Piepkuikentje

Part 5

Chapter 54,163 wordsPublic domain

Als ze eindelijk voor de wandeling zijn aangekleed, zien ze er alle drie doddig uit in hun witte matrozenpakjes met lichtblauwe kragen. 't Vooruitzicht om naar tante Bé te mogen lokt Bobbie wel aan, vooral nu hij den olifant-op-wieltjes mee mag nemen! Loekie kan natuurlijk niet van Hoppo scheiden, dien Liesje bereidwillig 'n plaats naast pop Dora in haar wagentje inruimt. Maar terwijl ze haar poppenkind naast den beer in 't mandenwagentje schikt en ik voor den spiegel mijn witten stroohoed sta op te spelden, komt ze ineens op 'n ander idée.

„Zeg, tante Piep, 't staat eigenlijk zoo gek, 'n pop naast 'n beer! Als we poes Polly 's ankleedden en die meenamen! Laatst, toen we naar mevrouw Bakker gingen, mocht 't ook en Polly was zóó zoet. Daar had-je nou niks geen last van. Moekie zei 't zelf.”

Ik weet dat 't waar is en dat Polly volgens Max 'n lammerennatuur heeft. De kinderen sjouwen altijd met haar, en aan verkleed te worden is ze den laatsten tijd vooral zóó gewend, dat ze zelf heel gewillig haar pootjes uitsteekt, als Liesje haar 't een of andere poppengewaad aantrekt.

„Ja maar Lies, naar tante Bé is veel verder dan naar mevrouw Bakker. Die woont hier maar 'n paar huizen vandaan en 't is al zoo laat, al bij half vier,” weifel ik.

„Hè, tante, Polly zou 't zoo leuk vinden. Dat weet ik zeker,” zegt ze smeekend met zoo'n engelachtig-lief gezichtje, dat ik 't maar goed vind en meehelp Polly uit te dossen in 't roodflanellen keurig uitgetande pelerinetje, dat haar bizonder flatteert, evenals 't wit-vilten hoedje met 't blauwe veertje, waar ze schuchter dwepend onder uitkijkt. 't Is bepaald koddig zooals ze daar naast Hoppo in 't poppenwagentje zit, 'n weinig achterover, heel makkelijk in loome distinctie met 't zachtste kussentje, dat we vinden kunnen, in haar rug, 't witgehaakte spreitje aan weerszijden van 't wagentje sierlijk afhangend.

Ik begin er zelf pret in te krijgen.

„O juffrouw,” lacht Truitje, die ons uitlaat.

„Ja, hè, 't lijkt wel iets uit 'n honden- en apenspel, maar de kinderen hebben er zoo'n schik in.”

„Nou en de juffrouw houdt ook wel van 'n grapje,” zegt Truitje met 'n familiaar knipoogje, waarop ik me verplicht voel ietwat afgemeten te zeggen:

„Zal je er aan denken 't vleesch goed te bedruipen en de roomvla zoolang in den kelder zetten?”

„Ja juffrouw.”

Ik weet zeker dat ze ons blijft nakijken, maar ik zie niet om. Alles heeft z'n grenzen en tegenover Truitje, die niet altijd heel gepast is en zich erg voelt, moet ik mijn prestige hoog houden. 't Is wel 'n zonderlinge optocht: voorop Bobbie met den olifant-op-wieltjes, dan Liesje met Hoppo en 't kattekind en ik met Loekie aan 'n handje er achter.

We verheugen ons in veel belangstelling, maar niemand doet ons eenigen overlast en de kinderen zelf loopen met ernstig-genietende gezichtjes. Niemand van ons zegt 'n woord. Alleen bij den hoek van 'n straat waarschuw ik: „pas op,” zonder dat 't feitelijk noodig is, want Liesje en Bobbie zijn gewend hun eigen oogen te gebruiken en heel voorzichtig. In stilte bewonder ik Liesje, die zoo handig haar poppenwagen bestuurt en 't opwaaiende spreitje af en toe terecht schikt. Poes Polly zit zedig-onnoozel met knippende oogjes voor zich uit te kijken naast den onbeweeglijken Hoppo met z'n starende, zwarte kraaloogen. 't Blauwe veertje op Polly's vilthoed wappert statig heen en weer, maar zonder dat ze 't zelf zien kan, anders zou haar dit allicht wat onrustig maken. Ze schijnt 't ritje lang niet onaangenaam te vinden; alleen af en toe als er 'n hond voorbij gaat, doortrilt haar 'n licht zenuwschokje, maar dan beheerscht ze zich ook weer meesterlijk. Nog 'n klein eindje en we zijn er. Ik ben zeer benieuwd wat de anderen van deze processie zeggen zullen.

We slaan een hoek om en steken dan schuin over. 't Is 'n lange, stille straat met tuintjes voor de huizen. In de verte staat Bé in 'n witte japon al bij 't tuinhekje. Ze ziet ons aankomen en begint te wuiven en daarop komen Aad en de andere gasten, die ons blijkbaar allen vóór zijn, ook naar buiten.

„Kijk, daar heb je tante Bé, en kijk daar zijn oom Aad en oom Flip en meneer van Slooten ook en tante Roosje!” juicht Liesje, verrukt terugwuivend en Bobbie en Loekie raken eveneens in vuur.

„Hallo, daar komme we an,” schreeuwt Bobbie opgewonden met den olifant achter zich aan vooruithollend.

De sneldraaiende wieltjes snorren ratelend over de klinkers, rrrt!

Daar schiet luid-blaffend uit een van de tuintjes, waar we langs moeten, 'n groote, witte keeshond. 'n Snerpend miauw ontsnapt uit den poppenwagen en vóór we eigenlijk goed begrijpen wat er gebeurt, is Polly in haar opzichtig toilet van fladderend rood cape-je en witten vilthoed opeens den kees aangevlogen, die waarlijk niet wetend hoe hij 't heeft, uit alle macht 't vreemdsoortig monster met de woedendste kattenoogen, welke hij ooit aanschouwde, tracht af te schudden.

'n Onbeschrijflijk geluid van kindergehuil, hondengeblaf en kattengekrijsch vervult voor enkele seconden de lucht. Polly wordt eenige malen heftig door den verontwaardigden kees heen en weer geschud, ontsnapt dan ijlings en vliegt met 'n doordringenden schreeuw in haar gehavende pelerine den eersten den besten boom in. De kinderen en ik, Ada, Roosje en Huib van Slooten en de inmiddels toegeschoten eigenaar van den op de vlucht geslagen kees staan sprakeloos te staren naar 'n rood lapje en 't niet meer te herkennen vilten hoedje voor ons op straat.

't Is alles zoo ongelooflijk snel gebeurd, dat niemand iets heeft kunnen zeggen, of 'n hand uitsteken.

„Alstublieft mevrouw,” zegt eindelijk de eigenaar van den kees, 'n goedig mannetje met glimmend kalen bol, en buigend reikt hij mij 't roode en 't witte vodje over.

„Meneer....eh.... 't Spijt me zoo,” begin ik, maar dan barsten we allen uit in 'n niet meer te weerhouden schaterlach, behalve Loekie en Bobbie, die 't op 'n huilen zetten en Liesje, die zich met 'n bleek gezichtje angstig aan m'n rok vastklemt en 't zachtjes uitsnikt.

Flip en Bé zijn intusschen ook komen aanloopen. 't Geval heeft veel hilariteit verwekt. Uit de ramen van de dichtst bijgelegen huizen gluren nieuwsgierige hoofden. En met de treurige overblijfels van Polly's toilet in m'n rechterhand geknepen, vertel ik, die eigenlijk alleen kan uitleggen hoe de vork in den steel zit, zoo goed mogelijk 't heele geval, terwijl de anderen de snikkende kinderen tot bedaren trachten te brengen. Alle groote menschen hebben pret nu alles betrekkelijk goed is afgeloopen.

Dan leiden Bé en Roosje de kinderen naar huis, de meneer van den kees trekt zich buigend terug, en de jongens en ik, geholpen door 'n inmiddels naderbij gekomen agent, beginnen pogingen aan te wenden om Polly uit den boom te lokken.

Maar ze bedankt er hartelijk voor er uit te komen; héél bovenin blijft ze zitten in haar stuk-gebeten roode cape en verloochent totaal de haar door Max toegedichte lammerennatuur. Helsch loeren haar groene kattenoogen ons aan; ze blaast zoo hard ze kan, zoodat ze meer heeft van 'n duivel of woedenden sater en we Aads voorstel, om haar voorloopig maar stilletjes te laten zitten en eerst mee te gaan theedrinken, dankbaar aannemen.

De agent, die 'n fooitje krijgt, zal zoolang wel 'n oogje op haar houden, belooft hij.

We vinden de kinderen getroost en opgedroogd met hun drietjes op de kanapée in Bé's gezellige salonnetje, bezig groote stukken cake te verslinden. Roosje, goedig als altijd, belooft 'n nieuw pelerinetje en mutsje te maken, wat véél mooier staat dan zoo'n vilten hoedje en Bé stelt Bobbie en Loekie gerust met de verzekering, dat oom Aad wel zorgen zal, dat poes Polly vanavond weer thuis is.

„Poesen blijven soms uren lang in 'n boom zitten”, verzekert ze, met zóó'n kwistige hand chocolaadjes aan hen uitdeelend, dat ik, bang voor de mogelijke gevolgen, haar tot mindere mildheid moet aansporen.

't Wordt 'n allergenoeglijkst partijtje.

Roosje en ik schenken thee voor 't gezelschap en Bé wordt hemelhoog om haar bizonder goed uitgevallen cake geprezen. Flip, die haar anders zoo plagen kan, is 't gulst met z'n lof. Aad maakt de kinderen aan den gang door Hoppo de onmogelijkste sprongen te laten maken en Huib, met z'n kopje in de opgeheven rechterhand, drinkt 'n hoogdravenden toost op de gastvrouw en op „de katten-catastrophe,” die gelukkig zonder bloedvergieten is afgeloopen.

Om zes uur—Truitje wist niet waar we bleven en had de groenten laten aanbranden—waren we thuis en 's avonds kwamen Bé en Aad Polly brengen, secuur en luchtig verpakt in 'n afgedankte bloemenmand met 'n courant er over. Ze zag er weer even onschuldig uit als vóór 't gebeurde en sprong met 'n bedeesd „ miauw” de mand uit toen 't papier er werd afgenomen, maar in haar equipage zal ze althans buiten, vooreerst wel niet meer rondtoeren. Daar hebben de kinderen ruimschoots hun bekomst van.

* * * * *

Vanmiddag tegen etenstijd komen Floor en Max thuis, tot groote vreugd van hun kroost, dat bijna niet te houden is en allerlei verrassingen voor Paats en Moekie verzint. Ik ben den heelen dag in één race om alles te beredderen, want ik wil 't huishouden natuurlijk in de puntjes achterlaten en toonen, dat 't Piepkuikentje ruimschoots voor de haar opgedragen taak berekend was.

Vóór 't koffiedrinken, terwijl de kinderen in den zandhoop speelden, heb ik met de twee meiden de huiskamer en serre nog 'n flinke beurt gegeven en Liesje, in 'n vuile morsschort van Bobbie, kwam op haar dringend verzoek 'n handje meehelpen om de planten af te sponsen. Ze deed 't heusch heel handig met 'n vreugde-stralend gezichtje, maar gaf zichzelf bij ongeluk zóó de volle laag, dat ik haar na afloop wel wringen kon en genoodzaakt was haar van top tot teen te verkleeden. Maar dat oponthoudje had ik er graag voor over, want 't kind genóót en ik was mij bewust precies in Floor's geest te handelen. Ze laat de kinderen altijd zooveel mogelijk hun eigen gang gaan en vindt zoo'n nat pak niets.

Liesje glom van voldoening en toen ik Bobbie en Loekie boven voor hun middagdutje geïnstalleerd had, luisterde ik van af 't balkon van de slaapkamer, 't volgende gesprek af tusschen haar en 'n buurjongetje, dat haar dagelijks 't hof maakt door 'n reet van de schutting, waardoor ze mekaar nauwelijks zien kunnen.

„Ben jij daar, Hans?”

„Ja Liesje. Zal 'k bij 't gaatje in de schutting komme?”

„Ja, want ik moet je wat vertellen.”

„Goed.”

„Zeg Hans, 'k heb zoo lekker de planten mee helpen afsponsen. Ik was zelf heelemaal nat en vuil, maar tante heeft me verkleed en nou ben ik weer netjes.”

„Vond je tante dat dan goed? Was ze niet boos?”

„Nee, túúrlijk niet. Tante zei zelf dat ik 'r juist zoo hielp.”

„O! Zeg, wanneer mag ik weer 's op visite bij je?”

„Morgen als Moekie thuis is,” beloofde Liesje.

„Leuk! Mag 'k dan vroeg komme?”

„Misschien wel, 'k zal 't vragen. Breng je dan je paard mee?”

„Goed, maar dan mag Bobbie d'r niet mee spelen, hoor. Die maakt alles kapot,” en toen of hij spijt had van deze strenge voorwaarde: „wil je 'n knikker van me?”

„Nee, Moekie vindt knikkers gevaarlijk. Loekie steekt wel 's dingen in z'n mond,” weerde Liesje de gulle aanbieding af.

„Nou dag. Juf roept. Dag Liesje!”

„Dag Hans,” en Liesje begon weer ijverig madeliefjes te plukken, terwijl haar vriendje in huis verdween.

Ze liep aldoor in zichzelf te zingen onder 't heen en weer scharrelen, een en al blijdschap over de thuiskomst van Paats en Moekie, waar ze af en toe zóó naar verlangd had.

Om drie uur waren Bobbie en Loekie weer beneden en beleefden we nog 'n angstig oogenblik om Loekie, die al spelende, z'n linkerwijsvingertje in 't gaatje van 'n stoof gestoken had en 't er niet meer uit kon krijgen. Hij krijschte zóó van angst en ontsteltenis—huilen kon men 't geluid, dat hij voortbracht, met geen mogelijkheid meer noemen—dat Maartje uit de keuken kwam aangerend om te zien, wat er gaande was en geholpen door haar, gelukte 't me eindelijk 't arme vingertje, dat er al leelijk rood en gezwollen uitzag, te bevrijden. Eenige chocolaadjes, waar Liesje en Bobbie eveneens aanspraak op meenden te hebben, deden echter 't leed gelukkig gauw vergeten.

Ik had voor „welkom thuis” in alle vazen bloemen geschikt en uit naam van vader en moeder 'n groote taart besteld en hielp de kinderen, die ook iets feestelijks doen wilden, verder met de poppen aan te kleeden, die met sigarenbandjes en oranjelint versierd werden, evenals Hoppo en de olifant. Zelfs poes Polly was zoo goed niet, of ze moest 't spiksplinternieuwe roode cape-je om en 't mutsje op, dat tante Roosje den vorigen dag was komen brengen en werd toen in dat vurig toilet te slapen gelegd in de poppenwieg, tot 't plechtig moment van aankomst daar zou zijn.

We hadden afgesproken, dat ik Floor en Max alleen met de kinderen zou ontvangen en dat de familie hen 's avonds even begroeten zou, dus had ik de handen vol om 't woelige troepje in toom te houden.

Truitje dreigde 'n oogenblik brutaal te worden. Toen ik haar door Liesje liet vragen of ze wou zorgen om kwart over vier theewater klaar te hebben, kwam 't kind terug met 't bericht:

„Truitje zegt, dat ze niet tooveren kan,” waarop ik me zelf naar de keuken begaf en haar in tegenwoordigheid van Maartje kort en bondig meedeelde, dat ik niet verkoos, dat ze de kinderen ongepaste boodschappen liet overbrengen en dat ze maar aan mijn verzoek had te voldoen, of dat ik me anders tegen mevrouw over haar gedrag zou beklagen.

Gelukkig schaamde ze zich en zei ze dadelijk, dat ze 't niet zoo gemeend had en 'n oogenblik later hielp ze me zóó bereidwillig met 't vastmaken van m'n japon, dat ik me maar voornam niets aan Floor te zeggen.

Toen ik weer binnenkwam stonden Liesje en Bobbie geheimzinnig samen in 'n hoekje te smoezen.

„We doen 'n verrassing samen, maar jij mag 't niet weten, tante Piep,” zei Bobbie, en ik trok me met Loekie, die plaatjes wou kijken, dan ook in alle bescheidenheid terug.

Tegen half vijf hield midden in 'n geweldige regenbui 't rijtuig voor 't huis stil en de kinderen buitelden joelend over elkaar de gang in. Er was geen houden meer aan.

In triomf werden de reizigers naar binnen gehaald. 't Was zoo'n stormachtige begroeting, alsof ze maanden inplaats van één enkel weekje waren weggeweest.

Floor's blauwe reishoedje met sluier hing achter aan haar hoofd en Max' haar stond recht in de hoogte, toen ze eindelijk door hun liefhebbend drietal werden losgelaten.

„En nu 't Piepkuikentje, dat zoo trouw over onze kuikens gewaakt heeft! Hier, moeder, hier is ze,” en Max, na me gezoend te hebben, dat m'n wangen er pijn van deden, duwde me vrij onzacht in Floor's armen, pakte me toen op of ik 'n veertje was en droeg me naar de kanapée.

Ik liet maar met me sollen—aan verweren viel toch niet te denken—terwijl de kinderen juichten en „leve tante Piep!” riepen.

Toen scheen Liesje zich ineens te bedenken en fluisterde gejaagd Bobbie iets in, die aankondigde: „En nou komt de verrassing,” waarop poes Polly, die gekleed en gereed in de poppenwieg te slapen lag, te voorschijn gehaald werd en tusschen 't tweetal in plechtig naar Paats en Moekie geleid werd.

Liesje en Bobbie overhandigden hun als huldeblijk ieder 'n allerzieligst bouquetje slapgeworden madeliefjes en we hadden moeite ons goed te houden om Liesje, die met 'n plechtig stemmetje zei:

„'t Is weinig, maar uit 't hart!” en om Bobbie, die aanvulde: „nou zijn ze wel nie mooi, maar as je ze in 't water zet, worden ze strakkies prachtig! En is dit nou niet 'n echte verrassing?”

Nu dat wás 't en Liesje en Bobbie werden er zóó voor gekust en geknuffeld, dat Loekie jaloersch werd en ook om kusjes begon te bedelen.

Ik bleef dien middag nog eten en ben 's avonds met vader en moeder mee naar huis teruggegaan, duizendmaal bedankt door Max en Floor, die bizonder van hun uitstapje genoten hadden en me als aandenken 'n beeldig gouden speldje vereerden, waarmee ik natuurlijk heel blij ben, al houd ik mij voortaan ook zónder gouden speldjes of cadeautjes gaarne aanbevolen, hun huishoudentje te komen waarnemen als 't nog eens noodig mocht zijn.

[decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK V.

We zijn al weer bijna 'n maand verder: in de eerste helft van Juli. Flip, die met vlag en wimpel door z'n candidaats kwam, is als belooning daarvoor 'n voetreisje door den Harz gaan maken met de jongens van der Marck.

Floor en Max zijn voor drie weken met de kinderen naar Domburg vertrokken, voornamelijk voor Liesje, die zeelucht noodig heeft, en ik heb 'n invitatie van de Witsens om 'n dag of veertien op hun buiten Dennenoord te komen logeeren, waar ze 's zomers de vacantie van de kinderen altijd gaan doorbrengen.

Ik ben er twee jaar geleden ook geweest en heb er toen dolle pret gehad. De Witsens zijn 'n in-gezellige familie en er komen veel logés. 't Is er net 'n kostschool waar je alles doen mag wat je wilt! Den heelen dag zwerven we over de hei en door de bosschen, picnicken, liggen in hangmatten of in droge slooten te lezen, zwemmen in de beek, tennissen of maken fietstochten, precies zooals ons dat invalt. Alles is goed, als we aan de maaltijden maar tijdig verschijnen. Als 't regent, doen we spelletjes in de groote zaal of maken muziek, en bovendien is er 'n flinke boekenkast, waaruit iedereen vrij mag nemen wat z'n hart begeert. Mijn komst is bepaald in de laatste week van Juli. Roosje is dan ook gevraagd, wat ik erg prettig vind; Ada wóu en zóu ons samen hebben.

Toch zijn er dingen waar ik over tob.

Ten eerste hebben we geen goede tijding uit Indië, waar mijn zwager den laatsten tijd aan malaria schijnt te lijden. Ook is kleine Eef nogal ziek geweest tengevolge van tandjes, die niet door wilden komen, maar de allerlaatste brief, eenige dagen geleden, bracht gelukkig wat beter nieuws. Eefje is weer heelemaal in orde en Hermans malaria is van minder ernstigen aard dan ze eerst vreesden, al heeft hij af en toe nog wel nare dagen. De dokter zegt, dat z'n sterk gestel er hem wel weer bovenop zal brengen, en we hopen er dan ook 't beste van, al weten we dat malaria, vooral in Indië, meestal zeer hardnekkig is.

En dan is er nog iets, wat mij speciaal betreft en me erg hindert en verontrust, al zou ik er met niemand over durven spreken. Misschien lijkt 't maar zoo. O, ik wou niets liever, dan dat 't verbeelding was, maar...... 't is net of Huib verandert den laatsten tijd. Hij is niet onaardig of hatelijk tegen me, daar zou hij trouwens geen enkele reden voor hebben, want ik heb hem geen stroobreed in den weg gelegd, maar hij doet zoo koel en komt den laatsten tijd zoo weinig bij ons sinds hun logéetje Annie Westenbergh bij hen is.

Annie, 'n paar jaar ouder dan ik, is 'n knap, donker meisje, dat prachtig zingt en zoo mooi verzen declameert, zooals ik laatst op tante Suze's ontvangdag hoorde. Iedereen, die haar ontmoet, is verrukt over haar en ik moet bekennen, dat ik haar ook heel aardig en eenvoudig vond, voor ik meende op te merken, dat Huib zoo enthousiast over haar is....

Ik zag haar 't eerst bij de van Slootens, waar ik 'n avondje ging theedrinken, en toen zong ze, door Huib geaccompagneerd, liederen van Brahms en Schumann. Het klonk bizonder mooi. Zoo'n glans en diepte lag er in haar stem, en ze zag er heel lief uit in 'n witte japon, en later vertelde ze zoo aardig van haar jongere broers en zusters. Ik schoot goed met haar op en luchtte tegen Huib, die me na afloop van 't avondje even thuisbracht, m'n eerlijke bewondering, waarop hij met nadruk zei:

„Ja, Annie is wel 'n bizonder meisje en zoo lief! We hebben nog nooit zoo'n aardig logéetje gehad!”

Ik schrikte geweldig van die ontboezeming. 't Was als 'n onverwachts uitgesproken vonnis en waarlijk, zooals er in ouderwetsche romans staat: of ik 'n steek door m'n hart kreeg. Zoo'n wee gevoel was dat, maar ik hield me goed, hoewel ik beefde op m'n beenen. Gelukkig was 't pikdonker en werd er gauw opengedaan, en met 'n opgewekte stem, die maar 'n héél klein beetje trilde, zei ik, terwijl we elkaar gewoon-vriendschappelijk de hand schudden:

„Nou, dag Huib, tot ziens, hoor,” en hij:

„Dag Lizzy, wel te rusten!”

Vader en moeder waren al naar boven en ik ging dadelijk naar m'n slaapkamer, waar ik zoo maar met hoed en mantel op m'n bed neerplofte en huilde, huilde, zooals ik 't nooit te voren deed.

Toch verlichtte 't me en bleef ik met m'n hoofd in 't kussen liggen snikken, tot ik niet meer kón.

Hoe lang 't duurde voor ik eindelijk tot 't besef kwam me uit te kleeden, zou ik niet kunnen zeggen. Toch heeft niemand iets aan me gemerkt den volgenden dag. Moeder vond wel, dat ik bleek zag, maar ik zei, dat ik hoofdpijn had, wat wáár was.

Ik voelde me iets minder wanhopig, toen ik zoogenaamd op Flips kamer zat te werken en 't gebeurde van den vorigen avond nog eens zoo rustig mogelijk aan mij voorbij liet gaan. 's Avonds lijkt alles altijd erger, dan in 't klare daglicht. 's Morgens zie je de dingen weer heelemaal frisch, als met nieuwe oogen aan. Het leek me tenminste wel wat overdreven, toen ik 't eens goed overdacht. Huib kende mij toch al zooveel langer dan Annie, en ik had 't immers zelf uitgelokt. Ik was net zoo goed verrukt over haar geweest. 't Was laf om dadelijk den moed te laten zinken. Wat zei hij ook weer?

„Ja, Annie is wel 'n bizonder meisje en zoo lief! We hebben nog nooit zoo'n aardig logéetje gehad.”

Dat was alles. Ik wist 't nog precies. Nu, bizonder was ze zeker, ze zong prachtig, en lief.... dat was ze waarschijnlijk ook wel. En dat de van Slootens nog nooit zoo'n aardig logéetje gehad hadden sprak vanzelf. Er kwamen nóóit jonge meisjes. Soms logeerde er eens 'n zuster van mevrouw, of 'n oude, brommerige tante, of de jongens brachten een van allen eens 'n vrind mee. Die kon je toch met geen macht of mogelijkheid „aardige logéetjes” noemen. Nee, 't was larie. 't Was allemaal malle overdreven angst, omdat ik zooveel van Huib hield.... en heelemaal opgeklaard verscheen ik aan de koffie.

Dien middag ontmoette ik mevrouw van Slooten met Annie bij Bé, die „jour” had en erg vereerd was met 't bezoek.

Ik schonk thee en zei niet veel, maar lette des te scherper op. Er werd toevallig nogal over Huib gesproken, maar Annie verblikte of verbloosde niet. Ze zei alleen, dat hij haar zoo prettig accompagneerde en dat ze 't bepaald 'n genot vond om met hem te zingen, omdat hij als bij intuïtie voelde, hoe haar opvatting van de liederen was.

Ze droeg 'n bruin-laken mantelpak en 'n grooten hoed in dezelfde kleur, met dof-groen crêpe de Chine gegarneerd, en ik kon niet anders dan mezelf bekennen, dat ze er heel mooi en gedistingeerd uitzag en dat vooral haar manier van spreken 'n eigenaardige bekoring had.

Toen ik thuiskwam en mezelf critisch in den spiegel bekeek, was 't verschil zóó groot, dat me de tranen in de oogen sprongen en ik moeite had om niet hardop als een kind te gaan huilen.

* * * * *

Eifersucht ist eine Leidenschaft, die mit Eifer sucht und Leiden schafft....

Waar heb ik dat toch gelezen? Of is 't 'n wijsheid uit 't een of ander schoolboek? Is 't misschien van Goethe? Ik weet 't niet, maar als de oude, wijze Goethe 't gezegd heeft, dan had hij wél gelijk. Er is niets vreeselijker dan jaloezie, geloof ik, vooral voor de benijdende partij zelf, en dat ben ik helaas. 't Is 'n duiveltje, dat me niet met rust laat, dat ik, hoe ik er ook m'n best toe doe, niet 't zwijgen kán opleggen.

't Blaast me de leelijkste dingen in en weet aan de meest onschuldige gezegden 'n heel andere beteekenis te geven.

Annie Westenbergh is heel vriendelijk tegen me en ik kan niet anders doen, dan vriendelijk terug zijn, en toch voel ik aldoor dien geheimen wrok tegen haar. Misschien is die vriendelijkheid van haar kant politiek. Soms vind ik iets sfinx-achtigs in haar oogen, net of ze toch wel iets van m'n ware gevoelens jegens haar snapt, maar dan ook weer kijkt ze me doodonschuldig aan en geloof ik, dat ze in de verste verte niet beseft, wat me werkelijk bezielt.

We zien haar veel. Verscheiden malen is ze mee gaan tennissen en roeien, en altijd sjouwt Huib achter haar aan....