Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal

Part 2

Chapter 23,466 wordsPublic domain

Onmiddellik trad een man de tent uit, bij wiens eerste aanblik niemand zou geraden hebben, dat hij de Kommandant van het lager, de onverschrokken, maar tevens bezadigde en godvruchtige Pieter Lafras Uijs, een der leidsmannen van een grote trek der Hollands-Afrikaanse boeren voor zich had: want niets in zijn eenvoudige kleding onderscheidde hem van de schildwacht bij de lagerpoort. En toch had die man veel ondervonden en doorstaan, veel gedaan, gedacht en gestreden; en schoon zijn lager slechts een deel uitmaakte van de grote trek, die onder leiding van zijn vader, de zeventigjarige patriarch Jacobus Johannes Uijs, een groot jaar te voren de Oranje-Rivier was overgetrokken, werd hij door de trek als de leidsman erkend, die hen in stonden van gevaar ten strijde moest voeren, en berustte het daadwerkelik bestuur van de trek bij hem. Terwijl hij en Dirk enige ogenblikken bij elkander stonden en hij aandachtig luisterde naar de mededeling, door de knaap met drift gemaakt, was het niet te miskennen, dat zij vader en zoon waren. De een was het verjongde evenbeeld van de ander. Vader's haar en baard begonnen echter reeds door de grijsheid verzilverd te worden; de saamgetrokken wenkbrauwen getuigden van ernstig, diep nadenken; zijn gelaat drukte iets onbeschrijfeliks weemoedigs, peinzends uit.

De knaap had zijn mededeling geëindigd. Beslist en fier richtte Piet Uijs het hoofd op, dat hij, naar Dirk luisterende, gebogen had gehouden, en er straalde een levendige bezieling uit zijn oog. »Het is goed, Dirkie," zei hij. »Ga dadelik naar de Veldkornetten, en zeg dat ze zonder verzuim vijf en twintig man moeten aanzeggen, om op te zadelen en bij de lagerpoort te komen. En, wacht een beetje; we moeten de mensen niet voor niets schrik aanjagen, en toch behoort ieder te weten, wat ik doen wil. Laat ze de mensen duidelik maken, dat ik net met een patroelje uitga, om te zien, waarom de brandwacht zo laat uitblijft."

Dirk verwijderde zich met spoed, en zijn vader begaf zich in de tent, om dadelik weer te voorschijn te treden, met een lange verrekijker in de hand. Met haastige stappen richtte hij zich naar de lagerpoort, in het voorbijgaan Galant toevoegende: »Galant! Zadel haastig Welsier op, en breng hem voor me naar de poort; en breng ook mijn roer, bandelier en pistolen."

»Ja Baas Piet, maar ik ga toch ook saam? Baas wil toch niet zonder zijn achterruiter uitgaan?"

»Nee! zeker niet, Galant! maar maak gauw. We kunnen niet verzuimen."

Terwijl de oude dienaar in een oogwenk verdwenen was, om de hem gegeven last te volvoeren, had de Kommandant de lagerpoort bereikt. Blijkbaar waren zijn gedachten verstrooid, want de morgengroet van de schildwacht werd door de anders zo gulhartige, vriendelike man niet beantwoord, en was schijnbaar door hem niet eens gehoord. Zijn oog rustte doordringend, zelfs enigermate verwijtend op de schildwacht, terwijl hij zei: »Louis! Louis! Mij dunkt, je hebt van morgen een fout gemaakt. Je weet toch dat als 't helder dag wordt, de brandwacht in het lager terug moet wezen, en waarom heb je me niet dadelik komen roepen, toen de tijd van hun komst voorbij was? God weet, wat die arme kerels misschien overkomen is; want nadat Piet Retief het vee van Sikonyella afgenomen heeft, om het aan de Zulu-Kapitein terug te geven, vertrouw ik de Witkros Kaffers niet meer. De Here geve dat de brandwacht niet vermoord is, en dat een aanval op ons lager niet te verwachten is."

Hij had zijn verrekijker geopend, en onderzocht met bezorgdheid de heuvelreeks aan de overzijde van de vallei.

Intussen begon de enigszins gegriefde schildwacht zich te rechtvaardigen. »Oom Piet moet me toch niet verdenken. Het is al meer keer gebeurd, dat de brandwacht later dan naar gewoonte inkwam, en ik dacht..."

»Goed, goed, Louis!" viel de Kommandant hem in de rede, en vroeg met klimmende angst: »Wie zijn de mannen van de brandwacht?"

»Oom, gisteravond zijn maar vijf man uitgegaan: Koos Labuschagne, Klein Koos Uijs, Floris en Cornelis Botha en mijn broer Stefanus.."

De Kommandant bespiedde weer aandachtig de overzijde van de vallei: »Dat zijn vijf kloeke mannen, en voorzichtig ook. Koos Labuschagne is een man die orde kan houden. Zeg me, heb je nog geen schoten horen vallen?"

»Nee oom, ik heb niks gezien of gehoord, anders zou ik zeker alarm gegeven hebben."

»Here! Here! Als die arme kerels zich toch maar niet in gevaar begeven hebben. Daar is geen ogenblik tijd te verliezen." Hij sloot met haast weer zijn verrekijker, en gelastte de schildwacht in het lager te gaan, en de Veldkornetten tot spoed in het bijeenbrengen hunner manschappen aan te sporen.

Reeds was de onrustwekkende tijding door het lager verspreid, dat de brandwacht uitgebleven was en de Kommandant bij de lagerpoort wachtte, om met een patroelje van vijf en twintig man op onderzoek uit te gaan; en van verschillende zijden kwam men aanlopen naar de poort. Geen onnodig rumoer of luidruchtigheid deden deze lieden horen. Als met het leven in de hand waren zij de wildernis ingetrokken, niet gedreven door de zucht, zoals sommige schrijvers het tans nog durven voorstellen, bandeloos en wetteloos te zijn, maar integendeel voortgezweept door de drift naar vrijheid, door de Allerhoogste Zelf in hun boezem geplant. Zich ten volle bewust van de gevaren die hen bedreigden, waren de volwassenen volkomen bereid handelend op te treden, en waar nodig te lijden, en te berusten in Gods wil; en als ware het instinktmatig, had dit gevoel zich reeds medegedeeld aan de jongeren van dagen die tot kennis des onderscheids waren geraakt. Ernst was op het gelaat van allen, mannen, vrouwen en kinderen te lezen. Hier en daar merkte men onder de vrouwen, de stille traan tot God geschreid. Want, immers hun Kommandant was blijkbaar door de omstandigheid bewogen. Die moest wel ernstig zijn, om hem, de kalme, vastberaden man zo plotseling de plooien van bekommernis op het gelaat te brengen.

Enigen der mannen wendden zich tot de Kommandant, die nu weer met zijn verrekijker de omtrek bespiedde, en vernamen van hem in weinige woorden de bevestiging van het vreeswekkend gerucht, dat als een lopend vuur van tent tot tent, van wagen tot wagen door het lager was gegaan.

Een nog jeugdige vrouw, in wezen en vorm werkelik schoon te noemen, was de Kommandant genaderd. Zij hield een jongske van nog geen jaar oud aan de boezem geklemd, en had hem ter beschutting tegen de morgenwind in een sjaal gewikkeld. 't Was haar aan te zien dat hevige gemoedsaandoening haar bezielde, en ondanks zichzelf, haar leden deed trillen. De ene bedwongen traan na de andere biggelde haar over de wangen. Zij was de echtgenote van Koos Labuschagne, zuster van Klein Koos Uijs, enige dochter van een reeds ontslapen oudere broeder van de Kommandant, tot wie zij met schokkende stem de vraag richtte: »Oom Pieter, wat is er met mijn man en mijn broer gebeurd? Wat weet oom? Zijn ze in gevaar? Steek dit toch niet voor me weg. Ik weet, we zijn allen in de hand des Heren. Wat Hij doet is welgedaan. Maar die onzekerheid, die onzekerheid, oom, breekt me 't hart!"

»Mijn arme dochter, jou onrust is natuurlik, maar misschien helemaal voorbarig. Je zegt, en met recht, dat we allemaal in de hand des Heren zijn. Hij zal ons geven wat goed voor ons is. Ik zal niks voor jou wegsteken. Zover ik weet, is jou man en broer niks overkomen. Ik ben alleen ongerust omdat ze zo lang uitblijven, en wil zelf gaan zien wat de oorzaak daarvan is."

»Och oom, maak toch gauw! Een mens kan niet weten wat aan de hand is. Een ogenblik verzuim kan het leven kosten van mijn arme man en zijn maters."

»Houd moed, mijn kind! Daar komt Galant met mijn paard, en daar is de patroelje ook. In korte tijd zullen we weten wat er gebeurd is. Maar Sannie, mijn kind, wat of de uitslag ook mag wezen, onthoud toch: Wat de Here doet, is welgedaan."

De ruiterbende was bij de lagerpoort verzameld. Galant, op zijn eigen vospaard gezeten, hield Welsier aan de teugel, en overhandigde de Kommandant zijn roer en verdere wapenrusting. Ook Dirk was daar. Op een klein, maar sterk paardje gezeten, met de bandelier om, en zijn roer in de hand, scheen hij van mening te zijn, dat het vanzelf sprak dat hij de verkenningstocht zou meemaken.

Met vaderlike trots viel het oog van de Kommandant op zijn kloeke zoon. Toch zei hij met nadruk; »Nee Dirk, jij kan niet saam gaan; jou plaats is vandaag bij jou moeder in het lager."

Een wolk van teleurstelling tekende zich op het sterksprekend gelaat van de knaap; doch voordat hij iets te berde kon brengen, had zijn vader nogmaals de verrekijker ontbloot, en die gericht naar de heuvels vanwaar de brandwacht komen moest. Aller blikken waren met gespannen aandacht op hem gevestigd. Op eens hief hij zijn hand op en riep: »Daar komt iets achter de bult uit. Het lijkt me naar de hoofden van mensen. Wacht kerels! Wacht een beetje. Daar komen ruiters tegen de bult uit." Ieder oog, als magneties getrokken, vestigde zich onmiddellik op de overzijde van de vallei, en als met één stem weerklonk de kreet: »De brandwacht! De brandwacht!" en liep een schok van vreugde door de kleine schare.

Tans had een kleine ruitertroep zijn verschijning op een heuvel gemaakt en langzaam de richting naar het lager ingeslagen. Schoon voor het naakte oog zichtbaar, kon men nog niet onderscheiden, of zij, die naderden, blanken dan wel zwarten waren. De Kommandant bleef hen steeds door zijn kijker beschouwen en zei eindelik tot de omstanders: »Wees gerust mensen! Het zijn onze broeders van de brandwacht die daar aankomen. Ik herken duidelik de blauwe schimmel van Floris Botha, en de zwarte trippelaar van Stefanus Nel; maar wat me wonderlik voorkomt, is dat er maar vijf van onze mannen zijn, en nu komen daar negen ruiters aan. Eén lijkt me een kleurling, en de andere acht zijn witmensen. Ze rijden ook zo stadig, alsof partij paarden flauw zijn."

Maar ziet; een ruiter uit de kleine troep heeft zijn paard de sporen gegeven, en komt tans in volle galop naar het kamp. Op blijde toon roept de Kommandant uit: »Vrienden! alle twijfel is voorbij. Het zijn onze mensen. Dat is Koos Labuschagne die daar vooruitrijdt." Een blijde juichkreet weerklonk over het veld, en Sannie, haar kind vaster in de armen drukkende, murmelde: »Dank, genadige Vader! Dank voor deze uitredding!" En weer rolden tranen, nu door vreugde opgestuwd, haar langs het gelaat.

Met ongeduld ingewacht, kwam de berichtbrenger snel nader. De naaste koers door de vallei nemende, was hij in vijf minuten tijds bij de lagerpoort, en sprong van zijn dampend, met zweetschuim bedekt ros. Het was Koos Labuschagne. Een sombere wolk van smart scheen over hem te rusten; blijkbaar was de krachtvolle, moedige man hevig ontroerd. Op zijn aanblik ging de vreugde van de schare, die zijn komst onder vrolike kout en scherts had verbeid, in droevige onrust over. Het was niet te betwijfelen, iets ernstigs was er gebeurd, of stond hen voor de deur.

Op de onstuimige vragen, die hem van alle kanten gedaan werden, gaf hij geen antwoord, doch wendde zich tot de Kommandant, die hem genaderd was, en zei met doffe stem: »Oom Pieter, bereid jou voor om slechte tijding te vernemen. Vannacht zijn er van over de berg rapportgangers bij ons gekomen. Hun paarden waren gedaan, en zij zelf geheel afgemat, daarom komen we zo laat in. Dit zijn oom Stoffel van Staden, Andries de Klerk en Piet Maré, met een achterruiter. Het bericht, dat ze brengen, is vreselik, vreselik! Bijna de helft van onze broeders en zusters in Natal is door die Zulu Kaffer vermoord. O, mijn God! Van mijn vader z'n huis is niet één uitgekomen! Ik ben de enige van mijn vader z'n stam, die overblijft." En een krampachtig gesnik steeg op uit zijn brede zwoegende borst.

De diepste stilte was onder de toehoorders gevallen. Zij schenen verstomd en verpletterd door het verschrikkelik bericht. Hun wangen verbleekten. Zelfs de Kommandant sidderde, en scheen als door de droevige tijding overmeesterd, doelloos voor zich te staren. Daar klonk de zachte stem ener vrouw. Sannie was haar man genaderd, toen hij zijn kort verhaal geëindigd had, en zijn hand vattende, en die op de borst drukkende tussen haar en hun kind, zei zij gevoelvol en troostend: »O Koos, mijn dierbare echtgenoot, blijf man en Christen, en laat je niet wegslepen door de smart. De Here regeert. Hij is een genadige God. Hij doet wat recht is in Zijn ogen."

Tans barstte de droefenis los. Uit menige beklemde borst steeg de smartkreet naar boven; weeklachten en snikken vervulden de lucht. Immers, niemand onder de aanwezigen, die niet vader of moeder, broeder of zuster, zoon of dochter, onder de mensen aan de overzijde van het gebergte had; en nu was de helft dier mensen vermoord door de wrede Zulu. Had God de hunnen gered, of moesten zij evenals Koos Labuschagne hun treurig uiteinde bewenen? Ouders sidderden, als zij dachten aan hun kinderen. Kinderen beefden van ontzetting bij het gedenken aan hun ouders. Menig jongeling voelde zich het hart samenkrimpen bij het denkbeeld, dat zij,--die hij gehoopt had weldra, als de trek tot stilstaan gekomen was en hij zich zou kunnen vestigen, zijn vrouw te kunnen noemen,--het dierbaar meisje, dat reeds in de oude Kolonie haar jawoord aan hem had verpand, onder de vermoorden kon worden geteld. Menige jongedochter vergoot in stilte haar tranen, als zij zich het beeld van de jongeling voor de geest riep, die zij zich als levensgezel had gekozen, aan wie zij zo innig gehecht was met de peilloze diepte van maagdelike ongekunstelde liefde, en die misschien ook onder de Zulu-assagaai was bezweken.

De woorden van Sannie hadden de Kommandant tot zich zelf geroepen. Hij overmeesterde zijn diepe aandoening en de blik over de schare werpende, riep hij met krachtige stem: »Broeders en zusters! Ja, de Heer is God. Zijn wil geschiede in Hemel en op aarde. Zwaar en bitter om te dragen is de slag, die ons allen getroffen heeft. Maar broeders en zusters, het is nu niet de tijd om alleen te treuren. Ik ben zeker dat we gereed zullen moeten wezen, om onze broeders, die overgebleven zijn, te hulp te snellen. Ik kan het verstaan, dat ge allen verlangend zijt, om al de biezonderheden van deze treurige gebeurtenis te vernemen; maar zoals ge gehoord hebt, zijn de rapportgangers die net nou hier zullen wezen, afgemat, en toch moet de Krijgsraad met eens hun rapport vernemen, om te besluiten hoe te handelen. Ik verzoek dus dat allen hier tegenwoordig, buiten de leden van de Krijgsraad, dadelik naar hun tenten teruggaan. Als de zitting van de Krijgsraad voorbij is, zullen we je van alles in kennis stellen. Gaat, mijn vrienden! En zolang als we beraadslagen, verootmoedige een iegelik zich voor de Here."

Treurig en zwijgend verspreidde de schare zich, Piet Uijs, Koos Labuschagne, de schildwacht die Louis Nel was komen aflossen, en de leden van de Krijgsraad, bij de lagerpoort latende.

II.

Stoffel van Staden brengt Uijs bericht van de moord der blanken in Natal.

Het behoeft geen betoog dat de aankomst der overbergse boden, door de Kommandant en de leden van de Krijgsraad in bijna plechtige stilte werd afgewacht. Diep waren deze mannen geschokt door de hun aangekondigde treurmare; en de ramp die de Voortrekkers, waarvan hun trek het niet onaanzienlikste deel uitmaakte, getroffen had, omtrent de juiste omvang waarvan zij nog in het duister verkeerden, deed hen in treurig gepeins tot zich zelf inkeren. Nog weinige ogenblikken en de onzekerheid zou ophouden. Het bloedig drama dat aan de overzijde der Quathlamba Bergen was afgespeeld, zou hun in al zijn afgrijselikheid worden kenbaar gemaakt.

De ruiters hadden het lager bereikt, en stegen van hun paarden.

Van Staden en Uijs waren op elkander toegelopen, en nauweliks hadden zij de gewone handdruk gewisseld, of van Staden, door smart en vermoeienis uitgeput, en zijn zenuwen niet meer geheel meester, wierp zich aan de borst van Uijs, en riep uit, terwijl tranen zijn getaande wangen bevochtigden: »Mijn broeder! mijn broeder! welke ontzettende tijding moet ik u brengen! Ik ben een ongeluksbode, en breng u de boodschap van bloed. Bloed onzer landgenoten! Bloed van mannen, vrouwen en kinderen, door de Zulu-moordenaars op verraderlike wijze bij stromen vergoten! Bloed, dat ten Hemel schreit om wraak! Broeder, ge moet komen, om met ons de bloedwraak te nemen, en om de overgeblevenen voor verder verraad, list en gewapend geweld te helpen beschermen."

Schoon innerlik, tot in het diepst van zijn gemoed ontroerd, bewaarde Uijs met waardigheid zijn uiterlike kalmte. Zich uit van Staden's omarming zachtkens losmakende, sprak hij: »Broeder, uw woorden bevestigen het hartdoorborend bericht, door mij reeds uit de mond van Koos Labuschagne vernomen. Gods hand is zwaar op ons neergedaald; toch moeten wij met kinderlike ootmoed onder Zijn heilige wil bukken, en waar Hij zegt: »Mij komt de wrake toe," zal Hij ons als zwakke werktuigen in Zijn hand gebruiken, die wraak uit te oefenen en de verrader Dingaan naar loon te tuchtigen. Slechts na rijp beraad en met kalmte moeten wij echter te werk gaan. Gij met uw mannen zijt uitgeput, en moet eerst rusten, dan zullen wij beraadslagen. Laat me toe eerst uw tochtgenoten de hand te drukken, en enige bevelen te geven."

Naar de Klerk en Maré tredende, schudde hij hen hartelik de hand, en sprak hun enige vriendelike woorden van welkom toe. Zich daarna tot de leden van de Krijgsraad richtende, zei hij: »Broeders! Het is tans acht uur. Te negen uur komt de Krijgsraad in mijn tent bijeen, om de biezonderheden van deze treurige gebeurtenis van de boden te vernemen. Intussen kunt ge het ontbijt nemen, en alle weerbare mannen in het lager aanzeggen, dat zij zich voorbereiden om behoorlik uitgerust en van schietgoed en mondkost voorzien, met mij, misschien heden nog, de tocht over het gebergte te ondernemen." Hij wenkte de boden hem te volgen, en begaf zich naar zijn tent.

Hoe de boden in de tent werden onthaald en wat zij met hun gastheer spraken, slaan wij over. Genoeg zij het, dat te negen uur de leden van de Krijgsraad bijeenkwamen in de tent van de Kommandant; en dat de boden door een goed maal gesterkt en door behoorlike reiniging verfrist, tans beter in staat waren hun rapport te doen, dan bij hun aankomst. In het lager heerste grote bedrijvigheid, duidelik teken, dat het bevel van de Kommandant werd uitgevoerd, en men zich bereidde voor de gevaarlike tocht over het gebergte.

De Kommandant had zich neergezet bij de kleine vouw- of veldtafel; de anderen zaten in de nauwe ruimte van de tent enigszins op elkander gedrongen, op kleine vouw- of veldstoelen.

Uijs stond op, en het woord nemende, zei hij: »Broeders, laten we ons, alvorens tot onze beraadslagingen over te gaan, verootmoedigen voor de voetbank der Genade, en van God, de bron van alle wijsheid, afsmeken heden onze Raadgever te zijn."

Met ontblote hoofden knielden allen neder. Die mannen, die zoveel van de ernstige zijde des levens gezien hadden; zij, mannen in de ruimste zin des woords, doch kinderen in het geloof, wierpen zich steeds met kinderlik vertrouwen in de armen van der vaderen God.

Met bewogen stem stortte Uijs zijn hart uit: »Onze Vader, ofschoon Gij in de Hemelen troont, gevoelen wij Uw tegenwoordigheid in ons midden. Gij hebt Uw volk gekastijd en met een zware slag geslagen.--Hebben wij gezondigd? Hemelse Vader! wees ons genadig, en vergeef het ons waar wij van U zijn afgedwaald. Met U wensen wij te vernachten en op te staan. In onze zwakheid wensen wij Uw kracht te volbrengen. Sterk en vorm ons daartoe, Heer, onze God! Wil ook tans onze Leidsman en Raadgever zijn, en ons voorlichten, waar wolken van gevaar, vrees en twijfel ons in duisternis en droefenis hullen. O Heer! leer ons wat wij moeten doen, om het verder vergieten van onschuldig bloed te beletten, en om hen die onschuldig bloed in stromen hebben vergoten, te straffen. Trek met ons op, Almachtige God, en laat Uw Vaderlike liefde en Goddelike bescherming aan onze spits gaan, zoals Uw vuurkolom voor Israël, Uw kinderen van ouds; en U zal zijn de eer en de aanbidding, van nu aan tot in alle eeuwigheid. Hoor ons, Vader, naar de rijkdom van Uw genade, en delg al onze zonden uit, om de wil van Jezus Christus, onze Heer en Verlosser. Amen."

Allen richtten zich op en hernamen hun plaatsen. Een ademtocht van ernst, maar tevens vol opwekking en kracht, een gloed aan de Geest des Eeuwige Levens ontleend, scheen over hen te zijn gegaan en hen te hebben bezield. De Kommandant richtte het woord tot van Staden, en zei: »Broeder, de Krijgsraad is gereed om uw droevig rapport in al zijn omvang te horen en te overwegen."