop en vrees als een schim verdwijnt en plaats maakt voor het verrukkelik, dankbaar gevoel, dat de boezem doortintelt bij het bewustzijn: wij leven. Wij zijn gezond. God heeft ons voor elkander gespaard. Zalig uur van het weerzien. Voorsmaak van het ogenblik, wanneer de moede strijder de aardse wapenrusting aflegt, en op de vleugelen van de Seraph stijgende, de geliefden, van wie hij op aarde gescheiden werd, in reiner sfeer terugziet voor de troon van God.

Het was een vreugdevol weerzien tussen Uijs en de mannen van zijn paardekommando, en hun vrouwen en kinderen die met de wagentrek waren aangekomen. Wederzijds waren allen gezond, en sedert de scheiding aan de andere zijde van het gebergte, hadden zij het verlies van geen enkel leven te betreuren gehad.

De Kommandant ontving het rapport van Barend Greyling. Hij was biezonder verheugd over de terugkeer van Andries Viljoen en de andere volgelingen van Strijdom, die zich tans voor goed bij hem hadden aangesloten; en toen hij het verlies van de wagen vernam, beloofde hij nog de volgende dag dit verlies te zullen goedmaken. Dat zou niet moeilik gaan, want in het lager bevonden zich verscheiden wagens met trekgoed, tenten, huisraad en vee, waarvan de eigenaars vermoord waren, en de Krijgsraad had besloten deze goederen te verkopen, en de opbrengst te bewaren, totdat de gelegenheid zich zou voordoen die te overhandigen aan de rechtmatige erfgenamen. Verder deelde de Kommandant in korte woorden aan Greyling mede, hoe de zaken stonden, met betrekking tot het kiezen van een hoofdaanvoerder, en besloot hij met te zeggen, dat hij de volgende morgen een vergadering van de voormannen van zijn trek zou beleggen, om met hen te beraadslagen.

Die avond vinden wij Uijs, met zijn gezin verenigd, in zijn tent terug. De dagtaak was geëindigd, de wagentrek bij het grote lager ingelijfd en behoorlik verzorgd. Enkele vriendinnen waren de vrouw van Uijs komen welkom heten, doch tans begreep men dat het de echtgenoten verkiesliker zou zijn, om in hun eigen huiselike kring alleen gelaten te worden. Op het gelaat van allen is een stille vreugde te lezen. Niemand ontbreekt er; zelfs de oude Galant heeft zijn hoekje in de tent gekregen. Immers, hij heeft ook nog verslag aan zijn oubaas te doen, en heeft zich hiervoor reeds voorbereid.

Het avondmaal is geëindigd. Op last van zijn vader heeft Dirk de boeken uit de wagenkist gehaald, en Uijs doorbladert langzaam de Bijbel, zoekende naar een voor de gelegenheid toepasselik hoofdstuk om te lezen. Hij heeft gevonden wat hij zoekt, en begint met gevoel Psalm 103, waarin Israëls koninklike dichter de lof van Jehovah zo welsprekend bezingt, te lezen. Zijn vrouw luistert, de blik op het gelaat van de dierbare echtgenoot geslagen. Een traan glinstert in haar oog. 't Is een parel van dankbare aandoening. Na het lezen stort de huisvader zijn hart uit in een vurig gebed, en dit dankoffer op het eenvoudig huisaltaar wordt besloten met het zingen van het eerste vers van Psalm 146, niet naar de zangwijze die in het Psalm- en Gezangboek te vinden is, maar naar de schone melodie, hier gemeenzaam bestempeld als »op liederwijze," op de tonen van welke wijze gezongen, deze Psalm nog dikwerf des avonds uit menige Zuid-Afrikaanse woning ten hemel stijgt.

Prijs de Heer met blijde galmen: Gij, mijn ziel, hebt rijke stof. 'k Zal, zo lang ik leef, mijn psalmen Vrolik wijden aan Zijn lof. 'k Zal zolang ik 't licht geniet, Hem verhogen in mijn lied.

»Dirk, mijn kind," zei Uijs, »kom hier naast me zitten."

Gretig gaf de knaap aan dit verzoek gehoor, en plaatste zijn veldstoeltje naast dat van zijn vader. Uijs legde de hand op het blonde hoofd van zijn zoon en vervolgde: »Je moeder, en ook Barend Greyling hebben me verteld van de nauwe ontkoming, die je met Galant gehad hebt, bij de ontmoeting met de leeuw. Wel heb ik, en hebben wij allen ruime stof om de Heer voor Zijn grote goedheid dank toe te brengen. Zeg me, Dirk, heb je God voor die uitredding gedankt?"

»Ja vader, dezelfde avond nadat het gebeurd was, heeft moeder me naast zich doen neerknielen, en samen hadden we de Heer gedankt, omdat Hij me gered had."

»Dat was recht, mijn kind. Ken de Heer in al uw wegen. Maar nu een andere vraag, en beantwoord die openhartig. Was je niet bang, toen je de leeuw voor je zag?"

»Nee vader," antwoordde de knaap levendig, »bang was ik niet. Ik gevoelde me meer verwonderd. Het gebeurde ook alles zo plotseling, er was geen tijd om bang te worden."

»Laat ik u vertellen, Baas Piet," viel Galant in, »ik kan mos goed zien als een mens bang wordt, en ik verzeker u dat daar niet één haar op Baas Dirkie z'n kop was, dat bang was. Hij was zo koel als een komkommer. Had hij niet zo gauw gevuurd, dan had die verduikerste leeuw mij zomaar stuk gemaakt."

Een glimlach plooide de lippen van Uijs, toen hij hernam: »Ik ben blij om dat te horen, Galant, maar zeg jij me nu, was jij zelf niet bang?"

»Ah, nee, oubaas!" riep de oude, merkbaar verontwaardigd uit. »Nou vraagt u me tegen beter weten in; wanneer heeft Baas me al bang gezien? Dat is zo, ik heb een slecht schot gedaan, want in plaats van de leeuw de kogel voor de kop te geven, heb ik net zijn bek gebroken; maar dat was niet van bangheid, dat was de schuld van mijn ogen; ze zijn niet meer zo goed als vroeger, toen oubaas nog niet boe of ba kon zeggen."

»Dat is zo, Galant, ik maakte maar een grap met jou. Niemand weet beter dan ik, dat je geen lafaard bent."

»Ah ja, als Baas Piet dat zegt, dan is de hele wereld weer recht," hernam de in zijn eer getaste Galant. »Ik verzeker de Baas dat de kleinbaas en ik, geen van twee bang waren."