Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal
Part 13
Een ogenblik stond het Zulu-meisje besluiteloos; toen zei ze: »Ga, dan, Dutulu, en volbreng je plicht, en je gang zij voorspoedig. Mijn plicht is het, je nu te verlaten, om je later, in gelukkiger tijden terug te zien. Vaarwel!" En met de spoed der oribi had zij zich verwijderd, en Dutulu bevond zich alleen.--Nimmer zouden zij elkander wederzien.
Toen Dingaan de volgende morgen ontwaakte, riep hij luide om de getrouwe schildwacht, die steeds de nacht voor de deur van zijn hut moest doorbrengen. Geen antwoord ontvangende, stond de Zulukoning verstoord op en begaf zich naar buiten. Het plichtverzuim van de schildwacht zou met zijn leven worden geboet. Maar wat ontmoette de blik van Dingaan, toen hij de hut was uitgetreden? Wat deed hem wankelen en zich tot steun vastgrijpen aan de wand van zijn verblijf? Op slechts enige schreden voor de intunkulu, stond op een in de grond geplante assagaai verheven, een mensehoofd hem aan te grijnzen. De reeds tot ontbinding overgaande wangen waren tot berstens toe gezwollen; de opengetrokken lippen lieten de tanden zien, als tandeknerste en lachte dit doodshoofd de Koning grimmig tegen. Dingaan scheen als aan de aarde vastgenageld. Ten laatste had hij de verwrongen gelaatstrekken herkend. »Bij de geest van Majolo!" riep hij uit, »dat is het hoofd van Mazesi! Wie heeft het gewaagd hem te doden en zijn hoofd hier te plaatsen." Hij sidderde, en riep een der op enige afstand staande schildwachten, en begon hem te ondervragen. Maar de man wist hem niets te zeggen van wat er in de nacht was gebeurd, of wat er van Dingaan's nachtwacht was geworden. Eindelik zei Dingaan: »Breng dat hoofd naar de Hloma Amabutu! Maar wacht, ken je niet de assagaai, waarop het hoofd steekt?"
De krijgsman bezag het wapen nauwkeurig en wendde zich tot Dingaan met de woorden: »O, Grote Olifant! Die assagaai behoorde aan mijn vroegere bevelhebber, Manondo." De Koning sidderde en verdween in zijn hut.
Enige ogenblikken later werd het hoofd van de tovenaar neergeworpen op de heuvel bij de doodsbeenderen van Manondo en Umhlela, zijn slachtoffers. Op hetzelfde tijdstip spoedde Dutulu zich voort naar de oever van de Tugela, vergezeld door de krijgsman, welke die nacht als schildwacht voor de hut van Dingaan had gestaan.
XIII.
Slag van Italeni. Piet Uijs sneuvelt.
Dutulu ontkwam aan alle gevaren en hield getrouw zijn woord, aan de blanken in de vergadering van de Krijgsraad gegeven. Op de achtste dag na zijn vertrek uit het lager, meldde hij zich aan bij Biggar, aan de Baai van Natal, en deed verslag van zijn bevindingen, dat ten gevolge had, dat hij nog diezelfde dag met Biggar en John Cane vertrok naar het hoofdlager der Boeren.
Daar werden de berichten die hij bracht met ernst overwogen. Aan de ene kant zag men duidelik in, dat door Panda met zijn regiment naar Endouda Kusuka te zenden, met achterhouding van alles waaraan hun hart hing, de daadwerkelike hulp van de ontevredenen onder de Zulu's bijna onmogelik was gemaakt. Daartegenover stond echter, dat Dingaan door velen zijner beste krijgslieden als bewakers van Panda en zijn aanhang af te zenden, zijn eigen impi te Umkungunhlovo aanmerkelik had verzwakt. De slotsom der beraadslagingen was, dat de veldtocht in April zou worden ondernomen, zoals oorspronkelik overeengekomen, en dat de Engelsen met hun bondgenoten, Panda en zijn impi zouden aantasten, terwijl het Boerenkommando zou optrekken tegen de hoofdstad van Dingaan. De Engelsen spoedden zich terug naar de Baai, en de Boeren begonnen onmiddellik de laatste toebereidselen voor de veldtocht te maken.
't Is de avond vóór de uittocht van het kommando. Piet Uijs is teruggetrokken in de huiselike kring, door allen die hem na aan het hart liggen omringd, in zijn tent bij de veldtafel gezeten. Zijn vrouw zit tussen hem en Dirk, de blonde kloeke zoon, haar eerstgeborene, van wie de moeder zoveel in de toekomst verwacht, de trots, het leven van haar leven. De hand van haar echtvriend houdt zij in de hare geklemd; de linkerarm omstrengelt de hals van Dirkie, haar Dirkie, die morgen, moedig als een man, zal uittrekken naar het bloedig oorlogstoneel. Vloeien er tranen langs haar wangen? O nee! De vrouw van de Voortrekker, de teerhartige moeder, schoon daar zittend met hijgende boezem, heeft het reeds lang geleerd haar dierbaarste kleinoden, die schatten voor haar vrouwelik hart, op het altaar van plicht ten slachtoffer te wagen. Een diepe weemoed, een door God geheiligde ernst, schijnt op aller gelaat te rusten. Zoëven hebben zij zich verenigd rondom het huisaltaar in de wildernis. Hun dankoffer voor genoten zegeningen, hun gebed om bijstand, steun en kracht, is zoëven uit deze eenvoudige tent opgestegen, als wierook naar de zetel van de Hemelse Vader.
»Kom vrouw," zei Uijs, »laten we ons ter ruste begeven. Onze plicht roept ons morgen bij het krieken van de dag. Toe Dirk! Ga nu ook slapen."
De moeder liet de hand van haar echtgenoot los, en sloeg de beide armen om de hals van haar kind. Haar oog bleef droog, maar een weemoedige glans, ontsproten aan de diepste schuilhoeken van haar moederlik hart, scheen op het blonde hoofd van de knaap af te dalen, dat gevleid lag aan de moederborst. »Goede nacht, mijn dierbaar kind. Slaap zacht;" murmelde zij, »moge God jou en je vader beschermen. En Dirkie, jong als je bent, wees voorzichtig, maar moedig. Als ik ooit tranen over je zal moeten storten, laat het nimmer zijn van schaamte over mijn zoon!"
»Moeder," riep de knaap vurig, en zijn blauwe kijkers waren met tranen gevuld, »moeder, uw lessen, het voorbeeld van mijn vader, zal ik die immer vergeten? Ge zult u voor mij niet behoeven te schamen!"
De moeder drukte hem aan haar hart; de nachtkus werd gewisseld, en weldra lag dit huisgezin, voor de laatste maal onder zijn linnen dak verenigd, in diepe rust.
De volgende morgen, de 5de April 1838, trok het kommando uit, omtrent vijf honderd man sterk in twee afdelingen; de voorhoede onder bevel van Kommandant Uijs, de achterhoede onder Kommandant Potgieter. Dirk Uijs reed aan de zijde van zijn vader, en de trouwe Galant volgde hen als achterruiter.
De veertienjarige knaap klopte het hart vol moed en blijdschap, omdat hij met zijn vader ten strijde trekken kon; en schoon het afscheid van zijn moeder hem smartelik had aangedaan, had hij de tranen, die in zijn ogen opwelden, weerhouden, en getracht zich als een man te gedragen.
Onder hen die het uittrekkend kommando nastaarden, waren vele mannen, in de jongste strijd tegen de Zulu's verminkt en gewond, en niet in staat tans reeds weer de wapens op te nemen. Het was hen aan te zien, dat het hun zwaar viel achter te moeten blijven, en geen deel te kunnen nemen aan de tocht, die het tuchtigen van de zwarte vijand ten doel had.
Het kommando trok voorwaarts, zonder dat enig biezonder voorval de tocht kenmerkte. Ze hadden hinderlagen en plotselinge aanvallen van de vijand verwacht, maar niets van die aard gebeurde er. Ongehinderd vervolgden zij hun weg. Wel bemerkten zij af en toe enige Zulu's op de bergen, die, na hen enige tijd te hebben gadegeslagen, even spoedig verdwenen als zij te voorschijn waren gekomen; wel zagen zij des nachts de seinvuren van de vijand op de bergtoppen flikkeren, maar daar bleef het bij. Deze plotselinge verschijnende en even snel weer verdwijnende Zulu's, deze seinvuren, zij waren echter van belangrijke betekenis. Daardoor werd Dingaan onderricht van al de bewegingen van het kommando, en hij bereidde de Boeren een warme ontvangst.
In de namiddag van de 13de April 1838 had het lager de voet van de bergrug bereikt, waarop Dutulu zijn onderhoud met Deliah, enige weken te voren, gehad had. Deze plaats droeg de naam van Italeni. Nog ontwaarde men de vijand niet, en de Boeren leidden daaruit af, dat Dingaan door vrees was bevangen, en zij de volgende dag het een gemakkeliker taak zouden vinden, dan zij zich eerst hadden voorgesteld, om zijn krijgsmacht te verslaan, zijn stad in vlammen te doen opgaan, en voor altijd een einde te maken aan zijn bloedbestuur.
In het lager, dat die avond aan de voet van de bergrug werd getrokken, heerste dan ook een levendige, vreugdevolle bedrijvigheid. Schoon men de grootste waakzaamheid in acht nam, en zich op sterke tegenstand voorbereidde, ingeval die zich onverhoopt mocht voordoen, gingen allen onbezorgd de dag van morgen te gemoet, overtuigd dat die hun de overwinning zou brengen.
Bij het derde hanegekraai was het gehele lager in de weer. De paarden werden gezadeld, de kampbenodigdheden op de weinige wagens geladen, de orde van de tocht geregeld.
Piet Uijs had zich met zijn zoon verwijderd, en onder de takken van een grote wilde olijfboom neergeknield, de hand van Dirk in de zijne gekluisterd, had hij in zijn morgengebed zijn hart uitgestort voor God.
Weldra was alles gereed en stegen de Boeren te paard. Weer leidde Uijs de voorhoede, en de afdeling van Potgieter volgde. De weg van het kamp naar Umkungunhlovo liep enige mijlen verder door een enge vallei, aan beide zijden door hoge bergen ingesloten. Toen het kommando de ingang van deze vallei bereikte, begon de zon de bergtoppen te vergulden. Uijs hield zijn paard in en riep halt. Zich richtende tot Louis Nel, die aan de zijde reed, zei hij: »Neef Louis, deze kloof is gevaarlik. Mij schijnt het, dat wij die niet moeten intrekken, maar liever halt moeten houden, en zien of wij niet door de bergen om te trekken, de stad van Dingaan kunnen bereiken." De aangesprokene antwoordde: »Ik vrees, Kommandant, dat het daarvoor te laat is. Ook heb ik vernomen dat er geen betere doortocht door de bergen is." Uijs richtte zich op in de stijgbeugels, en riep met krachtige stem: »Voorwaarts, broeders! en houdt u allen gereed om de vijand te ontvangen."
In gesloten gelid reed de voorhoede de bergkloof binnen, door het gehele kommando gevolgd, dat zich weldra geheel tussen de twee evenwijdig lopende bergruggen bevond. Nog was er geen vijand te bespeuren, en de voorhoede had bijna reeds de uitgang van de kloof, in de richting van de stad bereikt, toen hij zich plotseling de voortgang belet zag door een dichtaaneengeschaarde Zulu impi, die als uit de grond opgerezen was. Het eerste gelid van de Zulu's was niet verder dan vijftig treden verwijderd van de voorste Boeren, waarvan Piet Uijs de allervoorste was. Zij hieven een vervaarlik krijgsgeschrei aan, waarvan de bergen daverden, en hun slaan op de schildvellen veroorzaakte een gedreun, dat met het geluid van de wegrollende donder te vergelijken was.
»Blijf schouder aan schouder!" klonk het bevel van Piet Uijs boven het rumoer uit. »Schiet met lopers, en mik niet te laag."
Reeds drongen de eerste Zulu's naar voren, in de linkerhand het grote schild, het lijf bijna geheel bedekkende, in de rechterhand de steek-assagaai met breed lemmer houdende, toen de roeren losbrandden, en hen als met een zeilsslag neermaaiden, en in een spartelende hoop neerstorten deden.
Op dat ogenblik drong een ruiter, uit de achterhoede gekomen, naar voren, en bereikte de zijde van Uijs. »Kommandant!" riep hij uit, »Kommandant Potgieter laat u weten, dat een impi ons ook van achteren aanvalt, en dat de terugweg afgesneden is. Kijk, we zijn omsingeld!" riep hij vervolgens uit. Het was zo: de beide bergruggen krioelden van gewapende Zulu's, de Boeren waren van voren en van achteren en van beide zijden bezet.
»Zeg aan Potgieter," riep Uijs uit, »dat hij me van achter moet dekken. Onze weg ligt naar voren. Wij zullen in die zwarte massa bres schieten en doordringen tot de stad. Hij moet mij zoals ik voortruk, bestendig volgen, zodat er geen breuk in onze gelederen komen kan."
Met moeite bereikte de boodschapper Potgieter, die door gestadig te laten vuurgeven slechts in staat was de Zulu's te beletten tot bij zijn manschappen voort te dringen. Met het antwoord van Uijs bracht zijn bode hem tevens het noodlottig bericht, dat hij bemerkt had, dat de Zulu's die van de bergzijden waren afgestormd, de eenheid van het kommando hadden verbroken, en de voorste van de achterste afdeling hadden gescheiden.
Potgieter zei: »Dan blijft ons niets anders over, dan de zwarten die ons van achteren aanvallen terug te drijven en te verslaan, en daarna de voorhoede te hulp te snellen. Moedig, mannen!" riep hij uit, »vermorst geen kogels, maar schiet raak!"
De Boeren hadden geen aanmoediging nodig. Zij beseften, dat het een kamp op leven en dood was, en losten de roeren zo snel als zij die konden laden.
Met uitzondering van enige induna's en hun lijfwachten, die ook werpspiesen droegen, waren de Zulu's slechts gewapend met de steekassagaai, de umhkonto door Tshaka ingevoerd. Was het hun gelukt tussen de Boeren in te dringen, dan zouden zij met dit wapen een vreselike slachting hebben aangericht, en dan zou waarschijnlik niemand van de blanken zijn ontkomen; maar tans, door het wel onderhouden geweervuur op een afstand gehouden, was hen dit wapen nutteloos. Wel werden er enige assagaaien geworpen, en sommige Boeren gewond, maar hoewel gehele rijen Zulu's onder het dodend lood bezweken waren, was er nog geen enkele blanke gedood.
De strijd was tans verdeeld in twee afzonderlike gevechten: dat van de voorhoede en dat van de achterhoede. De Zulukrijgslieden hadden de benedenhelft van de bergbrug ter linkerzijde geheel ontbloot, en hadden zich aangesloten bij de aanvallers van Potgieter, die voet voor voet strijdende, tot tegen de bergrug ter rechterzijde was teruggedrongen. Potgieter gaf bevel om met de grootste snelheid enige salvo's op de Zulu's die hun de pas van achteren afsneden, te vuren, dan op hun paarden te springen, door de Zulu's te breken, zich weder te verzamelen, en dan de vijand in het front hebbende, de strijd voort te zetten, en hen terug te drijven, tot men zich met de afdeling onder Uijs verenigen kon. Deze beweging, met spoed en beslistheid uitgevoerd, had het gewenste gevolg. Vóór de Zulu's, verward door de hevige losbrandingen, zich konden herenigen, drong de gehele afdeling ruiters op hen in, stootte hen overhoop, en baande zich een doortocht naar het open veld. Slechts enige Boeren, met assagaaien doorstoken, bleven in de bres achter.
Toen men zich door de vijand geslagen had, trachtte Potgieter zijn manschappen te verzamelen en opnieuw tegen de vijand te leiden; doch dat bleek weldra onmogelik te zijn. De mannen in zijn onmiddellike nabijheid gehoorzaamden hem, maar de anderen op enige afstand, zijn bevelen niet kunnende of niet willende horen, reden voort, en toonden spoedig dat de weluitgevoerde krijgsbeweging ontaard was in een vlucht. Nog bood Potgieter met zijn handvol dapperen een geduchte weerstand tegen de aanstormende Zulu's; maar het bleek spoedig, dat ook hij moest terugtrekken, wilde hij niet opnieuw omsingeld en met de zijnen gedood worden. Al schietende reed hij de vluchtelingen achterna, door de Zulu's gevolgd.
Intussen was de afdeling onder Uijs in bloedige strijd gewikkeld. Hij had spoedig bemerkt dat de voorhoede van het overige gedeelte afgesneden en door de vijand omringd was. Zijn positie was gevaarliker dan die van Potgieter, daar hij zich in het nauwste gedeelte van de bergkloof bevond, en derhalve zijn mannen niet dicht aaneengesloten kon verenigen. Hij en de zijnen weerden zich dapper, en Dirk streed aan zijn zijde met de koelbloedigheid van een ervaren krijgsman. Op eens drong een sterke bende Zulu's ter rechterzijde de bergkant af, en viel de blanken van terzijde aan. In een ogenblik waren Jozef Kruger en François Labuschagne, die hun geweren hadden afgesloten, onder de assagaaien bezweken. De Zulu induna hief zijn umhkonto op tegen Dirk en wilde hem doorsteken, toen met een uitroep die in het slaggewoel verloren ging, de trouwe Galant zich tussen de Zulu en zijn kleinbaas wierp, en de dodelike stoot in zijn borst opving. De oude dienaar zeeg in elkaar, en op hetzelfde ogenblik verpletterde de kogel van Dirk de hersenpan van de induna. De jongeling sidderde, en tranen verduisterden zijn ogen, toen hij op het stuiptrekkende lichaam van Galant aan zijn voeten nederzag. Doch tans geen tijd voor aandoening of weeklagen. Strijden, strijden om het lieve leven. Laden en op de vijand losbranden. Steeds nauwer en nauwer werd de kring waarin de Boeren zich bevonden, en schoon gehele gelederen der zwarte vijanden het slagveld bedekten, trad voor iedere Zulu die werd neergeschoten, een ander koelbloedig over zijn ontzield lichaam in zijn plaats.
De dappere Karel Landman, die zich als een leeuw verweerde, was met enige mannen tegen de helling van de berg opgedrongen, zodat hij de gehele kloof kon overzien. Een vreugdekreet der Zulu's, die hun vorig krijgsgeschreeuw overtrof en boven het rumoer van de strijd uitklonk, trok zijn aandacht. Hij sloeg zijn blik naar de plaats waar de achterhoede slaags was, en waar Potgieter zich juist door de vijand had geslagen. »Mijn God! Zij vluchten!" riep hij uit, »alles is verloren!" Zijn ervaren oog bemerkte, dat de vijand het gebergte aan de linkerzijde verlaten had. Hij baande zich een weg tot Uijs, en riep hem toe: »Kommandant, de achterhoede is op de vlucht geslagen. Wij moeten retireren, of allen hier sterven. Ter linkerzijde is de berg door de vijand verlaten, in die richting moeten wij ons een doortocht maken." Tijd voor lang overleggen was er niet. »Broeders," antwoordde Uijs, »neem het op je, de manschappen te doen verstaan wat zij doen moeten. Laten zij zich door de vijand slaan. Ik en zij die mij omringen, zullen de aftocht dekken."
In weinige ogenblikken hadden de Boeren zich tegen de linkerzijde van de aanval verenigd, hun geweren afgeschoten en hun paarden bestegen, en waren ze door de vijand gedrongen. Een ieder gaf, zodra hij in het vrije veld kwam, zijn paard de teugel en rende weg. Slechts Uijs en zijn weinig dapperen, bij wie Karel Landman zich gevoegd had, trokken, gestadig vurende en de vluchtelingen beschermende, zich langzaam terug, door de vijand op de voet gevolgd. Opeens bemerkte Landman, dat Uijs ineenkromp, en voorover boog op de hals van zijn paard. Met een krachtige beweging hief hij zich echter dadelik weer op, en trok met eigen hand een assagaai uit, die hem in de lendenen getroffen en een diepe wonde veroorzaakt had, juist toen hij zijn paard had doen stilstaan, om de vuursteen van zijn geweer te scherpen. Bijna gelijktijdig zakte Louis Nel, die bij hem reed, met zijn paard ineen. Maar spoedig was Nel weer ter been, slechts zijn paard was dodelik getroffen, hij zelf was ongedeerd. »Om 's Heren wil, Kommandant!" riep hij uit, »laat me niet in de handen van de vijand vallen." »Nee, broeder," antwoordde Uijs, »dat zal ik niet. Welsier is sterk en moedig, en kan ons beiden dragen. Spring achter op mijn paard." Slechts enige schreden hadden zij zo voortgereden, toen Nel, dodelik door een assagaai getroffen, zijn handen ten hemel hief, en van het paard tuimelde.
Uijs was intussen doodsbleek geworden. Met moeite hield hij zich in de zadel. De wond die hij ontvangen had, was dodelik. Zijn levensbloed stroomde uit de wond, en droop af langs de zijde van zijn paard. Zijn manschappen, dit ziende, kwamen twee hunner en reden aan iedere zijde één, en trachtten hem te ondersteunen. De wakkere voortrekker wist echter dat het te laat was. Hij voelde zijn einde naderen. Met nog altijd krachtige stem zei hij: »Ik dank je, broeders, maar met mij is het voorbij, ik moet toch sterven. Ge kunt nog ontkomen. Red je. Sla je door de vijand heen. Houd God voor ogen!" Met weemoed lieten zijn krijgsmakkers hem los en reden voorwaarts. Zijn trouwe Welsier deed nog enige stappen, toen rolde Uijs van hem af.
Dirk was enigszins vooruit gereden. Toen de andere ruiters hem bereikten, miste hij zijn vader. »Waar is mijn vader?" vroeg hij angstig en keek achterwaarts. De stervende krijgsman, bijna reeds door zijn vijanden omringd, had het hoofd opgeheven, misschien om, schoon worstelende met de dood, nog een laatste blik te werpen op zijn Dirk, zijn zoon. »Ik sterf met mijn vader!" riep de knaap met geestedrift uit, toen zijn oog dat van zijn vader ontmoette; en vóór zijn metgezellen het konden verhinderen, had hij zijn paard omgewend en stormde hij alleen tegen de vijand in. Driemaal weerklonk de knal van zijn geweer; dat was het enige dat de krijgsmakkers van het uiteinde van hem en zijn vader later konden mededelen.
Twee moedige harten hadden opgehouden te kloppen, en terwijl de barbaarse vijand zich vermaakte met het verminken hunner lichamen, stegen twee reine zielen, die van vader en zoon, opwaarts naar de troon van God; naar die eeuwige woningen, waar geen strijd of smart, geen lijden of leed immermeer zijn zullen.[7]
Hun as werd door de wind verstrooid. Geen erezuil, geen grafgesteente kenmerkt de plek, waar zij het leven lieten. Hun schoonste monument, onvatbaar voor de tand des tijds, is echter hun moedig mannelik leven en sterven, en zal in de geschiedenis van Zuid-Afrika's edelste zonen steeds een eerste plaats innemen.
XIV.
Slag van Endouda Kusuka.
Wat hadden intussen de Engelsen aan de Baai gedaan? Hadden zij met de Boeren woord gehouden? Voorzeker, ja! Op de afgesproken tijd vertrok hun kommando van de Baai, onder bevel van Robert Biggar en John Cane. Het telde slechts weinig blanken, niet meer dan achttien, allen van erkende moed, en met het land en de taktiek der inboorlingen goed bekend. Deze blanken hadden onder zich omtrent dertig Hottentotten en drie duizend kaffers, de meesten Zulu's waarvan omtrent vier honderd met geweren gewapend waren. Makoni en Dutulu met hun volgelingen waren aan de spits van het kommando; bij hen bestond nog de hoop, dat de ontevredenen in de Zulu impi, op het zien van hen, zouden overlopen en met hen gemene zaak maken.
Toen zij de Tugela doorgetrokken waren, stuitten zij op een afdeling Zulu's die op verkenning uit waren, en na een schermutseling terugtrokken. Het kommando vervolgde zijn tocht, en bereikte weldra Endouda Kusuka, waar slechts een regiment Zulu's aanwezig was, zijnde de hoofdimpi, op bevel van Dingaan enige afstand landwaarts in getrokken, om in geval van nood, hem in de strijd tegen de Boeren te hulp te kunnen snellen. De Boeren echter verslagen zijnde, was deze impi reeds weer op weg om zijn vorige stelling in te nemen.