Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal
Part 1
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: | | met/zonder afbreekstreepjes, met/zonder trema. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | | | In het origineel worden hoge aanhalingstekens openen (66) en | | sluiten (99) gebruikt. Deze dubbele aanhalingstekens zijn in | | dit e-boek aangegeven als »aanhalingstekens". | | | | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op http://www.gutenberg.org | | | +----------------------------------------------------------------+
PIET UIJS.
[Illustratie: C. W. H. VAN DER POST.]
PIET UIJS
OF
LIJDEN EN STRIJD DER VOORTREKKERS IN NATAL.
EEN VERHAAL
DOOR
C. W. H. VAN DER POST.
DERDE HERZIENE DRUK.
_(In vereenvoudigde spelling)._
J. H. DE BUSSY,
Pretoria, Amsterdam.
HOLL-AFRIK. UITGEVERS-Mij. v/h J. DUSSEAU & Co., KAAPSTAD.
1918.
INHOUD.
BLADZ.
Leven van C. W. H. v. d. Post VII
Voorwoord X
HOOFDSTUK.
I. Het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit 1
II. Stoffel van Staden brengt Uijs bericht van de moord der blanken in Natal 19
III. Kasper Strijdoms verhaal van de dood van Pieter Retief 36
IV. Aankomst van Piet Uijs bij het lager in Natal 58
V. Vergadering van de Krijgsraad om een Kommandant-Generaal te kiezen 73
VI. Bloedige tonelen te Umkungunhlovo 87
VII. Vertrek van het lager van Piet Uijs naar Natal 102
VIII. De tocht met de wagens over het Quathlamba gebergte 114
IX. Aankomst van het lager van Piet Uijs in Natal 130
X. Piet Uijs en Hendrik Potgieter worden Hoofd-Kommandanten 144
XI. De dood van Mazesi, de tovenaar van Dingaan 156
XII. Verkenningstocht van Dutulu naar Zululand 170
XIII. Slag van Italeni. Piet Uijs sneuvelt 183
XIV. Slag van Endouda Kusuka 195
XV. Aanhangsel 201
LEVEN VAN C. W. H. VAN DER POST.
Christiaan Willem Hendrik van der Post werd op 26 Maart 1856 te Leiden, Holland, geboren. In 1859 kwamen zijn vader en moeder met hun drie-jarige zoon naar Zuid-Afrika, en nadat zij een tijdlang aan de Kaap hadden vertoefd, ging zijn vader naar Montagu als bank-bestierder. Door krankheid werd hij later genoodzaakt zijn betrekking neer te leggen en toen ging hij met zijn familie te Ladismith wonen.
Daar ging het niet beter, de krankheid nam toe en spoedig was het gezin in armoede gedompeld. Nu sprong de vijftienjarige Christiaan in de bres.
Naar school was hij alleen maar voor drie maanden gegaan; maar zijn vader en moeder die allebei 'n zeer goede opvoeding hadden genoten, hadden alles in hun vermogen gedaan om zijn verstand te ontwikkelen, en hun zoon had van hun lessen goed gebruik gemaakt. Veel had hij ook te danken aan Ds. D. van Velden, die hem boeken gaf om te lezen en die ze dan met hem besprak.
Op 26 Maart 1871, begon de knaap zijn werk. Een vriend van de familie nam hem in huis als onderwijzer voor zijn kinderen. Hier kreeg hij £ 1 per maand. Treffend is het hoe hij, toen hij zijn eerste pond ontving, aan Meneer de Wet vroeg hem dat toch in zilver te geven, hij wou voelen dat hij iets verdiend had; en hoe trots legde hij die 20 shillings in zijn moeder's schoot. Op de plaats kreeg hij ook iedere morgen en iedere middag bij de koffie een beschuitje. Hij zelf at die beschuitjes nooit, maar hij gaarde ze op en nam ze aan het eind van iedere maand naar huis voor de kleinere broertjes en zusjes.
Bij grote vastberadenheid van karakter was hij tevens uiterst grootmoedig--onzelfzuchtig--onbaatzuchtig en weekhartig. Nooit klopte een behoeftige of verdrukte tevergeefs bij hem aan.
Intussen studeerde hij vlijtig totdat hij het onderwijzers-certifikaat van de Kaap Kolonie verkreeg. Nu ging hij naar de Vrijstaat als onderwijzer op de plaats Abrahamsfontein, Philippolis.
Later werd hij aangesteld als onderwijzer aan het Grey College, waar hij bleef tot 1881, toen hij zich op de rechten begon toe te leggen.
Hij vestigde zich te Fauresmith en genoot een van de grootste praktijken in de O. V. S.--één hoofdkantoor en 7 takken.
In 1885 huwde hij met Johanna J. Lubbe van Philippolis en na haar dood in 1888 met Maria N. Lubbe. Uit het eerste huwelik had hij één zoon, H. P. van der Post, en uit het tweede zes zoons en acht dochters, waarvan twee overleden zijn.
In 1887 werd hij gekozen tot lid van de Volksraad en hij bleef zulks totdat de oorlog uitbrak. Voor 'n tijd was hij ook voorzitter van de Volksraad van de O. V. S.
Hij was ook Consul der Nederlanden en consulaire agent voor Frankrijk. Maar toen de oorlog uitbrak bedankte hij voor het Consulschap en werd hij Kommandant voor de delen van de Vrijstaat zuid en oost van Bloemfontein.
Toen de vijand Fauresmith innam, weigerde hij zich over te geven en vluchtte hij, vergezeld van één man, Hendrik Lubbe, de bergen in. Hij trachtte weer een kommando bij elkaar te krijgen, en kwam eindelik met 17 man in de Transvaal aan, waar hij tot Kommandant van Barberton benoemd werd. Hier werd hij op 13 September door Generaal French gevangen genomen.
Het werd hem toegestaan op »parool" naar de K. K. te gaan. Een tijdlang bleef hij te Ladismith en Laingsburg, vanwaar hij met zijn familie naar Stellenbosch ging.
Daar woonde hij 5 jaar lang voordat het hem in 1906 toegelaten werd naar de Vrijstaat terug te keren, zonder de Eed van Getrouwheid af te leggen. Hij ging echter niet naar Fauresmith terug, maar vestigde zich te Philippolis.
Van af 1907 tot 1910 vertegenwoordigde hij Philippolis in het Parlement van de O. R. K. Maar na de Unie trok hij zich terug uit de politiek en weidde hij zijn aandacht groteliks aan zijn tuin op het dorp en aan zijn plaats, Wolvenkop.
Na een kort ziekbed overleed hij op 20 Augustus 1914 te Philippolis.
Hij schreef »Piet Uys" en »Ingnas Prinsloo" alsmede vele korte stukken en gedichten; ook vertaalde hij veel uit het engels, vooral van Tennyson en Longfellow.
ANNA VAN DER POST.
Philippolis, 30 Sept. 1915.
VOORWOORD.
(_Voor de eerste druk_).
Het boekje, dat ik hiermede het Hollands lezend Publiek aanbied, handelt over een tijdvak in de Geschiedenis van Zuid-Afrika, dat ten volle onderzoek en beschrijving waard is. Immers, in die dagen werd door de wakkere Voortrekkers het zaad gezaaid, waaruit, eenmaal ontkiemd, de Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaansche Republiek zijn ontsproten; en het is te betreuren, dat veel dat in die dagen is gebeurd, voor het nageslacht verloren zal gaan, en nimmer zal worden geboekstaafd, tenzij er meer werk wordt gemaakt om hun bevindingen te vernemen en op te tekenen, uit de mond van die weinigen, die nog leven van degenen, die aan de gebeurtenissen van die dagen deel hebben genomen.
Ik wens de indruk niet te laten, dat mijn boekje in alle opzichten histories korrekt is; de aard van het werk bracht het mede, dat ik mij zekere vrijheden moest veroorloven; maar toch, in hoofdzaak is mijn verhaal histories, en op de geschiedenis van Zuid-Afrika gegrond. Veel is er door mij neergeschreven, zoals door mij vernomen van de lippen van personen, die in die bloedige dagen van de Grote Trek in Natal geleden en gestreden hebben. Zelfs heb ik niet nagelaten inlichtingen in te winnen bij sommige Zulu's, die maar al te goede reden hebben om de dagen van Dingaan nimmer te vergeten. Ook heb ik de vrijheid genomen hier en daar te putten uit »De Worstelstrijd der Transvalers" van Ds. F. Lion Cachet, »Geschiedenis van Zuid-Afrika" van de Heer John Noble, en »The History of the Battles and Adventures in Southern Africa" van de Heer D. C. F. Moodie.
Op politiek gebied wens ik mij niet te begeven, maar toch kan ik de verzoeking niet weerstaan, de Jongelingschap van Zuid-Afrika toe te roepen: Ge hebt recht, trots te zijn op uw voorgeslacht. Ge behoeft u voor uw geschiedenis niet te schamen. In u ligt de kern van een groot en edel volk. Ge bezit al de bestanddelen, waaruit een natie kan worden geboren. Bouw voort op de fondamenten door een waardig voorgeslacht gelegd, en maak u dat voorgeslacht waardig. Moge het voorbeeld van Piet Uijs, de nederige, eerlike en moedige Christen en krijgsman; van Dirk Uijs, de vaderlievende knaap, die het sterven aan de zijde zijns vaders boven het leven verkoos, en wiens heldemoed verdient voor eeuwig in de herinnering van Zuid-Afrika's zonen te blijven voortleven; van zo menig edel hart in mijn werkje genoemd, u zovele spoorslagen zijn, om te streven naar alles dat goed, schoon en edel is. En vooral: Laat u niet her- en derwaarts leiden, maar streef naar zelfstandig denken, overwegen en handelen. Streef om de woorden van de Amerikaanse dichter Longfellow voor u zelf in toepassing te brengen, en wandel op de levensweg. »Het hart van binnen en God omhoog." Doe, en doe eerlik naar het best van uw vermogen, wat uw hand te doen vindt; wellicht dat dan het heilig, rein en zuiverend licht, dat aan het Eeuwig Licht ontstraalt, op u zal afdalen, en gij zonder het te zoeken, het u zelf onbewust, zult worden een levend, wandelend protest tegen al wat laag, gemeen, onedel en onmannelik is.
Indien ik, in welke geringe mate ook, daartoe heb kunnen bijdragen door het schrijven van dit boekje, zal het mij genoegen doen, te kunnen denken, dat ik een plicht vervuld heb, tegenover Zuid-Afrika, het Vaderland mijner kinderen, mijn aangenomen Vaderland, dat mij dierbaar is.
C. W. H. VAN DER POST.
Fauresmith, Oranje Vrijstaat, 16 Februarie 1897.
I.
Het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit.
Men schrijft 25 Februarie 1838. 't Is een koele nacht geweest. De nachtdampen uit de door overvloedige regen doorweekte bodem gestegen, opwaarts gedreven door een zacht windje, dat uit het Oosten komt, hebben het Quathlamba gebergte, dat zich trots ten Westen verheft, omsluierd, en de indrukwekkende rotsgevaarten zijn als met het blanke kleed van de onschuld omtooid. In het Zuid-Westen verheft zich de 12000 voet hoge top van de Mont-aux-Sources, hartader van enige der grootste rivieren van Zuid-Afrika, die in hem ontstaan, oorspronkelik door hem worden gevoed; en de zon werpt zijn eerste stralen op de kruin van de berg, alsof Natuur zijn voorhoofd met gouden kransen wilde kronen. In dit gedeelte van het Zuidelike punt van het Donkere Werelddeel wijkt het nachtelik donker met de dageraad terug voor het licht van de Dagvorstin. Jaren zullen nog verlopen, stromen bloeds vergoten, hete tranen geschreid, nameloos lijden en ontbering verduurd, edele blijken van moed, volharding en zelfopoffering worden geleverd, eer de nachtelike nevelen van Onkunde, Heidendom en Barbarisme verdreven zullen worden door de stralen van de Zon der Gerechtigdheid Gods, plaats zullen inruimen, bij het hoorngeschal van de dagheraut der beschaving, voor instellingen gegrondvest op rechtvaardigheid, gerechtigheid en recht.
Op een kleine verhevenheid, in een vruchtbare, met weelderig wuivend, hier en daar door trekkend vee platgetrapt gras overdekte vallei, aan de helling van het gebergte is een lager. Laten wij dat nader beschouwen.
Omtrent een honderdtal ossewagens zijn in een kring getrokken, zodanig dat de disselboom van de ene wagen onder de buikplank van de andere insteekt. Alle openingen tussen en onder de wagens zijn opgevuld met staketsels van takken van doorn- en stekelbossen, en hier en daar met wallen van graszoden. Ten Noord-Oosten van het lager, aan de voet van de verhevenheid waarop het rust, vloeit een kristalheldere beek, die van het gebergte gedaald, zich voortspoedt z'n wateren te storten in de Klerkspruit, een tak van de Wilgerivier, die zich oplost in de Vaalrivier. Op een punt, waar het water van deze beek de verhevenheid raakt, bevindt zich een opening in de dicht aaneengesloten wagenkring, op geringe afstand van die kring gedekt door een stevige wal van graszoden, omtrent vijf voet hoog. Hier is de lagerpoort, die in- en uitgang verschaft aan de lagerbewoners en hun vee. Met regelmatige pas, niet zozeer omdat zulks door de lagertucht vereist wordt, dan wel om het kille gevoel te verdrijven, dat in hem gedurende de koude nacht ontstaan is, loopt de poortschildwacht op en neder, het oog af en toe richtende naar de overzijde van de vallei, van waar hij ieder ogenblik de terugkomst van de brandwacht verbeidt, die als voorpost, gedurende de nacht, voor de veiligheid van het lager mede gewaakt heeft.
Hij is een fors gebouwd man, onze schildwacht, zeker niet ouder dan dertig jaar. Het is hem aan te zien dat hij voor geen klein geruchtje vervaard is. Zijn hoofd is gedekt door een breedgerande vilten hoed, waarop enige prachtige struisvogelpluimen door het morgenwindje heen en weder gewuifd worden. Zijn regelmatige, krachtig getekende gelaatstrekken, gebronsd door koude en hitte, wind en weder, gedurende zijn omzwervingen door de vlakten van dit Zuid-Afrikaans hoogland, zijn omlijst door een korte, zware, blonde baard. Grote, donkerblauwe, heldere ogen fonkelen nu en dan van onder de brede hoederand, als hij de blik slaat in de richting, vanwaar de brandwacht terugkeren moet. Een kort, grijs duffels jasje of baadje, zeker ter beschutting tegen de koude, tot aan de hals over de brede borst dichtgeknoopt, dekt zijn bovenlijf; en een ruime klapbroek van gelooid en daarna bereid leder, gemeenzaam onder de naam van velbroek bekend, met eigengemaakte schoenen van grof gelooid leder, veldschoenen genoemd, die tans door de dauw zijn doorweekt, voltooien zijn kleding. Aan de lederen bandelier, die hem omgordt, en welks kogeltas wel gevuld is, hangt zijn kruithoorn, met koperen ringen en ivoor ingelegd en versierd, benevens een tasje vol van kleine linnen zakjes met lopers gevuld, krachtig doeltreffend verdedigingsmiddel bij het stormlopen, of bij aanval door een overweldigende vijand; en in een lederen schede het korte, scherpe dolkmes met houten heft, bekend als Hernhutter mes, nuttig bij het afslachten en uiteensnijden van gedood wild of geslacht vee, bruikbaar als tafelmes bij de eenvoudige maaltijd, onmisbaar somtijds als wapen, wanneer de nood aan de man komt en het geweer is leeg geschoten. Op zijn linkerschouder draagt hij de zware baviaansbout, het pangeweer van welks dappere en degelike hantering de voortrekkers zovele blijken hebben gegeven en uit de klippijp, met lange houten en hoornen steel, die hij tussen de lippen houdt, doet hij, schoon het nog zo vroeg in de morgen is, gestadig de rookwolkjes opstijgen.
Onze schildwacht,--wij behoren hem de lezer voor te stellen, Louis Nel is zijn naam, en wij zullen hem in de loop van dit verhaal meermalen ontmoeten,--is onderwijl blijkbaar onrustig en ongeduldig geworden, want hij mompelt herhaaldelik in zichzelf: »Waar blijft de brandwacht? Ik hoop maar, dat ze geen ongeluk gekregen hebben," en intussen blijft hij met versnelde tred, waaruit duidelik gemoedsaandoening is af te leiden, voor de lagerpoort heen en weer stappen.
In het midden van het lager is een tweede afschutting of omheining van palen, takkebossen en graszoden gevormd, een tamelik brede ruimte latende tussen deze en de wagenverschansing. Dit is de kraal, waar des nachts het vee wordt ingesloten, en beveiligd is tegen de lagen van de roofzuchtige inboorlingen, zowel als tegen de aanvallen van de leeuw, hier niet de Koning der wouden, want wouden zijn er niet, maar de Grootvorst der vlakten, wiens donderend gebrul nacht aan nacht tot in het lager doordringt, en van de jakhalzen, wolven, hyena's en wilde honden, wier klagend geblaf en gehuil dikwerf als een wantonig koor op de krachtige monotoon van de leeuw wordt vernomen. In de voormelde open ruimte binnen het lager zijn verscheiden veldtenten opgeslagen, en is hier en daar een kookscherm te zien, van zoden gebouwd, zonder dak, en slechts bedoeld om de wind en het door hem medegedragen stof enigermate af te keren.
De zon is tans boven de kimmen gerezen, en nauweliks hebben z'n eerste stralen de witte wagenkappen en tenten verguld, of het geluid van stemmen doet zich overal in het lager horen. Een rookzuil stijgt op uit een kookscherm, langs een der grootste tenten, dicht bij de lagerpoort, en weldra ziet men overal in het lager rookwolkjes oprijzen. In het genoemde kookscherm heeft een reeds bejaarde kleurling vuur aangelegd, de ijzeren waterketel boven het vuur gehangen, en wacht nu, terwijl hij zijn koude handen bij de vlam koestert, tot het water kookt om koffie te zetten. Het is die kleurling aan te zien dat hij geen Kaffer, Koranna of Bosjesman is. Schoon donker, bijna geheel zwart van tint, toont de vorm zijner trekken, zowel als zijn lang, slank haar dat hij een Malabaar is, een der aan hun meesters verknochte slaven, die van de hun geschonken vrijheid geen ander gebruik maakten, dan om hun meesters vrijwillig te vergezellen, toen dezen de tocht naar de binnenlanden ondernamen, om zelf vrij te zijn van de Britse Regering, die huns inziens, hun menig onrecht had aangedaan, het minste waarvan niet was de wijze waarop door deze Regering uitvoering was gegeven aan de vrijverklaring der slaven.
Onze schildwacht gaat nog steeds voort met zijn eentonige wandeling; alleen schijnt zijn ongerustheid sterk te zijn aangegroeid. Zoëven heeft hij tot zichzelf uitgeroepen: »Het lijkt me, dat er iets verkeerd is. Als de brandwacht nog vijf minuten wegblijft, ga ik de Kommandant roepen."
»Morgen, Baas Louis!" klonk het op eens uit het kookscherm. »Baas heeft het zeker van nacht hot-achter gehad met die kou."
»Morgen Galant! Dat kan jij geloven, mijn voeten zijn nat van de dauw, en het smaakt me, of mijn baard en haren ook vol water zitten. Als jou koffie klaar is, kan jij me gerust een koppie vol inschenken en brengen. Dat zal mijn lijf goed doen. Ik zal aan jou Baas vertellen, dat je mij op mijn verzoek met koffie geholpen hebt."
»Dat is goed, Baas Louis! de ketel zingt al. Het zal net nou koken, en dan zal ik Baas 'n beetje koffie geven: maar het is voor niet om met mijn Baas daarover te gaan praten: Baas weet mos goed, dat Baas Piet maar te blij zal zijn, om jou te plezieren."
»Ja! Ik weet dit, Galant! Maar ik wens dat Oom Piet wou opstaan en uitkomen, anders zal ik hem moeten gaan roepen. De zon is al heeltemaal op, en de brandwacht is nog niet in. Die ding lijkt mij niet pluis."
Terwijl dit gesprek plaats vond, was het gordijn, dat de ingang van de tent dekte, terzijde geschoven en een knaap van ongeveer veertienjarige leeftijd naar buiten getreden. Hij was blootshoofd en ongeschoeid. Het scheen, als had hij zich de tijd niet gegund zich geheel te kleden, maar als ware hij, verlangend de beperkte atmosfeer van de tent te ontvlieden en de frisse morgenlucht in te ademen, gedeeltelik gekleed naar buiten onder de vrije hemel gesneld. Hij was een kloeke knaap. Slank, maar veerkrachtig gebouwd, lag er een waas van fierheid over zijn trekken, dat iets manneliks aan zijn voorkomen gaf. Zijn breed gewelfd voorhoofd, bedekt met blonde verwarde lokken, die in de glans van de morgenzon hem als met een aureool kroonden, verried geest- en denkvermogen; terwijl uit de vrolike oogopslag, de glimlach die om zijn lippen speelde, te lezen was, dat de kinderziel nog in hem heerste, schoon hij de overgang tot het manzijn reeds was genaakt, en daartoe geroepen, zou tonen dat hij zich manlik kon gedragen. Trouwens, in menig gevaarlik ogenblik had hij reeds bewezen, dat geen laf hart hem in de borst klopte. Zijn onverschrokkenheid had dikwels reeds de bewondering zijner landgenoten opgewekt, terwijl zijn vriendelike, vrolike inborst hem de toegenegenheid en liefde van allen had verworven.
Hij bleef een ogenblik staan, de blik gevestigd op het heerlik toneel van het met morgenwolken half omsluierd Quathlamba gebergte, en begaf zich toen naar het kookscherm, met de uitroep: »Hoe is 't, Galant? Kan 'n mens al koffie krijgen? Morgen outa!"
»Morgen kleinbaas! De ketel kookt net nou. Als Baas Dirkie zo'n klein beetje wacht, zal ik inschenken, en de oubaas en de ounooi z'n koffie ook brengen. Baas Louis heeft ook al aan me om koffie gevraagd. Het lijkt me, hij is net koud van morgen."
De knaap sloeg zijn ogen op de schildwacht, en zei tot Galant: »Toe, outa! maak gauw gauw. Ik zal oom Louis de koffie brengen."
Galant had weldra de koffie gezet en in de eenvoudige kommen geschonken. De knaap nam een kom voor zich zelf en een voor de schildwacht, tot wie hij zich toen dadelik begaf.
Na het wisselen van de morgengroet, en na zijn lippen aan de stomende kom te hebben gebracht, zei de schildwacht: »Dirk! Ik ben net blij dat je kom. Is oom Piet al wakker?"
»Ja, oom Louis! Pa trekt nog aan. Maar wat mankeer? Het lijkt me of er met oom iets verkeerd is."
»Ja, Dirkie! Ik begin heeltemaal ongerust te voelen. Jij moet weten, de brandwacht is nog niet in, en de zon klimt. In ben amper zeker, dat hun iets overkomen is. Ik wil niet graag voor niets alarm in het lager maken, maar ik meen daarom, dat ik oom Piet in kennis moet stellen."
Dirk zette zijn kom koffie dadelik op de grond neer en zag de schildwacht met grote ogen aan, terwijl hij zei: »Oom! Ik ben maar een kind, maar in oom zijn plek, zou ik Pa al lang geroepen hebben. Dit kan een gevaarlike zaak wezen. Ik zal Pa dadelik gaan halen." En zich omkerende, liep hij met spoed naar de tent, bijna Galant, die juist uit de tent kwam, omverlopende, uitroepende: »Pa! Pa! Als Pa klaar is, kom toch even buiten! De poortwacht wil Pa zien."