Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal

Part 12

Chapter 124,038 wordsPublic domain

»Toen ik verzocht om dadelik in de Krijgsraad toegelaten te worden," zei Biggar, »wist ik niet dat uw vergadering in het openbaar gehouden werd. De mededelingen die u gedaan zullen worden, zijn echter van die aard, dat daaromtrent het strengste geheim bewaard moet worden. Slechts in een vergadering van de Krijgsraad, in afzondering gehouden, kunnen zij worden blootgelegd, en--"

Een kreet, die bijna een gebrul kon worden genoemd, door Makoni en Dutulu aangeheven, onderbrak zijn rede en bracht de gehele vergadering in verwarring op de benen.

Terwijl Biggar het woord voerde, had Dutulu zijn oog over de vergadering laten gaan. Daar viel zijn blik op de neergehurkte Mazesi. Die gebogen gedaante kwam hem bekend voor; toch kon hij zich niet te binnen brengen, wie hij was. In een voor hem noodlottig ogenblik nam de tovenaar zenuwachtig zijn handen van zijn gelaat weg. Een schok voer Dutulu door de leden. Hij fluisterde zijn broeder iets in het oor; deze wendde het hoofd om, en van beider lippen klonk het: »Mazesi! de oorzaak van de moord van onze vader!"

De tovenaar was opgesprongen. Zijn oog zocht een uitweg om te ontvluchten, doch te vergeefs; hij was ingesloten in de kring van blanken. Met fonkelend oog staarden de broeders hem aan, totdat Makoni, met zijn assagaai op hem wijzende, tot Biggar zei: »Daar staat de moordenaar van Manondo!"

»Wat betekent deze plotselinge uitbarsting uwer bondgenoten?" vroeg Cilliers aan Biggar.

»Zij zeggen, in die man de moordenaar van hun vader te hebben herkend," antwoordde Biggar.

»Dat mag zijn," hernam Cilliers koel. »Er vinden zovele moorden in Zululand plaats. Deze man echter is een vluchteling, die bij ons bescherming tegen Dingaan heeft gezocht. Bij ons is hij veilig. Hij heet Goza, en was een induna van aanzien."

Deze woorden werden door Biggar overgebracht aan de broeders, die de tovenaar nog steeds met hun ogen verslonden. Zij barstten in een schamper gelach uit. »Heet hij Goza? Is dat zijn naam?" riep Makoni uit, »de ware Zulu schaamt zich zijn naam niet, en deze zal het ook niet doen. Zeg de Molonga dat ik zijn naam zal bekend maken. Die man is Mazesi, de opper-toverdokter van Dingaan. Hij is de man die aan het hoofd staat van al de spionnen, die Dingaan door het gehele land heeft. Hij was het die aandrong op de dood van Retief en de zijnen, en daarin door mijn vader, Manondo, tegengegaan, heeft hij hem dat niet vergeven, maar in mijn tegenwoordigheid later valse beschuldigingen tegen mijn vader ingebracht, die daarna op last van Dingaan is doodgeslagen. Hij is hier niet als vluchteling, maar als verspieder. Ontken, dat ge Mazesi zijt, en maak je de naam van Zulu onwaardig!" riep Makoni ten slotte met bliksemend oog tot de gewaande Goza.

De verandering die deze in de laatste minuten had ondergaan, was te veel in het ooglopend om daar allen die tegenwoordig waren, niet te worden opgemerkt. In zijn woede had Mazesi het masker geheel verzaakt en afgeworpen. Inplaats van de uitgeputte, gebogen grijsaard, stond er tans een bejaarde, vermagerde, maar krachtig gebouwde en fiere Zulu. Het eerst gebogen hoofd stond trots op de nek, en de ogen, zoëven nog zo dof en wezenloos, schenen stralen te schieten. »Ge zegt recht, Zoon van Manondo!" riep hij uit, »ik zal mijn naam niet langer lochenen; ik ben Mazesi, zoals ge hebt gezegd."

»Gij allen hoort het!" riep Makoni uit »zijn eigen mond heeft hem veroordeeld. Lever hem aan ons over, opdat het bloed van mijn vader gewroken worde!"

De verraste Cilliers scheen besluiteloos, wat te antwoorden. Eindelik nam Uijs het woord, en zei: »Broeders, er bestaat bij mij geen twijfel, dat de man een spion van Dingaan is, in ons lager gekomen om te verspieden; en volgens krijgsrecht is hij des doods schuldig en moet sterven. Maar zal het raadzaam zijn deze zonen van Manondo in de aangeboren bloeddorst der Zulu's te versterken? Laten wij Mazesi horen, als hij iets te zeggen heeft, en vinden wij hem schuldig, dan veroordelen wij hem ter dood, en laten zelf ons vonnis uitvoeren."

»Ik verschil met u," zei Potgieter; »die man is niet slechts een spion, maar ook een gevaarlike bedrieger en moordenaar. Zijn eigen landgenoten eisen hem van ons op, om hem naar hun wijze, recht te doen geschieden. Zij zijn onze bondgenoten, en vragen niets meer dan zij rechtens kunnen verwachten dat door ons zal worden toegestaan. Ik ben er voor, dat wij de spion in de handen van de zonen van Manondo stellen."

Maritz, Greyling, van Staden en anderen verklaarden dat zij met Potgieter instemden. Geen enkele stem verhief zich ten gunste van het voorstel van Uijs.

Na enig aarzelen zei Cilliers tot Biggar: »Wil zo goed zijn aan Goza, of liever aan Mazesi te zeggen, dat de Krijgsraad besloten heeft hem over te leveren aan Makoni en Dutulu. Moge de Here zijn ziel genadig zijn!--Ik verdaag de Krijgsraad tot morgen ochtend, om als de zon opgaat, in mijn tent bijeen te komen. Niemand, dan de gekozen leidsmannen, zullen toegelaten worden tegenwoordig te zijn."

Mazesi had het zwijgen bewaard. Wellicht hoopte hij nog op de bescherming der Boeren, schoon hij die ten volle had verbeurd. Toen de uitspraak van de Krijgsraad hem werd vertolkt, kende echter zijn woede paal noch perk. Het schuim stond hem voor de mond, ditmaal niet kunstmatig voortgebracht. »Ha! ge zult het wagen mij te doden, gebroed van Manondo!!" schreeuwde hij, »ik vervloek u! Mijn schim zal u vervolgen overal waar ge gaat en staat. Ik zal u verpesten. Ik zal u betoveren. De Molonga? Ik zie de dagen van Tshaka terug. De Amazulu zullen hen vernietigen en uitdelgen. De zon die dit land bestraalt, zal hun geraamten verdrogen!"

Zwijgend traden Makoni en Dutulu op hem toe, grepen hem ieder aan een arm en brachten hem de lagerpoort uit, door enige Zulu's gevolgd.

Na een half uur afwezig te zijn geweest, keerden zij terug. Op een vraag van Biggar, antwoordde Makoni: »Het bloed van onze vader is op een van zijn moordenaars gewroken. Heden nacht strekt het magere karkas van Mazesi de jakhals en hyena tot spijs."

XII.

Verkenningstocht van Dutulu naar Zululand.

Op de bepaalde tijd van de volgende morgen spoedden zich de voormannen van de trek naar de tent van Cilliers, waar zij Biggar en de zonen van Manondo reeds vonden. De vergadering werd geopend, en een besluit genomen, dat de overeenkomst door de Kommandanten aangegaan, formeel bekrachtigde, en er werd besloten dat het opperbevel in Uijs en Potgieter gezamenlik zou berusten, onderworpen aan de besluiten van de Krijgsraad.

Daarna werden Biggar en zijn Zulu-bondgenoten ter vergadering toegelaten, en werd hem mededeling gedaan van het genomen besluit. Cilliers had de plaats van de voorzitter verlaten, en na een fluisterend gesprek tussen Potgieter en Uijs, nam eerstgenoemde de ledige plaats in, en richtte tot Biggar de woorden: »Meneer, de Krijgsraad is tans wettig samengesteld. Wij zijn geheel in afzondering, en bereid uw geheime berichten te vernemen en te overwegen."

»Kommandant," antwoordde Biggar, »indien ik het woord voerde, zou ik slechts moeten herhalen wat aan mij door Makoni en Dutulu toevertrouwd werd. Ik acht het beter hen uit te nodigen zelf te spreken, waarbij ik dan de tolk kan zijn, en hun woorden aan de vergadering kan overbrengen."

Daartoe uitgenodigd, nam Makoni tans het woord en sprak: »Blanke opperhoofden, toen ge de eerste maal over de bergen trok, en trachtte van Dingaan het recht te verkrijgen op al het land, gelegen tussen de Tugela en de Umzimvubu rivieren, was er zeker geen enkele Zulu, die het niet zijn plicht rekende, u te beletten dit land tot uw vaste verblijfplaats te maken. Weinig kon ik toen vermoeden, dat er een tijd zou komen, dat ik de assagaai en de strijdbijl zou opnemen, en u aanbieden aan uw zijde tegen mijn eigen volk te strijden, en u te helpen in het bereiken van uw doel. Dingaan wordt met den dag wreder; zijn dorst naar bloed is niet meer te lessen; hij bezit al de wreedheid en boosaardigheid van Tshaka, maar mist zijn doorzicht en moed. Door de tovenaar, op wie ik gisteren de dood van mijn vader heb gewroken, aangehitst, heeft hij sommigen der beste en meest achtenswaardige induna's van ons volk in koele bloede doen ombrengen. Daardoor is een groot gedeelte van ons volk, waaronder enigen zijner dapperste regimenten, hem moede, dorstende naar wraak. Aan het hoofd der ontevredenen staat Panda, de broeder van Dingaan, en ik sta heden met Dutulu voor u als door hem afgezonden. Wij vrezen alleen te zwak te zijn om Dingaan te verslaan, maar met de Blanken verbonden, zullen wij hem meester worden, en Panda in zijn plaats als Koning der Amazulu verheffen. Ons plan moet echter goed beraamd en met snelheid uitgevoerd worden. De regentijd is voorbij en met de nieuwe maan is het beste tijdstip gekomen om de aanval te maken. Mijn broeder en ik hebben ons met driehonderd moedige krijgslieden bij Biggar aangesloten. Op een bepaalde dag trekt ge van de Westzijde tegen Umkungunhlovo op, en wij doen een inval in het Zuiden. Als ge de stad van Dingaan hebt bereikt en slag levert, zullen Panda en de zijnen opstaan, en de impi van Dingaan ook aanvallen. Zo kan het niet anders, of ge moet het slagveld behouden. Panda stelt slechts de volgende voorwaarden: Ge moet hem als Koning van Zululand erkennen. Een voortdurend bondgenootschap moet tussen u en hem bestaan; en ge moet u verbinden tevreden te zullen blijven met het land van Natal, en u te vestigen aan de linkerzijde van de Tugela. Als wij hieromtrent overeenkomen, dan kunnen wij dadelik onze verdere plannen afspreken, en zend ik heden nog aan Panda van alles bericht."

»Het Zulu-Opperhoofd spreekt wel," zei Potgieter tot Biggar, »maar kan er geen verraad achter schuilen? Zijt ge er zeker van, dat de man te vertrouwen is?"

»Ik ben daarvan zo zeker, Kommandant, als men op dit ondermaanse van iets zeker zijn kan," antwoordde Biggar. »De vader van Makoni is door Dingaan vermoord; hij met zijn volgelingen moesten hun kudden in Zululand achterlaten, en voor hun leven vluchten; en de vrouwen en kinderen van zijn kraal bevinden zich tans bij ons aan de Baai. Dat is toch waarborg genoeg voor de eerlikheid zijner bedoelingen."

»Hoe zult ge het overleggen mededeling aan Panda te doen?" vroeg Potgieter aan Makoni.

Deze wees op Dutulu, en zei: »Hier staat de boodschapper, hij dele aan de Molonga mede, wat hij gaat doen."

Dutulu aarzelde geen ogenblik en zei: »De bergen zijn woest en hoog, de bossen dicht begroeid, maar er is geen voetpad dat niet gekend wordt door Dutulu, de zoon van Manondo. Overdag zal ik me, waar nodig, verschuilen, en door de karos van de nacht gedekt, zal ik me voortspoeden. Als de zon driemalen zal zijn ondergegaan, zal ik Panda van alles onderrichten; en nadat de zon viermalen daarna zal zijn opgegaan, zal ik zijn antwoord aan Biggar brengen. Als ik dat niet doe, zal Dutulu opgehouden hebben te leven. Ook aan Dingaan zal ik een boodschap brengen. Hij moet weten dat Mazesi, zijn boze geest, er niet meer is. Het hoofd van Mazesi zal ik op mijn assagaai steken, en die planten voor de hut van hem, die Manondo heeft laten ombrengen."

Met krachtige stem, vergezeld van levendige gebaren, had het jonge opperhoofd deze woorden gesproken. Hij had indruk gemaakt; de Boeren-aanvoerders waren van zijn oprechtheid overtuigd.

»Maar waarom u nodeloos in gevaar te brengen, door u te wagen in de stad van Dingaan?" vroeg Uijs.

»Induna der Molonga," antwoordde Dutulu, »Dingaan zal weten dat Manondo op Mazesi is gewroken, en kunnen opmaken wat hemzelf te wachten staat. Hij zal van schrik verstommen; en wat mij aangaat, ik weet de middelen om tot zijn hut door te dringen. Vrees voor mij niet, dat is het geringste gevaar dat ik zal moeten te boven komen."

»Dutulu spreekt recht," zei Makoni, »zijn de blanke aanvoerders met zijn antwoord tevreden, laten wij dan verder overleggen, want de dag gaat voorbij."

Tot zijn smart zou Makoni, die geheel oprecht was, nog moeten uitvinden, dat het Panda, die een zwak karakter was, maar al te veel aan moed en vastberadenheid ontbrak. Maar hierover later.

Onnodig is het verder over de bespreking hunner plannen uit te weiden. Voldoende zij het te vermelden, dat het resultaat der beraadslagingen hierop neerkwam: Op de 5de April 1838, zouden de Boeren optrekken uit hun lager naar Umkungunhlovo, en op diezelfde dag zouden de Engelsen aan de Baai, die slechts een handvol blanken telden, met hun Zulu-bondgenoten oprukken, de Tugela oversteken, en uit het Zuiden een inval in Zululand doen. Dutulu zou dadelik vertrekken om Panda van het plan bericht te brengen en zijn medewerking te verzekeren. Daarna zou hij zich aansluiten bij Biggar.

Spoedig daarna verliet Dutulu het lager. Makoni deed hem uitgeleide tot bij een groep bomen, niet ver van het kamp. Hier was daags te voren door de broeders de strafoefening aan Mazesi voltrokken. Makoni had gelijk gehad: gedurende de nacht had het roofgedierte zich aan het lichaam van de tovenaar te goed gedaan, en zijn van vlees ontbloote geraamte lag tans te verschroeien in de stralen van de hete middagzon. Het hoofd ontbrak echter aan de romp; weldra zou dit echter worden opgehelderd. Dutulu begaf zich naar enige rotsen, wentelde een steen ter zijde, en bracht het afgehouwen hoofd van Mazesi te voorschijn, overvloedig met zeezout bedekt, om het tegen spoedige ontbinding te bewaren. Makoni reikte Dutulu een assagaai met buitengewoon breed en lang lemmer, en zei: »Daar is de assagaai van Manondo, plant die met het hoofd van Mazesi er op, voor de hut van Dingaan." Zonder verder een woord te wisselen, keerde Makoni terug naar het lager, en Dutulu spoedde zich voort in de richting van de Tugela.

Lezer, hebt ge u al ooit des nachts alleen in de wildernis bevonden? Het bewustzijn van alleen te zijn, oefent op zichzelf een neerslachtige invloed uit op de mens, van die de Allerhoogste sprak: »Het is niet goed, dat de mens alleen zij." Maar _alleen_ zijn in de wildernis, zoals Dutulu de nacht was,--zie, het vereist sterke zenuwen, een moedig hart en vaste wilskracht om niet in de eerste schuilplaats die zich voordoet het lijf te bergen, en te wachten tot het zonlicht weer over de aarde glanst. Slechts het geoefend, onverschrokken oog kan door de nachtelike sluier dringen, en de voorwerpen in zijn onmiddellike nabijheid enigermate onderscheiden, en hoe fantasties wanstaltig doen die, als uit de nevelen te voorschijn stijgende, zich dan gewoonlik voor! Wij spreken van een nachtelike stilte: voor het geopend oor bestaat die niet. In de natuur blijft altijd leven, beweging en geluid. De natuur leeft en zal blijven voortleven, totdat het tijdstip aanbreekt, waarop de Schepper het: »Tot hiertoe en niet verder," over het door Hem geschapene voor zover onze aardbol betreft, zal uitspreken. Zelfs in de nacht blijven verschillende geluiden, als waren zij de echo van de dag, voortduren. Leven en geluid; leven en beweging, is wat het menselik oog aanschouwt, het menselik oor verneemt, gedurende de dag en in de nachtwaken. De stroom des levens gaat immer voort van geslacht tot geslacht, al wisselen ook dag en nacht, tot in alle eeuwigheid.

Maar, wij zijn alleen in de wildernis. Wij zien die uit het duister opdoemende gestalten, wij horen die geluiden, geboren uit de schoot van de nacht. Welke ons bedreigende gevaren sluiten zij niet in zich? Verbergt dit zien, dat toch eigenlik geen zien is, voor ons half ontsluierd oog niet misschien het wapen, dat ons zo aanstonds dodelik treffen zal; de juiste vorm van het wild gedierte, dat zich binnen weinige ogenblikken op ons zal werpen, en wie ons uiteengereten lichaam tot maal zal strekken? Vriendelik flikkeren de sterren, die wachters van Gods troon, aan de trans des Hemels, maar toch, hun licht strekt slechts om ons duidelik te doen beseffen hoe zwart de donkerheid is. Wij zijn ons ten volle bewust van onze nietigheid, onze tans volkomen gevoelde zwakheid; wij richten de blik naar boven, naar dat helder sterredak, waaruit een schemering van het licht dat afstraalt van het Eeuwige Licht, door nacht en duisternis tot ons doordringt en een ongekend vertrouwen op de Schepper van dat licht en van ons zelf, welt in onze boezem op, en schoon dikwerf tastende, schrijden wij voorwaarts.

Wekt het alleen zijn in de wildernis gedurende de uren van de nacht bij ons dat verheven gevoel op, met Dutulu was dit niet het geval. Wat bekreunde hij zich om dag of nacht! Hij, de Zulu krijgsman, gevormd in de bloedige school van Tshaka, had als eerste plicht geleerd de dood te verachten, de vrees niet te kennen. Volgens zijn barbaarse gemoedsindrukken vervulde hij tans een heilige plicht. In de zak die hij over zijn schouder droeg, bengelde het afgehouwen, ingezouten hoofd van Mazesi, de man die oorzaak was geweest van de dood van zijn vader, en nog de onbeschaamdheid had gehad, hem met zijn schim te bedreigen. Wat bekommerde hij er zich over, of die tovenaar in zijn laatste ogenblikken hem met zijn vervloekingen en bezweringen had overgoten. Hij was krijgsman, en kon maar eenmaal sterven. Het hoofd van Mazesi zou hij planten voor de intunkulu van Dingaan, of als het zijn moest, zou hij in de poging om die plicht te volbrengen, als een krijgsman sterven. Voor hem was de nacht de beste vriend. Bekend als hij was met het land, wist hij ondanks het donker zijn weg wel te vinden; en zo hij vijand of verscheurend gedierte ontmoeten mocht, welnu, hij had immer zijn assagaaien, strijdbijl en knopkieries.

Het was de derde avond na Dutulu's vertrek uit het lager, toen bij het vallen van de nacht, hij op de rand van een met bossen bedekte bergrug, op ongeveer zes mijl afstand van Umkungunhlovo te voorschijn trad. Aan de voet van de berg waarop hij stond, lag een tamelik grote Zulukraal, waarin de nachtvuren reeds waren ontstoken, en waaruit vele stemmen en geluiden, door de stille avondlucht voortgedragen, opstegen tot aan de plaats waar hij stond. »Kalipi laat op zich wachten," zei hij tot zichzelf. »Onze afspraak was toch, dat hij iedere avond met zonsondergang hier zou zijn, en zou vertoeven, totdat de tijd was gekomen om ter ruste te gaan. Zou hem iets zijn overkomen? Ik zal een tijdje wachten en uitrusten, en komt hij niet, dan blijft er niets anders over, dan dat ik afdaal en de kraal binnenga." Hij zette zich neder op een grote steen, aan de voet van een geelhoutboom, plaatste de zak met het hoofd van Mazesi, te zamen met zijn wapenen aan zijn voeten, nam uit een zakje dat hem om de schouder hing enige stukken biltong, en begon met smaak te eten. Niet lang was hij echter neergezeten, of zijn luisterend oor scheen het geluid van voetstappen te vernemen, als besteeg iemand de bergbrug aan de zijde van de kraal. »Dat zal Kalipi zijn," fluisterde hij, »maar toch, men kan niet weten. Ik zal me liever verbergen, tot ik zeker ben wie het is, die nadert." Hij nam zijn wapenen op, en dook weg achter de klip waarop hij had gezeten.

De persoon die naderde maakte zo weinig gerucht, dat men het geoefend oor van de wilde nodig had, om iets te kunnen horen, en scheen schuchter en bevreesd te zijn. Het was een jonge Zuluvrouw, die, als ware zij bevreesd voor het geluid harer eigen voetstappen, als een zwarte schim van struik tot struik voortzweefde, herhaaldelik het oog terugslaande op de kraal, als duchtte zij vervolgd of bespied te worden. Eindelik had zij de geelhoutboom bereikt, en bleef staan bij de klip waarachter Dutulu zich had verborgen. »Weer is hij hier niet," zei ze weemoedig tot zichzelf. »Dit is nu de zesde maal, dat ik 's avonds hierheen ben gekomen, en altoos te vergeefs. Zal hij nooit komen? Zal ik hem nimmer wederzien?" Een geritsel achter de klip deed haar opschrikken. Als een gejaagde hinde wilde ze wegvluchten, toen de welbekende stem van Dutulu haar tot staan bracht. »Vrees niet, Deliah, ik weet niet wie je zoekt, maar voor de zoon van Manondo behoef je niet te vrezen." Slechts enige schreden en zij stond aan de zijde van de jonge Zulu en omhelsde hem hartelik. »O, hoe blij ben ik, je eindelik te hebben gevonden. Zovele avonden heb ik je hier reeds gezocht!" riep zij luider uit, dan de voorzichtigheid het gedoogde.

»Zachter, zachter," zei Dutulu, »de bomen kunnen oren hebben, en vindt men ons hier, dan betekent dat mijn dood en jou schande. Dankbaar als ik ben je te ontmoeten, is dit mij een onverwachte vreugde. Ik dacht niet je hier te zullen zien, maar wel Kalipi. Zeg me, is hem iets overkomen?"

»Nee, Dutulu, toen hij zeven dagen geleden van hier wegtrok, was mijn broeder gezond en wel, en het is op zijn verzoek dat ik sedert, elke avond hierheen ben gekomen om je te ontmoeten. Hij gelastte me, je uit naam van Panda en van hemzelf te zeggen, dat de grote Olifant onraad moet hebben gemerkt. Op de dag vóór zijn vertrek, liet Dingaan Panda roepen. Mijn broeder zegt, hem nog nooit zo vriendelik te hebben gezien. Hij zei tot Panda: »De kinderen van Koning George, die aan de baai van Natal wonen, worden woelig, en kunnen het ons lastig maken. Vele ontevreden Zulu's, waaronder de zonen van Manondo, zijn over de Tugela gevlucht, en vinden bij hen schuilplaats. Ik moet iemand hebben, die het oog op hen houden kan, en wie is daar beter geschikt voor dan gij, mijn Broeder! Gij zult morgen als de dag breekt, met uw regiment optrekken naar Endouda Kusuka, en je aansluiten bij de impi die daar reeds is, en waarvan gij de hoofdinduna zult zijn; maar de vrouwen, de kinderen en het vee zult ge hier in de kraal achterlaten.""

»De ellendeling!" barstte Dutulu woedend uit. »Panda en de zijnen zijn dan voor ons verloren, tenzij hij als de oorlog uitbreekt, moed genoeg heeft om met zijn impi hierheen terug te keren, want blijft hij daar, dan zijn de vrouwen en kinderen hier onbeschermd, en aan de woede van Dingaan blootgesteld, indien Panda de wapens tegen hem zou keren."

»Luister verder," hervatte Deliah; »de volgende morgen is mijn broeder met Panda en de krijgslieden vertrokken. Hun werden echter toegevoegd de induna's Umhlebe, Zulu en Nongalazi. Mijn broeder heeft me opgedragen je dit alles te zeggen, en je te waarschuwen dat je voorzichtig zijn moet. Ik heb nu mijn boodschap verricht. Laat me je groeten, Dutulu! en naar de kraal terugkeren. Ik vrees dat het reeds argwaan heeft gewekt, dat ik me elke avond verwijder, en men zou me kunnen volgen."

De jonge Zulu was, na lucht gegeven te hebben aan de eerste opwelling van toorn, weder geheel kalm geworden. Hij en zijn bondgenoten zouden zich in het onvermijdelike moeten schikken. Nu wenste hij nog enige ogenblikken door te brengen aan de zijde van haar, die hij zich als vrouw had uitgekozen. »Ik dank je uit de diepte van mijn hart, Deliah, voor je trouw en moed, om het te wagen mij deze tijding over te brengen," zei hij, »maar waarom zo haastig? Lange tijd zijn wij gescheiden geweest. Lang kan het duren, voor wij elkaar zullen terugzien. Vertoef nog een weinig, en laat je lieflike stem mijn oren strelen."

»Nee, Dutulu, dat mag niet zijn," antwoordde het meisje; »ik moet me terugspoeden naar de kraal. Heb je zoëven niet zelf gezegd, dat als men ons hier vond, het jou dood en mijn schande zou betekenen? Kom, vaarwel! Moge er voorspoed op je weg wezen, en de dag spoedig aanbreken, dat je Deliah kunt voeren naar je hut."

Een zucht ontsnapte de borst van Dutulu. »Ja," zei hij, »het kan niet anders, maar ik moet nog naar Umkungunhlovo, en zal je vergezellen tot aan de voet van de berg."

»Naar Umkungunhlovo?" riep het meisje verschrikt uit, »maar dat is immers de dood in de mond lopen! Ach, Dutulu! Wil je je werpen onder de poten van de Grote Olifant?"

»Mijn kind," antwoordde hij zacht, »de zoon van Manondo zal gaan waar hij door plicht wordt geroepen; en mijn plicht roept me heden naar de kraal van Dingaan."