Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal
Part 10
»Wel, Dirk, het doet me goed te weten dat je hart op de rechte plaats zit. Blijf met het oog op God altoos zo, en je zult geen schande over de naam van Afrikaner brengen. Binnen kort zullen we tegen Dingaan optrekken, en dan ga je met Galant mee, zoals ik beloofd heb. En nu, Galant, wat heb je me nog te vertellen?"
»Ja, Baas Piet, mijn ounooi zal u kunnen vertellen, of ik haar goed over de weg gebracht heb. Ik heb geprobeerd op te passen, zo goed als ik kon, maar er zijn daarom een paar plaagplekken, die ik aan Baas moet bekend maken. Witlies z'n vaarskalf heeft lamziekte gekregen en is doodgegaan. Ik heb hem gedokterd, maar dat heeft niks geholpen. En Koelman, oubaas z'n hot vooros, hij was zoals Baas weet al banja oud, hij heeft losse tanden gekregen en wou niet vreten; toen we 's avonds aan de overkant van de berg uitspanden, zag ik, dat zijn tijd voorbij was. Ik heb banja jammer gehad, maar de andere morgen moest ik hem afslachten en zijn vel hebben we saamgebracht. Dat is al wat ik aan Baas kan overbrengen. Daar is net nog één ding, dat ik meen dat Baas van mij moet vernemen. Daar is dat ongeluk met Baas Andries Viljoen z'n wagen. Geloof me, Baas Piet, ik heb gekeerd en geprobeerd zoveel als ik kon, om de wagen in 't pad te houden; maar de donder heeft gedreund, de ossen hebben gebulkt, en het volk heeft geschreeuwd en toen ik weer tot mezelf kwam, lag de wagen en de twee achterossen al in de kloof. We konden 't niet helpen. Ik weet, ik heb mijn best gedaan. Baas Piet moet nou net proberen en voor Baas Andries weer een andere wagen krijgen."
»Goed, Galant, je hebt weer zoals altoos je plicht gedaan en getoond, dat ik op jou staat kan maken. Ik blijf jou dankbaar. Maar kom, de nacht breekt aan en we zijn allen vermoeid. Laat ons gaan slapen."
De volgende dag vinden wij in de morgen de voorste afdeling van de tent van Uijs met de voormannen van zijn trek gevuld. Onder hen neemt Barend Greyling een eerste plaats in. Voorts vinden wij er onder anderen onze oude vrienden Klaas Labuschagne en Louis Nel terug. Ook Andries Viljoen ontbreekt niet; hij ziet er vergenoegd en tevreden uit, en geen wonder: het verlies dat hij geleden heeft is hem, en terecht, vergoed, en hij neemt, wat aardse goederen betreft, weer dezelfde positie in als te voren; en wat meer zegt, de aandacht van zijn tochtgenoten is in het biezonder op hem gevestigd geworden, en hij geniet een zekere mate van onderscheiding, die hem vroeger vreemd was.
Toen de vergadering op de gewone wijze geopend was, nam Uijs het woord. »Broeders," zei hij, »we zijn heden bijeengekomen, om een zaak te beslissen, die voor ons niet alleen, maar voor de gehele trek van buitengewoon gewicht is. Er moet een aanvoerder aan het hoofd van de trek worden geplaatst. Deze zaak werd reeds in een vergadering besproken, toen velen uwer nog met de wagentrek aan de andere kant der bergen waren. Toen werden drie mannen genoemd, namelik Gert Maritz, Hendrik Potgieter en ik zelf. Te oordelen naar hetgeen ik van de lippen van de achtenswaardige Gert Maritz heb horen vallen, zal hij gewillig zijn zich te onderwerpen, indien de keuze van de meerderheid ten voordele van Potgieter of van mij mocht uitvallen. Wat Potgieter aangaat, hij heeft openlik verklaard, dat hij niemand als aanvoerder zal eerbiedigen, en over de bergen terug zal keren, als hij niet gekozen wordt. Daarop heb ik gevraagd de beslissing uit te stellen totdat mijn gehele trek hier zou zijn, en ik mijn mannen zou kunnen raadplegen. Met dit doel dan heb ik u heden bijeengeroepen, en laat het tans aan u over voor mij te beslissen."
't Was Barend Greyling die het eerst 't woord nam. »Kommandant," zei hij, »toen wij u als voorman kozen, deden wij dit uit eigen vrije wil, en met het volste vertrouwen op uw vastberadenheid en doorzicht. Bij mij is dat vertrouwen niet verminderd; integendeel, het is meer en meer aangegroeid en versterkt. Derhalve meen ik dat het aan u staat om in deze te beslissen. Indien ge besluit, hetzij Maritz, hetzij Potgieter als hoofdaanvoerder te erkennen, zal ik daarin berusten. Ik zou het echter diep betreuren als er verdeeldheid in ons midden moest ontstaan over het aanvoerderschap."
»Ik wens slechts één vraag te doen," zei Louis Nel. »Heb ik de Kommandant goed verstaan, dat Hendrik Potgieter gezegd heeft te zullen weigeren hem of Gert Maritz te erkennen, als de meerderheid ten gunste van een hunner zou beslissen?"
»Ja," antwoordde Uijs, »Potgieter heeft duidelik verklaard dat hij niemand anders als aanvoerder zou eerbiedigen, en ingeval hij niet gekozen werd, met wie hem volgen wilden, Natal zou verlaten. Om niets voor u geheim te houden, kan ik er bijvoegen, dat hij nog gezegd heeft, dat ik over de bergen was getrokken met het doel om hem te onderkruipen."
»Welnu," hernam Nel, »dan zal ik, al sta ik ook geheel alleen, weigeren om hem als aanvoerder te erkennen, al kiest de meerderheid hem ook. Wij zijn allen vrije mannen. Om volkomen vrij te zijn, ben ik hierheen getrokken. Ik ben bereid mij ten volle te onderwerpen aan enige beslissing van een meerderheid der onzen, maar niet aan het gezag van iemand, die zelf niet onder de meerderheid buigen wil. Zodanig persoon zou een dwingeland zijn. De stem van ons volk, de stem van de meerderheid, moet als hoogste gezag onder ons gelden, en wie zich daaraan niet wil onderwerpen, welnu, de gehele wereld staat voor hem open."
»Kommandant," zei Andries Viljoen, »nu wil ik openhartig uitspreken. De reden waarom oom Kasper Strijdom en velen met hem, waaronder ik mijzelf tel, van de Grote Trek zijn teruggetrokken, was de onenigheid die in ons midden over het Kommandant-Generaalschap dreigde te ontstaan. Oom Kasper waarschuwde ons, dat aanvallen van buiten en getwist van binnen, een dubbel gevaar daarstelden, waartegen wij niet zouden kunnen bestaan. Wij weten dat oom Hendrik Potgieter een dapper man is. Waarom zullen we hem niet als leider kiezen? Door uw woorden was het, oom Pieter, dat ik en anderen met mij, teruggekeerd zijn. Nu reken ik er op dat ge uzelf gelijk zult blijven. Er moet een plan gevonden worden om tot eenheid te geraken."
»Maar," zei Greyling, »als Potgieter de meerderheid krijgt, dan kan ik nog niet inzien, dat wij de trek behoeven te verlaten. Ik vraag mezelf af: Wat was eigenlik het doel, waarmede we hier zijn gekomen? Zekerlik niet om te beslissen wie Kommandant-Generaal zou zijn, maar ons doel was onze broeders tegen de zwarte vijand te helpen. Wat zouden we gedaan hebben, indien we bij onze aankomst hadden bevonden dat de hoofdaanvoerder reeds gekozen was? Zouden we dan gezegd hebben: Nee, er moet een nieuwe verkiezing plaats vinden, anders trekken we terug? Ik ben zeker, wij zouden dat niet gedaan hebben, maar onze broeders hebben geholpen, totdat de slag geleverd was. En waarom zullen wij nu niet hetzelfde doen? Laat ons onder onze eigen Kommandant onze broeders helpen, en hebben wij eenmaal Dingaan gestraft, dan is het gevaar voorbij, en zal de toekomst ons leren wat ons te doen staat."
Een bejaard man, Jacobus Naudé, nam het woord en vroeg: »Moet ik neef Barend goed verstaan? Is zijn mening, dat wij onder onze eigen Kommandant zullen blijven, en slechts als hulptroepen met hem Hendrik Potgieter zullen volgen, als hij tot leider verheven wordt?"
»Ja, oom Koos, dat is mijn mening. Ik wil geen ander dan mijn eigen Kommandant als mijn hoofd erkennen. Maar mijn beschouwing is, dat wij hier zijn gekomen om te helpen, niet om de wet voor te schrijven. Laten de anderen kiezen wie zij willen, wij blijven vrij, zoals wij tot heden toe nog waren, en als wij uittrekken, staan wij onder onze Kommandant, die in overleg met de andere Kommandanten alle zaken verder kan regelen."
»Daar kan ik me niet mee verenigen," hernam Naudé. »Als we eenmaal een Kommandant-Generaal gekozen, en onder hem de oorlog tegen Dingaan tot een gelukkig einde hebben gebracht, dan spreekt het als van zelf, dat hij, in tijden van oorlog aan ons hoofd gestaan hebbende, ook in tijd van vrede, het hoogste woord zal willen voeren. Nu wat Hendrik Potgieter betreft. Ik ken hem van kindsbeen af. In de oorlog moge hij goed zijn, maar, om als wij ons gevestigd hebben, hoofd van ons bestuur te zijn, daarvoor deugt hij niet. Hij zou het vijfde wiel aan de wagen zijn."
»Ik stem samen met oom Koos," hervatte Louis Nel, »en ik wil verder gaan. 't Is waar, wij zijn hier gekomen om te helpen, maar ik kan niet inzien waarom wij, als de vijand met onze hulp overwonnen zal zijn, ook niet de vruchten van de overwinning zullen genieten. Het land is breed en ruim genoeg voor ons allen. Het is een heerlik land. Ik ben dit voortdurend rondtrekken moede en heb mij voorgenomen, in de eerste plaats te helpen om het land schoon te maken, en in de tweede plaats mij hier te vestigen. Intussen volg ik geen andere aanvoerder dan Piet Uijs."
»Mij schijnt het," zei Andries Viljoen, »alsof de voorspelling van oom Kasper Strijdom ten volle zal worden bewaarheid. Maar wat zegt Kommandant Uijs? Ik wil beslist zijn gevoelen weten, want zijn woorden hebben mij bewogen, terug te keren, toen ik reeds met alles wat ik bezat mij buiten de grenzen van Natal bevond."
Voordat Uijs antwoorden kon, werd het gordijn van de tent opgeheven, en trad de waardige Sarel Cilliers naar binnen, gevolgd door Frans van Staden.
De eerste nam het woord en zei op de indrukwekkende wijze, hem eigen: »Broeders, ik hoop en vertrouw, dat onze komst geen stoornis onder u verwerkt; mocht dat zo zijn, dan zullen we ons dadelik weer verwijderen. Belangstelling in het welzijn van de trek heeft mijn schreden hierheen gedreven. Ik weet dat ge tans beraadslaagt over de aanstaande verkiezing van een Kommandant-Generaal. Ook anderen beraadslagen daarover, en op ditzelfde ogenblik worden er in het lager andere vergaderingen gehouden. Broeders! de verdeeldheid onder ons wordt groot. Ik vraag u: zullen wij, die te zamen de vijand en de dood onder de ogen hebben gezien, tans door eerzucht en stijfhoofdigheid uit elkander worden gedreven? Denk er toch aan, hoe de vijand zich verheugen zal, hoe verontwaardigd onze stamgenoten in de Kolonie zullen zijn, indien wij op deze wijze ons maatschappelik bestaan zelf vermoorden. Ik kan het zien, dat ge nog tot geen besluit gekomen zijt, en ik wil u aanraden, vóór ge afdoende beslist, te wachten tot de Krijgsraad weer bijeen is geweest, hetgeen morgen zal geschieden."
»Ge zijt, ons, zoals altoos, welkom, oom Sarel," antwoordde Uijs, »hoewel het misschien beter ware geweest, indien ik met de mannen van mijn trek deze zaak geheel onder elkander had kunnen bespreken. Voor ge binnen kwaamt, werd me een vraag gedaan. Die vraag heb ik mezelf dikwels gesteld, en het antwoord dat ik mezelf heb gegeven, geef ik tans aan de vergadering: Ik ben bereid mij aan de meerderheid te onderwerpen, indien die iemand anders als Hoofd-aanvoerder kiest, maar als de keuze op mij valt, verlang ik ook, dat die keuze door de minderheid zal worden geëerbiedigd. Dit beschouw ik recht, eerlik en billik tegenover allen."
Een goedkeurend gemompel ging in de vergadering op.
»Broeders," zei Frans van Staden, »met verlof wil ik ook een woordje meespreken. Zoals een ieder in het leger weet, ben ik met hart en ziel voor Piet Uijs; maar, wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen, en in dit geval is dit ons algemeen belang. Hendrik Potgieter, houd ik mij verzekerd, zal stijf en sterk op zijn punt blijven staan, en ik wil voor een ogenblik aannemen, dat Piet Uijs hetzelfde doen zal. Welnu, in dat geval heb ik een ander plan uitgedacht. Wij zijn allen voornemens om ons in dit land te vestigen. Al spreken sommigen ook om weg te gaan, toch zullen er altijd genoeg achterblijven, zodra Dingaan maar eerst tot zijn plicht gebracht is. Is het land eenmaal schoon gemaakt, dan zullen wij een behoorlik bestuur moeten hebben, met iemand aan het hoofd, die andere plichten als die van een Kommandant-Generaal zal hebben te vervullen. Ook zal er een raad moeten zijn, door het volk gekozen, om wetten te maken en de geldzaken te regelen. Mijn plan is dan eenvoudig, om als wij een Kommandant-Generaal kiezen, hem goed te doen verstaan, dat hij alleen in krijgszaken en in niets anders gezag zal kunnen uitoefenen. Kunnen wij niet eenstemmig worden omtrent de keuze, of zijn er velen die zich aan de meerderheid niet willen onderwerpen, dan blijft iedere aanvoerder aan het hoofd van zijn afdeling, en de Krijgsraad staat aan het hoofd van allen."
»Uw plan is goed, oom Sarel," zei Greyling, »maar als wij er mee tevreden zijn, zullen de partijen van Potgieter en van Maritz daarbij berusten?"
»Dat kunnen we niet verzekeren," hervatte Sarel Cilliers; »om die reden vragen we u, uw beslissing uit te stellen, totdat wij de zaak morgen in de Krijgsraad ter sprake zullen hebben gebracht. Wij willen intussen van ieder partij afzonderlik de verzekering trachten te krijgen, dat als de Krijgsraad beslist hiertoe over te gaan, allen zich dan zullen onderwerpen. Dus zouden wij gaarne uw antwoord willen hebben, Kommandant Uijs!"
»Ik ben niet bereid dat dadelik te geven. Een zaak als deze vereist overweging alvorens ik voor mezelf beslissen kan. Bovendien, mijn manschappen zijn eveneens er bij betrokken, en zonder hun goedkeuring zou mijn beslissing niets betekenen."
»Kommandant," hernam Jacobus Naudé, »ge zijt onze gekozen voorman, en naar mijn beschouwing ons volste vertrouwen waardig. Wat anderen denken, weet ik niet, maar mij is het duidelik, dat al verspraken wij ook de gehele dag, wij als de zon ondergaat nog even ver zouden zijn; of wellicht een verkeerd besluit zouden genomen hebben. Derhalve ben ik er voor, dat we tans de gehele zaak in uw handen laten, en berusten in wat gij doet."
Er heerste enige ogenblikken stilte in de vergadering, eindelik afgebroken door de eenparige uitroep: »Laat onze Kommandant beslissen!"
»Welnu, het zij zo," hernam Uijs. »Ik blijf u dankbaar voor uw vertrouwen, broeders, en zal, als de tijd komt, beslissen, doch tans nog niet. Ik verwacht echter van ieder man, dat hij zich zonder tegenspraak aan mijn beslissing zal onderwerpen."
»Dat zullen wij allen," klonk het eenparig.
»Wanneer zullen we u dan weer kunnen zien, Kommandant?" vroeg Cilliers.
»Ik wens," antwoordde Uijs, »ernstig te overwegen wat mij te doen staat, en ik zal heden avond, na het eten te uwer beschikking zijn."
X.
Piet Uijs en Hendrik Potgieter worden Hoofdkommandanten.
Sarel Cilliers en Frans van Staden begaven zich op weg naar de tent van Gert Maritz, zodra zij Uijs hadden verlaten. Daar gekomen, vonden zij de oude Voortrekker reeds op hen wachtende. »Welnu," vroeg hij, »wat zegt Uijs?"
»Wel," antwoordde Cilliers, »zijn manschappen hebben, zoals wij verwachtten, de zaak ten volle aan hem overgelaten. Hij wilde echter niet dadelik tot een besluit komen, en heeft ons gevraagd om van avond te komen vernemen welke zijn gedragslijn zal zijn."
»Heb je hem gezegd, dat ik volkomen bereid ben onder je plan te buigen?"
»Nee, dat hebben we niet gedaan. Hij zelf heeft zich echter dikwels reeds uitgesproken, dat hij overtuigd was, dat ge ter wille van onze eensgezindheid, steeds bereid zoudt zijn een ondergeschikte plaats in te nemen."
»Ja, dat is zo. Hoewel ik zeer goed weet, dat als er van recht sprake moest zijn, niemand meer dan ik voor het Kommandant-Generaalschap zou zijn aangewezen. Ik heb echter altijd getracht zaken naar hun rechte waarde te schatten, en steeds bevonden dat van iedere erepost het »ijdelheid der ijdelheden" van de schrijver der Spreuken ten volle geldt. Maar wie van jullie beiden heeft ons plan aan de Uijstrek blootgelegd?"
»Ik heb dat ondernomen," antwoordde van Staden. »Uijs weet dat ik zijn boezemvriend, zijn warme voorstander ben. Oom Sarel heeft zich altijd buiten en boven alle partijen gehouden, dus kwam het plan van mijn lippen als een der ondersteuners van Uijs, beter dan uit de mond van oom Sarel."
»Dan blijft nu nog slechts over dat je Potgieter gaat zien," hernam Maritz, »want ik zou me sterk in Uijs vergissen, als hij een struikelblok in de weg zou zijn."
»Goed, wij kunnen dadelik gaan," zeiden de anderen, »maar ge moet ons vergezellen."
»Dat zou stellig verkeerd en niet billik tegenover Uijs zijn. Je hebt hem zonder mij gezien, en als ik nu mee naar Potgieter ga, zal men grond hebben te vermoeden, dat ik met hem samenspan om Uijs te verdringen. Ik ben bereid achteruit te staan, maar zeker niet om mij aan blaam bloot te stellen. Je kunt echter aan Potgieter zeggen, dat ik met het plan bekend ben en het goedkeur; ook dat Uijs nog onbeslist is, maar dat je vertrouwt, dat hij ook zal instemmen. Geeft Potgieter zijn goedkeuring ook, dan ga ik van avond met jullie mee naar Uijs."
Toen Cilliers en van Staden enige ogenblikken later bij de tent van Potgieter aankwamen, vonden zij hem buiten bij zijn wagen staan. Zijn gelaat was bewolkt, en hij was blijkbaar in geen aangename stemming. De vergadering met zijn partijgenoten was pas afgelopen, zonder dat er een bepaald besluit genomen was. Het was hem echter duidelik geworden, dat hoewel zijn aanhangers allen voor hem zouden stemmen, slechts weinigen bereid waren tot dat uiterste met hem mede te gaan, dat opgesloten lag in zijn dreigement, Natal te zullen verlaten, indien hij niet tot Kommandant-Generaal werd verheven. Potgieter was eerzuchtig en stijfhoofdig van aard, maar aan zijn rechtschapenheid, moed en rondborstigheid viel niet te twijfelen. Op het ogenblik toen de andere twee hem naderden, overwoog hij bij zichzelf of het niet zijn plicht was, morgen in de Krijgsraad tot Uijs te zeggen: »Ik geef het je gewonnen, maar onder je staan wil ik niet. Ik zal me zonder verzuim over de bergen terugtrekken, met degenen die me willen volgen, hetzij zij velen of weinigen zijn."
Na het wisselen van de morgengroet richtte hij de vraag tot Cilliers: »Verkiest oom Sarel dat wij in de tent zullen gaan, of kunnen we hier spreken? Mij schijnt het dat ge mij iets mee te delen hebt."
»Je hebt recht geraden, mijn vriend!" antwoordde Cilliers. »We komen je bezoeken om met je te spreken over de zaak, die tans de belangrijkste voor de gehele trek is. Wat mij betreft, laat ons op de wagenkist gaan zitten en in vertrouwen met elkander spreken. Ik geloof niet dat iemand ons zal komen hinderen."
Zij klommen op de wagen en Cilliers deelde aan Potgieter mede wat de lezer reeds bekend is, en legde hem het plan bloot, dat door van Staden in de vergadering van de Uijspartij was duidelik gemaakt.
Potgieter luisterde met aandacht, en schoon hij nu en dan de wenkbrauwen fronste, alsof een of ander punt hem onaangenaam trof, viel hij de spreker niet in de rede. Toen Cilliers echter geëindigd was, vroeg hij enigszins schamper: »Als ik u dus wel verstaan heb, is de zaak deze: Maritz zal zich terugtrekken, en stem ik toe, dan zal Uijs het bevel voeren over een deel van het kommando dat tegen Dingaan optrekt, en ik over het andere deel. Stem ik echter niet toe, dan schenkt Maritz zijn ondersteuning aan Uijs, die dan als Kommandant-Generaal zal worden gekozen."
»Dat is in zoverre juist, maar sluit niet alles in," hernam Cilliers. »De eerste oplossing is deze: Maritz trekt zich terug; de keuze bepaalt zich dan tussen u en Uijs, die bereid is je te erkennen, indien je gekozen wordt, mits je toestemt hem te zullen erkennen, als de meerderheid voor hem is. Kan dit echter niet geschieden, dan is het in de tweede plaats overigens zoals je gezegd hebt."
Na enig peinzen hernam Potgieter: »Ik bewonder en prijs het in Uijs, dat hij zich aan de meerderheid onderwerpen wil, als die mij zou kiezen. Een jaar geleden zou ik hetzelfde hebben gedaan, maar nu nimmer weer. Ik wil de doden laten rusten, maar toch moet ik u vragen: was Retief niet de leidsman, door de meerderheid gekozen, en door de minderheid geëerbiedigd, en waartoe heeft zijn voortvarendheid hem zelf en de trek gebracht? Nee, ik zal liever morgen openlik in de Krijgsraad verklaren, dat men Uijs kiezen moet, maar dat ik, met wie mij volgen wil, terugga naar mijn vrienden, die zich over de Vaalrivier hebben neergezet."
»Mijn broeder," zei Cilliers, »vraag jezelf af of dit recht zou zijn. Overweeg bij jezelf, wat je landgenoten van je zullen denken. Hendrik Potgieter vlucht uit Natal, nu het onschuldig vergoten bloed gewroken, een misdadig, trouweloos zwart volk getuchtigd moet worden. Ik vrees dat men alle grond zal hebben, om je van lafhartigheid te verdenken, als je blijft volharden bij wat je gezegd hebt."
»Oom Sarel, niemand die me kent, zal aan mijn moed twijfelen, en mij is en blijft het onverschillig, wat de anderen van me denken. Ik beschouw, dat het me rechtens toekomt de leider van deze trek te zijn. Reeds eenmaal heb ik van dat recht afgezien, en heb daar berouw van gehad; ten tweede male zal ik dat niet weer doen, en om de schijn te vermijden van tweedracht te verwekken, zal ik dit land verlaten."
»Neef Hendrik, je woorden klinken schoon. Zij misleiden je, maar zullen ze anderen, die nadenken willen, ook misleiden? Daar twijfel ik aan. Je eigen mond zal je veroordelen. Je zegt dat je het land zult verlaten, om de schijn te vermijden dat je tweedracht verwekt. Door dit te doen, lever je het beste bewijs dat je tweedracht verwekt hebt. Het gevolg van tweedracht is scheuring en je scheurt jezelf van ons los, en onbillikerwijze, want je behoort evenals Uijs gewillig te zijn, te berusten bij de beslissing van de meerderheid."
»Onder de meerderheid zal ik niet berusten, tenzij de keuze op mij valt. Dat staat eenmaal bij mij vast, en niets ter wereld zal me daarvan doen terugkomen. Verder is het zoals ge zegt: door heen te gaan, mag het schijnen alsof ik de tweedrachtige ben, maar als ik blijf, zal de tweedracht immer groter worden."
»Weer veroordeelt je je eigen mond, neef Hendrik; door te erkennen, dat zolang als je blijft de tweedracht immer groter zal worden, erken je dat de schuld bij jou te zoeken is. Waarom neem je je niet voor te blijven, met de ernstige bedoeling, al wat mogelik is te doen om alle tweedracht te voorkomen?"
Potgieter was in het nauw gebracht. Hij moest dit zelf erkennen, en zei: »Oom Sarel, het valt me zwaar om met u in woordestrijd te zijn. Ik kan u niet weerleggen." En hij verzonk in ernstig nadenken.
Tans merkte Frans van Staden, dat de beurt aan hem gekomen was. Hij zei: »Wij praten al zolang, en mijn gedachten lopen uit elkaar. Ik kan ze niet bijeenhouden als ik mijn pijp niet in de mond heb. Ik zal eerst stoppen, en dan wil ik ook mijn stukje brood in de melk kruimelen." Zijn tabakszak, pijp en tondeldoos waren spoedig uit zijn zak. Hij stopte, sloeg vuur, stak zijn pijp aan, en vervolgde, na enige rookwolken te hebben uitgeblazen: »Kijk, neef Hendrik! Ik wil aannemen dat alles wat jij, en ook alles wat oom Sarel zegt, van je eigen, afzonderlik standpunt beschouwd, volkomen waar en juist is. Maar wat je geheel en al uit het oog schijnt te verliezen, is het plan waaraan Maritz zijn goedkeuring heeft gehecht, en dat Uijs ongetwijfeld reeds in gunstige overweging neemt. Wij kiezen geen Kommandant-Generaal. Wij gaan gezamenlik de gemeenschappelike vijand bestrijden. Jij voert je mannen aan, en Piet Uijs de zijnen, en waar het mocht worden vereist, beslist de Krijgsraad. Waarlik! hiertegen kan je geen bezwaar hebben; en maak je hiertegen bezwaar, dan moet ik zeggen, dat je òf tweespalt zaaien, òf de vijand de rug toekeren wilt."
»Neef Frans," hernam Potgieter, »je plan mag mooi klinken, maar zal in de uitvoering talrijke bezwaren opleveren. Om slechts één te noemen. Is het niet mogelik dat door Uijs en mij tegenstrijdige bevelen kunnen worden gegeven, en dat daardoor verwarring zal kunnen ontstaan?"
»Bedenk, mijn vriend, dat als het kommando uittrekt, gehandeld zal worden door jou en Uijs volgens een vast ontworpen plan, en daardoor alle verwarring zal worden voorkomen," antwoordde van Staden.