Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal

Part 11

Chapter 113,996 wordsPublic domain

Potgieter bleef een wijle met gebogen hoofd zitten. Plotseling hief hij het hoofd op. Zijn besluit was genomen. »Het zij zo. Indien Uijs in je plan bewilligt, dan doe ik hetzelfde," zei hij.

»Ik dank je voor dat woord, mijn broeder," hernam Cilliers, »dit is de eerste stap om de eensgezindheid onder ons te bestendigen. Nu moet ik je nog vragen een tweede stap te nemen. Je moet met ons naar Uijs gaan en hem zelf je besluit meedelen."

»Nee, dat doe ik niet! Ik wil Uijs niet in de waan brengen, dat dit plan van mij is uitgegaan, en dat ik hem overreden wil er in toe te stemmen. Naar mijn mening zal het voldoende zijn, als Uijs morgen in de Krijgsraad mijn besluit verneemt."

»Mijn vriend," hervatte Cilliers, »ik ben zeker dat als ik je de reden zeg, waarom ik verlang, dat je zelf Uijs met je toestemming bekend moet maken, je aan mijn verzoek zult voldoen. Bij de laatste vergadering heb je je in een ogenblik van opgewondenheid laten ontvallen, dat Uijs hier gekomen was met het doel je te onderkruipen. Dat heeft hem diep gegriefd. Ik weet, dat je in je hart overtuigd bent, dat hij met het edel doel om hulp te bieden hierheen is gekomen, en niet om je te onderkruipen. Je plicht als man en christen brengt het mede, dat je die woorden terugtrekt en Uijs de broederhand gaat bieden."

»U hebt gelijk, oom Sarel," antwoordde Potgieter, »die woorden moest ik me niet hebben laten ontvallen. Ik zal met u naar Uijs gaan. Bepaal slechts wanneer."

»Ik dank God, dat Hij zo genadiglik de ramp, die ons dreigde, heeft afgewend," riep Cilliers bewogen uit. »Laten we dadelik naar Uijs gaan."

»Nee, niet te haastig, oom Sarel," zei van Staden. »Laat ons blijven bij onze afspraak met Uijs en hem van avond gaan zien. We kunnen neef Hendrik komen afhalen. Uijs kan intussen nadenken over hetgeen wij hem hebben gezegd."

»Neef Frans spreekt recht," zei Potgieter, »het is beter dat wij Uijs zien op de door hem bepaalde tijd. Als we eenmaal met hem de zaak bespreken, kan het zijn dat ons gesprek lang duren zal. Dus tot van avond; ik zal jullie afwachten."

Het was tans tegen de middag en onze vrienden hadden nauweliks hun gesprek geëindigd, toen er een biezondere beweging in het lager op te merken viel. Een troep langzaam voorttrekkende ruiters naderde het kamp. Zij werden zonder vrees en met blijde nieuwsgierigheid ingewacht. Door de verrekijkers had men bespeurd, dat zij blanken, dus vrienden waren. Eenige mannen, waaronder Uijs en Maritz, zadelden hun paarden, en reden de naderende ruiters te gemoet. Op omtrent een mijl afstand van het lager kwamen de ruiters bij elkander. Van weerszijden stegen zij van hun paarden, en weldra verkondigden de vreugdeschoten aan het lager de hartelikheid van de ontmoeting.

Het bleek dat deze ruiterbende bestond uit zestig blanken, benevens hun achterruiters, die onder aanvoering van Andries Bester gekomen waren om hun broeders bijstand te verlenen in de krijg tegen Dingaan. Zij waren in de omtrek van Thaba N'chu, in het gebied van het Barolong opperhoofd Moroka gelegerd, toen Karel Strijdom hun het eerste bericht van de bloedige moord in Natal bracht. Het vereiste bij hen niet veel overwegen om te besluiten hun stamgenoten te hulp te komen en om aan dat besluit uitvoering te geven. Zij brachten met zich een aanzienlike hoeveelheid lood en kruit. Dankbare opgewondenheid heerste in het lager, waar men zich, alzo versterkt, van de overwinning op Dingaan zeker achtte. Bester bracht ook nog het bericht, dat men van Thaba N'chu boden had verzonden naar de Kolonie, om de tijding van de moord over te brengen, en men rekende op de Afrikaanse broedergeest, en verwachtte nu ook spoedig hulp en ondersteuning uit de oude Kolonie.

Die hoop werd later niet teleurgesteld, want nauweliks hadden de kolonisten vernomen, welk zwaar verlies hun broeders in Natal had getroffen, of hulp werd hun toegezonden, bestaande niet alleen uit strijdbare mannen, maar ook uit mond- en krijgsbehoeften. Doch hervatten wij de draad van ons verhaal.

Terwijl Cilliers en van Staden hun komplot, indien wij het zo noemen mogen, om de eendracht in de trek te herstellen, uitwerkten, bracht Uijs de morgen in ernstige overpeinzing door. Hij vroeg zich af, of hij recht zou handelen, indien hij zich zou terugtrekken en zijn stem zou geven voor Hendrik Potgieter als Kommandant-Generaal. Zijn hart raadde hem alle eerzucht te verlochenen; zijn helder hoofd waarschuwde hem, dat indien hij tot deze stap overging, hij slechts de kwade dag verschuiven, het vuur van tweedracht zou doen voortsmeulen, om later in lichtelaaie op te stijgen. En wat betrof het tweevoudige bevelhebberschap, onder oppertoezicht van de Krijgsraad, duchtte hij het gevaar van tegenstrijdige bevelen en uiteenlopende handelingen, dat daardoor zou kunnen ontstaan. Zijn gepeinzen brachten hem niet nader tot een besluit, en eindelik kwam hij tot de overtuiging, de zaak in de avond opnieuw met Cilliers en van Staden te moeten bespreken, en zich alsdan door omstandigheden te laten leiden.

Uijs zag verbaasd op, toen die avond, behalve de twee bezoekers die hij verwachtte, ook Maritz en Potgieter zijn tent binnentraden. Voor hij, na de avondgroet te hebben uitgebracht, een woord kon spreken, trad Potgieter op hem toe en reikte hem de hand, met de woorden: »Neef Pieter, ik ben hoofdzakelik gekomen om een onrecht, dat ik je heb aangedaan, te herstellen. Op een ogenblik dat mijn gewone kalmte me had begeven, heb ik je in tegenwoordigheid dezer vrienden en ook van anderen, toegevoegd, dat je slechts naar Natal gekomen was met het doel mij te onderkruipen. Ik had geen grond of recht deze bewering te maken, en het spijt me innig dat ik dit gedaan heb. Ik trek mijn woorden onvoorwaardelik terug. Vergeet ze ook, en laat ons vrienden zijn, zoals voorheen."

De mannelike verklaring van Potgieter miste z'n uitwerking niet op het edel, gevoelig gemoed van Uijs. Hij zei: »Neef Hendrik, ik zal niet ontkennen, dat je aanmerking me diep heeft gekwetst; maar wat een eerlik man doen kan om een begaan onrecht te herstellen, wanneer hij ziet dat hij te ver gegaan is, dat heb je tans gedaan. Met vreugde reik ik je de broederhand. Alles zij tussen ons vergeven en vergeten, en als de dag aanbreekt, die ons tegenover de vijand zien zal, dan strijden we als broeders naast elkaar."

»God schenke Zijn zegen op dit verbond van broederschap," zei Cilliers, »en nu, vrienden, laat ons overgaan om het punt, dat voor ons hoofdzaak is, te bespreken. Tot welk besluit ben je gekomen, Kommandant Uijs?"

Gert Maritz gaf aan Uijs de gelegenheid niet om te antwoordden, maar zei: »Als de oudste in jaren onder de drie mannen die voor het bevelhebberschap zijn genoemd, meen ik het recht te hebben, om eerst het besluit waartoe ik ben gekomen, mede te delen. Ik heb me voorgenomen, mij geheel terug te trekken, en ben bereid enig besluit, waartoe de Krijgsraad morgen komen mag, te eerbiedigen, en de leider te volgen, die door de meerderheid wordt gekozen. Ik vertrouw, dat mijn twee broeders zich niet zullen terugtrekken, doch in zoverre mijn voorbeeld zullen volgen, dat zij onder de meerderheid zullen bukken."

»Ik moet eerlik bekennen," zei Uijs, »dat het me spijt dat oom Gert achteruitstaat, want ik was steeds bereid het gezag van de meerderheid te erkennen, en zou nu vooral, meer dan ooit te voren, met vreugde onder oom Gert hebben gediend."

»Broeders," zei tans Potgieter, »ik zou jullie en mezelf onrecht aandoen, door je de gedachte te doen koesteren, dat ik iemand anders als Kommandant-Generaal zal erkennen. Ik herhaal wat ik eenmaal heb gezegd: Vóór ik dat doe, zal ik de trek verlaten. Een middenweg is me echter aangewezen, die ik bereid ben in te slaan, namelik dat Kommandant Uijs en ik te zamen het bevel zullen voeren, onderworpen aan het oppergezag van de Krijgsraad."

»Maar heb je de gevaren overwogen, broeder, die aan dit plan verbonden zijn?" vroeg Uijs.

»Neef Pieter, ik begrijp je volkomen," hervatte Potgieter, »maar als we ons voornemen om als broeders hand aan hand te werken, verwacht ik van zodanige schikking slechts gunstige gevolgen, en geenszins gevaar. Ik maak me sterk te zeggen, dat het spreekwoord van ons gelden zal: Twee hoofden zijn beter dan één."

»Welnu, broeders, dan aarzel ik niet langer," klonk het van de lippen van Uijs, »ik neem de schikking aan. Neef Hendrik en ik zullen samen de leiders zijn, en één in hart en zin, met hetzelfde doel voor ogen, vertrouw ik dat wij tot nut en zegen voor de trek zullen zijn. Het enige dat nu nog nodig zal zijn, is dat de Krijgsraad onze schikking morgen bekrachtigt."

»En dat God de Heer Zijn zegel er aan hecht," klonk de diepe stem van Sarel Cilliers. »Kom, laat ons neerknielen en Zijn zegen afsmeken."

XI.

De dood van Mazesi, de tovenaar van Dingaan.

Nog was de zon de volgende morgen niet boven het gebergte gerezen, en waren nog enkele langzaam verblekende sterren zichtbaar aan de hemeltrans, toen op een klein, uit rotsblokken gevormd en met heestergewas en enige grote bomen begroeid kopje, op anderhalve mijl afstand van het lager, een bejaarde kleurling van de grond tussen grote granietblokken, waar hij blijkbaar de nacht doorgebracht had, opstond, en de blik naar het Oosten slaande, tot zich zelf sprak: »De zon zal weldra de vlakte beschijnen, heden zal ik dan vernemen wat de plannen van de Molonga zijn."

Wij herkennen in de oude kleurling die daar als een silhouet getekend staat tegen de blauwe achtergrond van de steeds helderder wordende lucht, een bekende. Wij hebben hem vroeger reeds in de kraal van Dingaan ontmoet. Het is niemand anders dan Mazesi, de hoofdziener of toverdokter van de Zulukoning, wiens beschuldiging de moord van Manondo ten gevolge heeft gehad, en die toen had doen blijken, hoe goed hij op de hoogte was van de plannen en bewegingen der blanken in Natal. Dat zijn doel tans was, verder bericht omtrent deze plannen te verkrijgen, hebben wij reeds kunnen opmaken uit de weinige woorden die hij zich heeft laten ontvallen. Maar wie zou hem berichten uit het lager brengen? Hoe zou hij de plannen der Boeren te weten komen?

In het lager bevonden zich verscheiden kleurlingen, uit het overschot der stammen die oorspronkelik Natal hadden bewoond, en door Tshaka waren verslagen en onderworpen. Zij werden door de Zulu's als slaven gehouden, en de naam waaronder heden nog de afstammelingen van dat volk bekend zijn, die van Fingoe, aan welk woord de betekenis van hond wordt gegeven, geeft genoegzaam te kennen op welke sport van de maatschappelike ladder onder de Amazulu zij stonden. Aan hun meesters ontvlucht, hadden zij zich bij de trek aangesloten, werden door de Boeren vertrouwd en als veewachters gebezigd. Immers, de vrees voor de wrede dood, die hen wachtte, indien zij in de handen hunner vroegere meesters zouden vallen, scheen voldoende waarborg voor hun trouw. Zij waren echter doordrongen van al het bijgeloof, barbaren eigen. Voor hen geen verschrikkeliker wezen dan de toverdokter, en Mazesi had uit dit bijgeloof zijn voordeel weten te trekken. Hij had het weten te overleggen, om met enigen dezer veewachters, die hem van vroeger kenden, in aanraking te komen, toen zij met het vee in het veld waren, en had hen door de vreselikste bedreigingen overgehaald, zijn spionnen in het lager te worden. Het klipkopje, waar wij hem heden morgen vinden, was de gewone plaats van samenkomst, en heden verwachtte hij van zijn handlangers belangrijke mededelingen.

De oude tovenaar had de tekenen van zijn waardigheid afgelegd. Het feit dat hij een Zulu was, had hij niet willen of kunnen verbergen, maar overigens was zijn kostuum dat van de vrede: zijn wapens bestonden slechts uit een lichte knopkierie, dienst doende als staf, en enige assagaaien, dadelik als jachtbenodigdheden, en niet als oorlogswapens kenbaar.

Mazesi keerde zich om en sloeg het Boerekamp aandachtig gade. »Ah, Molonga," fluisterde hij, »ge sluimert gerust, maar de Zulu is wakker. Ge rekent op uw vuur en dood uitspuwende wapenen; nog enige dagen, en de Zulu-assagaai zal roodgeverfd in uw bloed, de Zulu-knopkierie overdekt zijn met uw hersens. Het vee wordt uitgejaagd: weldra zullen mijn spionnen hier zijn, en over enige dagen zal Dingaan al uw plannen weten, zo goed als gij zelf en zullen de dagen van Tshaka terugkeren voor de Amazulu."

Was het toeval of de vinger Gods, dat op ditzelfde ogenblik een kleine ruiterbende, waaronder wij Louis Nel en de jeugdige Dirk Uijs herkennen, de lagerpoort uitreed? 't Waren allen mannen van de afdeling van Uijs, die uitgingen om de morgen met jagen door te brengen, en zij wendden de teugel in de richting van het kopje, waar Mazesi in bespiegeling van het lager verdiept stond. De ruiters hadden reeds de helft van de afstand tussen het kamp en zijn schuilplaats afgelegd, eer de aandacht van de tovenaar meer bepaald op hen werd gevestigd.

»Aha!" riep hij verstoord uit, »de Molonga schijnt op mij af te komen. Persoonlik ben ik echter veilig, want met hun paarden zullen zij deze rotsen wel niet beklimmen, en ik zal me slechts voor een ogenblik moeten verbergen, totdat zij voorbij, of teruggegaan zijn, maar het zal onveilig zijn voor mijn spionnen, om mij het afgesproken bezoek te brengen." Hij bukte achter enig struikgewas, door de toppen waarvan hij onafgebroken de naderende ruiters gadesloeg.

Onze jagers hadden de voet van het klipkopje bereikt, toen Nel zei: »Laat ons even stilhouden, dan zal ik op het kopje klimmen en met mijn verrekijker de vlakte opnemen en zien waar wild is." En hij steeg van zijn paard.

»Wacht, oom Louis, we gaan samen," klonken enige stemmen, waaronder die van Dirk Uijs, en verscheiden ruiters wierpen zich uit de zadel, en voegden zich bij Nel, die reeds begonnen was het kopje te beklimmen.

Met schrik had Mazesi bemerkt wat er geschiedde, maar spoedig had hij een plan doordacht. Aan moed ontbrak het hem niet, en kon het niet anders, dan zou hij zijn leven verdedigen. Zijn eerste plan was echter zich te verbergen, en mocht hij worden ontdekt, dan zou hij zo goed mogelik door gebaren, want de taal der Boeren spreken kon hij niet, zich laten doorgaan voor een vluchteling uit Zululand, die de bescherming van het lager zocht.

De Boeren hadden intussen het kopje beklommen, en op de hoogste rotspunt stond Louis Nel de vlakte door zijn verrekijker te verkennen. Aan de voet van het rotsblok stonden Dirk Uijs, Doris Botha en enige anderen.

Op eens riep Doris uit: »Maar daar zit iets in die klipscheur achter de struiken," en zonder verzuim had hij de kolf van zijn roer aan de schouder.

»Schiet niet!" riep Dirk uit, »het is een mens;" en hij sloeg de loop van het geweer van Doris naar boven.

Nel, door hun geroep opmerkzaam geworden, sprong dadelik van de rots en stond naast hem. »Zowaar," riep hij uit, »daar zit een outa; toe, ou kerel, kom uit!"

Mazesi, zich ontdekte ziende, en aan de gebiedende houding van Nel bemerkende dat hem gelast werd voor den dag te komen, kroop, als viel het hem moeilik zich te bewegen, uit zijn schuilhoek, zijn wapens in de hand houdende.

»Bij de hoed van mijn grootvader!" riep de verwonderde Nel uit, »het is een oprechte oude Zulu! Wat doe je hier, outa?"

Mazesi wierp zijn wapens op de grond, echter binnen zijn onmiddellik bereik, sloeg zijn ogen ten hemel, en wees met de ene hand op zijn oor, en met de andere op zijn mond, ten teken, dat hij hen niet verstaan en evenmin in hun taal beantwoorden kon.

»Hij is zeker een spion," zei een der Boeren; »wat vermorsen wij de tijd over hem? Sta op zij, en ik zal hem de kogel geven."

»Dat nooit!" riep Dirk Uijs uit. »Zie, de Zulu heeft zijn wapens neergeworpen en geeft zich over. Bovendien kan je niet zien dat hij een afgeleefd en bijna weerloos man is?"

»Wel, Dirkie," hervatte de ander, »je bent nog maar een kind, en het is je niet ten kwade te duiden, dat je hart nog week is. Maar wat ik vragen wil is dit: als hij een blanke, en wij Zulu's waren, zou de blanke dan niet zonder verzuim naar de eeuwigheid zijn gezonden?"

»Dat zal ik niet betwisten," zei Nel, »maar dwaas zou het zijn de Zulu te doden. Wij weten niet wat hij te zeggen heeft. Als wij hem naar het lager brengen, zal een tolk spoedig genoeg kunnen uitvinden, wat hem hierheen heeft gebracht, en dan kunnen de hoofden beslissen, wat met hem zal worden gedaan. Kom, van onze jachtpartij zullen we vooreerst moeten afzien; outa moet naar het lager worden gebracht!"

Door tekenen trachtte hij hierop aan de tovenaar duidelik te maken, dat hij hen naar het lager vergezellen moest. Mazesi begreep hem en knikte met zijn hoofd ten bewijze van instemming; toen bukte hij zich om zijn wapens op te nemen, maar Dirk kwam hem voor, en raapte de assagaaien op, met de woorden: »Nee, outa, die heb je nu niet meer nodig. Ik zal ze dragen. Je knopkierie mag je houden, daar kan je nog op steunen."

Weldra trokken onze ruiters met Mazesi in hun midden naar het lager terug. Zij reden slechts stapvoets, want de tovenaar, die grote vermoeienis en uitputting voorwendde, sleepte zich slechts langzaam voort.

Intussen was de lang verbeide vergadering van de Krijgsraad bijeengekomen. Ze werd ditmaal gehouden in de open lucht, en een kleine afgezonderde ruimte in het lager was de vergaderplaats. Sarel Cilliers, die weder de leiding op zich had genomen, was vergezeld van de drie mannen, die voor het Kommandant-Generaalschap waren genoemd. Het stond op hun aller gelaat te lezen, dat zij tevreden en vergenoegd waren, en een kreet van vreugde steeg op, toen Cilliers de vergadering mededeelde, dat de aanvoerders onderling tot overeenstemming waren gekomen, en tans slechts van de Krijgsraad de bekrachtiging van hun overeenkomst verlangden. Hij ging er toe over om breedvoerig uit te leggen op welke wijze die overeenkomst was tot stand gebracht en waarin die bestond. Herhaaldelik viel men hem met betuigingen van goedkeuring in de rede, en nog was hij niet geëindigd, toen hij moest staken, tengevolge van een rumoer, dat aan de buitenste kring der toehoorders was ontstaan.

»Wat heeft dat te beduiden?" vroeg hij enigszins verstoord, toen de kring van luisterenden zich opende en Louis Nel met de zijnen, Mazesi in hun midden voerende, nader trad.

»Oom Sarel," begon Nel, enigermate verlegen, want het was hem niet ontgaan, dat Cilliers verstoord scheen te zijn, »wij willen de Krijgsraad niet hinderen, maar uitgaande om te jagen, vinden wij deze Zulu, en rekenden, het plicht om hem dadelik hierheen te brengen."

Aller ogen waren met nieuwsgierigheid op Mazesi gevestigd, die, het gevaar van het ogenblik ten volle beseffende, de houding van volslagen zwakheid door ouderdom en lichaamsafmatting aannam, en met halfgesloten ogen strak voor zich staarde.

Piet Uijs nam het woord. »Waar heb je hem gevonden, neef Louis? Hij schijnt mij meer een vluchteling dan iets anders. Dingaan zal geen afgeleefde grijsaard zoals deze, voor spion uitzenden. Heeft hij tegenweer geboden toen je hem gevangen nam?"

»Nee, Kommandant; we beklommen het klipkopje, dat u daar in de vlakte zien kunt, en daar vonden wij hem, zich in een klipscheur verschuilende. Hier zijn de enige wapens, die hij bij zich had, en die heeft hij dadelik afgegeven."

»Hij zal waarschijnlik een vluchteling zijn," zei Gert Maritz, »en in dat geval zal hij ons misschien omtrent Dingaan en zijn bewegingen belangrijke mededelingen kunnen doen. Ik stel voor dat wij het punt onder behandeling, een weinig uitstellen, en door tussenkomst van een tolk horen wat deze oude te zeggen heeft."

Een tolk trad naar voren. Door Maritz naar zijn naam gevraagd zijnde, gaf Mazesi met zwakke, nauweliks hoorbare stem ten antwoord: »Ik ben Goza, een induna van de Zulu-koning Dingaan."

»Wat heeft je in de onmiddellike nabijheid van ons lager gebracht?"

»Ah, Inkose, dat zou een lang verhaal zijn, en te veel voor mijn krachten, als ik u alles moest vertellen wat mij in de laatste dagen overkomen is. Ik ben krachteloos van vermoeidheid en honger. Toen Dingaan de Boeren bij Umkungunhlovo wilde slachten, waarschuwden Manondo en ik hem tegen het begaan van dit verraad, en dat heeft hij ons niet vergeven. Eenige dagen later liet hij Manondo door zijn eigen regiment met knopkieries doodslaan. Nu voor weinige dagen was er een indaba. Ik raadde de Koning ernstig aan, om te trachten met u vrede te maken. Hij ontstak in hevige toorn, bulderde dat ik Zulu van vel, maar Molonga van ingewand was, en gelastte mij de indaba te verlaten, en naar mijn kraal te gaan. Diezelfde avond bracht een vriend mij de tijding, dat Dingaan besloten had mij de volgende morgen bij het opgaan van de zon te laten doodslaan. Ik vluchtte dadelik weg. Waarheen zou ik mijn schreden richten? Ik had gehoord, dat gij een grootmoedig volk zijt, dat zijn vijanden genade bewijst, en ik vluchtte voort in de richting waar ik wist dat gij u bevondt. Vier dagen en nachten heb ik, vervolgd door mens en dier, omgedwaald. Van morgen wilden mijn krachten me begeven; met de uiterste inspanning klom ik op een kopje om uit te rusten. Ik was in slaap gevallen, toen stemmen me wekten. Ik opende de ogen, en zie, de mannen die ik zocht, hadden me gevonden."

De sluwe tovenaar had zijn doel volkomen bereikt. Medelijden straalde uit aller ogen. Bij hen die zoveel door Dingaan hadden geleden, had een ander onschuldig slachtoffer van zijn woede hulp gezocht, hij zou bij hen veilig zijn.

»Zal Goza ons iets kunnen mededelen omtrent de macht en de voornemens van de Zulu-koning?" vroeg Maritz. »Tot kort geleden een induna geweest zijnde, zal hij daaromtrent zeker veel weten."

»Ja Inkose, maar vergeef een oud man zijn zwakheid. Laat me toe, vandaag te eten en te rusten. Morgen zal mijn lichaam sterk, mijn verstand helder zijn, dan kan ik u alles vertellen wat me bekend is. Vergun me slechts als uw slaaf bij u te blijven." En de tranen vloeiden rijkelik uit de ogen van de gewaande Goza.

Men stond op het punt hem zijn verzoek toe te staan. Reeds wilde Cilliers iemand gelasten hem weg te leiden en te doen verzorgen, toen Klaas Labuschagne op hem toetrad met de woorden: »Oom Sarel, Biggar is zoëven met enige Zulu-opperhoofden in het lager aangekomen, en toen hij hoorde dat de Krijgsraad zitting hield, heeft hij verzocht dadelik toegelaten te worden, daar hij zaken van overwegend belang te melden heeft. Wat zal ik hem antwoorden?"

Het gevoelen was algemeen, dat Biggar en de opperhoofden dadelik zouden worden gehoord, en in de opgewondenheid door de aankondiging van hun komst veroorzaakt, werd de tovenaar, die van alles niets begreep, voor een ogenblik vergeten.

Weldra trad Biggar binnen de kring, gevolgd door twee krachtig gebouwde Zulu's in volle krijgsdos. Met fiere tred volgden zij hun blanke bondgenoot, toen deze de Boeren-aanvoerders naderde, door wie hij hartelik werd gegroet, en zich buigende, lieten zij hun gewone inkose horen. Biggar stelde hen voor met de woorden: »Dezen, mijne heren, zijn Makoni en Dutulu, de twee zonen van de Zulu induna Manondo, die enige tijd geleden door Dingaan is vermoord. Zij zijn tot ons gevlucht met enige honderden dappere volgelingen, vast besloten de moord van hun vader te wreken. Zij zelf zullen u mededelingen doen, die u zullen verblijden."

Niet zodra had de gewaande Goza de twee Zulu's gezien, of hij ontstelde hevig. Hij sidderde en zijn knieën knikten, tans niet van voorgewende uitputting, maar van inwendige ontroering. Immers als Makoni en Dutulu hem herkenden, dan was het met hem gedaan. Hij week achteruit zover hij kon, hurkte op de grond neer en bedekte zijn gelaat met de handen: een toonbeeld van werkelike ellende tans.

»Wij zijn bereid dadelik de berichten die uw bondgenoten brengen, te vernemen, meneer," zei Potgieter tot Biggar. »U stemt hier immers in toe, oom Sarel?"