Part 8
De eerste dagen na dien middag, toen ik flauw viel, was ik te zwak en te soezerig om me duidelijk rekenschap te geven van 't gebeurde. 't Was alles zoo vreemd en vaag. Ik deed niets dan slapen en als ik even wakker werd, zag ik moeders gezicht of dat van onzen goeden ouden dokter Sluyters. Maar dan vielen vanzelf m'n oogen weer dicht en dommelde ik voort, te moe om iets te zeggen, alleen flauwtjes beseffend, dat ik ziek was en naar hartelust slapen mocht. Al 't andere kon me niet schelen.
Hoe lang dat zoo geduurd heeft zou ik niet kunnen zeggen, maar dit weet ik wel, dat ik me sinds verleden week veel sterker voel. Ik kan weer geregeld denken en vind 't prettig als moeder of een van de zusters of zwagers bij me zitten. Ook de kinderen komen soms één voor één even, want veel praten en drukte vermoeien me nog wel, al vind ik zoo'n enkel bezoekje heerlijk.
Iedereen is even lief voor me. Al mag ik tot nog toe niemand dan de naaste familie bij me hebben, vergeten word ik niet; daarvan zijn de bloemen, die de kamer versieren en de vruchten en versnaperingen, die er alle dagen voor me gebracht worden, getuigen. Zelfs monsieur Durand laat af en toe naar me vragen en als moeder, die me al dien tijd alleen heeft opgepast, maar niet telkens zoo heen en weer sjouwde en ik niet zoo akelig veel bouillon, eieren en room te slikken kreeg, zou ik dezen toestand bepaald heel aangenaam vinden voor 'n poosje. Vooral omdat ik geen pijn heb en er van gevaar geen sprake is.
't Is niets dan bloedarmoede en slapte van zenuwen, die door rust en sterke voeding volkomen genezen zullen en door moeders goede zorgen al grootendeels genezen zijn.
„Hoe ik ook m'n best doe, ik kan maar niets aan je ontdekken”, plaagde de dokter me, zoo gauw ik wat begon bij te komen en onveranderlijk luidde zijn advies: „stil in bed blijven, eten en dik worden!”
Dat dikworden lokt me niet erg aan, maar ik zal er me wel in dienen te schikken, want ik schijn er met den dag welgedaner te gaan uitzien. Max en Flip vooral plagen me vreeselijk met deze „mestkuur” en voorspellen me, dat ik 'n ton zal worden als ik zoo doorga.
Gisteren, toen hij uit Leiden kwam, bracht Flip 'n kistje perziken voor me mee. Bovenop lag 'n uit 'n courant geknipte advertentie:
Gemeste Piepkuikens, panklaar à 30, 40 en 50 cent te bekomen bij J. Welters te Groningen.
„Als je weer eens van die aardigheden hebt hou ik me aanbevolen, hoor,” zei ik inwendig grinnikend, maar mezelf dwingend tot zóó'n beleedigden toon, dat moeder wanhopig uitriep:
„Och, Flip, maak 't kind geen onzin wijs! Ze eet toch al zoo slecht de laatste dagen. Als Max en jij niet met die plagerijen ophouden, zal ze op 't laatst niets meer eten!”
Die goeie moeder! Ondanks m'n ziek-zijn ziet ze er toch wat beter uit en is er weer iets van haar oude vroolijkheid teruggekomen. Ze weet niet wat ze verzinnen zal, om 't me maar smakelijk en gezellig te maken, en terwille van haar alleen wil ik nog wel wat dikker worden. Als dat geëet me maar niet zoo tegenstond!
Ik heb 'n langen, hartelijken brief van Huib gehad en mevrouw van Slooten kwam me uit naam van haar drie zoons prachtige witte chrysanthen brengen. Ze is maar héél even bij me geweest, omdat ze niet tot de familie behoort, maar ze had Huib moeten beloven precies te schrijven, hoe 't met me ging en hoe ik er uitzag, dus wou ze zich liefst zelf komen overtuigen als 't mocht en ik haar ontvangen wilde.
Ik had er natuurlijk niets tegen, integendeel en verzocht veel dank en groeten aan de jongens en gaf haar voor Huib de boodschap mee, dat ik hem, zoo gauw de dokter 't goedvindt, schrijven zal. O, ik had 't wel dádelijk willen doen, zoo blij ben ik met z'n brief, waaruit ik nu toch wel degelijk zien kan, dat hij méér voor me voelt, dan 'n beetje vriendschap. Hij schijnt werkelijk erg ongerust over me geweest te zijn, dat merkte ik aan mevrouw. O, ik ben er zoo blij om! Nu ben ik tenminste niet voor niets ziek! Als hij met Kerstmis thuiskomt, zal ik stellig weer heelemaal beter zijn. Eind October is 't nu pas, dus nog bijna twee maanden. Wat 'n tijd nog!
Zou Bé vanmiddag niet komen? 'k Denk 't wel niet; 't is zulk leelijk weer. 't Waait en stortregent. Van uit m'n bed zie ik af en toe heele vluchten dorre blaren langs de vensters slieren. Meestal zit Bé 's middags bij me te naaien.
Ze wacht einde Maart 'n kindje en is al bezig met de luiermand in orde te brengen. Zoo gauw ik mag, ga ik 'n steekje meedoen. 't Is zoo'n gezellig werk, die kleine lakentjes en poppen-kleertjes!
Bé ziet er uitstekend uit en is zóó opgewekt, dat 't moeder en mij bepaald goed doet. Aad komt haar 's middags na kantoortijd meestal halen en is minstens even verrukt als Bé, want hun kindje zal 't eerste kleinkind in de familie van der Marck zijn.
Roosje, die me één keertje heeft mogen opzoeken, vindt 't erg gewichtig om tante te worden en is begonnen 'n zeer bewerkelijk jurkje voor 't kleine neefje of nichtje te borduren. Ik heb haar voorspeld, dat ze er wel niet mee klaar zal komen, want ik weet bij ondervinding, hoe zoo'n werk op den duur gaat vervelen. Toen Loekie komen moest, begon ik vol ijver aan 'n schortje en 't is nóg niet af, maar Roos heeft waarschijnlijk meer volharding. Bé plaagt me, dat ik dat schortje nu maar voor haar kind af moet maken, want dat iets heel nieuws toch niet meer klaar komt en ik zál 't doen, hoewel ik er eigenlijk niet veel lust in heb en veel liever aan iets anders zou beginnen.
De van der Marck's zijn zoo in-goedig voor me. Mevrouw laat telkens lekkere schoteltjes brengen en Wim heeft me de mooiste van z'n zelf grootgebrachte kanaries cadeau gedaan, maar die staat beneden, want z'n gezang zou me nog te veel vermoeien. Het beest heet: de „vliegende Biefstuk,” omdat 't zoo lang kaal bleef en zoo griezelig rood zag, toen Hans en Grietje en „Riket met de kuif” al mooi in de veeren zaten, maar hij heeft z'n schade ingehaald en is nu „der Herrlichste von allen,” zooals Roos beweert, dus mag ik 't wel op prijs stellen, dat Wim hem aan mij heeft afgestaan.
Hè, wat is er 'n gepraat in de huiskamer! Ik hoor hierboven de stemmen zoemen. Wie van onze kennissen zou er roeping voelen door dit hondenweer naar mijn illustre gezondheid te komen vernemen? Iedereen weet, dat ik hollend vooruit ga de laatste week! 't Lijkt Max' stem wel, maar dat kàn niet, want Max is om dezen tijd nog op z'n kantoor. Half vier is 't net.
Daar komt iemand de trap op en 't portaal over....
't Is Max wél. Ik weet 't nu zeker. Wat zou hij hebben?
'n Haastig klopje op de deur:
„Mag ik binnenkomen, Piepkuiken?”
„Natuurlijk Max! Wat ben je vroeg vandaag! Kom aan m'n sponde,” noodig ik en dan zeer benieuwd of hij werkelijk iets bizonders te vertellen zal hebben:
„Wel is er iets?”
„Ja, iets goeds!” Max trekt 'n stoel bij, gaat zitten en strijkt met z'n hand over 't voorhoofd. Wat ziet hij er opgewonden uit! Ik popel van nieuwsgierigheid.
„Piepkuiken,” zegt hij en z'n stem trilt even, „ik kom je iets vertellen, waar je heel blij om zult zijn, net als wij allemaal, maar je moet me beloven rustig te blijven liggen. Ik—of liever gezegd m'n oom Charles de Weert, 't kamerlid—is er in geslaagd om Herman hier in Amsterdam 'n baantje te bezorgen, als ingenieur bij de spoorwegen. We zijn er al 'n poosje mee doende. Floor alleen wist er iets van af, want we waren veel te bang de familie met 'n dooie musch te verheugen, maar nu 't gelukt is, kunnen we Eef en Herman begin December al hier in Holland verwachten! Wat zeg je daarvan?”
Ik heb 'n paar seconden noodig om 't nieuws te verwerken. Eef en Herman voor goed terug uit Indië! Ik kan m'n ooren niet gelooven. Ik zit rechtop overeind van verrassing.
„O Max, Max, hoe heerlijk! Wat zegt Moeder er wel van?”
„Moeder is in de wolken. Ze is nog niet heelemaal bekomen van de verrassing, maar Floor is beneden bij haar.”
„En Flip, weet die 't al? Of was hij niet thuis?”
„Jazeker. Zoo gauw we 't telegram van Herman ontvingen, dat hij 't aannam, zijn Floor en ik er mee naar hier gekomen om alles aan moeder te vertellen. Flip was net op 't punt uit te gaan. 't Was meer geluk dan wijsheid, dat we hem nog aantroffen. Hij is 't dadelijk aan Bé gaan zeggen. Aad zal nog wel niet thuis zijn; Bé is met dat slechte weer waarschijnlijk niet uitgegaan. Maar ga jij eens gauw liggen, kleintje!”
„O nee, Max, láát me toch! Ik ben zoo blij, zoo blij!” Ik sla m'n armen om z'n hals en kus hem.
„Hoe is moeder toch wel? Toe, ga haar en Floor hier halen!”
„Ja, dat zal ik doen, als jij je nu maar rustig houdt. Denk er aan, dat je ziek bent,” plaagt Max heengaande om aan m'n wensch gehoor te geven.
Eef en Herman terug!! Ik zou zóó wel uit m'n bed willen vliegen, maar ik doe 't niet en ga stil liggen met m'n armen onder 't hoofd, tot moeder en Floor komen.
Floor ziet rood van opwinding, moeder huilt en lacht tegelijk.
„Kinderen, kinderen, dat ik dáár heelemaal niets van gemerkt heb! O, als vader dit had mogen beleven....”
'n Half uur later kwam Flip met Bé en Aad aanzetten. Flip had 'n flesch Champagne onder den arm, en op mijn slaapkamer, die er toch al zoo feestelijk uitzag met al die bloemen, werd gedronken op 't heuglijke feit, de eerste werkelijke vreugde sinds vaders dood.
HOOFDSTUK VIII.
Sintniklaas is gelukkig achter den rug.
We hebben 't natuurlijk niet gevierd; we deden er toch niet veel meer aan de laatste jaren. Alleen voor de kinderen, die hun schoentjes kwamen zetten, hadden we 'n paar verrassingen.
Ik ben weer heelemaal beter en sinds 'n paar weken in m'n oude doen. Ik kan weer tegen de dagelijksche vermoeienissen en mag uit door alle weer en wind. Toch let moeder er streng op, dat ik geregeld m'n melk drink en 's middags rust, hoewel ik met 't laatste nogal 't handje licht, omdat ik 't heusch overdreven vind. Ik voel me krachtig en opgewekt en ben blij, dat ik wat van m'n abnormale dikte ga verliezen, al zag ik er toch niet zóó vetgemest uit, als Max en Flip me voorspelden, dat ik wezen zou als ik weer eenmaal opkwam. 't Verheugt me wel, want zwaarlijvigheid vind ik zeer onaesthetisch.
We zijn druk bezig alles voor de komst van Eef en Herman en 't kleintje in orde te maken. Aan 't eind van de volgende week zullen ze hier zijn. Ze komen van Genua af over land, om de reis zooveel mogelijk te bekorten. Half Januari pas moet Herman te Amsterdam in functie treden, waar Max en Floor al 'n bovenhuisje voor hen gehuurd hebben; maar vooreerst nemen ze hier hun intrek, in 't oude lieve huis, waar ze zoo naar verlangen, zooals Eef schrijft. Nu, aan ruimte hebben we geen gebrek!
Mijn vroegere slaapkamer, die ze indertijd met Bé deelde, wordt de hunne en vaders studeerkamer zijn we voor Herman aan 't inrichten. 't Is zoo'n prettig werk en moeder en ik zijn onvermoeid.
Op de slaapkamer heb ik enkele dingen uit Eefs jongemeisjestijd bijeengebracht, waar ik weet dat ze aan gehecht is.
Haar oude toilettafel, die op de logeerkamer stond, den schommelstoel, waar ze altijd in zat te lezen en 't daarbij behoorende verschoten groen-damasten kussen, dat ik menigmaal met 'n stoeipartij naar m'n hoofd kreeg, benevens 'n klein houten klokje, dat vader eens voor haar meebracht uit Bern en dat geen mensch meer aan den gang kan krijgen. Al deze oude dingen, waar zij stellig zwak op heeft, heb ik er heen gesleept en boven 't afgedankte bedje van Loekie, dat Floor voor Eefje heeft laten brengen, heb ik zelfs 'n verbleekte plaat gehangen uit 'n oud Christmas-number van „the London News”; die hing er vroeger ook.
Beneden in de huiskamer staat de wieg al klaar, ook 'n oude van Loekie, door Floor keurig opnieuw bekleed met lichtblauw satinet, en Liesje en Bobbie zijn in de gulheid huns harten 'n pop en 'n houten paardje voor 't kleine nichtje komen brengen en dwongen Loekie, die niets van de situatie begrijpt, 'n gekleurd elastieken balletje, waar hij zelf zoo aan verknocht is, af te staan „voor 't kindje van tante Eef.”
't Was om medelijden mee te krijgen, zoo'n bedroefd snuitje als hij zette, maar Floor vond 't wel goed, dat haar jongste zoon ook iets offerde, want Loekie is zeer van den behoudenden kant en weet zoo klein als hij is, 't altijd wel zóó te draaien, dat hij z'n eigen ikje nooit te kort doet.
Liesje is sinds September met nog 'n paar andere kleintjes van haar leeftijd aan 't fröbelen, en de juffrouw, die hun les geeft, is versteld over haar vlug begrip en haar snelle vorderingen in 't lezen en schrijven.
„Als ik zes jaar ben in April, wil ik alléén 't boek van „Ot en Sien” lezen,” zegt ze vastbesloten en als 't zoo doorgaat zal ze tegen dien tijd wel zoo ver zijn. Thuis en op straat, overal waar ze maar kans ziet, staat ze te spellen en zich te oefenen. Max vindt dien ijver maar half goed. Hij is bang, dat ze haar kleine bolletje te veel zal inspannen en begint haar dadelijk af te leiden en wilde spelletjes met haar te doen, als hij haar bezig ziet met lezen of schrijven.
Laatst—Maartje was met 'n doode muis van den zolder komen aandragen—kwam Liesje naar me toe met haar lei, waarop ze met bibberige koeienletters had neergeschreven: _de muis is doot_.
„Niewaar tante, _dood_ schrijf je toch: _d oo t_,” vroeg ze, terwijl ze me vol trots het geschrevene aanwees.
Tot m'n spijt moest ik antwoorden:
„Nee, dood is met 'n _d_. Je zegt immers ook _doode_ muis!” Waarop ze heel ad rem weerlegde:
„Welnee, je zegt túúrlijk doo_ie_ muis!”
Floor en ik keken elkaar aan en hadden moeite ons goed te houden.
De questie, „dood” schijnt Liesje anders wel erg bezig te houden tegenwoordig; niet alleen wat de spelling betreft, want toen moeder en ik verleden bij Max en Floor theedronken en ik Liesje naar bed bracht, op vereerend verzoek, vroeg ze, terwijl ik haar instopte met haar armpjes om m'n hals:
„Zeg, tante Piep, weet je nou zéker, dat Opa dood is en nooit meer bij ons terugkomt?”
En toen ik knikte, zei ze: „Ja, dat is erg naar, maar alles wat leeft, gaat dood en alles wat niet leeft gaat kapot!”
't Kwam er uit als 'n orakelspreuk. Ik schrikte er van en begon maar gauw over de nieuwe jurk van pop Dora om haar af te leiden.
Beneden verwekte haar gezegde nogal hilariteit toen ik er mee aankwam.
„'t Kind is wijzer dan ze zelf weet. Ze snapt de beteekenis van 'r eigen woorden niet,” hield Floor vol, maar Max schudde 't hoofd over z'n vroeg-wijze dochter.
„Als ze niet af en toe flink stout was, zou ik me werkelijk ongerust maken,” zei hij.
Maar daar is heusch geen reden voor, want 't kind ziet er zoo heerlijk gezond uit en is zooveel steviger geworden dezen zomer in Domburg, evenals de beide jongens. Ik ben erg benieuwd wat Eef en Herman van hen zeggen zullen.
Liesje was indertijd 'n groote lieveling van Herman en Eef sjouwde altijd met Bobbie, die nauwelijks loopen kon, toen Herman wegging. Loekie heeft hij niet meer gekend. Toen Eef trouwde, was Floors jongste pas enkele maanden oud.
't Wordt zoo langzamerhand 'n gezellig troepje, maar m'n tante-lijke plichten gaan er ook te zwaarder om wegen! Als in Maart Bé's kindje er bij komt, heeft moeder al vijf klein-kinderen!
In 'n ijverige bui heb ik 't schortje, dat ik ruim drie jaar geleden voor Loekie begon, voor den dag gehaald en werk er nu geregeld aan, want ik heb me vast voorgenomen, dat 't eerste van der Marckje er mee prijken zal!
Bé vraagt telkens: „Hoe staat 't met je gewrocht?” en is er lang niet zoo dankbaar voor als ik vind, dat me toekomt. 't Is 'n barbaarsch werk, al die schulpjes en gaatjes! 't Is waar, dat de eerste fraicheur er in den loop der tijden, wat is afgeraakt, maar als 't eenmaal klaar is en helder gewasschen, zal 't er wat aardig uitzien.
Mevrouw van Slooten, die er me aan zag borduren, vroeg tenminste, of Bé niet erg in haar schik zou zijn met dat „beeldige schortje!”
Ze begreep niet, dat ik daar geduld voor had en er nog tijd voor overhield bij al 't werk, dat monsieur Durand me opgeeft, want m'n Fransche lessen zijn in vollen gang.
Iederen Dinsdagmorgen ga ik er heen, en nu ik aan hem begin te wennen, vind ik wel, dat hij prettig les geeft. Ik voelde me de laatste keeren volkomen op m'n gemak en vind hem iets minder schoolvosserig sinds ik gemerkt heb, hoe aandoenlijk lief hij is voor z'n ziekelijke vrouw en Juliette, z'n kleine, bleeke dochtertje, waar hij zoo vreeselijk trotsch op is.
Als ik naar haar vraag, komt monsieur Durand heelemaal uit de plooi, maar 't kind zelf blijft nog even schuchter voor me, mompelt 'n bijna onverstaanbaar „bonjour”, terwijl ze me 'n trillend handje reikt en hòlt weg.
Toch, hoe ik m'n best ook doe om me iederen morgen, als ik zit te werken geheel bij m'n grammaire en thema's te bepalen, tóch betrap ik er mezelf aanhoudend op, dat ik er overheen zit te droomen. Vooral de laatste week heb ik schandelijk weinig uitgevoerd. Aldoor moet ik aan andere dingen denken: aan het weerzien van Eef en Herman en aan kleine Eefje, die er op haar portretje al zoo wijs uitziet, en last not least.... aan Huib, die den 23sten thuiskomt, als Eef en Herman hier al wat op dreef zullen zijn.
Aan Huib denk ik 't meest. Eigenlijk denk ik den heelen dag aan hem. Zou hij ook aan mij denken.... naar me verlangen? O, ik geloof 't wel! Z'n laatste brief was zoo hartelijk en bezorgd. Hij heeft zóó over me in angst gezeten!
„Wees nu niet zoo onverstandig om te veel van je krachten te gaan vergen, als je zuster en zwager komen. Ik vind 't natuurlijk heel prettig voor jullie, maar denk er toch om, dat je pas ziek geweest bent en neem niet te veel hooi op je vork! Als 't je naderhand opbreekt, lever je je familie 'n leelijk koopje, in plaats van te helpen.
Op mijn schrijftafel staat je Parijsche lijstje met die kiek van je als bruidsmeisje. Als je niet zorgt, dat je bij mijn thuiskomst weer net zulke dikke wangen hebt als dáár, krijg je 't cadeautje niet, dat ik voor jou meebreng uit Hamburg, hoor meisje!”
Hoe dikwijls ik die regels heb overgelezen zou ik niet kunnen zeggen.... Dat is toch méér dan vriendschap.... O, ik hoop zoo vurig, dat 't met Kerstmis tusschen ons in orde zal komen.
Mevrouw van Slooten heeft moeder, Flip en mij en Eef en Herman met 't kleintje te dineeren gevraagd voor den eersten Kerstdag, heel intiem, en ik verheug er mij zóó op!
De van Slootens zijn zoo aardig voor ons; zulke hartelijke buren zullen we wel nooit meer krijgen. Bernard kwam vanavond nog, uit naam van z'n moeder, 'n tafelstoel brengen voor Eefje, als we dien gebruiken konden. Het was zoo'n practisch model, al was hij niet fraai, maar ze hadden er ook alle drie ingezeten en bedaarde jongetjes waren ze niet geweest, getuigen de vele krassen!
Bernard bleef 'n beetje praten en onwillekeurig begonnen we dingen van vroeger op te halen:
Onze pic-nics in de dakgoot, de geheimzinnige verkleedpartijen en de groene-zeep-glijbaantjes, die we op zolder maakten en dien keer, dat we gerookt hadden, drie sigaretten met ons vieren! Toen we, bij gebrek aan verderen voorraad, opgerolde vloeitjes en stelen van narcissen tot sigaretten trachtten te promoveeren en 'n gat schroeiden in de splinternieuwe gordijnen van de logeerkamer, waar we ons verstopt hadden! Jongens, wat 'n pret hadden we toch, en dan die griezelige verhalen en spookgeschiedenissen, waarmee we elkaar zóó wisten op te beuren, dat we op 't laatst rillend en bevend met fluisterstemmen begonnen te spreken en bijna niet naar bed durfden!
Moeder genoot van die herinneringen.
„Ja, dat was 'n gelukkige tijd toen jullie klein waren!”
„Weet je nog wel, Lizzy, dat je eens huilend naar huis liep, omdat Léo je had wijsgemaakt, dat ouwe Trui „verborgen bokspooten” had?” vroeg Bernard.
Ik schaterde 't uit. Ja, ik wist 't nog heel goed. Léo kon me 't best bang maken. Die las op zeer jeugdigen leeftijd boeken als „Gösta Berling” die z'n fantazie zóó aanwakkerden, dat 't hem niets geen moeite kostte, de meest zonderlinge en angstwekkende histories te vertellen met 'n welsprekendheid, die ons—en mij vooral—deden ijzen en kippenvel aanjoegen.
Op 't laatst kwam 't gesprek nog even op Huib. Hij had geschreven, dat hij toch zóó naar huis verlangde! Den avond van den 23sten komt hij heel laat aan. Ik bloosde tot achter m'n ooren, maar Bernard merkte 't gelukkig niet, want ik keerde me om en begon gauw in den haard te poken, die op 't punt was uit te gaan. Moeder zag 't wel!....
Toen Bernard weg was, bleven we nog 'n poosje zitten. Ik bladerde wat in 'n nummer van de „Illustration” uit de portefeuille van 't leesgezelschap.....
„Kindje,” zei Moeder ineens, haar hand op de mijne leggend, „ben je blij dat Huib al zoo gauw komt? Verlang je naar 'm?”
En ze zag me zóó innig aan, dat ik voor 't eerst ronduit bekende:
„Ja, o ja, ik verlang vreeselijk naar Huib.”
„Sinds hij weg is, of hou je al lang van 'm?”
„O, al lang. Al zóó lang. Ik weet niet eens wanneer 't begonnen is. Ik geloof, dat ik altijd van 'm gehouden heb. Niet zooals nú. Niet zóó veel maar toch....”
„Dat dacht ik wel. Ik heb al lang vermoed, dat je van hem hieldt. Als hij nu ook maar zooveel van jou houdt, lief kind! Toe, laten we er samen over praten! Floor, Eef, Bé, allemaal hebben ze 't eerst bij mij hun hart uitgestort. Alleen 't Piepkuikentje heeft tot nog toe gezwegen. Denk je, dat Moeder te oud is om zoo iets met je mee te voelen?”
„Nee, nee, hoe kunt u dát denken, moesje! O zeg toch niet zulke vrééselijke dingen,” snikte ik. „Ik wil u zóó graag álles vertellen, maar ik kòn er niet eerder toe komen. O, als u eens wist wat ik al heb doorgemaakt!”.... en toen bij den doovenden haard met mijn hand in de hare, heb ik moeder alles eerlijk opgebiecht.
Mijn jaloezie op Annie Westenbergh, mijn blijdschap toen ik wist, dat 't heelemaal ten onrechte was en mijn schaamte over die leelijke gevoelens.. Niets verzweeg ik haar en moeder luisterde, heel haar lieve gezicht één belangstelling en meeleven in 't geen mij zoo ter harte ging.
't Was bij éénen toen we eindelijk naar boven gingen, maar ik voelde me onuitsprekelijk verlicht.
Moeder houdt zooveel van Huib! Ze houdt van alle jongens van Slooten, maar van Huib 't meest, omdat hij zoo eerlijk en eenvoudig is. Vader mocht hem ook heel graag en moeder geloofde evenmin als ik, dat Huib me zoo hartelijk schrijven zou, als hij niet echt om me gaf, maar raadde me toch in m'n eigen belang aan, me niet al te veel illusies te maken. Zoo'n vriendschap uit de kinderjaren werd meestal op den duur wel iets anders, groeide heel dikwijls uit tot 'n mooier, dieper gevoel. Bij vader en haar was 't ook zoo gegaan....
Maar wij waren nog zoo jong! Vier-en-twintig en negentien! Huib was wel ernstig en nogal geposeerd voor z'n jaren, maar misschien dacht hij er nog niet over me nù al te vragen....
Ik geloof, dat moeder dat alles maar zei uit voorzichtigheid, maar ze kan natuurlijk gelijk hebben, al zou ik 't vreeselijk vinden nog langer in onzekerheid te moeten blijven.
O, dat ellendige _afwachten_, dat toch 't eenige was, wat me overbleef. Dat zag ik zelf duidelijk in! Maar wat zou er tegen zijn, als we 'n paar jaar geëngageerd bleven, net als Bé en Aad? Dat begon nog veel vroeger! Dát waren nog kinderen!
We gingen er verder niet op door. 't Gaf niets of we er al over redeneerden. Moeder noch ik konden er iets aan doen....
Maar ik nam me vast voor: niemand dan moeder zal iets van de spanning, waarin ik verkeer bemerken. Daarvoor ben ik te trotsch.
„_Ich bin's gewohnt, den Kopf recht hoch zu tragen!_” Hoe dikwijls had ik dat Huib zelf niet hooren aanhalen!
Doch ineens schoot me 'n ander Heine-vers te binnen!
Sie liebten sich Beide, doch Keiner Wollt'es dem Andern gestehn; Sie sahen sich an so feindlich Und wollten vor Liebe vergehn....
Toen moest ik even lachen. _Vijandig_ hadden we elkaar toch nog nooit aangezien!
En dan die laatste brief! Neen, ik hoopte hartelijk en durfde ook wel de veronderstelling wagen, dat 't met ons beter zal afloopen, dan met die twee rampzalige gelieven, waarvan 't versje verder vermeldt: