Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal
Part 14
Endouda Kusuka werd, vóór de morgenschemering brak, omsingeld, en van alle zijden met de geweren hevig beschoten. De kogels drongen door de wanden der strohutten en pondokken, en vele vrouwen en kinderen, die in hun broze woningen veiligheid hadden gezocht, vonden daar de dood of werden verwond. Nadat dit geweer-bombardement geruime tijd had geduurd, werd bevel gegeven om de kraal te bestormen. Met gejuich stortte het kommando zich van alle zijden over de zwakke verschansingen, en ontmoette slechts geringe tegenstand. Schoon de blanken ook al trachtten onnodig bloedvergieten te voorkomen, konden zij hun zwarte hulptroepen niet beteugelen. Deze hadden maar al te wel van de Zulu-aanvoerders geleerd, dat oorlogvoeren met het verdelgen van ieder tot de vijand behorend menselik wezen gelijk staat, en zij staken allen overhoop die zij bereiken konden. Makoni was handgemeen geworden met een forsgebouwde vijandelike krijgsman. Hij herkende in hem Losabi, de induna van het regiment dat in de kraal gelegerd was. Hevig was de strijd, want beiden waren dappere mannen, bedreven in de hantering van assagaai en schild. Eindelik trof Makoni zijn tegenstander met zoveel kracht in de borst, dat de assagaai door zijn lichaam drong, en de punt tussen zijn schouderbladen uitstak. Losabi stond enige ogenblikken te waggelen; zijn hand liet de assagaai los; hij greep in de lucht als zocht hij een houvast om het evenwicht te bewaren, toen viel hij ruggelings ter aarde, en zijn groot schild, nog aan zijn linkerarm bevestigd, deed met de val een dof gedreun horen, als sloeg het de roffel van zijn dood. De stervende Zulu sloeg zijn reeds brekend oog op zijn tegenstander, en zei met gorgelende stem: »Ah, Makoni! met mij kunt ge doen wat ge wilt. Mij kunt ge doden. Maar spoedig zal de poot van de Grote Olifant je verpletteren."
De strijd was tans geëindigd, er was niemand overgebleven die zich verdedigen kon. Het vuur werd in de hutten gestoken, en weldra steeg een zwarte rookkolom uit Endouda Kusuka in de lucht.
Dacht het kommando dat de dag gewonnen, de strijd voor ditmaal geëindigd was, weldra zou het blijken anders te zijn. De kraal was door een heuvelreeks omringd, waarvan landwaarts in, steile hellingen en diepe kloven, naar de lager gelegen vlakten afschoten. In deze vlakten had de terugkerende Zulu impi overnacht, en was reeds weer op mars toen de aanval op de kraal plaats vond. De impi bestond uit zeven regimenten, en was ongeveer tienduizend man sterk. Toen zij de voet van de heuvelreeks bereikten, zagen zij de rookwolken aan de andere zijde omhoog stijgen. Umhlebe, die hoofd-induna was, riep uit: »De Engelsen hebben Endouda Kusuka aangevallen en in brand gestoken! De impi spoede zich, opdat wij heden nog de vijand verslaan!" Met versnelde pas rukten de Zulu's tegen de heuvel uit, en de top bereikt hebbende, zagen zij hun kraal in bezit van de vijand, en hun vee reeds verzameld en voortgedreven naar de drift van de Tugela. Een gebrul van woede ging uit het Zululeger op. De induna's Umhlebe, Zulu en Nongalazi kwamen op een heuveltop, vanwaar zij alles konden overzien, bijeen, en gaven bevel dadelik de vijand te bestormen.
Intussen hadden de Engelsen de naderende Zulu's bemerkt. Met de grootste haast verzamelden zij hun verspreide manschappen in slagorde voor de brandende kraal. De blanken en Hottentotten met hun geweren vormden de voorste gelederen, en werden door hun zwarte bondgenoten gedekt. Nauweliks was hun slagregeling voltooid, of de voorhoede van de Zulu impi kwam als een zwarte lawine van de heuvelhelling op hen afstorten; doch hij werd ontvangen met zulk een welgericht en goed onderhouden geweervuur, dat hij weldra zwenkte en zich terugtrok, het slagveld met zijn doden en gekwetsten overdekt latende.
Er kwam een ogenblik van verademing, maar ook slechts een ogenblik. De impi vormde zich in de slagorde door Tshaka uitgedacht en ingevoerd, die van een halve maan, waarvan het middengedeelte recht op de vijand aantrok, terwijl de beide hoorns hem gestadig omsingelden. John Cane zag de beweging die de Zulu's gingen uitvoeren. Dadelik zond hij Ogle met een afdeling der hulpbenden tegen de zuid-westelike hoorn af, en hijzelf richtte een aanval tegen de noord-oostelike. De afdeling van Ogle dreef de vijand terug, en reeds verheugde men zich over het behaalde voordeel, toen door een oorzaak, die nimmer is verklaard, zijn afdeling uiteenstoof, en het op een lopen zette naar de drift van de Tugela. »Zie, hoe ze kunnen lopen!" riep de Zulu bevelhebber juichend uit, en beval de algemene bestorming. Ogle, te trots en te moedig om te vluchten, vond de dood, zich dapper verwerende. John Cane met Biggar en Stubbs, bijgestaan door de afdeling van Makoni, wierp zich naar voren, om de vijand te ontvangen. Hij kreeg een assagaai in de borst, die hij met eigen hand uittrok, maar op hetzelfde ogenblik wierp een Zulu hem met een assagaai tussen de schouders. Het wapen stond te trillen in zijn vlees. Dutulu, die achter hem was, vloog toe, om de spies uit de wonde te trekken; Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en denkende dat het een vijand was, loste hij zijn geweer, over zijn schouder, en schoot het hoofd van Dutulu te pletter, op hetzelfde ogenblik dat diens hand de assagaai aanraakte. De trouwe Zulu viel ter aarde, en ter zelfder tijd rolde Cane stervend naast hem neder. Nog enige minuten en ook Stubbs en Biggar lagen met wonden overdekt, zieltogend op de met bloed doorweekte bodem uitgestrekt.
Toen de blanke aanvoerders gevallen waren, nam het gehele kommando de vlucht, en kon, daar het tans door de hoorns van de Zulu slagorde aan beide zijden was ingesloten, slechts één richting nemen, en wel naar de oever van de Tugela, die op dit punt, ongelukkig voor de vluchtelingen, uit bijna loodrechte, honderd voet hoge rotsen bestond. Tijd tot aarzelen of bedenken, was er echter niet. Achter hen en van beide zijden naderde de onfeilbare dood; vóór hen bestond er nog enige, schoon maar geringe kans op levensbehoud, en de vluchtelingen stortten zich over de rotsen. Van de eerste honderden die de gevaarlike sprong waagden, bleef slechts een zeer klein gedeelte behouden, de meesten vielen verpletterd aan de voet der rotsen, en eerst toen de hoop doden, zieltogenden en verminkten de afstand had verminderd, en de val of sprong brak, bereikten de meeste vluchtelingen de rivier. Doch ook hier was men nog niet veilig, want een sterke afdeling der Zulu's was de rotsen omgetrokken, en had zich te water begeven, de stroom rood kleurende met het bloed der onder hun assagaaisteken bezwijkende vluchtelingen. Op deze wijze vond hier Blankenberg, een der laatst overgebleven aanvoerders, de dood.
Ons verhaal spoedt ten einde. Na hun overwinning te Endouda Kusuka toog het Zulu leger door de Tugela, en rukte op naar de Baai van Natal. De weinige overgebleven blanke mannen vluchtten met de vrouwen en kinderen op een klein eiland in het midden van de Baai. Van hier moesten zij het aanzien, hoe alles wat zij bezaten door de Zulu's weggevoerd of verwoest werd, en hoe weldra slechts enige kale muren en rokende puinhopen de plaats aanwezen waar hun vreedzame nederzetting had gestaan. Diezelfde nacht werden de blanken aan boord genomen van »The Cornet", een vaartuig dat, gelukkig voor hen, juist in de Baai voor anker lag, en dadelik daarna zee koos. Het overblijfsel hunner bondgenoten vluchtte landwaarts in, en Makoni trok, met het overschot zijner volgelingen naar het lager der Boeren.[8]
Aanhangsel.
Noot [1] (Bladz. 33).
Marthinus Oosthuizen. Door tussenkomst van mijn vriend, de WelEd. Heer M. J. Beukes, Lid van de HoogEd. Volksraad, O. V. S. voor het dorp Vrede, die ik om enige inlichtingen had verzocht, kreeg ik een brief aan hem gericht, door, zoals hij schrijft, »de oude held Marthinus Oosthuizen, die omtrent 83 of 84 jaar oud is, eigenhandig geschreven." Schoon zijn verhaal enigermate van het mijne verschilt, laat ik zijn brief hier in zijn geheel en letterlik, ook wat spelling betreft, volgen.
ENON den 19 Jannuary, 1897.
Den WelEdele Heer, M. Beukes.
Waarde vriend.
UE. brief heb ik op dit ogenblik ontfangen. Ik was goet bekent met Commandant P. L. Uis. Ik was zame met hem op Comando tegen Mossellekats in 1837. Zijn vrouw haar geboren naam is Allida Uis. Laas was zij getrout met Andreas Spies. Nadat Uis terugkwam van Mossellekats, is hij teruggegaan na zijn trek. Ik geloof zijn trek was in de nabijheid van de zendeling Artsebel, het moet in de nabijheid wesen van Blomfontijn, daarvan is ik niet zeker. Toen is hij dadelijk na Natal getrokken, en mijn Vader was bij Maritz, en met onse terugkom van de Comando, is wij ook na Natal getrokken. Dat was in Desember 1837. Uis is in Natal ingekomen in 1838, het was na die groote moort. Op den 5 April 1838, trok Uis uit met 300 man. Ik was ook een. Het was een Paarde Commando. Wij is op een Zaterdag uitgetrokken. Wij waren Zondag aan die Revier, die nuw Zondags Revier genoemt wordt. Wij hebt den geheele dag daar overgebleven en den Heer Carel Landman hebt Godsdiens gehouden. Maandag morgen is wij van daar door de Buffels Revier. Dingsdag avont krijg onse spioenen de Soelas Commando in gesig. Zij is dieselve nagt, omtrent een uur te Paart achteruitgegaan in die rigten van Dingaan. In den morgen namen wij de rigten naar Dingaan. Wij waren niet ver of wij zag een Comando een berg uittrek van omtrent 20 duisent man, en een ent verder sag wij ook een Soela Commando. Wij hebt gegaan omtrent een mijl van die berg waar de Soelas optrok, toen verdeelde Uis ons in twee. Hij stelde den Heer C. Lantman aan over die eene gedeelte. De Commandanten hat uitgemaak, dat Uis moes bij de hant Paarden blijven, dat was omtrent een mijl van de berg. De rede was dese: Als wij die slag verloor, en Uis kom op, dat wij weder nuwe moet souw krijgen. En den Heer H. Potgieter was Commandant over de ander 150 man, waar ik een van was. C. Lantman trok die berg uit met de 150 man. Toen hij boven was, was hij onder schoot, in den tijd van tien manuten hat hij de overwinning, en die Kaffers stroom van alle kante de berg af. Potgieter was zeer kout blijf staan, aan dese zijde van een spruit. Toen breek daar omtrent tien man onder hem uit, waar ik een van was, en wij storm die Soelas, maar dat, dat was voor ons te veel, wij moes de rug geven. Ik stont op die regterkant, mijn maats op die linkerkant, die hat al gerittereer, toen hoor ik een de naam des Heeren aanroepen. Het was Adolph Bota, zijn Paart hat geval en leg op zijn linkerbeen, hij schop hem op zijn kruis, maar dat was vergeefs. Ik sprongde op mijn Paart. Toen ik bij hem kwam, was de naatste Kaffer zoo na, hij moes maar steek. Ik jaag die Kaffer zoo na, dat hij moes pat geven. Zoo als ik op hem kwam, hij na Bota, en ik glij bij hem voorbij. Ik schoot hem in de volle loop de nek af, en die kruit slaat Bota zijn Paart op, en hij vlieg naar onse Comando, die was omtrent een mijl. Toen ik mijn Paart tot stilstant krijg, sag ik Kriger voor de Kaffers hart loop. Ik en mijn Neef M. Oosthuyse wij jaag na Kriger, maar wij hat geen kans om hem te redden. Mijn neef hat een schoot bokhagel op. Hij schoot die voorste Kaffer op de linkerzij, hij hat zijn part. Toen kwam Harmanis Potgieter, en hij seg aan Kriger om de Paart zijn staart te vat. Toen hij weggaat, gooi de Kaffer en hij raak die Paart in zijn regter bout, toen moes wij vlugten, zoo hart als wij kon. Wij jaag ons tegen een groote sloot vas. Ten laatste krijg wij tog een voetpat, vandaar drijf de Kaffers ons. Toen wij bij die hant Paarden kwam waren zij gevlugt, en toen hoor wij dat Uis vrijwilligers gevraagd hebt, om een Labuschagnie te gaan helpen, zijn Paart was vlouw. Toen riep hij vrijwilligers. Toen die van hem gaat, toen seg hij: »Kom Dirkie!" en hij jaag se na. Hij sijde dat is niet manne werk, om vrijwilligers te roepen en achter te blijven, en die Soela mag was te groot. Kriger is bij ons gevallen, Labuschagnie, 2 Uisen, 3 Malangs, 3 Nels. Commandant wert gekwest en Dirkie is ook daar vermoort. Hij krijg de gooi in zijn regterheup, de groot aar af, hij bloede vreeslijk. Nadat hij gekwets was, val Jan Mijer zijn paart, en zijn geweer en hoet blijf daar. De Kaffers was te na. Uis het een groote Paart. Hij zeg aan Mijer, »Spring achter mij op." De Paart schopte Mijer op zijn borst; toen gaf Uis hem de stijgbeugel en hij sat achter Uis, en zij vang de Paart van Mijer. Toen is Uis nog een ent op zijn Paart gereden, toen wort hij vlouw en val van die Paart. Toen hebt die mannen hem weder op geholpen, toen val hij weder af, toen sijde hij: Laat mij maar staan, het is met mij gedaan. Toen sij hij: Houw God voor oogen, en veg voor julle land, en kijk naar mijn vrouw en kinderen.
Wat ik U verhaalt hebt van die vrijwilligers was ik niet in persoon bij. Mijn Zwager Piet Rudolph was daar bij; hij hebt mij verhaalt. Ik geloof of ik er selfs bij was. Hij was een Respektabele man voor die waarheid. Omtrent mijn selfs. Ik schaam mij altoos om mijn daden bekent te maken. Noem Gij dat niet dapper van Uis.
In liefde noeme ik mij Uw vriend. Kijk niet na de vouten. M. J. Oosthuyse.
Ik kan bijvoegen dat mijn manuskript reeds gereed was, toen de brief van de waardige oude voortrekker mij ter hand kwam; anders zou waarschijnlik het XIII Hoofdstuk van mijn boekje enigszins gewijzigd zijn.
Noot [2] (Bladz. 34).
Het volgende telegram verscheen in de Zuid-Afrikaanse Nieuwsbladen. Het is vertaald uit 't Engels. De Goeverneur daarin vermeld, is Sir Hely Hutchinson.
De Dingaan moorden. Standbeeld onthuld.
Pietermaritzburg, 18 Februarie 1897. (Reuter's Agentschap) »In de tegenwoordigheid van verscheiden leden van het Ministerie en de Wetgeving, en een grote verzameling van Hollandse Kolonisten, onthulde de Goeverneur gisteren het standbeeld, opgericht ter nagedachtenis van »De Voortrekkers" die in de moorden van Dingaan in 1838 vielen te Moordspruit Distrikt Weenen, op de plek waar de moorden plaats vonden. Eerw. G. Marais en Eerw. A. M. Murray van de Nederduits Gereformeerde Kerk, hielden toespraken. Laatstgenoemde zei, dat er geen enkele afkeurende stem was, toen het aan de hand werd gegeven, dat de plechtige onthulling door de Goeverneur zou worden gedaan. De Hollandse bevolking, die onder de regering van de Goeverneur woonde, wenste van deze gelegenheid gebruik te maken, om hun waardering uit te drukken van de voorzichtige en verstandige houding, een jaar geleden door de Goeverneur ingenomen, toen hij geroepen werd naar de Transvaal.--Vóór de Goeverneur de vlaggen van Engeland en Holland, waarmede het monument gedekt was, verwijderde, hield hij een aanspraak, waarin hij klem legde op het standvastige, onwankelbare besluit van de Voortrekkers, en zei dat het Britse volk buitengewoon vatbaar was, om de opofferingen te waarderen van het ras, waarvan zijn toehoorders waren ontsproten. Hij beschouwde het feit dat hij, als Vertegenwoordiger van de Koningin, uitgenodigd was om de laatste plechtigheid van de onthulling van dit monument uit te voeren, als een bewijs van de waardering van de rechtvaardige, onpartijdige en voorspoedige Regering, waaronder zij en hun vaderen geleefd en gebloeid hadden in Natal, en van hun gehechtheid aan hun grote en machtige Soeverein de Koningin."
Noot [3] (Bladz. 38).
De Uijsklip. Aan de voet van deze steen hebben de Emigranten Boeren, ten Noorden van de Oranje Rivier, in Oktober 1836, de eerste openbare bediening van het Evangelie genoten, na hun vertrek uit de Kaapkolonie. Lang waren zij van het voorrecht, de Hollandse Zuid-Afrikaan steeds zo dierbaar, verstoken geweest, een leraar in hun midden te hebben. Bij deze gelegenheid werden er huweliken voltrokken, de Doop bediend en het Heilig Avondmaal gevierd. De klip is van zandsteen, omtrent drie voet hoog, en wordt in het museum te Bloemfontein bewaard.
Hier volgt een afbeelding:
+-----------------+ | | | 1837. Kerk | | | | K. S. P. UIJS. | | | | F. J. UIJS. | | | | J. J. UIJS. | | | | Uijsklip. | | | | ............... | | ............... | | ............... | | | | I. F. UIJS. | | | +-----------------+
Het opschrift op de steen moet toegeschreven worden aan een lid van de familie Uijs, en schijnt later er op te zijn gegrift.
Noot [4] (Bladz. 51).
Isibonga. Hoe zonder betekenis of samenhang, ja, bijna dwaas de isibonga voor de blanke moge klinken, voor de Zulu heeft hij een diepe, verheven mening. Dit zal blijken uit de volgende isibonga van Panda, de broeder en opvolger van Dingaan.
1. Gij broeder der Tshakas. Voorzichtige doorwader,
2. Een zwaluw die door het luchtruim vloog;
3. Een zwaluw met een ruige borst;
4. Wiens beesten altoos zo opgehoopt waren
5. Dat zij struikelden, om plaats te vinden als zij liepen.
6. Gij valse bewonderaar van de dapperheid van anderen
7. De dapperheid, die gij toonde in het gevecht van Makonko.
8. Van het geslacht van N'dabazita, laadstok van brons,
9. Overblijver van alle stokken;
10. Andere werden gebroken, maar deze lieten zij in het roet,
11. Denkende hem op een regenachtige, koude dag te verbranden.
12. Dij van de os van Inkakuvini,
13. Altijd heerlik, indien het slechts gebraden is,
14. Maar altoos smakeloos indien gekookt,
15. De Maukebese vrouw is verheugd,
16. Zij heeft de luipaarden van Jama gezien
17. Te zamen vechtende tussen de Makonko.
18. Hij ging door tussen de Intuma en Ihliza.
19. De Hemeling die donderde tussen de Makonko.
20. Ik prijs U, o Koning! Zoon van Jokwane, de zoon van Undabu.
21. De genadeloze tegenstander van iedere samenzwering.
22. Gij zijt een Olifant! een Olifant! een Olifant!
23. Glorie zij U! Gij Koning die zwart zijt!
De betekenis van deze isibonga is de volgende:
1 zinspeelt op de listigheid waarmede Panda de grensrivier overtrok uit het gebied van Dingaan toen deze hem wilde doden.
2 en 3 slaan op dezelfde gebeurtenis, daar hij, bij zijn vlucht, evenmin een spoor naliet als een zwaluw in de lucht.
4 en 5 wijzen op zijn rijkdommen: het groot getal vee dat hij bezat.
6 stelt, dat Panda zonder eigendunk was, en meer van de macht van Dingaan dacht, dan die wel verdiende; terwijl 7 de grond voor deze stelling aangeeft, daar Panda Dingaan bij Makonko versloeg.
8 tot 11 hebben betrekking op de wijze waarop de Zulu's stokken bewaren, bereiden en harden, terwijl Panda vergeleken wordt bij een harde stok.
12 tot 14 vergeleken Panda, door ondervinding en tegenspoed gebraden, met een gelijk aan het heerlikste rundvlees.
15 tot 18 zinspelen op de hoofdvrouw van Panda, die van Maukebe kwam, en getuige was van zijn sluwheid en moed.
19. Hemeling ('t klinkt bijna Chinees), is een vertaling van het woord »Zulu", dat »Hemelvolk", »Volk van de lucht" betekent.
20 slaat op het dapper voorgeslacht van Panda.
21 zinspeelt op het doorzicht waarmede hij alle samenzweringen tegen zich ontdekte; en de gestrengheid waarmede hij die strafte.
22 is een herhaling van de isibonga waarmede hij steeds begroet werd, en 23 is een beroeming op het zwart zijn van de Koning, geldende onder de Zulu's: Hoe zwarter van vel, hoe zuiverder van bloed en afkomst.
Noot [5] (Bladz. 56).
Naamlijst der mannen met Retief vermoord; bijna zonder uitzondering namen, die in Zuid-Afrika nog overal worden gehoord. Zij waren: Dirk Aucamp, Willem Basson, Johannes de Beer, Matthijs de Beer, Barend van der Berg, Pieter van der Berg Sr., Pieter van der Berg Jr., Johannes Beukes, Joachim Botha, Gert Bothma Sr., Gert Bothma Jr., Christiaan Breitenbach, Johannes Brits, Pieter Brits Sr., Pieter Brits Jr., Pieter Cilliers, Andries van Dijk, Marthinus Esterhuijzen, Samuel Esterhuijzen, Hermanus Fourie, Abraham Greyling, Reinier Grobbelaar, Jacobus Hatting, Thomas Halstead (een Engelsman), Jacobus Hugo, Jacobus Jooste, Pieter Jordaan, Johannes Klaassen, Abraham de Klerk, Jacobus de Klerk, Johannes de Klerk, Balthazar Klopper, Koenraad Klopper, Lucas Klopper, Pieter Klopper, Hendrik Labuschagne, Barend Liebenberg, Daniel Liebenberg, Hercules Malan, Karel Marais, Johannes van der Merwe, Pieter Meyer, Barend Oosthuisen, Jacobus Opperman Sr., Jacobus Opperman Jr., Frederik Pretorius, Johannes Pretorius, Marthinus Pretorius, Matthijs Pretorius Sr., Matthijs Pretorius Jr., Pieter Retief, Izak Robbertse, Johannes Robbertse, Christiaan van Schalkwijk, Gert Scheepers, Johannes Scheepers, Marthinus Scheepers, Stephanus Scheepers, Stephanus Smit, Pieter Tante, Gert Visagie, Stephanus van Vuuren, Hendrik de Wet en Johannes de Wet.
Noot [6] (Bladz. 90).
Wapenzang van Dingaan. Van deze krijgszang heb ik slechts enige regels, vrij samengesteld, gegeven. De werkelike zang is als volgt:
Gij hongerig kroost van Umpikazi, Loerende op der mensen vee, Vogel van Maube, snel als een kogel, Glad, rechtop uit schone delen samengesteld. Uw vee zoals de honingkoeken der bijen. O kudde, te groot, te opeengedrongen om te bewegen. Verslinder van Moselikatse, zoon van Machobane, Verslinder van 'Swasi, zoon van Sobuza, Verbreker van de poorten van Machobane, Verslinder van Gundave van Machobane, Een monster in gestalte, van vreselike kracht. Verslinder van Ungwati van oude afkomst. Verslinder van de koninklike Uomape; Gelijk de Hemel boven ons, regenende en zonschijnende.
Noot [7] (Bladz. 194).
Naamlijst van gesneuvelden in de slag van Italeni: Pieter Lafras Uijs, Dirk Cornelis Uijs, Josef Kruger, François Labuschagne, David Malan, Jacobus Malan, Johannes Malan, Louis Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.
Deze lijst is zonder enige uitweiding, een stilzwijgend bewijs van liefde en trouw onder bloedverwanten, en toont hoe mannen uit hetzelfde geslacht elkander te hulp snelden, en te zamen de dood vonden.
Noot [8] (Bladz. 200).
Naamlijst van gesneuvelden in de slag van Endouda Kusuka, voor zoverre bekend: Robert Biggar, Henry Batt,--Blankenberg (een Boer), John Cane, Thomas Carden, John Campbell, Robert Joyce,--Lovedale,--Ogle, John Russell, John Stubbs, Richard Wood en William Wood.