Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal
Part 3
De aangesprokene stond van zijn veldstoel op, en na enige ogenblikken zwijgend, als in diep gepeins verzonken gestaan te hebben, begon hij zijn verslag en zei: »Mannen, broeders, ik zal trachten u een getrouw verslag te geven van wat in de laatste weken aan de overzijde der bergen is voorgevallen. Ik zal andermaal in de geest de schriktonelen moeten doorleven, die ik daar heb aanschouwd; en als ik wellicht op het een of ander punt mocht afdwalen, of niet duidelik genoeg mocht zijn, zullen mijn medeboden mij terecht helpen of mijn verslag aanvullen, waar zulks nodig is. Het is u bekend hoe ons aller leider, Piet Retief, volgens afspraak met Dingaan, tegen het einde van het vorige jaar, aan deze zijde van het gebergte, Sikonyella, door hem gevangen te nemen en een losprijs te vorderen, dwong, aan hem een groot getal vee af te leveren, beweerd door Sikonyella van het Zuluvolk te zijn gestolen. Gij allen zult het u te binnen kunnen brengen, hoe ik, ook gij, Kommandant Uijs! en anderen hadden gemeend, dat wij ons in de onderlinge twisten der zwarte naties niet behoorden te mengen; doch het geschiedde, en het is voorbij. Toen Retief het afgenomen vee over de bergen en bij ons hoofdlager in Natal in veiligheid had gebracht, werden de leden van de Krijgsraad met de oudsten van jaren bijeengeroepen om te beraadslagen, op welke wijze wij het vee aan Dingaan zouden terugbezorgen, en welke beloning wij van hem voor de bewezen dienst zouden vorderen. Arme Retief! Moedig, onverschrokken als altoos, geen verraad voorziende of vrezende, gaf hij het als zijn plan te kennen, dat hij met een patroelje van uitgelezen mannen, zelf de beesten naar de hoofdstad van de Zulu-koning zou brengen, en als beloning zou eisen de vervulling van Dingaan's belofte, om ons de gehele landstreek, bekend als Natal, af te staan. Velen onzer aanvoerders wezen er op, dat Dingaan niet blindelings te vertrouwen was, en dat wij vooral moesten vermijden, om door een vertoning van macht zijn ijverzucht of barbaarse vrees op te wekken.--Karel Landman drong er sterk op aan, dat aan de Zulu-koning bericht zou worden gezonden, dat wij het vee aan Sikonyella ontnomen, en in ons bezit hadden; dat wij als beloning het land van Natal vroegen, en dat hij onder deze voorwaarde zenden kon om het vee te halen. Doch Retief bleef vast op zijn stuk staan. Gert Maritz bood toen aan, om met enige vrijwilligers het vee weg te brengen, en zei dat hij wist, dat zij misschien nimmer zouden terugkeren, maar dat het beter was het leven van enige mannen te wagen, dan de gehele trek in gevaar te brengen. Piet Retief was echter onverzettelik. De meerderheid van de vergadering boog voor zijn wil, en zijn voorstel werd aangenomen. Weinig dacht hij, dat daarmede zijn doodvonnis en dat van honderden der onzen werd geveld. Niemand echter werd verplicht aan de gevaarlike tocht deel te nemen. Retief vroeg vrijwilligers, en de bloem van onze krijgslieden en jongelingschap bood zich gretig aan om hem te vergezellen. De toebereidselen voor de tocht werden zonder verzuim gemaakt, en op de morgen van de eerste van deze maand vertrok Retief naar Umkungunhlovo, aan het hoofd van vier en zestig uitgelezen, welgewapende mannen, door dertig kleurling-achterruiters vergezeld. Zij waren met vrolike moed bezield, en op onze vermaningen om toch uiterst voorzichtig te zijn, en het barbaarse opperhoofd, al scheen hij nog zo vriendelik gezind, niet te vertrouwen, maar steeds voor hem op hun hoede te zijn, antwoordden zij, dat zij binnen weinige dagen met de grondbrief van Natal weer bij ons zouden zijn. Helaas, aan deze zijde van het graf zullen wij geen hunner terugzien. In slaap gewiegd door het vertrouwen, dat Retief en velen der aanzienlikste en verstandigste mannen toonden, rekenende op de vrede, door de tocht van Retief bestendigd en op hechte grondslag gelegd, gingen de voorzichtigheid en waakzaamheid der onzen te loor. In plaats van bij elkander te blijven, zoals zelfs door Retief uitdrukkelik was aangeraden, of ten minste zich in weerbare afdelingen, sterk genoeg voor verdediging, te splitsen, was de trek uiteengegaan, en verspreid in kleine troepjes, sommige waarvan slechts uit 'n paar huisgezinnen bestonden, langs de vruchtbare oevers van de Blauwkrans- en Boesmans-rivieren. Wel deed zich hier en daar een stem van waarschuwing tegen deze onvoorzichtigheid horen, maar daarop werd geen acht geslagen; men bestempelde die waarschuwers als ongeluksprofeten, bevangen door kinderachtige vrees. De bloedige ontnuchtering zou echter niet lang uitblijven. Zij, die niet zo geheel gerust omtrent de toestand waren, vormden zich in twee afdelingen, en bleven in lager langs de Blauwkrans-rivier, omtrent één uur te paard van elkander verwijderd. Ik voegde me bij de noordelike afdeling onder Gert Maritz, en merkte op dat weer ten Noorden van ons, enige kleinere afdelingen ook in lager getrokken waren. Zo bleven wij, niet zonder ongeduld, op de terugkomst van Retief, die ons verzekerd had dat zijn tocht niet van lange duur zou zijn, wachten. In de nacht tussen de 16de en 17de dezer, kort na het tweede haangekraai, lag ik half wakker in mijn wagen, toen ik op eens door het knallen van een geweerschot geheel werd gewekt. Daar valt het vreugdeschot, dat de terugkomst van Retief en zijn mannen aankondigt! riep ik met vreugde uit, en ik schudde mijn naast me slapende vrouw wakker. Maar hoe spoedig werd mijn blijdschap veranderd in ontzetting en schrik, toen ik enkele geweerschoten, sommige in de verte, hoorde vallen, opgevolgd door een oorverdovend krijgsgeschreeuw, vergezeld van een gedreun, gelijk aan het wegrollend geluid van de donder. Die geluiden waren niet te miskennen. Het was de oorlogskreet van een Zulu-impi, die ik had vernomen; het gedreun ontstond door hun slaan op hun schilden.
Er was geen ogenblik tijds te verliezen; ons lager werd aangevallen, ons aller leven was in gevaar. Ik greep mijn roer en ammunitie, riep mijn vrouw toe gereed te zijn mij van verdere ammunitie te voorzien, sprong uit de wagen, en ijlde naar de lagerpoort. Reeds waren enige mannen, waaronder Gert Maritz, mij voor. De dag begon aan te breken. De lichtgrijze wolkekroon op het Umpufane Gebergte nam reeds een gulden tint aan, voorbode van het verrijzen van de zon boven de kim. Zal die zon heden slechts onze naakt uitgeschudde en in koelen bloede misvormde lijken beschijnen? was de vraag die stilzwijgend in mijn beklemde borst omhoog steeg. De gedachte: strijd, en moet het zijn, sterf, als een man, scheen als antwoord op die vraag in mijn binnenste te klinken. Bij het schemerachtig licht zag ik ons lager, zover het oog reikte, omgeven door zwarte gedaanten, met de assagaai in de ene, het schild in de andere hand, ons steeds vaster insluitende in de kring des doods. Bij de lagerpoort drongen zij reeds in, en aan de voeten der voorsten herkende ik het lijk van Sijbrand de Klerk, de jongste en lievelingsbroeder van mijn vrouw, die het schot, dat het lager gewekt had, had gelost, en op zijn post als poortwacht, door dozijnen scherpgevlijmde assagaaien doorboord, de dood als een man in het aangezicht gezien had; want hij lag er niet alleen: vier Zulu's waren door zijn hand naast hem gevallen. Doch tijd tot verder denken was er niet. Er moest gestreden en het lieve leven zo duur mogelik verkocht worden. Ons geweervuur op de bij de lagerpoort indringende Zulu's, deed zovelen hunner neerstorten, dat hun lijken de ingang half versperden, en vóór zij zich van de ontstane schrik hadden hersteld, hadden wij een wagen, die gelukkig los in het lager stond, voor de lagerpoort getrokken, en begonnen we een gestadig, maar onafgebroken vuur op hun dicht opeengehoopte drommen te richten. De strijd was woedend. Terwijl de voorste gelederen der Zulu's trachtten de aaneenschakeling van onze lagerkring, door het wegnemen der staketsels, te verbreken en bres te maken, tot instorming binnen het lager, wierpen de volgende gelederen een wolk van assagaaien over en in de wagens; terwijl de achtersten, als van de duivel bezeten, rondsprongen en dansten, onder een vervaarlik geschreeuw, met knopkieries, strijdbijlen en assagaaien op hun schildvellen slaande. Wij telden slechts drie en dertig weerbare mannen, over verschillende punten verdeeld, om de vijand tegen te houden; maar wij werden door de vrouwen en kinderen krachtdadig bijgestaan. De vrouw van Gert Maritz met haar dochter stond aan zijn zijde. Zo merkte ik ook op, hoe een vrouw het hoofd van een Zulu, wie het gelukt was onder een wagen door te kruipen, met één bijlslag kloofde, eer hij zich in het lager oprichten kon; terwijl een tweede Zulu, die hem volgde door haar zoontje werd doorstoken met een assagaai, genomen uit de bundel, aan de stervende hand van zijn makker ontvallen. Maritz spoorde ons met kalme, maar krachtige en doordringende stem aan, op God te vertrouwen, en tot de laatste ademtocht te strijden; geen ammunitie te verspillen, maar te zorgen, dat ieder schot raak was. Daar droegen wij ook zorg voor. Er viel geen schot dat zijn doel miste; dat was trouwens ook bijna onmogelik, bij het schieten onder de opeengedrongen zwarte massa, die ons omgaf. Onze met lopers gevulde zakjes kwamen ons hierbij goed te pas. Mijn bandelier begon leeg te worden, toen een hand mij op de schouder werd gelegd; mijn vrouw stond naast me, en geen acht schijnende te slaan op de rondvliegende assagaaien, overhandigde zij mij een gevulde kruithoorn en een tasje met kogels en loperzakjes gevuld. Ik zag dat zij een roer in de hand hield. De aandrang der Zulu's bij de lagerpoort was nu bijna overweldigend geworden. Mijn vrouw week niet meer van mijn zijde, maar hanteerde haar geweer als de beste man. De zon, die ik gevreesd had, nimmer weer te zullen zien opgaan, rees tans over de kam der Umpufane Bergen en dreef z'n stralen in onze door kruitdamp beschaduwde kampplaats. Ons lager was als omslingerd door een zwarte gordel van Zulu-lichamen, rustende op een bloedig rode grond, waaruit het gekerm en gesteun der gewonden en stervenden onafgebroken werd vernomen. Deze aanblik, die onze moed verlevendigde, scheen onze vijand te ontzetten. Wij vuurden nog gestadig door, toen de vijand eerst langzaam maar daarna steeds sneller en sneller terugdeinsde, en weldra in de richting van het Zuiden, langs de rivier de vlucht nam. Een zucht van verlichting, een stille bede van dankzegging steeg tot de Almachtige uit onze harten op. Bij een haastig onderzoek bleek het, dat schoon velen onzer, sommigen zelfs ernstig gewond waren, niemand het leven verloren had, dan alleen onze arme poortwacht, wiens vertrapt en met Zulu-gesneuvelden bedekt lijk nog in de lagerpoort lag. Geen tijd was er tot overdenken, treuren of rusten. In alle richtingen hoorden wij in de verte het krijgsgeschreeuw der Zulu's vermengd met geweerschoten. Wij, die er in geslaagd waren de vijand af te slaan, moesten onze broeders te hulp snellen. Maritz gaf dadelik bevel, dat twaalf onzer, op onze beste paarden gezeten, met hem de vluchtende vijand zouden vervolgen, terwijl de overige twintig mannen het lager zouden beschermen, en zoveel mogelik de versterkingen zouden verbeteren en herstellen. Dra zaten wij de vijand op de hielen, die door onze kort op elkander volgende aanvallen aangehitst, snel en in volslagen vlucht voorttoog. Wij dreven hen in de richting van een lager, door de Prinsloo's en Botha's aan een kleine spruit opgeslagen. Geen geweervuur klonk ons tegen. De vluchtende Zulu's snelden het lager voorbij. Waarom bleef alles zo stil in het kamp onzer vrienden? Wij bereikten de plaats, en zagen met afgrijzen wat gebeurd was. De vijand had het lagertje overmeesterd, en aan geen enkele blanke het leven willen laten. Tussen stukgeslagen huisraad, opengebroken kisten, losgereten bedden, lagen de nog warme, bloedende lijken van mannen, vrouwen en kinderen verspreid. Vele der lichamen waren naakt uitgeschud; de borst en de buik opengesneden, als van een geslacht beest, en de ingewanden uitgesleurd. Het lijk ener jeugdige moeder lag met assagaaisteken doorboord, de schedel met knopkieries te pletter geslagen, met de starre, koude blik naar het azuren luchtgewelf gericht, als smeekte haar verkild oog de Grote Goede Geest des levens, die boven lucht en wolken troont, om erbarming; en naast haar in het vertrapte gras, ontijdig als een bloem des velds afgeplukt, lag het lijkje van haar enige maanden oude zuigeling, die aan de beschermende moederborst ontscheurd, het hoofdje tegen een wagenwiel vermorzeld, naast het moederlijk neergeworpen was. Uit een der wagens stroomde bloed langs de leer, en lekte door de reten van de buikplank. Wij vonden in de wagen de lijken van twintig vrouwen, die in doodangst elkander daarin verdrongen hadden, om allen onder het moordend wapen van de Zulu te bezwijken. Hier was voor het ogenblik niets voor ons te doen. Wij kwamen te laat; te laat om iemand te redden. Maar hoger op, aan de voet van het gebergte, weerklonk nog een zwak maar geregeld onderhouden geweervuur: daar konden wij helpen, daar konden wij redden, daar konden wij misschien het schuldig bloed doen stromen, ten zoenoffer voor het onschuldig bloed der onzen, dat nog niet op de aarde was gestold.--Wij wendden de teugel in die richting. Maar ik kan mijn verslag niet voortzetten. Mijn gemoed overstelpt me. Laat mijn medeboden voortgaan met het schokkend verhaal."
In ernstige aandacht verzonken, had men van Staden's verhaal aangehoord, zonder de spreker in de rede te vallen. Slechts af en toe een diepe zucht verlichting aan het beklemd gemoed, of werd met de rug van de hand een onbedwingbare traan van de oogleden gewist.
Toen van Staden zweeg en zijn plaats hernam, stond Piet Maré op en zei: »Ik had liever gezien, dat oom Stoffel ons verslag geheel had afgedaan, maar daar hij zich op ons beroept, zal ik verder gaan. Ik bevond me in het kleine lager van de van Rensburgs. Wij waren achttien man sterk, en hadden ons lager in de best mogelike orde, want gedachtig aan het woord: »Wees oprecht als de duif, maar voorzichtig als de slang", betrouwden we de vrede niet. In de vroege morgen van de 17de werden we gewekt door onze poortwachter, die door het lager liep, uitroepende: »Verraad! Verraad! De Zulu's bestormen ons. Te wapen! Te wapen!" In een oogwenk waren wij allen, slechts half gekleed, maar ten volle gewapend, naar buiten gesprongen. Rondom ons hoorden wij op enige afstand de oorlogskreet der Zulu's weergalmen, vermengd met geweerschoten en hulpgeschrei, terwijl een gestadig gedreun langs de oever van de rivier ons het aanrukken van een Zulu-afdeling op ons lager aankondigde. In weinige woorden verhaalde ons de poortwacht, dat hij wel enig rumoer vernomen, maar daar niets van gedacht had, totdat Klein Frederik Bezuidenhout ademloos bij het lager kwam aanlopen, uitroepende, dat hun gehele afdeling door Zulu's overvallen en afgemaakt, en dat hij de enige ontkomene was, en verder de rivier op, de anderen zou gaan waarschuwen. Door de schemering zagen wij de Zulu impi in z'n halve-maanvormige slagorde, op enige honderden treden het lager naderen, en vóór hen, doch dichter bij ons een enkel persoon, waggelende en struikelende op ons aanlopen. Het was een blanke, een onzer broeders. Enigen onzer sprongen hem tegemoet, en vingen hem in hun armen op, juist toen zijn krachten hem begaven, en hij dreigde neer te storten, om nimmer weer op te staan. Met haast werd hij in het lager gedragen. Zijn lichaam, waarin nog twee assagaaien staken, was met wonden overdekt. Het was Jan Oosthuizen, de wakkere, vrolike, levenslustige Jan, die ons zo honderden keren met zijn grappen vermaakt had. Zijn uur was echter geslagen. Met zwakke stem zei hij nog: »Vrienden, onze afdeling is uitgemoord. Ik heb u willen waarschuwen, en ben daarin geslaagd. Heer! wees mij arme zondaar genadig!" Zijn lichaam kromp ineen. Een laatste, bange ademtocht, en Jan zeeg dood in onze armen terug. Zachtkens legden wij hem neder op het met dauw bedekte gras.--Verwijlen konden wij niet. Het midden van de Zulu impi was reeds tegen ons lager; de beide hoorns daarvan begonnen ons geheel in te sluiten. Wij grepen het geweer, en begonnen wakker op de aandringende horden los te branden. Maar, waartoe in biezonderheden te treden. Wij streden tegen de overmacht als mannen die wisten, dat ons eigen leven, zowel als dat onzer vrouwen en kinderen afhing van de uitslag van de strijd. Eén vrees beving ons; ons kruit en lood was ontoereikend om de slag lang vol te houden; doch spoedig voorzag de Heer daarin, want aan de rechterzijde van ons lager sloegen Marthinus Oosthuizen,[1] Abram de Boer en Jaap Naudé zich door de vijand, en bereikten ons, een aanzienlike hoeveelheid ammunitie met zich brengende. Vier der onzen waren reeds gevallen, en verscheidenen waren gewond, toen wij een troepje ruiters dicht bij ons lager zagen verschijnen. Het was Gert Maritz met zijn twaalf mannen. Ook de vijand zag de ruiters, die nu in volle vaart op hem afkwamen. Hij scheen een ogenblik te aarzelen, maar liet toen af, en vluchtte in zuidelike richting weg. De strijd was echter niet geëindigd. Wij begonnen dadelik de overgeblevenen der verschillende afdelingen te verzamelen, en tot één lager te vormen, en waren nog slechts weinig hiermede gevorderd, toen wij uit het zuiden de Zulu's zagen terugkeren, in dichter drommen dan toen wij hen pas hadden teruggeslagen. Ook zij hadden hun verspreide benden verenigd, en waren nog door hun opgekomen achterhoede versterkt. Met de grootste woede en doodsverachting bestormden zij ons nu slechts half voltooid lager, kropen door de staketsels en klauterden over de wagens, een regen van assagaaien op ons richtende; maar hoewel het hun gelukte velen onzer te verwonden en dodelik te treffen, overmeesteren konden zij ons niet en werden telkenmale afgeslagen. Zo duurde het gevecht, bijna zonder tussenpozen voort tot in de namiddag, toen het zwarte leger terugdeinsde en spoedig geheel op de vlucht sloeg. Om hen geheel terug te drijven, zonden wij hen een afdeling ruiters achterna, die hen tot zonsondergang vervolgde, wegdreef en honderden doodde. Wat zal ik hier nog bijvoegen? Wij hebben onze doden verzameld en begraven; meer dan zes honderd werden aan de aarde toevertrouwd. De gewonden hebben wij bijeen gezocht, maar, helaas, slechts weinigen hebben wij gevonden die hoop geven op herstel. De Zulu's verstaan het moordenaarswerk maar al te wel. Onder de lijkehoop in het lagertje der Prinsloo's vonden wij Hannie van der Merwe, die zes en twintig, en Grietje Prinsloo, die twee en twintig assagaaisteken had gekregen. Beiden waren nog in leven, en leefden nog toen wij het lager verlieten. De volgende dag vroeg Maritz vrijwilligers om u de treurmare te brengen. Wij boden ons daartoe aan, en door God behoed, hebben wij onze taak volbracht."[2]
»En weet ge wat er geworden is van Retief en zijn patroelje?" vroeg Uijs.
Andries de Klerk antwoordde: »Met zekerheid is ons nog niets bekend; doch bij mij, bestaat er geen twijfel, dat de aanval op onze lagers plaats vond, nadat Retief en de zijnen waren vermoord. Hoe kan men verwachten dat Dingaan hun ooit het leven gelaten zal hebben, waar zijn krijgslieden zelfs niet het kind aan de borst hebben gespaard? En bovendien, op de lijken der verslagen Zulu's vonden wij verschillende voorwerpen, die aan Retief en zijn tochtgenoten hadden behoord."
Uijs richtte zich op en riep met fonkelende ogen: »Broeders! Lang beraad is overbodig. Omtrent één punt heb ik niets te overwegen, niets te denken of te beraadslagen. Wij moeten gaan, en dat wel onmiddellik, en onze broeders in Natal te hulp snellen. Zo God wil, zullen wij het vergoten bloed wreken. Wat zegt ge?"
Een eenparig: »Ja! wij zijn met u!" klonk als antwoord op zijn vraag.
»Welnu," hernam hij, »dan is onze vergadering geëindigd. Een ieder make vrijelik bekend wat hij tans heeft vernomen. Wij zullen met een paardekommando vooruittrekken, het lager kan langzaam volgen. Ik zal onmiddellik boden zenden naar de andere afdelingen aan deze zijde der bergen, en een verzamelplaats bepalen. De mannen die mij zullen vergezellen, zal ik uitkiezen, doch een ieder make zich gereed, want ik wil van avond nog een schoft afleggen. En nu! Laat elk onzer zijn plicht doen."
Hiermede was de vergadering van de Krijgsraad afgelopen en met bedrukt gemoed ging men uiteen.
III.
Kasper Strijdoms verhaal van de dood van Pieter Retief.
In angstige spanning hadden de lagerbewoners de afloop van de zitting van de Krijgsraad afgewacht, en waren merendeels in de nabijheid van de tent vergaderd gebleven. 't Was geen blote nieuwsgierigheid die hen bezielde; integendeel, een innige belangstelling in, een kommervolle bezorgdheid voor hun dieper landwaarts ingetrokken vrienden en bloedverwanten beheersten de gemoederen. Zodra de personen, die de Krijgsraad hadden uitgemaakt, zich buiten vertoonden, werden zij dan ook dadelik omringd door mannen, vrouwen en kinderen, en vormden zich weldra door het lager groepjes, in levendig en druk gesprek, gekenmerkt door een sombere, treurige afwezigheid van alle luidruchtigheid, ongetwijfeld toe te schrijven aan het droevig onderwerp hunner besprekingen.
Piet Uijs bleef, nadat de anderen de tent hadden verlaten, in diep en droevig gepeins verzonken, met het hoofd op de hand, bij de veldtafel zitten. Een gordijn, dat het achterste gedeelte van de tent, tot slaapvertrek ingericht, van het voorste gedeelte scheidde, werd ter zijde geschoven, en een vrouw van middelbare leeftijd, kwam met lichte tred naar binnen. De grootste eenvoud, maar tevens een eenvoudige, bijna onbeschrijflike sierlikheid en netheid kenmerkte haar kleding. Statig van gestalte, blonken moederlike tederheid, zachtheid, maar gelijktijdig ook beslistheid van karakter uit haar fijnbesneden trekken, uit haar donkerblauwe ogen. Zij was de levensgezellin van Uijs, de fiere en toch zo zachte Alida Maria Uijs, een vrouw, die in andere omgeving, onder gunstiger omstandigheden, zou geschitterd hebben door haar geestesgaven, uitgeblonken door adel des gemoeds, evenals zij tans in de meer nederige, maar niet minder gewichtvolle kring, waarin de Voorzienigheid haar leidde, het voorbeeld gaf en uitblonk in al die hoedanigheden, die de vrouw als vrouw en moeder sieren, haar voor de man het edelst kleinood van de Schepping, de grootste gave Gods maken. Zij sloeg de armen om de hals van Uijs en drukte een kus op zijn voorhoofd.
»Diep in gedachten verzonken, Pieter," zei zij, »en geen wonder. Waar de meesten onzer elkander toeriepen: Vrede! vrede, en geen gevaar! is dood en verderf tussen ons neergestort met de snelheid van de bliksem. En toch: Ik ken de Rots waarop wij bouwen. Hij faalt niet, die Zijn hulp verwacht."
Piet Uijs sloeg zijn arm om het midden der hem zo dierbare vrouw, en trok haar naast zich op een veldstoel. »Je hebt dan alles gehoord, Alida? Je weet de slag die onze trek getroffen heeft, in al zijn zwaarte? Je weet, dat het schone doel, waarvoor wij huis en haard, overvloed en gemak in de oude Kolonie verzaakt hebben, gevaar loopt geheel te worden verijdeld? Je hebt vernomen dat ik heden nog vertrekken moet, om te redden wat nog te redden is?"
»Ja, ik weet alles, lieve man! Maar hebben we niet onze Ebenhaëzer[3] opgericht, toen we vol moed en vertrouwen op de Heer onze gedenksteen plantten, ter gelegenheid dat we, voor de eerste maal aan deze zijde van de Oranje Rivier, het dierbaar Evangelie hoorden verkondigen, en door Zijn heilig Sakrament gemeenschap hadden met onze Heer en Verlosser? Kome wat wil, lieve Pieter, ons hart blijft zeggen: »Voor eeuwig met de Heer." Slechts weinig tijds blijft je over. Kom, laat ons doen wat nodig is." Zij pinkte een traan uit het oog, en drukte zacht de hand van haar echtgenoot.
»Je hebt gelijk, mijn dierbare. Ik moet handelen, en dat wel dadelik. Ach, ware het mogelik dat je met mij kon gaan."