Part 10
Ik stóóf op zij, doch „meneer Huib” draaide met groote tegenwoordigheid van geest 't licht uit en antwoordde:
„Goed Leentje, we komen.” Maar we kwamen nog niet. Proestend stonden we in 't donker. We konden haast niet tot bedaren komen. Telkens maakten we elkaar weer aan den gang.
„Schei er nou uit, Huib,” smeekte ik, en dan hij weer:
„Lizzy, hou op. Nou moet 't gedaan zijn, of ik ga Leentje halen,” en dan gierden we 't weer allebei uit.
Toen hoorden we werkelijk voor de tweede maal iemand de trap opkomen en dat kalmeerde ons voor goed.
„Kom nu,” zei Huib en hand in hand traden we op 't portaal.
„Zoo, zijn jullie daar eindelijk. We begrepen niet waar jullie bleven,” en Léo zag ons even met bevreemding aan, lachte en liet ons toen passeeren. We zeiden niets vóór we in den salon terug waren. Aller blikken werden op ons gevestigd toen we midden onder de gastkroon staan bleven en Huib duidelijk, maar toch met trillende stem zei:
„Mag ik hier aan alle aanwezigen mijn aanstaande vrouw voorstellen!”
Eén oogenblik was 't doodstil; daarop barstten de gelukwenschen los en verdrong iedereen zich om ons. Ik viel lachend en schreiend tegelijk moeder om den hals, werd toen door meneer en mevrouw van Slooten meegetrokken naar de andere kamer onder de mistletoe, waar ieder van z'n privilege gebruik maakte en ik zoo gekust werd, dat m'n wangen nog meer gingen gloeien, tot groot plezier van Eef en Herman, die 't meest verrast bleken, want de anderen verzekerden allemaal, „dat ze 't wel hadden zien aankomen.”
't Was 'n onbeschrijfelijke herrie. Léo haalde Champagne, en Flip en Bernard zetten 'n „lang zullen ze leven” in, tot meneer van Slooten met z'n glas in de hand ons begon toe te spreken, eenvoudig en hartelijk.
Hij hoopte dat moeder, hoewel er nog niet officieel om haar toestemming gevraagd was, net zoo ingenomen zou zijn met haar aanstaanden schoonzoon, als hij en zijn vrouw 't waren met hun aanstaande schoondochter, die ze al zóóveel jaren kenden, dat 't hun niet moeielijk zou vallen, haar als een eigen dochter in hun kring op te nemen. Wel waren we allebei nog erg jong, zoodat er van trouwplannen vooreerst nog wel niets zou komen, maar dat jong-zijn was 'n kwaal, die er met den dag op verbeterde! Wij hadden zooveel jeugdherinneringen samen en zoo ruimschoots de gelegenheid gehad elkaar te leeren kennen, dat hij geen vrees koesterde voor 'n verbintenis als de onze, die uit geen enkele andere overweging kón zijn voortgekomen, dan uit wederzijdsche zuivere genegenheid, waar 't ten slotte toch eigenlijk alleen op aankwam en na onze handen plechtig in elkaar gelegd te hebben, hief hij z'n glas op om te drinken op ons geluk, waarin ze zich allen oprecht verheugden.
't Klonk zoo spontaan, zoo echt hartelijk-gemeend, dat we allen onder den indruk waren en bléven tot er afscheid genomen werd.
„Mag ik morgen en alle verdere dagen, die ik nog in de stad ben, vroeg komen en héél lang blijven, om zooveel mogelijk aan m'n meisje te hebben, mevrouw,” vroeg Huib zich naar moeder overbuigend.
„Natuurlijk, beste jongen. Je zult altijd welkom zijn,” en moeder kuste hem, zooals ze 't Flip gedaan zou hebben......
Nu, Huib houdt haar wel aan haar woord!
's Morgens, soms onder 't ontbijt al, hoor ik z'n fluitje en komt hij over 't hekje klimmen, waarna ik natuurlijk onmiddellijk overeind vlieg en de serre-deuren open om hem binnen te laten, hoewel Flip beweert, dat dat engagement van mij hem nog stijf van de rheumathiek zal maken, tenminste als ik hem de heele vacantie door zoo op den tocht zet. Maar zoo'n vaart zal 't wel niet loopen.
Hij dreigt ons, dat hij zich ter vertroosting nu misschien ook maar gauw 'n meisje zal aanschaffen, want in de rol van „overgeschoten brokje” heeft hij geen zin. 't Wordt wél tijd voor hem, vinden we!
„Al bijna meerderjarig man en nòg niets in 't zicht”, plaagt Max hem. Maar dan krabbelt Flip terug, zegt, dat de tijden zoo verbasteren en dat hij 't laatste jaar eigenlijk geen enkel aardig meisje ontmoet heeft en er niet willens en wetens, zooals Huib en de zwagers, wil invliegen. Zijn vrijheid is hem toch wel veel waard, en dan neemt hij zich voor, zich voorloopig nog maar met moeder tevreden te stellen en verlaat ons met 'n:
„En amuseeren jullie je nou maar verder met de sprookjes van Andersen!”
Die sprookjes van Andersen! Daar moeten Huib en ik wat van hooren! We zouden ze samen lezen en ze liggen dan ook altijd klaar met 'n keurig linnen omslagje om 't teere bandje, zoodat er niets aan kan komen, maar we hebben elkaar zooveel te vertellen, dat we tot nog toe geen gelegenheid tot lezen konden vinden....
Ons engagement is publiek. Er was geen enkele reden 't langer geheim te houden. Natuurlijk is er geen receptie. De kaartjes zijn eergisteren in zee gegaan en de eerste visites bij de zusters en zwagers en bij tante Suze hebben we gemaakt.
Ada, Roosje en Emmy van der Marck kwamen ons feliciteeren, evenals nicht Georgine en de Verhooghjes, die 't al wisten vóór ze de kaartjes kregen!!
We zijn zoo gelukkig! 't Is nu alles zoo rustig, zoo heerlijk vertrouwd tusschen Huib en mij....
Ik heb hem gezegd wat 'n verdriet ik gehad heb om die praatjes over hem en Annie Westenbergh. Hoe vreeselijk jaloersch ik was en hoe lang, hoe héél lang ik al van hem hou. Die jaloezie vond hij wel niet mooi, maar eigenlijk heeft hij er me nu des te liever om. „'t Streelt m'n ijdelheid”, plaagt hij.
't Kapotte ringetje, waarvan ik hem vertelde, heb ik hem op z'n dringend verzoek teruggegeven. Hij wou 't zóó graag hebben en we dragen nu toch ieder 'n echten verlovingsring, dus stond ik 't hem maar af, overtuigd dat 't bij hem goed bewaard is.
Nu weet ik ook, dat hij me al had willen vragen vóór hij naar Hamburg ging. 't Viel hem hard zoo lang en zoo ver weg te moeten en geen volkomen zekerheid te hebben, of ik van hem hield en op hem wilde wachten. Maar hij durfde niets zeggen, omdat ik pas zoo'n groot verdriet gehad had en er uitzag, of ik voor niets anders vatbaar was. Hij voelde zich nooit zóó ellendig als dien avond toen hij afscheid kwam nemen en Léo en Bernard op z'n eigen verzoek meekwamen, daar hij er te veel tegenop zag, mij alleen goeiendag te zeggen. En dan die angst toen hij hoorde, dat ik ziek was! Hij rilde, terwijl hij zich daarin verdiepte, maar ik troostte hem:
„Kom, malle jongen! 't Was heusch zoo erg niet met me. En nu ben ik weer zoo sterk als 'n paard!”
Ik moet hem telkens beloven, dat ik zorgen zal er even gezond uit te zien als nu, wanneer hij in Maart—vóór mijn verjaardag, die den 19en is—voor goed terugkomt.
Den 6en Januari moet hij al weer weg; vróeger dan we eerst gedacht hadden, maar 't kan niet anders en hoewel de teleurstelling erger is dan ik wil laten blijken, ben ik er toch trotsch op, dat ze hem daarginds noodig hebben, omdat hij de aangewezen persoon is, om 't bijkantoor van zijn vaders bankierszaak, dat in Hamburg wordt opgericht, in orde te brengen.
We doen ons best nog maar niet te veel aan die scheiding van enkele maanden te denken. We willen wijs zijn en van 't tegenwoordige genieten.
Morgen begint 't nieuwe jaar.
't Oude met al z'n verdriet en geluk is bijna ten einde. Nog nooit heb ik 'n tijd beleefd, waarin verdriet en geluk elkaar zóó afwisselden.
Voor Huib is 't ook 'n lang en 'n moeilijk jaar geweest, en toch is 't ons beiden zoo lief....
Vanavond komen de zusters en zwagers hier. We zullen de klok van twaalf niet afwachten, zooals andere jaren, maar moeder wil toch even alle kinderen om zich heen hebben, ondanks die ééne ledige plaats....
Wat vader wel zeggen zou van den ~nieuwe~, die er is bijgekomen?
Hij hield zoo van Huib. Hij zou er zeker blij om zijn en net als moeder de overtuiging hebben, dat hij 't Piepkuikentje aan geen trouwere handen zou kunnen overgeven....
Samen zitten we bij 't vuur, Huib en ik.
'n Groote bouquet van witte rozen en seringen, die Liesje en Bobbie ons gisteren zijn komen brengen, geurt er op tafel. 't Is al donker. Buiten sneeuwt 't en er waait 'n ijzige noordoosten wind. Maar 'n sombre dag als deze deert ons niet. Wij zitten hier veilig, hand in hand, en luisteren naar 't loeien van den wind in den schoorsteen en zien elkaar aan, zwijgend met stralende oogen, vol vertrouwen, dat 't goed en mooi zal blijven tusschen ons, wát er ook gebeurt.
[decoratieve illustratie]
BESLUIT.
't Is einde Maart, en 't kleine van der Marckje, dat tegen dien tijd z'n komst op 't wereldtooneel had aangemeld, werd op den eersten lentedag geboren en is nu ruim 'n week oud.
Tot groote vreugd van ouders en grootouders, is 't 'n jongetje! Willem heet 't, naar z'n grootvader van der Marck, maar we zeggen: Willy.
't Is 'n heerlijk, dik molletje met pikzwart haar, blauwe oogjes en doddige, dikke knuistjes, waar 't aldoor mee ligt te wriemelen als 't wakker is.
Bé en Aad zijn vreeselijk trotsch op hun zoon, die zich dan ook voorbeeldig gedraagt, weinig huilt en veel slaapt, en z'n moedertje maakt 't zoo goed, als maar eenigszins mogelijk is en heeft gisteren zelfs al even mogen opzitten van den dokter.
Huib, die sinds eenige dagen terug is—hij kwam den 18en, den dag vóór m'n twintigsten verjaardag thuis—is gisteren voor 't eerst meegeweest, om kennis te maken met z'n kleine neefje en was er zóó over uit, dat Bé, die anders doodsbang voor haar zoontje is, hem toestond 't kleine witte pakje even van de verpleegster over te nemen, om te voelen hoe zwaar Willy-tje wel was!
Toen Huib met 'n heel benauwd gezicht verklaarde: „Kolossaal, wat 'n jongen al”, kenden haar trots en blijdschap geen grenzen, maar Roosje, die er ook bij tegenwoordig was, gaf Huib beneden 'n standje.
„Schandelijk kan jij jokken. Hoe kôn je 't kind nu zwaar vinden! 't Weegt net zeven pond!”
En daarop bekende Huib eerlijk, dat hij dit leugentje-om-bestwil niet had durven binnenhouden, om Bé niet te beleedigen, en gingen we op zijn verzoek allebei met hem mee, om 'n rammelaar voor Willy te koopen. De tantetjes hadden zich zoo vermoeid met jurkjes en schortjes te borduren en hij wou ook iets geven als rechtgeaard oom. Dát is hij!
„Oom Huib” is zeer in de gratie. De kinderen van Floor nemen hem zóó in beslag als we er komen, dat ik niets aan hem heb en Eefje, die we de vorige week in Amsterdam opzochten, gaf volgens groote Eef blijken hem nog te herkennen.
Ze zitten er allergezelligst, Eef en Herman op hun bovenhuisje, en ze halen hun hart op aan 't groote stadsleven, genieten van mooie concerten en komedies, waar ze door hun verblijf in Indië den laatsten tijd zoo geheel van waren verstoken. Eef ziet er, tot moeders onuitsprekelijke verlichting, veel beter uit en is weer met ijver aan 't pianospelen, wat ze daarginds heelemaal had laten varen, en kleine Eefje zit met groote oogen te luisteren als haar moeder bezig is en vindt 't heerlijk met haar kleine vuistjes op de toetsen te slaan, als Eef of Herman haar bij de piano brengen.
Mijn lessen bij monsieur Durand zijn opgehouden. Tot eind Februari ben ik nog bij hem gebleven, en genoot ik van de prettige manier, waarop hij eenige Fransche schrijvers met me behandeld heeft. Daar had ik meer aan, nu ik toch niet van plan was verder te studeeren, dan aan al die droge grammaire, vond hij.
Tegenwoordig ga ik heel plichtmatig tweemaal in de week naar de kookschool en geeft Huib me verder les in literatuur enz.
Het spijt me zoo, dat ik geen talent heb voor viool of zang, maar Huib beweert, dat 't hem niets kan schelen, omdat ik veel van muziek houd en z'n pianospel daarom toch wel op prijs weet te stellen.
„Had ik maar 'n stem als Annie Westenbergh,” zeg ik dan om hem woedend te maken, want hij kán niet goed hebben, dat ik hem met haar plaag.
„Dat je me niet genoeg kende om te begrijpen, dat ik van niemand anders dan van jou hield”, zegt hij nu, vergetend, dat hij 'n tijdje geleden juist beweerde, mij des te liever te hebben om mijn jaloezie, die ik toch onmogelijk had kunnen voelen, als ik niet net als zooveel anderen, van de veronderstelling was uitgegaan, dat Annie hem lang niet onverschillig was.
Men zegt wel eens dat wij vrouwen onlogisch zijn, maar hoe moet ik de redeneering van mijn eigen man dan wel vinden?
~Mijn eigen man~, zoo leuk-deftig klinkt dat, al is 't nog wel wat voorbarig, want vóór 't volgende voorjaar zullen we wel niet trouwen.
Maar langer wil Huib niet wachten.
„Dan ben ik bijna zes- en jij één-en-twintig! Dán zou ik meenen, dat we toch wel oud genoeg zijn om gelukkig met elkaar te worden”, verkondigt hij, en dat heeft niemand hem nog tegengesproken.
Ik geloof zelfs niet, dat meneer en mevrouw van Slooten groote bezwaren zouden maken, als we op éérder aandrongen, maar we laten 't om moeder. Ze zou 't niet tegenhouden, och nee. „Une mère c'est l'abnégation”, is haar lijfspreuk, die ze altijd trouw in practijk heeft gebracht, maar 't zou wreed zijn, terwille van háár niet 'n jaartje geduld te hebben. Dat is Huib volkomen met me eens.
De volgende maand verhuizen we. Dan zijn we geen buren meer. O, 't zal 'n héél ding zijn, voor ons allemaal, maar vooral voor moeder..... We laten hier zooveel lieve herinneringen achter... Maar 't moet mòet.
't Is 'n klein, geriefelijk huis, vlak bij Floor en Max, waar we gaan wonen, en in die buurt zijn meer dergelijke huizen in aanbouw.
„Geknipt voor ons,” vindt Huib, die wel weet, dat ik mijn nieuwe leven liefst niet te ver van moeder af zou beginnen.
Hij is zoo goed en zoo fijngevoelig, en ik heb zoo'n wijd vertrouwen in hem. Wat 'n heerlijke brieven schreef hij me van uit Hamburg; die brachten me tot de ontdekking, dat hij me nog beter begrijpt dan ik mezelf begrijpen kan......
Aan mijn uitzet ben ik begonnen, zoo gauw 't bewuste schortje voor Bé's kindje af was. 't Is zoo'n prettig werk, en ik heb tijd genoeg om 't meeste er aan zelf te doen. 't Lijkt me zoo heerlijk, als alles in ons huisje later 'n eigen geschiedenis hebben zal!
„De strootjes voor 't nest,” noemde Vader vroeger al de dingen, die Bé en Aad in hun engagementstijd kregen en zelf bijeensleepten.
Wij hebben ook al verscheiden strootjes!
Huibs boekenkast en piano, om met de voornaamste te beginnen, en dan al de huishoudelijke cadeaux, die ik op m'n verjaardag kreeg!
'n Theetafel en theestoof met een ouderwetschen koperen ketel, 'n ontbijtservies en 'n beeldig damasten tafellaken met een ontwerp van vlinders en vier-en-twintig servetten met 't zelfde motief; zóó mooi, dat ik 't nooit zal durven gebruiken, want ik zou danig uit m'n humeur raken als iemand er op morste!
Van Huib kreeg ik...... m'n zilveren ringetje onherkenbaar terug. 't Oude ringetje maakt nu de achterzijde uit van 'n zilveren ring met 'n bovenstuk van juweelen.
„O, Huib, 't is veel te mooi voor mij,” protesteerde ik half, maar hij zei, dat 't volstrekt niet waar was, als ik tenminste geen plannen koesterde dezen ring in 'n bui van vertwijfeling weer met de nagelschaar te bewerken! Dat heb ik hem op m'n eerewoord moeten beloven, en ik denk dat ik die belofte wel zal kunnen houden.
Op 't oogenblik sta ik in onze serre op hem te wachten, gekleed en gereed voor onze dagelijksche wandeling.
't Is zulk heerlijk weer; zóó zoel, of 't al voor goed lente was!
„Net weer om voor je plezier 'n beetje op 'n stoep te gaan zitten huilen,” zooals Eef dat vroeger eens uitdrukte.
In ons tuintje knoppen al enkele heesters en de crocussen bloeien: 'n heele rij gele en enkele witte en paarse. 't Gras wordt er met den dag groener, en 's avonds, tegen zonsondergang komt er 'n merel fluiten......
O, ik verheug me zoo op 't voorjaar en den zomer. Wat 'n verrukkelijken tijd zullen we hebben!
Hè, wat is dat? Ik deins terug, want tegen de serre-deur vliegt 'n keitje.
Daar is Huib!
Ik doe de deuren open en treed hem tegemoet.
„Wat stond-je daar toch te peinzen? Schrikte je, meisje? Ben je heusch 'n klein beetje van me verschrokken?” plaagt hij met z'n handen op m'n schouders.
Maar ik zie lachend naar hem op en plaag terug:
„Welnee, je bent al over je tijd. Je hadt er veel eerder moeten zijn met dat mooie weer.”
„Wat, ben ik te laat? Maar dat kán niet, ik ben toch dadelijk van kantoor naar huis gekomen,” en hij haalt zijn horloge uit. „Eén heele minuut te laat, ik vraag je nederig excuus, maar laten we de schade dan alsjeblieft zoo gauw mogelijk inhalen,” stelt hij voor, z'n hand door m'n arm stekend, en vroolijk wuivend naar moeder, die boven voor 't raam zit, stappen we 't tuintje door, gaan dan den stillen, zonnigen buitenweg op, jubelend om de heerlijke dagen, die komen gaan.
[decoratieve illustratie]
+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: dag Lizzy, dan.” M'n zegen, | | C: dag Lizzy, dan. M'n zegen, | | B: Ik vindt haar juist | | C: Ik vind haar juist | | B: dat beeld, nietwaar? zeurt nicht. | | C: dat beeld, nietwaar?” zeurt nicht. | | B: „Flip, dol-nieuwsgierig naar | | C: Flip, dol-nieuwsgierig naar | | B: tafellaken vol morste. | | C: tafellaken vol morste.” | | B: 't in vredes naam in haar hoofd | | C: 't in vredesnaam in haar hoofd | | B: ineens over ze steken naar 't | | C: ineens over te steken naar 't | | B: „jardin des Tuileries, waar we even | | C: „jardin des Tuileries”, waar we even | | B: bezoek aan den Eifeltoren te | | C: bezoek aan den Eiffeltoren te | | B: twaalf uurtje: 'n prop vette papieren | | C: twaalfuurtje: 'n prop vette papieren | | B: in de „Comédie française” hebben | | C: in de „Comédie française”, hebben | | B: en parasols, kleer en haarborstels, | | C: en parasols, kleer- en haarborstels, | | B: allemaal weer „jadis” zucht Roos, | | C: allemaal weer „jadis”,” zucht Roos, | | B: ze gauwer terug zulle komme? | | C: ze gauwer terug zulle komme?” | | B: monster met de woedenste kattenoogen, | | C: monster met de woedendste kattenoogen, | | B: Aad, Roosje en Huib van | | C: Ada, Roosje en Huib van | | B: Gelukkig was 't pikdonder | | C: Gelukkig was 't pikdonker | | B: dites-moi ce qu 'on sent quand | | C: dites-moi ce qu' on sent quand | | B: fleurig, Piepkuikenje, scheelt er | | C: fleurig, Piepkuikentje, scheelt er | | B: aquarium in je kopje, plaagde Theo. | | C: aquarium in je kopje,” plaagde Theo. | | B: meneer Witsen, verscholen achter n | | C: meneer Witsen, verscholen achter 'n | | B: op den duur te kostbaaar worden. | | C: op den duur te kostbaar worden. | | B: beidjes over moeder en ik.... | | C: beidjes over, moeder en ik.... | | B: „And what didxyour father say?” | | C: „And what did your father say?” | | B: Als ik daar Ada bij vergelijk..... | | C: Als ik daar Ada bij vergelijk.....” | | B: willen vertellen, maar..... en dan zwijgt | | C: willen vertellen, maar.....” en dan zwijgt | | B: fatiguée, mademoiselle? vroeg hij, me | | C: fatiguée, mademoiselle?” vroeg hij, me | | B: opgewonden uit! Ik poper van | | C: opgewonden uit! Ik popel van | | B: aan zag borburen, vroeg tenminste, | | C: aan zag borduren, vroeg tenminste, | | B: stemmetje te vragen: Loetie is toch | | C: stemmetje te vragen: „Loetie is toch | | B: enz 'n gezicht werd purper. | | C: en z'n gezicht werd purper. | | B: pantoffels of lageschoentjes aan heb, | | C: pantoffels of lage schoentjes aan heb, | | B: maar k zal net doen of 't | | C: maar 'k zal net doen of 't | | B: Leentje, we komen. Maar we kwamen | | C: Leentje, we komen.” Maar we kwamen | | B: verzekerden allemaal, dat ze 't wel | | C: verzekerden allemaal, „dat ze 't wel | | B: als Annie Westenbergh, zeg ik dan om | | C: als Annie Westenbergh,” zeg ik dan om | | | +--------------------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's Piepkuikentje, by Anna Hubert van Beusekom