Piepkuikentje

Part 6

Chapter 64,244 wordsPublic domain

Bé en Emmy van der Marck hebben ook al 'n bewondering voor haar. Vrijdagavond was er 'n feestje bij de van Slootens, ter eere van mevrouws verjaardag, en toen droeg Annie „Beatrijs” van Boutens voor en waren aller oogen onafgebroken op haar gevestigd. Ze had 'n vieil-or zijden japon aan, laag uitgesneden en gegarneerd met prachtige oude kant. Ze treedt er wel eens mee op, als ze in 't publiek zingt, wat in den afgeloopen winter 'n paar maal voorkwam, zooals ze aan Bé vertelde. Natuurlijk zag ze er heel mooi uit, maar ik vond 't mal, gewoon mal, om je voor 'n eenvoudig feestje zóo uit te dossen en onuitstaanbaar vond ik al die opmerkingen om me heen.

Ik had er wat voor gegeven als ik Huib's gezicht even had kunnen zien, maar hij zat helaas achter me, heelemaal in 'n hoekje en ik durfde niet goed om te kijken. Iedereen gloeide van bewondering.

„Wat 'n pracht van 'n stem!”

„Wat draagt ze _magnifique_ voor.”

„O en haar bewegingen en de houding van haar hoofd! Net zoo'n Toorop-figuurtje!”

„Haar zang is nog veel mooier. 'k Hoop dat ze ook zingen zal vanavond.”

„Nietwaar, juffrouw Westenbergh, u zingt straks toch wat. Hè, toe?”

Maar Annie quasi-bescheiden—want ze vond 't natuurlijk zálig, die algemeene adoratie—trok zich wat terug, liet eerst 'n paar anderen hun kunsten beproeven en overvleugelde ze toen allemaal met háár liederen, die Huib haar accompagneerde.

Ze begon met 'n paar oud-Fransche bergerettes en zong o. a. 't bekende:

Maman, dites-moi ce qu' on sent quand on aime? Est-ce plaisir? Est-ce chagrin?

met zoo'n naief gezicht, dat 't me driftig maakte en ik wel had willen roepen:

„Kind, hou je toch niet zoo van den domme! Dat hoef je heusch niet aan je moeder te vragen. Dat weet je zelf heel goed!”

Toen zong ze 'n paar ernstige liederen en eindigde met 'n lied van Brahms, dat Floor wel eens zingt en waarvan de simpele woorden me stáken als priemen:

„Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher. Der Tag ist nicht so heiter, so liebreich gar nicht mehr. Das Feuer kann man löschen, Die Liebe nicht vergessen Das Feuer brennt so sehr. Die Liebe noch viel mehr.”

O, ik had wel weg willen loopen, maar dat ging niet aan. Blijven moest ik natuurlijk om de menschen.... Mevrouw van Slooten had wèl succes met haar logéetje! 'k Zat gelukkig nogal in 'n duister hoekje en niemand lette op me. Annie boeide aller oogen en ooren, en toen 't lied uit was, ging er 'n daverend applaus op. Ik klapte ook mee, omdat ik 't niet laten durfde en voelde m'n wangen gloeien, toen Huib zich op 't pianokrukje omwendde en tegen me lachte met 'n zijdelingschen blik naar Annie, alsof hij zeggen wou: „Nou hoe vindt-je 't?”

En ik forceerde me, lachend terug te knikken, hoewel ik inwendig beefde en trilde van afgunst...

Dat is nog m'n eenige troost, dat niemand er tenminste iets van afweet, al begrijp ik niet, waar ik op den duur de kracht vandaan zal moeten halen om die komedie vol te houden.

„Piepkuikentje ziet wat bleekjes de laatste dagen. Dat uitstapje naar Dennen-oord zal 'r goed doen. Heb je weer hoofdpijn, kleintje?” vroeg vader vanmiddag aan tafel.

„O heelemaal niet, vadertje. 'k Voel me uitstekend,” zei ik met 'n lachje, „en ik vind 't natuurlijk dól om bij de Witsens te gaan logeeren!”

't Was 'n grove leugen. Niets vind ik „dol” meer sinds die afschuwelijke Annie hier is. Van niets kan ik meer volop genieten. 't Is of de mooiste en prettigste dingen hun glans verloren hebben....

_Die Sonne scheint nicht mehr so schön als wie vorher...._

Gelukkig verdwijnt ze overmorgen, als Roosje en ik op Dennenoord zullen zijn, van 't tooneel. Zij en nog 'n jonger zusje gaan mee op reis naar 'n buitenlandsche badplaats, waar haar moeder, die ziekelijk schijnt, ieder jaar 'n paar weken moet doorbrengen.

Waar je komt, overal hoor je over Annie Westenbergh spreken, en Bé joeg me daarnet weer 'n doodschrik op 't lijf door in de gang te zeggen, terwijl ik meeliep om Aad en haar uit te laten:

„Zeg, geloof jij dat 't tusschen Huib van Slooten en Annie iets worden zal? Bij tante Suze hoorde ik er mevrouw Hofmann over spreken, en Aad en ik hebben 't ook al gedacht.”

„Zoo?” vroeg ik schijnbaar onverschillig, maar m'n hart bonsde.

„Is 't jou dan niet opgevallen, hoe ze samen zijn?” drong Aad argeloos aan. „Hé, ik dacht, dat meisjes zulke dingen altijd nog eerder zagen dan wij mannen.”

„Nee, ik heb niets gemerkt”, hield ik vol. „Maar hoe kwam mevrouw Hofmann er aan?”

„O, die had 't bij de Verhoogh's gehoord.”

„Dan zal 't wel waar wezen. Mevrouw Verhoogh weet altijd nog meer, dan de menschen zelf,” zei ik sarcastisch.

„Nou, dat beweer ik niet, maar 'n engagement als dit, zou me toch niets verwonderen. En jou?”

„O, nee, je ziet wel mindere stelletjes!”

„Hè, wat zeg je dat onaardig. Zou jij 't dan geen goed paar vinden?” vroeg Bé.

„Natuurlijk. Ze mogen doen en laten wat ze willen. Ze hebben m'n zegen hoor! Dáàg, wel thuis,” en ik sloot de voordeur achter hen, moedeloozer en ellendiger dan ooit, om boven m'n halfgevulden koffer voor Dennen-oord vol te pakken, dien ik van plan was den volgenden dag vast te verzenden.

Ik voelde geen aanvechting tot huilen. M'n tranen waren op en veranderden toch niets aan 't feit, maar nooit deed ik iets met zoo weinig lust en illusie.

En met 'n gevoel van oneindige bitterheid bekeek ik 't blauwe etiquetje van 't Parijsche hôtel, boven op 't deksel.... Zou ik me ooit weer zoo licht en vroolijk voelen als toen? Of zou 't „Verfehlte Liebe, verfehltes Leben” ook op mij van toepassing worden?.... Maar dat ging niet aan, ik was pas negentien! 't Hééle leven lag nog voor me. En toch kon ik me niet voorstellen, dat ik zonder Huib ooit gelukkig zou kúnnen worden....

Na 'n tijdje kwam moeder eens kijken hoe 't stond met de pakkerij. Ze was zeer verbaasd dat 't zóó lang duurde, maar ik kon er m'n gedachten niet bij houden en sufte inplaats van voort te maken.

Toen ik eindelijk naar beneden ging om goedennacht te zeggen, vond ze dat ik er dood-moe uitzag en ook vader keek me bezorgd aan.

„Je bent niets fleurig, Piepkuikentje, scheelt er wat aan,” vroeg hij zóo goedig met m'n gezicht tusschen z'n handen, dat de tranen ineens weer kropten in m'n keel. Maar ik hield me taai.

„Welnee, vadertje, 'k ben alleen wat moe. U zult 's zien hoe goed ik er uitzie, als ik van Dennen-oord terug kom.”

„Ja, dat willen we hopen. Ik zal Roosje de boodschap meegeven, dat ze goed op je letten moet.”

„O, nee, alstublieft niet. Ik mankeer heusch niets,” zei ik naar de deur gaande en toen vroolijk wuivend naar vader en moeder beiden: „Goeden nacht samen!”

* * * * *

Spijt dat ik naar Dennen-oord gegaan ben, heb ik niet, nu ik er eenmaal zit, want al geniet ik veel minder van dit uitstapje, dan de vorige maal, 't is hier zóó vroolijk en druk, dat 't vanzelf minder opvalt als ik stil ben, wat thuis natuurlijk dadelijk in den kijker loopt.

Ook kan ik me bij vreemden beter in-houden en is er ondanks alles wat me zoo onuitsprekelijk hindert en verdriet doet, iets van troost en opwekking in de gezellige hartelijkheid van de Witsens en de heerlijk-gezonde hei- en dennenlucht. Het huis ligt 'n half uur ongeveer van 't naastbijgelegen dorp, midden in de bosschen en behalve den tuinman—die tegelijk koetsier is en Roosje en mij met 't hittenwagentje van den trein kwam halen—zie je er, den postbode en 'n enkelen leverancier uitgezonderd, niemand. We zijn hier dus zoo vrij als vogeltjes in de lucht!

Ada is de oudste van de vier kinderen. Op haar volgt Hannie, 'n doddig meisje van vijftien, met prachtig zwart haar en guitige donkere oogen, die zoo half en half bij de groote menschen behoort en dan de „kleintjes” Henk en Nico, leuke, brutale rakkers van twaalf en tien, die onophoudelijk in slooten vallen en in boomen klimmen, en juf, 't goedige, dikke menschje, dat alles met de twee meiden bereddert, met rupsen en kikkers achterna zitten, om haar als ze op 't punt is boos te worden, met zulke boetvaardige zondaarsgezichten te achtervolgen, dat ze haar hart niet tegen de deugnieten verharden kan en ze maar weer in genade aanneemt.

Er logeeren ook nog twee neven Witsen, Théo en Jo, heel geschikte jongelui. Théo, de oudste, is pas gepromoveerd in de rechten, Jo studeert in Delft. Ik vind Théo de aardigste. Hij kan zoo leuk stoeien met de jongens en zoo grappig iets vertellen. Jo is zeer galant en nogal 'n flirt, maar verder toch wel aardig. Ik schiet best met 't tweetal op.

Roosje kende hen al. Haar broer Frits en Théo zijn vrienden, doch ik heb hen vroeger nooit ontmoet.

Toch noemen we elkaar voor 't gemak en de gezelligheid maar allemaal bij den naam, want mevrouw Witsen vooral, is er op uit alle stijfheid te weren hier buiten, al is zij er zeer op gesteld, dat 's middags aan tafel 't decorum stipt in acht genomen wordt en iedereen zich in de puntjes kleedt.

„Dat is Ma's Engelsche bloed,” plagen Ada en Hannie, want hun grootmoeder van moeders kant was 'n Engelsche. Maar we vinden 't allemaal 'n prettige gewoonte. Je voelt je zoo schoontjes en opgefrischt, als je na 'n dag van in 't gras liggen en buiten rondloopen, weer eens op z'n Paaschbest bent. Meneer Witsen en de jongelui verschijnen dan ook trouw in smoking, terwijl wij, meisjes, meestal in 't wit zijn en mevrouw 'n gekleede japon draagt.

Juf is 'n kwartier vóór tafel gewoonlijk in één race om de jongens op te vangen, die dan keurig met schoone handen en in kraak-heldere matrozenpakken aan den disch plaats nemen.

Vanmiddag—er werd net gebeden—hoorde ik ineens naast me 'n erbarmelijk gepiep. Ik waagde 'n oogje naar m'n beide cavaliers: links Jo Witsen, rechts Nico. 't Kwam van rechts waar Nico zat, die zoo gauw mogelijk z'n soep begon te lepelen. Meteen zag ik iets bewegen onder z'n matrozenkieltje.

„Kijk toch voor je,” snauwde hij zachtjes, gauw z'n hand er tegenhoudend.

Maar juf, de alziende, die tusschen de twee kleine jongens in zat, werd 't ook gewaar.

„Wat voer je toch uit, Nico,” vroeg ze, en 't gepiep werd ineens zóó hevig, dat iedereen verbaasd opkeek. 'n Klein vogelkopje kwam voor uit Nico's bloese gluren en, eer we er op verdacht waren, rende er 'n geel kuikentje, schril piepend als 'n bezetene, over de keurig gedekte tafel.

De schuldige keek doodsbenauwd, maar er ging 'n schaterlach door de gelederen, die hem nogal geruststelde. Hij wist 't zelf handig in z'n servet te vangen.

„'t Was van de kloek afgeraakt en toen heb ik 't maar mee naar binnen genomen, want de gong ging net, en toen had ik geen tijd meer om 't weg te brengen,” zei hij triomfantelijk, heel goed begrijpend, dat hij er nu wel zonder standje af zou komen en meteen stond hij op 'n wenk van z'n vader op, om 't toch maar liever weer naar de kloek te brengen als 't mocht. 't Was zoo'n raar gevoel dat gespartel in je bloese, en misschien wel niet zoo erg goed voor 't kuikentje.

Iedereen had er pret om met 't gevolg, dat Nico zich zeer gewichtig inplaats van schuldig voelde. Na 't eten wist hij gauw met Henk te ontsnappen, om pas tegen negen uur weer te voorschijn te komen, toen juf zich al geruimen tijd stond schor te roepen om 't edele tweetal te vermanen, dat 't meer dan bedtijd was.

's Avonds na tafel spelen we gewoonlijk nog 'n spelletje tennis of wandelen 'n eindje en, als 't donker wordt, gaan we voor 't huis theedrinken.

Dan staan in de zaal beneden de ramen open en wordt er meestal binnen door den een of ander muziek gemaakt.

Mevrouw en Théo spelen uitstekend piano, Ada en Hannie zingen en Roosje heeft haar viool meegebracht, dus muzikale krachten genoeg. Ik behoor altijd tot de luisterende partij, daar ik niets kan dan 'n heel klein beetje pianospelen. Maar ik vind 't heerlijk rustig op de bank vóór 't huis te zitten en naar de sterren te kijken.

Om kwart over tien wordt er opgebroken en gaat iedereen naar bed, behalve meneer en Théo, die meestal binnen nog wat blijven lezen.

Roosje en ik hebben samen 'n kamer tegenover die van Ada en Hannie, en dikwijls komt Ada in nachtgewaad nog „even” bij ons aanwippen om 'n praatje te maken. Dat „even” duurt dan ongeveer 'n uur. Hannie slaapt altijd al lang, als Ada terugkomt.

Ada is vol over de bruiloft en haar bruidsmeisje-zijn bij Dora Witsen, de zuster van Théo en Jo, die 'n paar weken geleden getrouwd is en Roosje en ik worden vergast op eindelooze verhalen over George Hofmann, waar ze 'n philippine mee heeft. Ze correspondeeren nu samen: om de veertien dagen 'n brief.

„Zoo geestig schrijft hij,” zegt Ada, maar ik vrees dat z'n brieven wel net zullen zijn zooals z'n heele persoon is, niets dan 'n beetje oppervlakkige flirt.

Haar Vader en Moeder weten van dat geschrijf. Die vinden 't eigenlijk maar half goed, maar vertrouwen Ada te veel om haar niet haar eigen gang te laten gaan.

Nu, Ada vertrouwen, kunnen ze in alle gerustheid, al zijn Roos en ik 't er allebei over eens, dat we haar 'n man als George niet toewenschen! Af en toe geven we haar wel eens 'n bedekten wenk, maar dan zegt ze goedig:

„Och jullie vindt hem niet zoo erg aardig, dat weet ik wel, en flirten doet hij ook wel eens, dat geef ik toe, maar heusch, ik ken hem beter dan jullie. Z'n „fond” is goed. Hij is alleen maar 'n beetje verwend door z'n moeder en z'n zusters. Later gaat dat er wel uit.”

Roos en ik gelooven er niets van, maar hopen 't van harte voor Ada.

Ze is zoo lief in huis; zoo geduldig en vriendelijk tegen Hannie, die wel grappig is, maar soms erg nesterig doen kan en net 'n moedertje voor Henk en Nico, die met hun bezwaren altijd bij Ada aankomen.

Ik wensch haar geen soortgelijke misère toe als ik zelf nu aan 't doormaken ben.... Hoewel 'n vergelijking tusschen Huib en George niet te maken valt. Foei, ik moet er niet aan denken....

Zoo nu en dan meen ik op te merken, dat Théo Roosje nogal aardig vindt. Hij zoekt veel haar gezelschap en ze musiceeren elken avond samen.

Ik praat er natuurlijk niet over. Ook niet met Ada, maar gebruik m'n oogen en denk er 't mijne van.

Bij Roos is 't nog zóó onbewust! Ze is zoo eenvoudig, zoo zonder 'n schijntje coquetterie, en dat vindt Théo juist aardig, dat merk ik aan alles.

Ik hoop dat er wat van komt; ze lijken geknipt voor elkaar.

* * * * *

Er is iets heerlijks gebeurd, iets wat al m'n tobberijen met 'n tooverslag op de vlucht heeft gedreven!

Vanavond bracht de postbode, die hier tweemaal daags aankomt, 'n brief voor me van Bé. We dronken zooals gewoonlijk thee vóór 't huis, maar ik zat zóó ver af van 't petroleumlampje, en de lampions boven m'n hoofd gaven maar zoo zwakjes licht, dat ik opstond om binnen even te gaan lezen.

Hoe blij was ik, dat ik niet van Jo's vriendelijk aanbod om van plaats te verwisselen—hij zat vlak bij 't lampje—had gebruik gemaakt en rustig en ongezien 't schijnbaar zoo onbelangrijk nieuws onder de oogen kreeg!

Bé schreef eerst van Flip en de van der Marcks, die den vorigen dag vol verhalen over hun reisje waren thuisgekomen en dat Floor en Max ook terug waren met de kinderen, die er zoo heerlijk uitzagen en zoo genoten hadden van 't strand en de duinen.

Toen, na de verontschuldiging: „'t Is eigenlijk maar 'n leuterbrief, maar ik weet dat je dat toch wel gezellig vindt,” kwam voor mij 't belangrijkste.

„Nietwaar, jij hadt ook gedacht, dat Huib en Annie Westenbergh zoo half en half geëngageerd waren? Nu daar is hoegenaamd _niets_ van aan, hoewel 't algemeen verondersteld werd en verscheiden menschen 't uitstrooiden. Mevrouw van Slooten, die iets van die praatjes gehoord schijnt te hebben, vertelde ons gisteren, dat Annie al langer dan 'n jaar in stilte geëngageerd is met 'n vriend van Huib—den naam noemde ze niet—en dat 't in 't najaar publiek zal worden. Wij stonden gewoon páf toen we 't hoorden. Wij hadden zoo stellig en zeker gedacht, dat 't met Huib iets worden zou, hoewel we er ons gelukkig niet tegen vreemden over hebben uitgelaten. Jij bent de eenige, die er niet zóó grif van overtuigd was, hoewel 't jou toch zeker ook niet verwonderd zou hebben. Ze leken zoo bizonder voor elkaar geschikt, maar je ziet alweer, 'n mensch kan zich vergissen, op dit gebied vooral!”

Ademloos las en herlas ik die regels. 'k Had 'n oogenblik noodig om de questie te verwerken. 't Wou er zoo gauw nog niet bij me in, maar als mevrouw van Slooten 't nu toch zelf tegensprak...

't Was of er 'n zware last van me afviel. 'k Had 't wel uit kunnen jubelen, zóó blij was ik, en 't scheelde niet veel of ik had in m'n eentje 'n rondedansje door de zaal gedaan. Maar de stem van mevrouw bracht me gelukkig tot mezelf voor 't tot daden kwam!

„Lizzy, kindlief, je thee wordt koud.”

„Daar drijft 'n heel aquarium in je kopje,” plaagde Theo.

„Ja, ik kom,” riep ik terug en uiterlijk kalm, innerlijk trillend van blijdschap, voegde ik me weer bij 't gezelschap. Doch even later lachte ik zoó uitbundig om 'n flauwe ui van Jo, dat Ada en Roosje me verwonderd vroegen wat ik toch had.

„O niks. 'k Heb nog pret om die brief van Bé. Ze schreef me zoo iets dwaas,” antwoordde ik, niet in staat zoo gauw iets anders te verzinnen.

„Hè, vertel 't ons ook,” drong Ada aan, maar ik zei, dat ik 't niet vertellen mocht en lachte van pure zenuwachtigheid tot de tranen in m'n oogen kwamen.

Toen ik in bed lag, kwam ik weer tot mezelf. Roos was stil en we bleven niet meer napraten, zooals andere avonden. Toch lag ik nog uren wakker en schaamde me diep over m'n leelijke afgunst.

Hoe schandelijk onrechtvaardig was ik geweest! Annie had me nooit iets in den weg gelegd, was altijd vriendelijk tegen me. Zij kon 't toch niet helpen, dat ze zooveel mooier en talentvoller was dan ik!

En met plotselingen schrik zag ik ineens in, dat 't volstrekt geen uitgemaakte zaak was, dat Huib van mij hield of zou gaan houden, omdat hij nu niet precies over Annie gedacht scheen te hebben....

De verhouding tusschen Huib en mij was gebleven zooals vroeger, maar de kans was nog niet verkeken! Ik mocht weer hopen! En met die geruststellende gedachte viel ik in slaap.

HOOFDSTUK VI.

Ze vinden allemaal, dat ik er zooveel beter uitzie de laatste dagen, en dat vind ik zelf ook.

„Dat komt van 't melk drinken en van de dennenlucht!” roept Mevrouw, wier trots en glorie 't is haar logées met dikke wangen naar huis te kunnen zenden en ik lach maar en zal me wel wachten, haar de ware oorzaak te openbaren!

't Is of ik nu pas genieten kan van de mooie natuur. Van de bosschen met hun wisselende licht- en schaduwplekken, waar de boomen zoo geheimzinnig ruischen en de insecten zoemen, van de hei, die begint te bloeien en de prachtige vergezichten met de drijvende wolken. Och, ik vond alles wel mooi met m'n oogen, maar 't ging zoo lángs me. 't Liet me eigenlijk zoo onverschillig, zoolang 't binnen in me niet pluis was, maar nu! Nu kan ik er met hart en ziel in opgaan, ben ik vroolijk om de minste kleinigheid.

Vandaag regent 't en zitten we allen prettig bijeen in de zaal. 't Is niets naar, om eens 'n dag binnenshuis door te brengen, vooral na dien vermoeienden fietstocht van gisteren!

Meneer en Mevrouw waren er bij, zoodat ze niet over ons in onrust gezeten hebben, maar alles meemaakten, toen we midden op de heide door 'n onweersbui werden overvallen en klets en kletsnat regenden.

We hadden geen drogen draad meer aan 't lijf, maar iedereen was 't er over eens, dat 't 'n hoogst avontuurlijke tocht was. Als razenden vlogen we achter elkaar over 't smalle fietspad met den wind in den rug, door de geweldige stortbuien, éénig gewoon.

Juf en de meiden wisten niet wat ze zagen, toen die heele druipnatte karavaan weer kwam aangefietst. Nico juichte en Henk was uit z'n humeur, dat hij 't waterballet niet had meegemaakt.

„Ik zou 't toch zoo leuk gevonden hebben”, riep hij met 'n huilstem, terwijl we allemaal in de gang onze soppende schoenen uittrokken en toen op onze kousen naar boven liepen om ons te gaan verkleeden.

Vanmorgen goot 't nog steeds, zoodat er geen denken aan was 'n voet buiten de deur te zetten. Ik schreef daarom 'n langen brief naar huis en hielp toen Ada en Roosje mee noga en boterkussentjes bakken en weerde Henk en Nico uit de keuken, daar die telkens strooptochten ondernamen om iets van 't lekkers, dat we aan 't bereiden waren, machtig te worden. Henk werd 'n oogenblik woedend op me, omdat ik hem uitlachte, toen hij 'n gloeiend stuk noga in z'n mond stak en met 'n gesmoorden kreet naar den gootsteen holde om 't daar te verwijderen. Maar toen ik hem naderhand 'n boterkussen van buitengewone afmeting vereerde, kwam ik weer in de gratie.

Vanmiddag, terwijl 't maar gestadig doorregende, hebben we ping-pong gespeeld en charades gedaan, waarbij Juf en de jongens ook meededen. We waren in twee partijen verdeeld, die ieder op de beurt iets voorstelden uit de geschiedenis, dat dan door de andere partij geraden moest worden.

De gansche historie van de schepping der wereld tot de jongste kamerverkiezingen toe, werd overhoop gehaald. Socrates, die te midden van z'n geliefde leerlingen den giftbeker dronk, Salomo, rechtsprekend over de twee moeders, wier kind werd voorgesteld door 'n sluimerrol, de begrafenis van de keizerin van China, en de kroning van Napoleon als keizer, dit alles werd met de meeste levendigheid en afwisseling vertoond en geraden.

't Aardigst was „de afstand van Karel V ten behoeve van zijn zoon Philips”, die met pracht en praal op de volgende wijze werd opgevoerd:

Theo met 't zilveren deksel van den jampot als kroon op 't hoofd en 'n rood pluche tafelkleed om, was Karel V, die steunend op den schouder van Roosje, den jongen prins van Oranje, zijn zoon Philips, alias Jo, die voor hem geknield lag, met plechtig gebaar 't deksel van den jampot opzette. Mevrouw, Kees en ik maakten 't gevolg uit en bejammerden 't, dat het zoo gauw geraden werd.

Spoedig daarop raakten we verzeild in allerlei onthoofdingen: Maria Stuart, Oldenbarneveldt, Charlotte Corday, 't werd eentonig en al te bloederig op den duur, maar Hannie en Henk wisten er meer variatie in te brengen door op 'n gegeven moment Adam en Eva voor te stellen onder 'n groote paraplu, waar Henk 'n paar onrijpe appelen had aangeprikt.

Maar nu hebben we er genoeg van; de orde in de kamer is hersteld en mevrouw schenkt 'n kopje thee voor ons, terwijl juf rondgaat met de lekkernijen, die we vanmorgen gemaakt hebben.

Henk en Nico zitten met propvolle monden elkaar 't grootste stuk noga te betwisten, Théo speelt 'n walsje en Jo en Hannie en Roosje en ik dansen, terwijl Ada de rozen, die haar vader net in den tuin is gaan plukken, in 'n kristallen vaasje schikt.

We zijn allen, ondanks den regen, in de genoeglijkste stemming als een van de meiden na 'n klopje binnenkomt.

„Wat is er, Sientje, 'n telegram?”

„Ja mevrouw, maar 't is geloof ik voor juffrouw Beumer; dat staat er tenminste op!”

„'n Telegram voor mij! O, wat zou er zijn?”

De piano zwijgt, er heerscht ineens 'n doodsche stilte, terwijl ik aller blikken op me gericht voel en bevend over mijn heele lichaam 't papier losscheur en met trillende stem lees:

_„Vader plotseling ernstig ongesteld spoedige overkomst gewenscht._

_Max.”_

„Ooh, o God!” kreun ik, en 't telegram valt uit mijn sidderende handen.

't Is of 't bloed wegzakt uit m'n hoofd.... Er komt 'n nevel voor m'n oogen.... Blindelings tast ik naar 'n stoel.

„Lizzy, Lizzy!” gilt Ada's stem vlak bij m'n oor. Dan wijkt die vreemde duizeligheid en flitst 't wreed en helder door m'n verward brein, dat ik naar vader moet, onmiddellijk! Ik heb geen minuut te verliezen.

Iedereen kijkt me verslagen aan. Ik hoor Roosje zenuwachtig snikken. Iemand houdt me 'n glas water voor, dat ik gretig aanneem en uitdrink.

„Mevrouw”, zeg ik smeekend, „ik moet weg, dadelijk”.

Ze slaat haar armen om me heen.

„Natuurlijk kindlief. We zullen alles voor je doen. Toe, probeer kalm te zijn. 't Kan toch nog wel meevallen. 't Is misschien niet zoo erg als je denkt....”

„Ik zal je brengen,” zegt meneer Witsen beslist. „Ik zal onmiddellijk laten inspannen. Daar gaat 'n trein om half zes. Die kunnen we nog makkelijk halen. Houd je nu flink, Lizzy!”