Piepkuikentje

Part 4

Chapter 44,155 wordsPublic domain

Laatst in 't Louvre liepen we met de overblijfselen van ons twaalfuurtje: 'n prop vette papieren en sinaasappelschillen in onzen reiszak. We hadden 't heele rommeltje keurig in 'n courant gepakt, maar vonden 't toch vervelend er den heelen verderen middag mee rond te sjouwen, te meer omdat we van plan waren 'n paar boodschappen te gaan doen, die in den zak moesten. Toch zagen we zoo gauw geen kans 't kwijt te raken. 't Onderweg „verliezen” ging moeilijk, dan zou de een of andere galante snoeshaan 't ons misschien nadragen.

„Geef maar hier,” zei Roos toen heel edelmoedig en met een doodleuk gezicht sloop ze naar 'n oud ventje, 'n gardien, die in 'n hoekje van de zaal zat te dommelen en lei 't voorzichtig op z'n schoot. Proestend holden we door, maar konden toch niet nalaten aan 't eind van de zaal even om te kijken en daar zagen we hem juist met 'n hoogst verbaasd gezicht 't pakje betasten en openmaken! 'n Eind verder vielen we neer op 'n rood kanapeetje, alle drie op 'n rijtje, krom van den lach, Emmy net zoo goed als wij.

Ik mag Emmy heel graag. Zoo frisch en pittig is ze en ondanks haar vijf en dertig jaren, zoo jong en echt levenslustig! In 't begin was ik 'n beetje verlegen voor haar. 't Was net of die hel-blauwe oogen door alles heen zagen, of ze alles van en aan me opmerkten en critiseerden. Maar dat zijn haar „schildersoogen,” zooals ze zelf zegt. Die zijn altijd aan 't waarnemen en vergelijken. En nu ik daar aan gewend ben, kan 't me ook niet meer schelen, want ze zegt nooit hatelijke dingen en is echt goedig voor ons. We hebben 'n massa van haar geleerd en toch laat ze zich nooit op haar meerdere kennis voorstaan.

Schilderen is de lust in haar leven en haar schetsboek is al bijna heelemaal gevuld met krabbels, die ze op onze tochten maakt en 's avonds meestal uitwerkt.

Ik wou, dat ik de helft van haar ijver en energie had! Roosje vindt ook, dat er van Emmy zoo'n lust tot werken uitgaat. 't Slaat bepaald op ons over! Roos is tenminste vast van plan met gloeienden ijver haar viool ter hand te nemen, als ze thuis is en ik ga me dadelijk met mannenmoed werpen in de zee van taalregels en thema's! De Fransche taal is mooi maar moeilijk, dat merk ik ieder oogenblik.

Ik kan me tamelijk vlug uitdrukken, doe 't zelfs met een zekere brutaliteit, maar maak hóópen fouten. Toch voer ik op m'n eigen verlangen meestal 't woord, want voor Emmy en Roosje geneer ik me maar niet.

Ik heb 'n gevoel of ik hier minstens al 'n maand ben, zóóveel hebben we beleefd en gezien, al is 't van heel Parijs natuurlijk maar 'n bitter klein beetje.

Op een smoorwarmen dag zijn we naar Chantilly getrokken, naar 't „vieux château des princes de Condé,” waar we de beroemde „Drie gratiën” van Rafaël zagen, prachtige „byoux”, gobelins en nog veel meer moois bewonderden en zóó moe waren na ons bezoek, dat we 'n uur buiten in 't gras bleven liggen om weer op ons verhaal te komen. 't Scheelde niet veel of we hadden den trein terug naar Parijs gemist. We klééfden eenvoudig aan de banken toen we er eenmaal inzaten. Het was dien dag zóó warm, dat we net als die oude jongejuffrouw in een van Hichens boeken, wel in ons geraamte hadden willen loopen.

's Avonds onweerde 't dan ook, maar den volgenden dag was 't toch mooi weer, alleen werd 't veel koeler, zoodat we zelfs onze mantels weer velen konden.

We zijn naar „Andromaque” geweest in de „Comédie française”, hebben natuurlijk 't graf van Napoleon en 't „Hotel des Invalides” bezocht en ons hart opgehaald aan souvenirs uit de Revolutie in „musée Carnavalet.” We hebben bloemen gestrooid op Heine's graf op 't kerkhof van Montmartre, 'n mis in de Madeleine bijgewoond, geroeid op 't „Grand lac” in 't Bois de Boulogne en 'n heelen middag boodschappen gedaan in de „Bon Marché”. Over afwisseling in 't programma hadden we dus niet te klagen. En we worden zoo handig en redzaam!

Gisteren nog toen we ons per auto van musée Cluny naar 't parc des Buttes Chaumont lieten rijden en de chauffeur ons wou afzetten, bewerend dat hij geen klein geld terug had, wisselden we onzen „louis” gauw aan 'n snoeptafeltje dicht bij 't hek van 't park, waar we eenige pijpen sucre d'orge kochten, die Roos en ik voor de oogen van den eerst zeer verbaasd kijkenden chauffeur—qui riait jaune!—aan eenige straatkinderen uitdeelden, terwijl Emmy hem zijn precies afgepast loon en 'n matig fooitje overhandigde. Hij zei eerst: „Ah, mesdames vous n'êtes pas généreuses” en mompelde toen iets van „Prussiennes!” maar we keerden ons met majesteit om en gingen 't park in, waar we heerlijk uitrustten na de vermoeienissen van ons museumbezoek.

De twee laatste dagen van ons verblijf hier zullen we wat kalm aanleggen om niet heelemaal „verpierelierd” thuis te komen. We hadden eerst naar Fontainebleau willen gaan, maar daarmee zijn we 'n heelen dag kwijt, dus is dat van 't programma geschrapt, want we hebben nog enkele inkoopen te doen en willen graag 'n laatst bezoek aan 't Louvre brengen. We zullen ons dus maar liever met 't bois de Vincennes tevreden stellen en tot slot en besluit nog een zalig Seine-tochtje maken.

* * * * *

Het is de avond van onzen laatsten dag!

We kunnen ons geen van drieën indenken, dat we morgenavond weer veilig en wel thuis zullen zijn... Ik verheug er me zeer op van al het genotene te vertellen, al zou ik er niet 't minste bezwaar tegen hebben nog 'n weekje te blijven!

We zitten, zooals bijna alle avonden voor 't naar bed gaan, op ons balkon te genieten van de Parijsche avondkoelte en 't „bacchanaal met spuitwater”, waaraan 't restje roode wijn, dat nog in onze flesch van table d'hôte overbleef, 'n tintje geeft. 'n Enorme zak „petits beurres”, eigenlijk meer voor de reis van morgen bestemd, verhoogt 't plechtige van dezen afscheidsdronk.

Emmy heeft de nota betaald, we hebben met elkaar afgerekend en de fooien voor 't personeel afgepast. Toch zullen we niet lang meer van „ons buitenverblijf” kunnen genieten, want we moeten pakken en tijdig naar bed! Om kwart over acht vertrekken we morgen al van de Gare du Nord en zijn dan 's middags vóór etenstijd thuis.

We zitten stil bij elkaar, denkend aan de heerlijke dagen, die achter ons liggen.

De zon is onder; de lucht ziet purperrood; daken en schoorsteenen krijgen 'n spookachtig aanzien.

Daar begint aan den overkant 'n gramophone te schetteren van: „Toréador en garde!” en plotseling komt er beweging in ons. We kunnen niet nalaten mee te neuriën en met onze voeten de maat te trappelen. Maar als 't lied uit is, springt Emmy overeind.

„Kom kinderenlief, met moed aan de pakkerij en dan naar bed! Morgen is 't vroeg dag en de reis is vermoeiend. Als jullie me soms noodig hebt, kom dan maar aan mijn kamerdeur tikken,” zegt ze haar stoel naar binnen schuivend.

„O, we zullen 't wel met ons beidjes afkunnen. Als jij ons een van beiden soms noodig hebt”.... bied ik aan.

„'t Zal met mij wel losloopen. Ik heb al zooveel alleen gepakt van mijn leven. Veel succes hoor!”

Ze geeft ons 'n zoen en vertrekt, lachend om de geweldige herrie op onze kamer, die wel 'n uitdragerswinkel lijkt. Op iederen stoel hangt of ligt 'n kleedingstuk. Schoenen, paraplu's en parasols, kleer- en haarborstels, sponsenzakjes, handspiegeltjes, Baedekers, schrijfgereedschap en stapels schoongestreken ondergoed zwerven in 't rond. Op de knoppen aan weerszijden van de spiegelkast staan onze hoeden.

„Net afgehouwen hoofden op pieken,” vindt Roosje.

De grond is bezaaid met papieren en houtwol. De kleeren, die ik morgen op reis noodig heb, liggen in edelen zwier op mijn bed gegooid. Aan 't voeteneinde hangt over 'n handdoek 'n ris natte handschoenen, die nog drogen moeten en 'n kom vol groezelig zeepsop, waarin Roosje „de wasch” behandeld heeft, staat op den grond, geflankeerd door 'n lampetkan met 'n bos pioenrozen, die we van 'n bedeljongetje op de Place de la Concorde kochten. We weten er eigenlijk geen raad mee en zullen ze morgen maar vergeten, omdat ze toch als hooi in Holland zouden belanden en we al handbagage genoeg hebben, want al onze bezittingen kunnen met geen macht of mogelijkheid in onze koffers, hoe vernuftig we ook van plan zijn te pakken.

Roosjes bed is één chaos van cadeautjes voor thuis. 'n Gipsen chimère van de Notre Dame (zoo'n afgietsel naar een van de duivels-met-beestenkoppen, die boven op de kerk rondom op de balustrade zitten) gluurt met nieuwsgierigen blik in 'n halfgeopende bonbonsdoos en 'n blakertje van Normandisch aardewerk loopt gevaar van haar kussen af te glijden.

We hebben nogal veel aardewerk en Roosjes voorstel, om 't allemaal bij elkaar in 'n kistje te pakken en dat bij ons in de coupé te houden, lijkt wel 't beste. 't Zal misschien eenige moeite opleveren bij de douanen, maar in onze koffers breekt 't licht en dat zou nog erger zijn.

Ik breng 'n massa leuke dingen mee voor thuis.

Voor moeder 'n leeren handtaschje, voor vader 'n inktkoker en voor Flip 'n „chimère” om op z'n schrijftafel te zetten en 'n aschbakje. Bé krijgt bij haar thuiskomst 'n tullen omslagdoekje en Aad 'n thermometer, Floor 'n eindje echte „dentelle de Bruges” en Max 'n beurs. Voor Liesje kocht ik 'n poppen-theeserviesje, voor Bobbie 'n paardje en voor Loekie 'n wit schaapje met belletjes. Aan Eef en Herman zond ik, goed verpakt tusschen twee kartons, 'n mooie reproductie van 'n madonna van Botticelli. Ze zullen wel opkijken van mij iets uit Parijs te krijgen en er eerst niets van begrijpen, want tijd om hun te schrijven heb ik niet gehad.

In de „Bon Marché” heb ik voor m'n kleedgeld 'n doddig wit-linnen japonnetje gekocht. Ik moest er toch een hebben en ben blij, dat ik moeders raad, om 't me in Parijs aan te schaffen, opgevolgd heb, want voor 30 francs zou je in Holland niet zoo iets aardigs en smaakvols hebben.

Verder heb ik een massa briefkaarten en enkele fotografieën, die ik grootendeels zelf denk te houden als souvenir. De jongens van Slooten mogen er ieder 'n keuze uit doen. Huib krijgt bovendien nog 'n portretlijstje en 'n gedroogde viool, die ik voor hem gestolen heb van Heine's graf. Want hij dweept met Heine en citeert altijd uit 't „Buch der Lieder.”

Dat portretlijstje is nog voor z'n verjaardag, (anders zou ik hem niet zoo boven de twee anderen durven begenadigen), maar ik zal er niets tegen hebben als hij er 'n kiek of portret van mij inzet.... Voor Ada Witsen en nog enkele andere vriendinnen breng ik 'n paar bakjes en kannetjes mee van Fransch aardewerk met grappige poppetjes en tierelantijntjes. Als 't maar heel overkomt! Emmy gaf ons als souvenir ieder 'n alleraardigste ceintuurgesp van cuivre repoussé. De mijne is met roode en die van Roosje met paarse steentjes bewerkt. Wij, op onze beurt, hebben haar begiftigd met 'n paar Turksche muiltjes, die ze toevallig erg bewonderd had voor 'n winkelraam in de Rue de Rivoli. Ze waren nogal duur, dus gaven we ze samen en legden ze gisteravond op haar bed met de niet zeer poëtische maar kernachtige opdracht, geschreven op 'n visitekaartje:

Voor al uwe hulp en bescherming in ruil Bieden w' u ieder één Turksche muil!

Ze was er heel blij mee en zal ze op haar atelier dragen bij 'n zijden Japansche kimono en ons 'n keer aldus uitgedost op „tea” vragen, zoodat we dan 't effect ten volle kunnen bewonderen.

„'t Doet me zoo'n plezier, dat je Emmy aardig vindt,” zegt Roosje, 'n stapeltje ondergoed zorgvuldig in haar koffer leggend, „je zult eens zien wat 'n plezier je van die kennismaking hebben zult.”

„Ja, ik hoop dat ze de vriendschap zal blijven aanhouden. O, Roos hou 'm!”

't Laatste ontsnapt me van wege Flips chimère, die ik bijna van de tafel gesleept zou hebben, als Roos hem nog niet tijdig gegrepen had.

„We mogen er toch wel mee oppassen. We krijgen de boel nooit allemaal héél over. Vooral die duvels zijn zoo akelig bros,” zegt Roosje bezorgd, maar met veel kunst- en vliegwerk zit de breekwaar omwonden met houtwol en vloeipapier toch eindelijk secuur ingebakerd in de kist. Als de douanen nu maar goedgunstig gestemd zijn, zal 't allemaal wel losloopen.

't Pakken van de koffers valt bij nader inzien ook nogal mee. We krijgen er handigheid in.

Mijn linnen japonnetje, dat ik maar eenmaal aan tafel heb aangehad, ligt in den bovensten bak. Ziezoo, 't deksel kan neer en zonder eenige moeite draai ik den sleutel om.

Met Roosjes koffer hebben we meer spul. Maar na wat duwen en persen krijgen we er alles toch ten slotte in. Zegepralend zien we elkaar aan:

„Kláár!!”

De allernoodigste toiletartikelen gaan morgen in onze city-bags. Nu kunnen we rustig gaan slapen.

„Och hemeltje, morgen is dit allemaal weer „jadis”,” zucht Roos, terwijl we in nachtgewaad gehuld voor 't laatst de barricade van koffers, waterkitten en waschemmers voor de half-open balkondeuren oprichten.

Maar ik declameer, een van Huib's geliefde verzen aanhalend:

„Was vergangen kehrt nicht wieder, Aber ging es leuchtend nieder, Leuchtet's lange noch zurück!”

en met 'n plof zet ik de kit op mijn koffer.

„Jakkes, je spat. Ik krijg 'n heele klets water over m'n voeten,” verwijt Roosje me en dan ineens: „Lizzy, gauw, doe 't licht toch uit; ze kunnen ons aan de overkant zien!”

„Bedaar, bedaar, wat kunnen die onbekende boschnegers je schelen! Ze zien ons nooit meer terug,” troost ik, kalm m'n arm uitstrekkend naar 't knopje van 't electrisch licht. Dan lachend, tastend met uitgespreide handen, zoeken we in de rommelige duisternis van ons slaapsalet onze bedden op.

„Nou hoor, maf ze!” wensch ik studentikoos, de dekens over me heentrekkend.

„Wat 'n uitdrukking,” lacht Roosje en dan gapend „van 't zelfde, hoor!”

[decoratieve illustratie]

HOOFDSTUK IV.

Het reizen en trekken is den laatsten tijd wel in de mode bij ons! „De wufte Parisienne” was net thuis en Bé en Aad hadden na hun huwelijksreis nauwelijks goed en wel bezit van hun huisje genomen, toen Floor en Max door vrienden uit Dusseldorf dringend werden uitgenoodigd, daar 'n weekje te komen doorbrengen.

't Was al zóó dikwijls uitgesteld en ze hadden er allebei zoo'n lust in, dat ik onmiddellijk aanbood om tijdens hun afwezigheid op de kinderen te komen passen en 't huishouden te doen en na eenig wikken en wegen besloten ze toen maar van mijn aanbieding gebruik te maken.

Ik heb 't wel nooit alleen gedaan, maar Floor vond 't vervelend om er moeder mee op te schepen, wetend hoe ongezellig 't voor iedereen is, als die niet op haar postje blijft en om de kinderen allen bij ons thuis te installeeren was al te omslachtig en te druk voor de enkele week, die ze voornemens zijn weg te blijven. Daarbij zijn de meiden heel handig en vertrouwd en heeft Flip, die overdag thuis geweldig voor z'n candidaats zit te vossen, beloofd in den huize de Weert te komen slapen zoolang meneer en mevrouw afwezig zijn, dan is er 's nachts toch „'n mannelijk element” aanwezig om eventueele dieven en moordenaars van de deur te houden.

Zoo zijn Floor en Max dan gistermiddag afgereisd. Liesje, veel te slim om er niet alles van te snappen, keek erg bedremmeld toen 't rijtuig voorkwam, maar ik zei gauw, dat ze thee mocht schenken uit 't nieuwe Parijsche serviesje en dat leidde af. Bobbie en Loekie deden boven hun middagdutje, dus vertrokken de reizigers in alle kalmte, waar ik niet blij genoeg om zijn kan, want ik ken Floor te goed om niet te weten, dat ze althans in 't begin geen aasje plezier zou hebben, als ze een van haar kleuters bedroefd had moeten achterlaten.

Toen de beide heertjes waren uitgeslapen speelden ze met Liesje prettig in den zandhoop bij 't schuurtje, totdat Loekie ineens 'n vervaarlijke keel op zette, omdat hij Hoppo, z'n dierbaren bruinen beer bij ongeluk zóó diep onder 't zand begraven had, dat hij niet meer te voorschijn wilde komen.

„Hu, hu, Hoppo weg!” snikte hij, met allebei z'n vuistjes in z'n oogen wrijvend, stampvoetend van drift toen ik niet gauw genoeg begreep wat er eigenlijk gaande was.

Liesje en Bobbie keken verbaasd en verschrikt toe, maar Loekie's tranen droogden onmiddellijk toen ik den geliefden Hoppo met behulp van 'n kolenschop, die Maartje me bereidwillig van uit 't keukenraam aanreikte, in minder dan geen tijd wist op te delven.

't Was roerend te zien hoe 't kleine ventje, den beer in z'n armpjes knellend, met 'n zeer berouwvol:

„En nou zalle Loetie weer zoet zijn,” mij zijn mondje toestak.

En Loekie was verder zoet; ook aan tafel gedroegen ze zich alle drie voorbeeldig. Ze aten met smaak hun bordjes leeg en gooiden geen melkbekers om, wat volgens Floor 'n zeldzaam verschijnsel is. Ze waarschuwde me tenminste vóór haar vertrek, dat ik stellig om den anderen dag 'n schoon tafellaken noodig zou hebben, maar ik hoop 't toch met minder te kunnen stellen.

Na 't eten kwam Truitje, 't kindermeisje, Loekie halen, die net wat drijverig begon te worden en bleef ik nog even bij de piano 'n paar liedjes zingen met de twee anderen, wetend dat Max dat bijna iederen avond met hen doet en 't maar raadzaam achtend, zoo min mogelijk van den gewonen regel af te wijken. 'n Kwartier later gingen ze dan ook uiterst voldaan mee naar boven. Bobbie vooral. Liesje was wat stil, maar begon toch dadelijk zoet haar laarsjes los te rijgen, terwijl ik Bobbie hielp en Loekie, die er al in lag, onderdekte. Bobbie was vlug klaar en sliep zoo gauw hij z'n kussen voelde, maar toen ik Liesje in 't aangrenzende kabinetje wou gaan instoppen, zat ze op haar knietjes met gevouwen handjes voor haar bed en hoorde ik haar met bevend stemmetje zeggen:

„Onze-lieve-Heertje, ik ben zoet geweest vandaag, maar maak toch, dat Paats en Moekie gauw terug komme. Tante Piep is heusch erg lief voor ons, maar ik hou zoo vreeselijk erg veel van Paats en ook van Moekie. Toe, laat ze toch alsjeblieft niet lang meer wegblijven. Amen.”

En toen opstaande en me smeekend met haar van tranen zwemmende oogen aanziende:

„Jij hebt zeker wel gehoord, hè tante Piep, wat ik an Onze-lieve-Heer gevraagd heb? Denk je nou, dat ze gauwer terug zulle komme?”

Ik sloeg m'n armen om haar mollige lijfje en trok haar bij me op schoot, terwijl ze zachtjes, maar o, zoo bedroefd huilde. Zoo goed mogelijk trachtte ik haar te troosten.

„Luister nou 's Liesje, je bent nou al zoo'n groot, verstandig kind van vijf jaar. Paats en Moekie blijven natuurlijk nog wel 'n paar nachtjes weg, maar dan komen ze terug en brengen wat moois voor jullie mee, als je zoet geweest bent. Ze vinden 't zoo prettig in Dusseldorf en die paar nachtjes zijn zoo gauw voorbij”....

Maar Liesje schudde haar kopje en begon nog harder, tot ik ineens iets verzon:

„Zeg Lies, wil jij vannacht naast tante Piep in Paats z'n bed slapen?”

Dat bleek 'n uitkomst! In 'n wip waren de tranen gedroogd en werd Liesje op tante's rug naar de andere kamer getransporteerd, waar ze eenmaal in „Paats z'n bed,” gauw insliep.

Vandaag was ze haar verdriet vergeten en verrukt over de mooie briefkaarten, die we vanmiddag uit Dusseldorf ontvingen. In 't bulletin, dat ik dagelijks moet verzenden, kon ik dan ook naar waarheid getuigen, dat de kinderen allerliefst waren en 't huishouden marcheerde.

'n Oogenblik heb ik me kostelijk geamuseerd om 'n slimmigheid van Bobbie.

Hij liet aan de koffie z'n melk staan en snapte gauw met Liesje den tuin in, voor ik 't gemerkt had, maar gedachtig hoe Floor er op staat, dat de kinderen goed melk drinken, riep ik na 'n oogenblikje naar buiten:

„Bobbie, Bobbie kom 's gauw hier. Ik heb wat voor je,” en daar kwam hij aangerend, zeer bereidwillig, met 'n verheugd snuitje.

„Watte tante?”

Ik wees naar zijn melk. Hij zei niets, maar keek eerst heel teleurgesteld; toen veranderde plotseling de uitdrukking van z'n gezichtje en nam hij vastberaden den beker in z'n beide dikke handjes, dronk hem leeg en riep met 'n leuk knipoogje naar Liesjes beker, waar ook nog wat in was:

„Liesje kom 's gauw! Tante heeft voor jou ook wat,” waarop Liesje eveneens kwam aanhollen en terwijl Bobbie 't uitgierde van de pret, na 'n minachtend: „hè hoe flauw,” haar beker leeg dronk.

Vanmiddag, nadat ik met de kinderen 'n loopje gemaakt had, kwamen moeder en nicht Georgine, en Flip verscheen vanavond al vóór de thee met Huib van Slooten, die me 'n pracht-bouquet „rêve d'or” kwam brengen, mijn lievelings-rozen, die op 't oogenblik in hun tuin in vollen bloei staan. Ik vond 't erg aardig en heb ze dadelijk in de mooiste vaas, die ik vinden kon, bij ons in de serre gezet.

Later kwamen Bé en Aad nog even aanloopen. 't Werd 'n gezellig theepartijtje in den huize de Weert en ik voelde me als gastvrouw bizonder gewichtig.

Liesje verraste ons door op haar bloote voetjes en in nachtgewaad plotseling binnen te verschijnen, om te zien wie er toch allemaal zoo druk zaten te praten beneden. Ze was zóó schattig en zóó klaar wakker, dat ik haar dwars tegen alle regelen van opvoedkunde in maar 'n poosje liet blijven.

Net 'n plaatje was 't, zooals ze daar dood op haar gemak bij Huib op schoot koekjes zat te knabbelen. Toen ze slaperig werd bracht Flip haar naar boven.

Bé vroeg of ik den volgenden dag 's middags met de kinderen bij haar kwam theedrinken, dan zou ze 'n echt-Engelsche cake bakken. Ik nam 't grif aan, waarop Flip en Huib zichzelf ook inviteerden. 't Was toch Zondag en ze hadden geen van beiden noodzakelijke visites te maken.

Bé glunderde en zou er Roosje nog maar bij vragen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd!

En nu zijn ze allemaal weg en zit ik bij 't roode lampje in de serre op Flip te wachten, die 'n eindje met Huib is opgeloopen. Ik heb de kopjes afgewasschen, 't huishoudboekje nagezien en de meiden naar bed gestuurd.

Op 't eikenhouten tafeltje voor me geuren de rozen. Ik begraaf er mijn neus in en peins over Huib....

Zoo leuk zat hij daar met Liesje op schoot....

Daar hoor ik den sleutel in 't slot steken. IJlings wend ik me om, blaas 't lampje uit en loop de gang in.

„Ben jij daar Lizzy?”

„Ja, 'k heb op je gewacht.”

Flip zet z'n wandelstok met 'n plof in den paraplubak, doet de voordeur op 't nachtslot en na 't kettinkje van 't ganglicht te hebben neergetrokken, gaan we voorzichtig achter elkaar de trap op.

Met 'n wuivend handgebaar, zonder verder 'n woord te wisselen, verdwijnt Flip naar de logeerkamer en ik sluip op m'n teenen de groote slaapkamer binnen, waar de regelmatige ademhaling van de kleuters en 't tikken van 't klokje op den schoorsteen de eenige geluiden zijn.

* * * * *

Het was prachtig weer den volgenden dag. De zon scheen door 'n kier van de gordijnen de slaapkamer in en Loekie, om zes uur al voor goed wakker, stond telkens recht overeind in z'n bedje en riep dan:

„Optaan, optaan! Hoppo wil oot uit bed tomme,” en dan stak hij z'n bruinen beer uitlokkend in de hoogte. Maar ik hield me slapend, niets geen roeping voelend er voor m'n Zondag al zóó vroeg uit te komen.

Liesje naast me, werd ook wakker, lei haar vingertje tegen den mond:

„Sst, stil zijn Loekie! Tante Piep en Bobbie slapen nog. Je mag niet roepen!” en toen hield hij zich werkelijk 'n oogenblik stil om even later weer te beginnen.

Ik zei maar niets en dommelde af en toe nog even in, tot ik er om zeven uur genoeg van had.

Om half negen zaten we aan 't ontbijt.

Flip verscheen pas tegen elven en ontbeet in z'n eentje met 'n kop koude thee en 'n beschuit. Hij zou z'n schade aan de koffie wel inhalen, beloofde hij en dat deed hij dan ook. Tot groot pleizier van de kinderen at hij in minder dan geen tijd negen boterhammen achter elkaar op.

„Die oom Flip!” riep Liesje telkens vol bewondering als er weer een verdween.

Bobbie was lastig, haalde 'n groote scheur in z'n morsschort en brulde van 't huilen, omdat Truitje 't oortje van z'n melkbeker had afgestooten.

„Nou is Bobbie's kroes heelemaal leelijk! Nou zit-er geen staartje meer an,” jammerde hij maar en zelfs de belofte van Flip om den volgenden dag 'n nieuwen beker met hem te gaan koopen, vermocht den tranenvloed niet spoedig te stelpen.

Gelukkig was hij evenals Loekie na z'n middagdutje weer in z'n humeurtje.