Piepkuikentje

Part 9

Chapter 94,312 wordsPublic domain

Sie trennten sich endlich und sahn sich Nur noch zuweilen im Traum; Sie waren schon längst gestorben Und wuszten es selber kaum.

Bij mezelf herhaalde ik deze regels en lag nog lang in 't donker te staren, terwijl moeder naast me al rustig sliep.

* * * * *

Ze zijn er, Eef en Herman en kleine Eefje!

Al 'n heele week!

We zijn weer aan elkaar gewend en kunnen nu rustig van elkanders bijzijn genieten. O, die heerlijke avonden, als alle zusters en zwagers mee in den kring om den haard zitten; moeder tusschen Eef en Herman in!

Dan praten we over „den goeden ouden tijd” en over vader, dien we zóó missen. Wat zouden we er niet voor geven als hij dit nog beleefd had....

Maar ondanks die ééne ledige plaats is er groote blijdschap om den terugkeer van „onze Indianen” zooals Flip zegt.

Nooit zal ik vergeten dat oogenblik van aankomst!

Alleen Max ging hen van den trein halen, die 's avonds tegen negenen uit Parijs hier aankwam.

Moeder was zichzelf niet van zenuwachtigheid en draafde met Floor en Bé maar af en aan om de tafel in de huiskamer, waar 'n souper was klaargezet, waaraan op 't laatste oogenblik nog van alles bleek te ontbreken. Flip en Aad stonden den wijn te ontkurken en ik gilde net uit de keuken:

„O, de pasteitjes zullen verbranden. Help toch!” toen we wielen over 't grint hoorden aanratelen en na 'n harden belruk Eef, voordat 't rijtuig nog goed en wel stilstond, de gang instormde en snikkend moeder om den hals viel.

Herman met 't slapende kindje op den arm volgde, en niet voor 't kleintje wakker werd en begon te huilen, kwamen we eenigszins tot ons zelf.

De schok van 't weerzien greep ons bijna net zoo hevig aan, als 't oogenblik van afscheid; maar 't afscheid was 't begin van 'n groot verdriet, en 't weerzien 'n vreugde, zóó groot, als we zonder vader maar bij mogelijkheid voelen konden.

„Ik kan niet zeggen hoe zalig 't is om weer thuis te zijn! Ik kán 't niet op!” riep Eef maar, nu den een dan den ander omhelzend, terwijl moeder Eefje op schoot hield, en Herman de kamers rondliep en er zich over verheugde, dat alles er nog bijna eender uitzag als in den tijd van hun verloving.

„Vrouwtje, kijk toch 's, daar staat warempel op 't buffet dat groene gemberpotje met van diezelfde gele chrysanthen er in, als op den middag dat ik je officieel kwam vragen!”

„Ja! O, ik zie 't je nog omgooien in je agitatie toen ik binnenkwam! Al 't water liep in je manchet,” lachte Eef en toen tot ons: „hebben jullie 't daar expres neergezet of is 't toeval?”

„Nee, geen toeval. Ik deed 't,” glimlachte moeder, „en bij deze doe ik 't jullie cadeau. Ik had niet gedacht, dat je 't zóó gauw zoudt opmerken, maar dat jullie er zwak op zoudt hebben, dát wist ik wel.”

Eef en Herman aanvaardden het dankbaar en 't bewuste gemberpotje prijkt nu op Herman's kamer en krijgt natuurlijk 'n eereplaats in hun Amsterdamsche huisje.

Herman ziet er tamelijk gezond uit en beweert door de zeereis heelemaal te zijn opgeknapt. De dokter zegt dan ook, dat hij van z'n malaria zoo goed als genezen is en wel gauw zal zijn aangesterkt.

Eef is 't meest veranderd. Haar frissche wangen zijn bleek en mager geworden; ook is ze stiller dan vroeger, maar af en toe komt de oude Eef toch weer boven! Dan schitteren haar oogen van plaaglust en verkondigt ze de malste dingen.

„En wat zeggen jullie nou van m'n botergele dochter; zij kan niet helpen, dat ze geen roze wangetjes heeft, zooals Hollandsche kindertjes, maar heeft ze geen lief snoetje? Ze is wat minnetjes hè, voor 'r tien maandjes, maar dat zal wel bijkomen hier. Vooruit, ga maar naar oom Flip,” en dan wordt Eefje aan Flip overgedaan, die veel doodelijker is van dit kleine, bleeke kindje, dan hij ooit van een van Floors kinderen was. Telkens haalt hij 't stilletjes uit de wieg, tot verontwaardiging van groote Eef.

't Is ook 'n dotje ondanks haar „botergele” gezichtje. Ze heeft groote, bruine oogen, net als haar vader, en zacht, goudblond haar, dat aan de tipjes, gaat krullen en zoo aandoenlijk zoet is ze! Ze huilt bijna niet en is in 't geheel niet verlegen voor al die vreemde menschen, die haar komen bekijken.

Gelukkig beginnen de bezoeken nu 'n beetje te luwen. De bel stond niet stil de eerste dagen.

„Wat 'n gedoe voor zulke eenvoudige zielen als wij,” zei Herman hoofdschuddend na dien eersten visite-dag, maar hij vond 't toch wel aardig net als Eef.

Hij heeft zelf bijna geen familie hier in Holland. Zijn ouders zijn al jaren dood en van zijn twee broers is er een in Transvaal en de ander in Amerika. 't Gezellige van 'n grooten familiekring heeft hij eigenlijk nooit gekend, dus stelt hij 't zijn hier in huis zeer op prijs, en hoewel hij ons maar enkele maanden gekend heeft vóór z'n vertrek naar Indië, voelen we ons allen even goed met hem op dreef.

De kinderen van Floor zijn dol op „oom Her,” die zoo leuk vertellen kan. Ze zijn niet van hem af te slaan, nu hij 'n poppenhuis voor hen getimmerd heeft, dat zóó groot is, dat ze er alle drie tegelijk mee spelen kunnen!

Eefje is met gejuich in hun kringetje opgenomen en Liesje moedert zóó handig over 't kleine ding, als 't zoet tusschen hen in op den grond zit te spelen, dat Eef beweert heusch geen kindermeid noodig te hebben, als Liesje er bij is.

„Als ik in Amsterdam op orde ben, moet je maar bij tante Eef komen logeeren. Dan gaan we samen naar Artis. Wil je dat wel,” vroeg Eef haar eens, maar Liesje ontweek heel handig:

„'k Zal nog 's zien. Zie je, ik denk niet, dat Paats en Moekie goed zullen vinden, dat ik niet na' de les ga, want dat kan dan tuurlijk niet en dan komen de andere kinderen me vóór,” en toen keek ze met 'n schuin oogje naar haar moeder.

Eefje is heel lief, maar om Paats en Moekie in den steek te laten, daar heeft Liesje geen lust in!

Bobbie, goedzak als hij is, komt met al z'n speelgoed aangesjouwd en zelfs den olifant-op-wieltjes zou hij aan Eefje afstaan.

Laatst had hij in 'n kleverig papiertje twee flikjes bewaard, die hij Eef kwam overhandigen met de boodschap: „Voor Eefje as ze zoet geslaapt heeft!”

Loekie vond 't eerst niet goed; dat er zooveel notitie van Eefje genomen werd, en als ze eens huilde, zette hij van den weeromstuit ook 'n keel op.

Nu is hij er overheen; alleen komt hij af en toe naar de groote menschen gedribbeld om met 'n smeekend stemmetje te vragen: „Loetie is toch oot wel lief?”

En als hij dan even aangehaald wordt, is hij tevreden.

Eef en Herman zijn druk bezig aankoopen voor hun huishoudentje te doen en al 'n paar maal op en neer naar Amsterdam geweest, waar Herman telkens zijn moet met 't oog op z'n nieuwe betrekking.

't Is maar goed, dat monsieur Durand tot vijf Januari vacantie houdt, want kleine Eef neemt vooral door dit reizen en trekken zóóveel van m'n tijd in beslag, dat ik tot werken niet veel gelegenheid zou hebben, als m'n lessen geregeld doorgingen en dan zou ik er nu m'n hoofd in 't geheel niet bij kunnen houden, want.... Huib is terug! Gisteren avond kwam hij thuis en ik heb hem vanmorgen gezien en gesproken, al was 't maar heel even!

Ik liep in den tuin, met Eefje goed ingepakt op m'n arm. Er scheen net 'n bleek zonnetje en ik had er zoo'n voorgevoel van, dat Huib me wel zien zou, als ik er op en neer liep. Ik deed 't dus eigenlijk met opzet, maar toch schrikte ik, toen ik hem voor 't raam van z'n kamer zag staan en hij tegen me begon te wuiven.

Ik wuifde, zoo goed en zoo kwaad als 't ging terug met 'n slip van den wollen doek, waarin Eefje gepakt zat, en toen schoof hij 't raam op en riep:

„Bonjour, Lizzy, hoe gaat 't? Wacht even, dan kom ik beneden! Dan maken we vast 'n praatje over 't hekje.”

„Goed, dan kan je meteen Eefs kind bewonderen,” riep ik terug, en in minder dan geen tijd stonden we van aangezicht tot aangezicht en had de kennismaking plaats tusschen Huib en Eefje, die vriendelijk tegen hem kraaide en 'n handje gaf, één van haar laatste kunstjes.

„'t Beviel je daarginds uitstekend hè, tenminste zoo naar je brieven te oordeelen,” zei ik, Eefje op m'n anderen arm overnemend.

„O ja; Hamburg is 'n pracht-stad en ik heb er enkele goeie vrienden gemaakt, maar toch ben ik liever thuis op den duur. Zeg, je ziet er welvarend uit, hoor! Ik kan heusch niet aan je zien, dat je zoo ziek geweest bent! Ben je nu héélemaal weer beter?”

't Klonk zoo bezorgd en hij zag me aan op 'n manier, die m'n hart deed bonsen en 't bloed naar m'n wangen joeg.

„Zóó ziek ben 'k niet geweest. 't Was alleen wat bloedarmoede en overspanning. 'k Ben al lang weer in m'n gewone doen,” zei ik, me zooveel mogelijk achter Eefje verschuilend.

„Arm kind. Jullie hebt ook zoo'n zware tijd gehad. Heerlijk, dat je zwager en zuster weer hier zijn en dit kleine, wijze diertje! Toe, geef 'r eens hier, of gaat ze dan huilen?”

„'k Denk 't niet. Ze is nogal veel in vreemde handen. Een, twee, drie, daar gaat ze! Zoo, hou die wollen doek goed om haar heen, anders krijgt ze 't koud,” en Huib nam Eefje handig van me over.

Ze vond 't blijkbaar 'n heerlijk grapje, want ze gierde 't uit van pret.

Daar gingen de serre-deuren open, en Eef met haar oude onstuimigheid kwam naar buiten en verstoorde ons tête à tête.

„Zeg, Huib, wil jij wel 's van m'n dochter afblijven,” riep ze lachend.

„O, pardon, mevrouw Roelofs. Hoe gaat 't u?” zei Huib ineens plechtig, en z'n gezicht werd purper. Onbeholpen als 'n verlegen schooljongen, stond hij daar met Eefje in z'n armen. Ik zag hem nog nooit zóó verlegen.

Eef en ik schaterden 't uit.

„Huib, Huib, dat is te gek! Mevrouw Roelofs! Noem me alsjeblieft onmiddellijk weer Eef, net als vroeger, of vind-je dat ik er te oud uitzie? We verschillen anders als 'k me goed herinner maar één jaartje!”

„Dat weet ik wel. Je bent nog precies dezelfde en ik wil heel graag weer Eef zeggen. Mag ik je 's gauw 'n deftige visite komen maken?”

„Dat mag je, als je me nu gauw m'n kind teruggeeft.”

„Nee, dat gaat eerst mee naar m'n moeder, dan breng ik 'r straks netjes door de voordeur weer binnen, of heb je werkelijk liever niet, dat ik 'r even meeneem?”

„Wel, ga je gang maar. Ze vindt 't heel geschikt bij jou,” en Huib holde met 't kind, dat 't uitschaterde van pret, 't huis in, om 't na verloop van enkele minuten zorgvuldig ingebakerd terug te brengen.

Eef, totaal onbewust van 't teere punt, dat ze aanroerde, was erg uit over Huib.

„'t Is zoo'n mán geworden, en wat heeft hij 'n prettig gezicht en wat beweegt hij zich goed! Leuk trio die drie lange, blonde jongens, maar Huib vind 'k toch 't sympathiekst,” zei ze, Eefje die slaperig werd in de wieg leggend.

Moeder en ik wisselen 'n snellen blik van verstandhouding en lachten tegen elkaar......

[decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK IX.

„Lizzy, Lizzy, waar blijf je toch! We wachten al een uur op je,” klinkt gedempt Eefs stem onder aan de trap.

„'k Ben er al,” roep ik terug, met 'n zwaai 'n bonten cape-je werpend over m'n nieuwe zwarte japon, die ik vanmiddag ter eere van 't kerstmaal bij onze buren, voor 't eerst draag. 'n Muts heb ik al op; in 'n oogwenk is 't licht uit en ren ik de trappen af.

„Stil, stil, denk aan 't kind. Ze slaapt net,” waarschuwt Eef, want 't kleintje, hoewel meegevraagd, blijft onder de hoede van ons tweede meisje thuis, dan zal Eef 't na afloop van 't diner zelf even komen uitkleeden en naar bed brengen. Dat is voor alle partijen gemakkelijker en rustiger.

Moeder en Herman staan al in de open voordeur.

„Wat ben je weer op je teut! We wisten niet waar je bleef,” zegt Flip, terwijl we achter elkaar 't huis verlaten en 't hekje bij de van Slootens doorgaan.

„M'n haar wou niet goed zitten, en toen heb ik 't nog 's overgedaan,” zeg ik, voelend, dat ik toch iets tot m'n verdediging moet aanvoeren, want ik heb geruimen tijd boven doorgebracht, al kon ik ditmaal aan m'n toilet al heel weinig tijd en zorg besteden.

Voor niets ter wereld zou ik willen bekennen wat de werkelijke reden van m'n laat-zijn is! Zelfs moeder zou me uitlachen, en eigenlijk begrijp ik zelf niet, hoe ik zoo dwaas kwam, maar voor ik me ging aankleeden scharrelde ik in m'n linnenkastje, waar ik uit m'n oude handschoenendoos 'n ceintuurspeld wou opdiepen, die ik noodig had en dadelijk vond. In diezelfde doos tusschen allerlei reliquieën lag echter ook 't kleine zilveren ringetje, dat ik vroeger van Huib kreeg en ik kon ineens de verzoeking niet weerstaan 't even aan te doen. 't Paste net aan m'n pink; 't ging zelfs nogal stroef, maar ik schoof 't er toch aan en toen wilde 't er niet meer af......

'k Was wanhopig. Ik kon dat kinderringetje toch niet aanhouden! Als 't opviel—en daar was aan 'n diner heel veel kans op—zou ik me doodschamen, want natuurlijk zouden ze 't herkennen. Ik droeg 't vroeger altijd; heb zelfs nooit 'n anderen ring bezeten. Ik schold mezelf uit voor eend en ezel, rukte en trok tot m'n pink vuurrood zag, hield m'n hand in de hoogte om m'n vinger dunner te krijgen, maar niets baatte en in vertwijfeling greep ik toen naar de nagelschaar en knipte 't door......

't Ging me aan 't hart van „le cher anneau d'argent,” maar 't was 't eenige wat er op zat. De tijd drong bovendien. 't Is heusch 'n wonder, dat ik zoo gauw klaar was met m'n toilet! Geteut heb ik allerminst! Ik gloei van 't jachten en ben nog half buiten adem van den doorgestanen schrik en die zonderlinge emotie, als we bij de van Slootens op de stoep staan.

Herman belt en Flip neuriet van:

„Vol verwachting klopt ons hart,” geheel onbewust van 't zeer toepasselijke van dit meer dan afgezaagde Sinterklaaslied, tenminste wat _mijn hart_ betreft!

Moeder geeft me ongemerkt 'n hartelijk kneepje in m'n arm. Zij is de eenige, die vermoedt wat er in mij omgaat, maar ik houd me taai en knik haar even gerustellend toe, terwijl we in de vestibule ons goed afdoen.

Láf vind ik mezelf, om op te zien tegen dit kerstdiner, waarnaar ik zóó verlangd heb.

Toch tril ik 'n beetje, als we in den salon gelaten worden, waar de gastheer en gastvrouw met hun drie zoons bijeen zijn om den helder opvlammenden haard, waarin groote houtblokken knetteren.

Hartelijk worden we begroet.

In Huibs blauwe oogen flitst even iets. Ik sla de mijne neer, terwijl ik hem 'n hand geef, begin dan gauw 'n gesprek met Leo, die naar Eefje vraagt.

We zijn nog niet uitgepraat, als de schuifdeuren geopend worden en we naar tafel gaan.

Meneer van Slooten met moeder, Herman met mevrouw, Huib.... met Eef en ik met Leo. Flip en Bernard ook gearmd, besluiten den optocht.

De ronde tafel, waaraan ik al menig klein dinertje heb meegemaakt—als er veel menschen zijn, staat er 'n lange smalle—prijkt met 'n aardige en smaakvolle versiering van hulst en mistletoe, waartusschen kaarsen branden in mooie ouderwetsche kandelaars van gedreven zilver en verder in de kamer op 't buffet, den schoorsteen, en boven de lijsten der schilderijen glanzen de vroolijke roode hulstbessen en de bescheiden witte van de mistletoe, die ik bijna nog mooier vind. 't Is 'n feestelijke aanblik.

„Net 'n Engelsch kerstplaatje,” zegt Herman, terwijl we gaan zitten.

„Waarom Engelsch? Net zoo goed Hollandsch!” roept Eef.

„Weet je nog wel, 'n jaar of drie geleden, toen je hier een van de kerstdagen voor 't eerst kwam met je aanstaanden man?” vraagt mevrouw haar.

„Nou, of ze het nog weten,” en meneer van Slooten wijst veelbeteekenend naar 'n hoekje bij den schoorsteen, „daar under the mistletoe, hé! Voor jonge menschen is kerstmis eigenlijk net zoo geschikt als de wunderschöne Monat Mai. Dat heb ik tóen gemerkt,” plaagt hij, en Eef en Herman zien elkaar lachend aan.

Ik verbeeld me, dat Huib, die naast me zit, kleurt, maar heel zeker weet ik 't niet. Ik kan hem alleen van terzijde zien en durf hem niet goed waarnemen, hoewel m'n eigen wangen al zóó gloeien, dat ik niet bij machte ben er nog 'n kleur overheen te krijgen. 't Is hier ook zoo warm!

„Help me onthouden, Lizzy, dat ik je na tafel 't cadeautje geef, dat ik uit Hamburg voor je heb meegebracht. Je verdient 't, want je ziet er _uitstekend_ uit,” zegt Huib 'n oogenblik later zacht en er licht iets plagends in z'n oogen.

„Graag, hoor. 'k Ben erg benieuwd,” antwoord ik zoo gewoon mogelijk, „want ik ben overtuigd dat mijn uitzicht meer dan welvarend is.”

Verder zeggen we niet veel tegen elkaar. Af en toe heeft hij 't eens over Hamburg en vertelt tot m'n schrik, dat hij er misschien gauw wéér voor 'n poosje heen zal moeten, maar 't meest praat hij met Eef en ik met Leo, die aan m'n anderen kant zit en erg spraakzaam is en met Bernard, die zich zeer gewichtig voelt in z'n ambt van voorsnijder en met bewonderenswaardige handigheid den kalkoen weet te ontleden, totdat er onverhoeds 'n stuk van de vork afglijdt en hij zichzelf en 't tafellaken vol jus spat.

Ik moet onbedaarlijk lachen; ik zou om álles kunnen gieren, geloof ik, maar dan beheersch ik me en verschik de tafelversiering wat over de jusvlekken, terwijl hij met z'n servet de spatten van z'n jas tracht te verwijderen.

„Als ik niet zoo ver van je af zat, zou ik je net als 'n klein jongetje afvegen, maar nu moet je jezelf maar redden”, plaagt mevrouw van Slooten haar jongsten zoon, die zich echter niet veel van 't ongeluk aantrekt, maar mij verzekert, dat hij zich op me wreken zal, zoo gauw hij in de gelegenheid is, omdat ik hem zoo heb zitten uitlachen.

En die gelegenheid heeft hij helaas gauw genoeg! Ik heb namelijk de noodlottige gewoonte om als ik pantoffels of lage schoentjes aan heb, zooals nu, daar aldoor mee te zitten balanceeren. Vooral als ze wat wijd zijn, kan ik niet nalaten er af en toe eens in en uit te wippen en ook nu, terwijl meneer van Slooten me iets heel ingewikkelds over vliegmachines zit uit te leggen, betrap ik m'n voeten op 't spelletje, dat ze weer onder tafel aan 't spelen zijn. Net als onze gastheer heeft uitverteld, er even 'n algemeene pauze ontstaat en Léo zeer origineel opmerkt:

„Daar gaat 'n dominé voorbij”, glijdt met 'n plof m'n linkerschoen tegen den tafelpoot!

Iedereen begrijpt wat er gebeurt. Moeder kijkt me afkeurend aan en ik wil 't dierbaar pand juist behendig met de punt van m'n voet weer oppikken, als Bernard zich bukt en onder algemeen gelach met mijn schoen opduikt.

„Mooi zoo, Lizzy, die mag ik zeker wel als doux souvenir aan dit onvergetelijke kerstmaal bewaren! Och, och, wat 'n lieve voetjes heeft dat buurmeisje van ons,” en hij bekijkt den schoen, die volstrekt niet klein is, aan alle kanten. Ik schaam me diep. Huib en Leo naast me schudden.

„Geef hier. Toe, geef nou hier,” smeek ik, maar Bernard is er niet toe te bewegen en gaat er op zitten, zoo gauw de meid met de brandende plum-pudding binnenkomt. Leentje heeft 't toch gezien of begrepen; er speelt tenminste 'n lacherig trekje om haar mond. Onuitstaanbaar vind ik 't, maar 'k zal net doen of 't me niet schelen kan, er niet meer om vragen en m'n dwaas figuur zooveel mogelijk zien te redden door druk te praten, en ik begin op mijn beurt tegen meneer van Slooten, die 'n groot kunstliefhebber is, over 'n schilderijententoonstelling hier in de stad, waar ik met Flip en Emmy van der Marck geweest ben. Meneer van Slooten heeft medelijden met m'n hachelijken toestand en helpt me heel goedig door oplettend te luisteren en me dan eenige bizonderheden te vertellen van 'n schilder, dien hij persoonlijk kent en die ook 'n paar schilderijen heeft ingezonden, waarvan er een verkocht is. 't Kan me niets schelen, maar ik veins zoo'n levendige belangstelling in dien mij gansch onbekenden man, dat Bernard er heelemaal de dupe van is en me na tafel, als ik me op één schoen en één kous naar den salon begeven wil, waar we de koffie zullen gebruiken met 'n: „Nou zou je 'n zeker iets nog hier laten liggen,” mij mijn eigendom met 'n diepe buiging aanbiedt, en ik me dus weer „fatsoenlijk gelaarsd en gespoord”, zooals Herman opmerkt, bewegen kan.

Eef vraagt verlof om 't kleintje te gaan helpen en verdwijnt van 't tooneel. De heeren, plotseling in de politiek verdiept, staan allen bij elkander, behalve Huib, die met z'n kopje in de hand naast me komt staan.

„Wil jij geen koffie?” en hij ziet me zoo innig aan, alsof hij iets heel bizonders vroeg.

„Nee,” zeg ik zacht. Ik zou niets meer naar binnen kunnen krijgen, nu ik voel, dat 't oogenblik, waarnaar ik zóó verlangd heb, genaderd is.

Hij zegt niets, staat stil naast m'n stoel in z'n kopje te roeren, zet 't dan afgetrokken neer, zonder 't uit te drinken, maar als zijn vader de heeren verzoekt mee te gaan rooken, legt Huib vastberaden z'n hand op de leuning.

„Ga je nu even mee naar m'n kamer? Dan zal ik je 't presentje uit Hamburg geven!”

„Ja goed,” zeg ik opstaande en hem volgend, bevend op m'n beenen, terwijl moeder en mevrouw van Slooten alleen bij den zacht knetterenden haard achterblijven.

Ik kijk niet om, maar ik wéét dat zijn moeder net zoo goed als de mijne begrijpt, wat er gebeuren gaat.... Zou Huib 't ook verteld hebben?..

Zwijgend loopen we achter elkaar de trap op naar zijn kamer, waar 't licht brandt en de kachel gloeit. 't Is 'n klein, vierkant vertrek, rood behangen met gordijnen in dezelfde warm-roode tint. 'n Schrijftafel vol portretten, waaronder ik dadelijk 't bewuste kiekje in 't Parijsche lijstje opmerk, en 'n eikenhouten boekenkast zijn er de voornaamste meubelen. 'n Paar etsen en 'n rekje met oud-blauwe bordjes hangen aan den muur. Op den schoorsteen staat de kleine wit-marmeren pendule gejaagd te tikken tusschen twee antieke tinnen kannen. In één er van is 'n reuzenbos hulst en mistletoe geschikt.

„Dat is in lang niet gebeurd, dat we hier samen waren, hè Lizzy?”

„Nee, ik geloof met die gedichten voor Bé's bruiloft 't laatst. Weet je nog wel dat souper boven bij ons in den salon, dien avond van de vertooningen?” Ik zie Huib vol aan, volkomen rustig nu we samen zijn.

„Zoo fleurig als alles toen was bij jullie! Wie had kunnen denken, dat 't zoo gauw veranderen zou!”

„Nee, we dachten aan niets dan aan vroolijke dingen en toch was 't verdriet al zóó dichtbij. Ik kan me niet begrijpen, dat 't nog maar zoo kort geleden is! Zoo ontzettend veel als er in die enkele maanden gebeurd is,” en onwillekeurig ril ik en houd m'n handen dichter bij 't vuur.

„Heb je 't koud? Toe, ga even zitten,” en hij schuift 'n lagen, makkelijken stoel bij de kachel, duwt er me zacht in en gaat dan in z'n boekenkast scharrelen.

„Hier,” zegt hij, 'n klein pakje voor me op tafel leggend, „dat had ik je toegedacht. Ik hoop niet, dat je 't kinderachtig vindt, maar ik hou zelf zoo van de sprookjes van Andersen, dat ik niet kon nalaten dit Duitsche exemplaartje voor je te koopen!”

„O Huib, hoe lief van je! Wat ben ik dáár blij mee,” en ik bewonder 't fijne, zeer smaakvol ingebonden en geïllustreerde boekje, blader er in met sidderende vingers. „Dank je wel hoor,” en ik steek hem m'n hand toe, die hij grijpt in zijn beide handen en vasthoudt.

Ik zie naar hem op, even maar......

Dan buig ik 't hoofd, kijk strak naar 't boekje in m'n schoot. Nu is 't gekomen, nu gaat hij 't zeggen...... Mijn hand trilt in zijn handen.

„Lizzy, o als je 's wist, hóe ik naar je verlangd heb! Hoe ongerust ik over je geweest ben toen ze me schreven, dat je ziek was! O, ik heb zulke vreeselijke dagen gehad daar in Hamburg! Zóó ver van je vandaan! Als moeder niet geschreven had, dat je werkelijk buiten levensgevaar was, was ik teruggekomen, zoo zeker als ik hier voor je sta. En nu _wil_ ik 't weten, vóór ik er misschien weer heen moet, al is 't dan ook pas over veertien dagen en voor korter tijd! Toe, zeg me ronduit Lizzy, geef je om me? Zou je van mij kunnen houden, zooals ik nu van jou hou? Toe, zeg 't me!”

De sprookjes van Andersen glijden op den grond...... Ik sta op, sla m'n armen om z'n hals en fluister bevend:

„Ja, Huib, ik hou van je.”

* * * * *

Wat er verder gebeurde zou ik niet goed onder woorden kunnen brengen, om de eenvoudige reden, dat er voor zóó'n geluk als 't onze geen woorden bestaan, maar we schrikten vreeselijk, Huib en ik, toen er geklopt werd en Leentje dood-nuchter met de boodschap aankwam: of meneer Huib en de juffrouw toch alsjeblieft beneden kwamen theedrinken!