Part 7
Er is iets gebiedends in z'n stem, dat me kalmeert en vertrouwen geeft. Gelukkig, ze zullen me helpen. Ik sta niet alleen.
„Juf en de meisjes zullen 't noodigste wel even voor je inpakken. Je koffer sturen we naderhand wel. Bekommer je maar om niets”, en mevrouw trekt me naast zich op de kanapee en wenkt de anderen heen te gaan.
Versuft leun ik m'n hoofd tegen haar schouder. Ik huil niet. Ik zou 't niet kùnnen. Zoo vreemd en leeg voelt m'n hoofd; ik kan niet denken. 't Is net of ik droom.... 'n Bord soep, dat me tegelijk met m'n goed gebracht wordt, schuif ik van me af, trek werktuigelijk m'n mantel aan en zet m'n hoed op. Ik ben klaar en druk zwijgend iedereen de hand; ze doen me allen uitgeleide. Ik sta al op de stoep.
„Dank jullie allemaal. U vooral, mevrouw,” is 't eenige wat ik weet te zeggen, dan helpt meneer me in 't wagentje.
In den trein kom ik pas goed tot bezinning. Er zijn geen andere reizigers. Over me zit alleen meneer Witsen, verscholen achter 'n courant, en starend uit 't raampje prevel ik voor me heen de woorden van 't telegram: Vader plotseling ernstig ongesteld. Spoedige overkomst gewenscht.
O, 't zal wel héél erg zijn. 't Kán niet dringerder. Wat zou 't toch wezen? 'n Ongeluk,.... gevallen misschien? Vader is immers nóóit ziek en nog niet oud. Achtenvijftig pas. Nog in de kracht van z'n leven. Die goeie, lieve vader! Zoo kranig en flink zag hij er uit, toen hij mij en Roosje naar den trein bracht, nu nog geen veertien dagen geleden. En hij was zoo bezorgd voor me, hoopte zoo dat ik veel plezier zou hebben en dat de buitenlucht me goed zou doen. O, als hij nog maar leeft, als hij me nog maar even herkent..
M'n lichaam schokt, 'n snik komt uit m'n keel en de tranen druipen ineens langs m'n wangen.
Meneer Witsen laat z'n courant zinken en ziet me hartelijk-meewarig aan:
„Huil maar eens uit. Dat zal je goed doen, beste kind.”
En o, 't doet goed, 't doet me onbeschrijflijk goed, dat ik eindelijk huilen kan. 't Is de eenige uiting voor dit groote, gróóte verdriet en voor den vreeselijken angst en onzekerheid, die me bezielen.
„Kom, je moet je niet dadelijk 't állerergste voorstellen. 't Zal natuurlijk erg zijn, maar de kans op beterschap is immers niet uitgesloten. Je wéét 't immers nog niet,” tracht meneer Witsens goedige stem te troosten.
„O, dat is juist zoo ontzettend”, snik ik. „Wist ik 't maar!”
Helaas zoo gauw we Max' gezicht zagen—hij kwam me alleen met 'n rijtuig van den trein halen,—begrepen we 't beiden maar al te goed: Er viel niets meer te hopen....
Vader was 's middags na de koffie, toen hij weer naar de rechtbank zou gaan, ineens in elkaar gezakt.
't Gebeurde in de eetkamer.
Moeder en Flip, die er gelukkig alle twee bij waren, stuurden onmiddellijk om den dichtst in de buurt wonenden dokter, die dadelijk kwam en 'n beroerte constateerde en hen voorbereidde op 't einde, dat hij spoedig verwachtte.
Vader is niet meer bijgekomen. Nog enkele uren heeft hij bewusteloos gelegen en is kort na mijn thuiskomst bijna onmerkbaar ingeslapen.....
Toen meneer Witsen 's avonds om tien uur nog eens hooren kwam, was 't al afgeloopen.....
* * * * *
De droeve drukte van de begrafenis is voorbij.
De stroom van ontelbare bezoeken en condoleancebrieven begint iets te minderen en 't gewone leven gaat zoo zoetjes aan weer z'n ouden gang. Voor de buitenwereld althans.
Want 't is net of we ons verlies nu pas goed gaan beseffen. De verpletterende slag is zoo plotseling gevallen, dat we niet in staat waren alles in z'n volle diepte te voelen en te omvatten in 't begin.
En we maakten ons zoo ongerust over moeder. Met droge, doffe oogen zat ze maar voor zich uit te staren. Ze zei niets, ze antwoordde niet eens als er iets gevraagd werd. Ze was totaal versuft. Twee dagen heeft dat zoo geduurd.
Den dag van de begrafenis kwam eindelijk de reactie. Ze is zoo ziels-bedroefd..... Maar hoe vreeselijk 't ook is, hoe radeloos 't me maakte haar zoo wanhopig te zien, toch zien we haar nog liever met haar roode, gezwollen oogen, dan met dat akelig verwezen gezicht en dien starren blik.
Ik slaap nu naast haar in vaders bed en gisterennacht voor 't eerst hebben we weer geslapen, want toen moeders verdriet eenmaal tot uiting kwam, deed ze de eerste nachten niets dan huilen en kreunen. Rampzalig was ze.
Bijna dertig jaar is ze alles voor vader geweest en vader alles voor haar en nu ineens is hij weggerukt, voor goed verdwenen uit den gezelligen kring..... Voor hem is 't maar 'n zegen, dat hij onbewust is heengegaan. 't Wreede afscheid is hém tenminste bespaard gebleven.....
Hoe vreeselijk zou hij Eef gemist hebben. Eef, de eenige, die ontbrak aan z'n sterfbed..... Eef, die z'n „lievelingsdochter” was, zooals we hem vroeger wel eens plaagden, want al hield vader van ons allen evenveel, voor háár had hij toch 'n bizonder zwak.
„Zij lijkt het meest op moeder,” zei hij altijd.
Arme Eef, hoe zal ze daarginds naar ons verlangen, hoe reikhalzend uitzien naar brieven van ons..... Niets dan 't telegram met vaders doodstijding kan haar in de eerste weken bereiken....
Floor, die 't kalmst was, heeft dadelijk zoo uitvoerig mogelijk geschreven, maar hoeveel dagen moeten er nog niet verloopen, voor die brief in haar bezit zal zijn!
Zoo akelig stil is 't in huis. We kúnnen er ons niet indenken, dat we hier in diezelfde kamers, waar we nu in onze rouwkleeren rondloopen, 'n paar maanden geleden zoo vroolijk en opgewekt Bé's bruiloft vierden. Ziekte en dood leken toen zóo ver, of ze ons niet bereiken konden.....
De eenigen, die ons werkelijk wat afleiding geven, zijn de kinderen. Floor brengt Liesje en Bobbie alle dagen en moeder zegt, dat 't haar goed doet, als die twee samen door 't tuintje ravotten en met hun onschuldige gezichtjes praten over Opa.
Gisteren, toen ik even alleen met ze was, vroeg Bobbie:
„Zeg, tante Piep, wanneer zou Opa nou weer hier komme?” waarop Liesje met 'n verschrikt gezichtje en haar vingertje voor den mond zei:
„Sst, daar mag je niet over praten van Moekie. Dan doe je Oma en tante verdriet, want Opa kómt niet meer terug, die is nou bij onze-lieve-Heer en daar is 't heel prettig,” en toen in 'n lieve behoefte om te troosten met 't verdriet, dat ze instinctmatig voelde en nog niet begrijpen kon, sloeg ze haar armpjes om m'n hals en Bobbie goedig, deed dadelijk 't zelfde en als om strijd vleiden ze: „Zoete tante Piep. We houën zoo vreeselijk erg veel van je!”
Ik trok ze bij me op schoot, op iedere knie 'n kind en begon ze hun lievelingsgeschiedenis te vertellen, 'n verhaal, dat Floor mij vroeger altijd moest voorlezen uit „de Kinderkamer” en waarvan ik den aanhef nog onthouden heb. „Tante Spinrag had twee katjes Mimi en Zoozoo,” en verder putte ik m'n eigen fantasie uit in allerlei onwaarschijnlijke avonturen, die ik Mimi en Zoozoo liet beleven, zoodat de kinderen met hooggekleurde wangen en schitterende oogen 't uitschaterden en ik zelf plezier kreeg in den geweldigen nonsens, dien ik bij elkaar flanste.
Moeder, die ondertusschen binnenkwam, glimlachte flauwtjes. Ze was voor 't eerst eens overdag met Flip uitgeweest en zag er iets minder slecht uit. Ik vind haar bepaald veel kalmer de laatste dagen.
Mevrouw van Slooten en Huib en Bernard, die 's avonds even kwamen aanloopen, vonden 't ook.
Huib is erg hartelijk en aardig. Hij heeft me 'n heelen stapel boeken gebracht en ik mag zelf andere uit z'n kast komen halen, zoo gauw ik deze uit heb, want in 't begin van September gaat hij minstens tot Kerstmis naar Hamburg voor de zaken van z'n vader. We zullen elkaar dus in geen maanden terugzien....
Zoo langzamerhand begin ik enkele brieven te beantwoorden. Roosje en alle Witsens hebben me geschreven, Henk en Nico incluis en Roosje is na haar terugkomst al verscheiden malen bij me geweest, evenals Emmy van der Marck.
Ook van Annie Westenbergh kreeg ik 'n bizonder deelnemenden brief. O, ik schaamde me zoo....
Max en Aad behandelen alle geldelijke aangelegenheden en moeder is begonnen met Flip en ons drieën vaders brieven en boeken te regelen.
Het is 'n in-droevig werk, maar we durven 't niet langer uitstellen. 't Moet tóch gebeuren en andere handen dan de onze mogen er niet aan raken.
In 'n la van vaders schrijftafel vond moeder allerlei souvenirs uit onze kinderjaren: onze eerste brieven en handwerkjes, waarmee we hem verrasten: speldenkussens, inktlappen en doosjes met zonderlinge versieringen van gekleurde zijden en wollen steekjes en van ons ieder 'n lok zij-achtig, heel lichtblond haar....
Tante Suze, goedig en onpractisch zooals meestal, kwam moeder voorstellen met haar op reis te gaan. 't Zou zoo'n goeie afleiding zijn! Maar moeder dacht er natuurlijk niet over. Ze zou geen raad weten als ze van ons afmoest.
Met Mei moeten we verhuizen. Hoe vreeselijk we 't ook vinden, dit huis waarin we allen behalve Floor geboren zijn, te verlaten, 't zou moeder op den duur te kostbaar worden.
Als Flip na de vacantie weer naar Leiden is, zijn we nog maar met ons beidjes over, moeder en ik....
De oude kloek en 't piepkuikentje, zooals ze zelf met 'n weemoedig glimlachje zei.
O, ik zal zóó m'n best doen haar zooveel mogelijk 't niet te herstellen verlies te verzachten en.... hard voor m'n acte middelbaar Fransch gaan werken, want, hoewel we samen behoorlijk kunnen leven, zal 't voor mij, vooral later, als ook moeder er eens niet meer zijn zal, noodig wezen, dat ik niet alleen 'n werkkring heb, maar in staat ben geld te verdienen, als ik me tenminste niet héél bekrompen ergens op 'n bovenhuisje, of in 'n goedkoop pension behelpen wil.
Nu, leerares op 'n H.B.S. voor meisjes, lijkt me nog 't geschiktst. Dan heb je in ieder geval lange vacanties en ik zal me niet laten ringelooren door ondeugende kinderen, zooals ik zelf was. Want als loontje om z'n boontje kwam, dan....
En onwillekeurig denk ik terug aan dien tijd—drie jaar geleden nog maar—toen ik met den pas van drie en 't vroolijkste gezicht ter wereld de klasse uitdanste, als miss Parker, die me niet luchten kon, me om 't minste of geringste wegzond en ik achter haar rug 'n kushandje tegen de proestende meisjes maakte.
Arme miss Parker, haatdragend is ze niet, want toen ik haar enkele dagen geleden op den Singel tegen kwam, groette ze me zoo meewarig, alsof ik eens haar liefste leerling was.
Gelukkig ben ik nooit iemands „liefste leerling” geweest. Daartoe was ik te baldadig; er zat geen „zit” in me, hoewel verder niet iedereen bepaald 't land aan me had, want lui of dom was ik niet. Toch, met 't uitreiken der eind-diploma's—'t mijne was erg schraaltjes—zei de directrice met 'n zuurzoet lachje: „Nu Lizzy, dat is 'n opluchting dat jij van school gaat”, waarop ik met m'n innemendsten glimlach antwoordde: „O, juffrouw, 't genoegen is geheel aan mijn kant.”
'k Zie vader nog met moeite 'n ernstig gezicht zetten als ik met briefjes vol klachten thuiskwam, die ik den volgenden morgen dan weer van zijn handteekening voorzien, mee terug nam en vertoonen moest als bewijs, dat hij van m'n slechtheid op de hoogte was. Hij vond 't wèl ondeugend.
„Toe, laat dit nou de laatste keer zijn,” zei hij dan, maar och, ik was immers 't Piepkuikentje en op de nieuwsgierige vragen van de directrice of miss Parker: „And what did your father say?” antwoordde ik geregeld met luchtig schouderophalen: „O nothing.”
Onbegrijpelijk, dat dat alles pas drie jaar geleden is! 't Lijkt zoo veel, véél langer al. Wat 'n _kind_ was ik toen nog....
Met m'n handen onder 't hoofd zit ik te suffen, inplaats van den brief aan Annie Westenbergh af te maken, dien ik straks posten wilde.
Daar wordt gebeld. Visite zeker!
Ik vlieg op, en net als ik de schuifdeuren dicht wil doen, staat Roosje voor me.
„Dag Lizzy! Stoor ik je?”
„O, welnee, juist gezellig dat jij er bent”, en ik trek haar mee de serre in.
„Zat je te schrijven?”
„Nee, eigenlijk alleen maar wat te soezen. Toe, ga zitten; moeder en Bé zijn samen uit. Die zullen straks wel komen.”
„O”, zegt Roosje afgetrokken in 'n rieten stoeltje plaats nemend en dan aarzelend met 'n kleur: „ik.... ik heb 'n nieuwtje.... 'k Wou 't je maar even zelf komen vertellen vóór je 't van 'n ander hoort.... Ik ben geëngageerd met....”
„Théo Witsen”, vul ik lachend aan. „Roos, kind, ik féliciteer je”, en ik kus haar verbluft gezichtje.
„O, o wist je 't al? Hebben Aad en Bé 't verteld?”
„Nee, niemand heeft er me iets van gezegd, maar ik heb 't zien aankomen. Ik heb dadelijk gemerkt, dat Theo je zoo aardig vond. Jullie schoten zoo hévig op!”
„Hévig,” vraagt Roosje verbaasd. „'k Was in 't begin toch volstrekt niet doodelijk van hem. Later wel! O Lizzy, toén.... toen jij weg was, heb ik toch zoo vreeselijk in spanning gezeten!”
„Arm kind!”
„Arm kind? Welnee! Verbeeld je, dat ik er dat nog niet eens voor over gehad zou hebben! 't Is toch al zoo van 'n leien dakje gegaan. Den avond vóór ik wegging heeft hij me gevraagd en twee dagen later is hij bij papa geweest en is alles beklonken. Als ik daar Ada bij vergelijk.....”
„Die wordt nu 'n nichtje van je!”
„En George Hofmann 'n neef, of eigenlijk.... hoop ik, dat toch niet.”
„Nee, wij zouden 't zonde van Ada vinden, hè? Maar ze moet 't zelf weten.”
„Natuurlijk, wij hebben haar genoeg gewaarschuwd. O, kind, ik ben zoo gelukkig! De volgende week wordt 't publiek en de Zondag daarop houden we receptie. En thuis zijn ze zoo met Théo ingenomen! Ik had 't je allemaal al eerder willen vertellen, maar.....” en dan zwijgt Roosje en haar gezicht betrekt. Verlegen peutert ze aan 'n knoop van haar mantel.
„Nu ga door. Wat heb je?”
„Och, Lizzy, je vindt me toch niet ongevoelig, dat ik zoo over m'n eigen geluk zit te praten, terwijl jij zoo'n verdriet hebt? Ik heb 't expres tot nu toe uitgesteld om 't je te vertellen, maar Aad en Bé en zooveel andere menschen weten 't al en 'k wou toch maar liever, dat je 't niet eerst van anderen hoorde. We zijn zulke goeie vriendinnen geworden den laatsten tijd!”
Ik sla m'n beide armen om haar hals en kus haar nog eens.
„Lieve Roos, als je 's wist, hoe blij ik voor je ben! Toe, vertel er me toch alles van. Ik stel er zoo'n belang in en 't is zoo prettig weer 's iets vroolijks te hooren.”
„Heusch?” Roosje ziet me verheugd aan, drukt m'n hand en begint dan over haar roman.
„O, dien laatsten avond, toen we voor 't huis zaten! 't Was zulk zalig weer, zoo zoel en stil. Geen blad bewoog en de maan scheen zóó helder, dat we 't lichtje en de lampions uitdeden en toen ging Théo binnen de „Mondscheinsonate” spelen... Alleen 't begin, maar we waren allemaal in de stemming en ik was zoo onder den indruk, dat ik moeite had niet in tranen uit te barsten. Later zijn we nog wat door den tuin gaan loopen. 't Was zonde om naar bed te gaan en Théo en ik gingen samen nog 'n eindje den weg naar 't dorp op. Ik voelde me, of ik in 'n sprookje wandelde. 't Was zoo iets onwezenlijks! We durfden geen van tweeën 'n woord te zeggen, totdat er ineens vlak boven onze hoofden 'n vogel opvloog, waar we allebei van schrikten. Toen op den terugweg zei hij 't”....
Roosje zwijgt, en haar blauwe oogen kijken of ze weer heelemaal in 't sprookje is. Wat ziet ze er lief uit zoo....
Dan praten we nog wat over Theo en 't buitenzijn bij de Witsens, tot moeder en Bé komen.
Op moeders bedroefd gezicht komt 'n glimlach als ze ons samen ziet zitten. Ze weet 't nieuws al van Bé en verheugt er zich hartelijk in.
Met uitgestoken handen loopt ze op Roosje toe en kust haar.
„Ik zal maar niet vragen of je gelukkig bent?”
„O, mevrouw!”
En als Roos 'n oogenblik later heengaat, denk ik, dat 't leven toch niet zoo droevig zijn kan als er zóó'n geluk bestaat...
Maar voor mij zal 't wel nooit komen.... Ik ben zoo héél anders dan Roos. Ik verdien 't zoo weinig....
[decoratieve illustratie]
HOOFDSTUK VII.
't Is half September, ruim zes weken na vaders dood, en 't begint al echt herfst te worden. De zon schijnt wel, maar vooral de avonden worden koud, zoodat we 's avonds de serre-deuren niet meer open kunnen houden. De lamp moet vroeg aan en soms brandt er al 'n lustig houtvuurtje in den haard, 's middags na 't eten.
De boomen en heesters in ons tuintje worden al geler en ijler. Er hangen geheimzinnige spinnewebben en glinsterende herfstdraden in en 't gras en de paden liggen vol afgevallen blaren. De wingerdranken aan 't lage hekje, dat onzen tuin van dien van de van Slootens scheidt, worden iederen dag rooder en bladerloozer, maar de Oost-Indische kers zit nog vol bloemen en de dalia's en phloxen bloeien overvloedig. Hier en daar ontluikt nog 'n enkele roos.
Als in 't voorjaar de seringen en de beide kerseboomen in vollen bloei staan, zullen hier andere menschen wonen......
Den tweeden September is Huib naar Hamburg vertrokken en of hij met Kerstmis thuiskomt is nog niet zeker.... 't Was zoo'n raar afscheid. Léo en Bernard kwamen mee, en Huib zelf zei bijna niets. Toch beweerde hij, dat hij 't prettig vond om te gaan....
In 't begin van deze week heb ik 'n brief van hem gehad. Hij is verrukt over Hamburg en schijnt 't er wel naar z'n zin te hebben. Of ik hem af en toe eens schrijven wil, vroeg hij.... Ik wil 't natuurlijk met alle plezier, maar toch doe ik m'n best me maar niet te groote illusies te maken....
't Is niet meer dan vriendschap van zijn kant en daar mag ik al blij mee zijn, want hij toont zich 'n oprecht vriend die zich geeft, zooals hij is. Flirten doet hij nooit, voor zoover ik kan nagaan.
Arme Ada! Zij is wel te beklagen! Kort na 't publiek worden van Roosje's engagement hoorden we, dat George Hofmann geëngageerd is met 'n Engelsch meisje, dat hij dezen zomer op reis ontmoet heeft. Ze schijnt heel mooi en schatrijk te zijn en woont op 'n groot buitengoed in Wales.
Hij is er op 't oogenblik gelogeerd en trouwt al in Januari. Mevrouw Verhoogh weet allerlei bizonderheden. De heele stad is er vol van.
Ada is er ellendig over. Zoo bleek en behuild was ze toen ik haar voor 't eerst weerzag nà Dennenoord. Voor ons beiden is er wèl veel veranderd sinds dien tijd....
Ze kón 't eerst niet van George gelooven, die háár vriendelijke brieven schreef, terwijl hij dat Engelsche meisje al druk 't hof maakte....
Ze ziet nu wel in, dat ze met zóó'n man toch nooit gelukkig zou zijn geworden en doet haar uiterste best over haar teleurstelling heen te komen. Ze is voor 'n poosje bij 'n oom en tante in Maastricht gelogeerd en van plan, net als ik, voor 't een of ander examen te gaan studeeren.
Ze denkt over botanie. Daar heeft ze altijd veel plezier in gehad. Hard werken is toch de beste manier om 't zoo gauw mogelijk te vergeten, dat geeft ze haar ouders volmondig toe.
Mevrouw Witsen is eigenlijk blij, dat 't nu maar voor goed uit is. Zij hield niet erg van George en meneer had evenmin veel met hem op.
Die kan van die verfijnde, fatterige jongelui in 't geheel niet uitstaan, en ik herinner me heel goed, hoe hij Jo Witsen af en toe voor den gek hield, als die op Dennen-oord met erg buitenmodelsche vesten en dassen rondliep.
Roos vindt 't erg zielig, maar is even blij als ik, dat Ada's oogen nu eindelijk geopend zijn. We praten of schrijven haar maar niet veel over de questie, maar voelen ons meer dan ooit vriendinnen met ons drieeën, hoewel Théo ons plaagt en altijd van „'t klaverblad” spreekt. Maar hij mag Ada en mij heel graag, en we verheugen er ons in, dat Roosje door haar engagement niet voor ons verloren is gegaan.
Vanmorgen heb ik m'n eerste les bij monsieur Durand gehad.
Als ik heel hard werk kan hij me waarschijnlijk in twee en 'n half jaar klaar hebben voor mijn acte A. Ook zal ik minstens nog een maand of drie naar 't buitenland moeten, maar dat is van later zorg. Hij heeft me voor de volgende week 'n ontzettend groote thema en 'n flink eind grammaire opgegeven en me op 't hart gedrukt, vooral netjes en duidelijk te schrijven en iederen dag geregeld te werken.
In 'n groote, kale kamer zaten we naast elkaar aan 'n langwerpige tafel met 'n donkerrood tafelkleed vol inktvlekken en zakelijk bespraken we alles. Hij legde 'n paar boeken voor me klaar en maakte 'n lijstje van enkele, die ik noodig had en me aan moest schaffen en liet me toen, bij wijze van proef, 'n eind hardop lezen en vertalen uit de Balzac's: Eugénie Grandet.
M'n slapen bonsden en ik gloeide van inspanning en agitatie toen 't uur om was.
Toch was hij niet onvriendelijk of ongeduldig, maar 't leek zoo'n echte schoolvos: 'n glimmend kaal hoofd, 'n rood gezicht met 'n grijzend baardje en kleine, grijze oogen achter 'n lorgnet.
Ik kreeg niets geen Franschen indruk van hem, maar hij vertelde dan ook, dat hij Zwitser is!
Zijn handen alleen zijn bizonder welverzorgd en z'n stem klinkt welluidend en beschaafd, en natuurlijk spreekt hij onberispelijk Fransch, waar 't dan ook eigenlijk 't meest op aankomt.
„Vous êtes fatiguée, mademoiselle?” vroeg hij, me over z'n lorgnet heen aankijkend, terwijl hij me uitliet.
„Un peu, monsieur,” antwoordde ik bedremmeld. Toen kwam er 'n klein bleek meisje in 'n rood jurkje door de halfduistere gang aangesprongen, dat haar beide magere armpjes door z'n linkerarm stak en hem met zich mee wou trekken.
We stonden al bij de voordeur, maar hij tilde 't kleine ding vol trots in de hoogte.
„Allons, Juliette, ma chérie, dis bonjour à mademoiselle,” en 't kind, half schuchter, half onwillig, reikte me 'n bevend handje.
Daarop opende hij de deur.
„Adieu mademoiselle, au revoir!”
„Au revoir, monsieur,” mompelde ik, en met m'n boeken onder den arm, liep ik langzaam naar huis, doodmoe met kloppend hoofd.
Toen ik thuiskwam, voelde ik me ineens zoo vreemd en duizelig, dat ik 'n oogenblik op de rustbank moest gaan liggen. Gelukkig was moeder boven en zag ze me niet, voor ik weer bekomen was.
Moeder maakt zich ongerust over me en de anderen vinden, dat ik er slecht uitzie. Bij buien valt 't me zelf ook op.
Sinds vaders dood ben ik zoo bleek en mager geworden, maar misschien lijkt 't erger met die zwarte kleeren. Als ik maar niet aldoor zoo loom was, zou 't me niet kunnen schelen, maar die loomheid hindert me bij alles. Ik word er soms suf van. 's Avonds val ik als 'n blok in bed en slaap dadelijk. Als moeder iets tegen me zegt, ben ik al lang onder zeil, en toch is 't of ik iederen morgen vermoeider opsta.
Ik klaag er maar niet over. Dat geeft toch niets, maar als 't niet overgaat, zal ik eens stilletjes naar 't spreekuur van onzen dokter zien te snappen. Moeder mag 't vooral niet merken. 't Zal wel niets zijn dan 'n beetje bloedarmoede. Dat is zoo in de mode tegenwoordig! Toch is 't wel raar, dat ik van 't minste of geringste zóó gauw moe word.
Na de koffie bood ik aan om stof af te nemen hier in den salon en 't wat gezellig te maken, want moeder heeft vanmiddag ontvangdag en wil liefst hier boven zitten. Ik zal straks thee voor haar schenken. Als er maar niet veel menschen komen, want zoo akelig als ik me nu toch voel!
M'n hoofd bonst en m'n rug steekt, alsof ik heel zwaar werk gedaan had en ik heb hier alleen maar stof afgenomen, de theetafel in orde gemaakt en wat Oost-Indische kers geschikt in 't kristallen bakje op 't kanapée tafeltje.
Daar slaat de pendule twee uur.
Vooruit! Ik moet nog 'n paar dalia's gaan plukken voor 't Brouwer-vaasje op de étagère. Daar staan ze zoo aardig in!
Ik dwing mezelf op te staan uit den fauteuil, waarin ik, met den stofdoek in de hand, even heb zitten uitblazen en loop naar beneden.
M'n hoofd duizelt en zoo vreemd beverig ben ik op m'n beenen. Allemaal kleuren warrelen er voor m'n oogen.... Gauw maar den tuin in, dan gaat 't wel weer over!
Ik doe de deur van de huiskamer open. Moeder en Flip zijn binnen. Ik zie ze als in 'n nevel.... 't Is of de heele kamer met me rond draait.... Ik klem me ergens aan vast....
„Water,” hijg ik, m'n uiterste krachten inspannend om me op de been te houden. Maar ik kan niet langer. 'n Vreemd geruisch komt in m'n ooren en, volkomen willoos geef ik me over....
* * * * *
Ik ben ziek.
Al meer dan 'n maand lig ik pal te bed, maar ik ga nu toch goed vooruit.