# Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/perzie-chaldea-en-susiane-de-aarde-en-haar-volken-1885-1887-13901/index.md

De kaart wordt voor den dag gehaald, maar zij geeft geene opheldering. Hoe verder wij intusschen voortgaan, des te meer schijnen de wateren zich ter rechterhand uit te breiden. Een bosch, dat wij eerst niet gezien hadden, verrijst aan de overzijde der watervlakte; wij drijven onze paarden voort, maar het water schijnt voor onze voeten te verdwijnen; de boomen nemen telkens andere en steeds grilliger gestalten aan; gedurende meer dan een kwartier houdt deze zinsbegoocheling aan, en worden onze oogen verblind door de weerspiegeling der brandende zonnestralen op de kalme watervlakte;--dan verdwijnen meer en bosch eensklaps, als door den slag eener tooverroede.

Het was eene luchtverheveling.

In plaats van het water en het groen, zien wij voor ons een breeden stoffigen weg, ingesloten tusschen de leemen muren van tuinen, met wijngaarden en andere fijne vruchtboomen beplant. Het water der talrijke waterleidingen van Kazbin wordt gebruikt voor de besproeiing van deze kostbare boomgaarden; en daar dit water in den zomer onvoldoende is om in de behoeften der stad te voorzien, hebben de inwoners een aantal overwelfde reservoirs aangelegd, waarin zij des winters het overtollige water bewaren.

Sommigen van deze reservoirs, ab ambar genoemd, kunnen meer dan zesduizend kubiek el water bevatten. Zij zijn vierkant en met halfronde koepels gedekt; deze koepels alleen steken hoog boven den grond uit en geven aan de stad dat zonderling voorkomen, dat zoo zeer onze aandacht trok. Het water wordt dus bewaard in diepe kuipen, waarin het zelfs gedurende den zomer koel en frisch blijft. Een breede trap, voorafgegaan door een poort met mozaïek-tegels versierd, voert naar de kranen beneden in het reservoir aangebracht, vijftien of twintig el beneden den beganen grond. Steenen banken onder de portiek en nissen in de wanden bieden den voorbijgangers de gelegenheid aan om zich neer te zetten, en den waterdragers om even te rusten en de zware aarden kruiken te ledigen, die zij met moeite naar boven hebben gedragen. Dikwijls vermeldt een opschrift den datum der stichting van den ab ambar en den naam van den edelmoedigen weldoener, die het reservoir heeft doen maken.

De stad is op een geheel effen terrein gebouwd; de huizen zijn allen even hoog en vormen bijkans eene massa: het is daarom niet gemakkelijk zich dadelijk rekenschap te geven van den omvang der stad. Maar te oordeelen naar het groot aantal ruiters die wij ontmoeten, moet Kazbin eene groote en volkrijke stad zijn. Tusschen de karavanen van ezels, paarden, muildieren en kameelen, bemerken wij prachtig gekleede jagers, op fraaie turkomansche paarden gezeten, wier tuig is versierd met fijn geciseleerde gouden en zilveren ornamenten en met edelgesteenten. Op hun schouder dragen zij eene mooie engelsche karabijn; in hun gordel steken groote pistolen, en op de linker heup hangen lange dolkmessen, in metalen of fluweelen scheden gevat.

Men herkent in deze schitterende fiere ruiters de afstammelingen dier kloeke mannen, die in 1723 het afghaansche leger, dat sedert zeven jaren Perzië overheerde, terugsloegen en daardoor het sein gaven voor het ontwaken van den nationalen geest en de verdrijving der overweldigers. De mannen van Kazbin worden als de dapperste soldaten van het perzische leger beschouwd, terwijl die van Ispahan als de lafhartigsten bekend staan.

"Onder de regeering van Mohammed-Shah, zoo verhaalt mij onze hadji, was een opstand uitgebarsten in Khorassan. De Shah zond een bode naar de troepen van Ispahan, met last om zich naar de hoofdstad te begeven tot versterking van de koninklijke lijfwacht.--Toen de tijd, voor de reis benoodigd, verstreken was, zonder dat eenig bericht van de komst der regimenten was ontvangen, zond de Shah, die zich daarover ongerust maakte, nogmaals een bode naar de hoofdstad van Irâk, om een onderzoek in te stellen naar de reden van dit oponthoud. De officieren antwoordden, dat de troepen niet op marsch waren gegaan, omdat zij een afdeeling soldaten uit Kazbin verwachtten, ten einde hen te beschermen bij den tocht door de woestijn van Koem, die door rooverbenden onveilig werd gemaakt. De koning, die hieruit kon opmaken wat die dappere krijgers, die hij ontboden had, waard waren, ontbond de regimenten van Ispahan, en gedurende een geruimen tijd telde het perzische leger geen enkelen inwoner van Irâk in zijne gelederen."

De stad Kazbin dankt haar welvaart voor een deel aan hare ligging, juist aan het punt waar de wegen samenkomen, die van Tauris ten westen en van Resht en de Kaspische-zee ten noorden naar Teheran loopen. Deze laatste weg, die veel korter en veel gemakkelijker is dan de weg door Armenië, pleegt steeds gevolgd te worden door alle gezanten en diplomatieke agenten, die zich naar hun post begeven. Om den gezanten de gelegenheid te geven, eenige dagen uit te rusten eer zijn hun reis naar Teheran vervolgen, heeft de Shah te Kazbin een groot huis laten bouwen, de Mehman-Khaneh (het huis der gasten), dat door twee voormalige bedienden van Zijne Majesteit wordt bewoond en ter beschikking gesteld van alle aanzienlijke vreemdelingen.

De Mehman-Khaneh is een groot gebouw met twee verdiepingen, omringd door eene portiek, die op zware gemetselde pilaren rust. Voor het huis bevindt zich een kleine ronde tuin, met een vijvertje in het midden, waarin eenige eenden rondzwemmen en talrijke waterdragers hunne zakken komen vullen. Eene groote poort in eene houten heining geeft toegang tot een pleintje, waarop in het rond eenige kramen staan, onder den beschuttenden lommer van een honderdjarigen plataan. Die kraampjes bevatten niets bijzonders en zijn uiterst eenvoudig; de kooplieden, op den grond neergehurkt, verkoopen versche en gedroogde vruchten, melkspijzen en andere lekkernijen.

10 Mei.--Wij hebben vergeefs getracht in de Mastsjed-Shah door te dringen: de mollahs weigeren aan Christenen hardnekkig den toegang tot dit heiligdom. Door tusschenkomst van den directeur van het telegraafkantoor, liet mijn echtgenoot audiëntie vragen, bij den gouverneur. Eenige oogenblikken daarna verschijnen een aantal bedienden in het kantoor en deelen ons mede, dat wij op het paleis gewacht worden; en daar, als een bijzonder bewijs van beleefdheid, de shah Zaddeh stoelen laat halen, waarop wij kunnen gaan zitten, wachten wij eenige oogenblikken en treden vervolgens de woning van den prins binnen door eene lange galerij, die toegang geeft tot eene zeer ruime binnenplaats, met zorgvuldig gesnoeide platanen beplant. Onder de schaduw dier boomen zitten of liggen op den grond een aantal lijfwachten en andere bedienden, ten deele in diepen slaap gedompeld. Een tweede galerij, donkerder dan de eerste, voert naar eene andere binnenplaats, door zuilengangen omringd en door een smallen gang in gemeenschap staande met de audiëntiezaal.

Aan het boveneinde dier zaal zit de broeder des Konings, op kussens neergehurkt. Hij is een man van eenigszins gevorderden leeftijd, met kleine zwarte oogen, een gebogen neus, en een mond waarom zekere uitdrukking van trotsche minachting zweeft, maar overigens met een vrij zachtzinnig en vriendelijk voorkomen.

De gouverneur rijst bij onze nadering op, reikt ons de hand, en noodigt ons plaats te nemen op de fauteuils van het telegraafkantoor, die men in het midden van de kamer heeft gezet. Er wordt koffie gepresenteerd in mikroskopische kopjes, rustende op verwonderlijk fijn bewerkte voetjes van filigraanzilver. Shah Zaddeh, het woord in het fransch nemende, verontschuldigt zich eerst over zijn gebrekkig spreken van eene taal, die hij vergeten heeft (eene bloote beleefdheidsformule, want de prins spreekt zeer zuiver fransch); vervolgens onderzoekt hij naar het doel onzer reis, en vraagt waarmede hij ons van dienst kan zijn.

"De mollahs, antwoordt mijn echtgenoot, maken zwarigheid om de Christenen in de moskeeën toe te laten, en ik kom Uwe Hoogheid verzoeken mij den toegang tot die gebouwen te verschaffen op de uren als er geen dienst is.

--Hetgeen gij daar vraagt is zeer moeilijk te verkrijgen, herneemt de gouverneur; ik ben, voor mijn persoon, een _beschaafd_ man; ik bid zelfs niet meer, en in de drie maanden dat ik te Kazbin ben, heb ik nog geen voet in eene moskee gezet. Het is mij dus volmaakt onverschillig of gij de Mastsjed-Shah bezoekt; maar de iman Djoema is onverbiddelijk op dat stuk, en ik geloof dat gij wel zoudt doen, van uw voornemen af te zien."

Na een vrij langdurig onderhoud nemen wij afscheid van Zijne Hoogheid, zeer teleurgesteld over den slechten uitslag van ons bezoek.--De prins meende van zijne beschaving blijk te geven door zich te beroemen op zijn ongeloof; maar, als alle Iraniërs, gelooft hij vastelijk aan de macht van bezweringen, van waarzeggerijen en van het booze oog, en is hij steeds geneigd om al hetgeen hij niet verklaren kan, aan tooverij toe te schrijven. De sterrenwichelarij, in de westersche wereld vergeten, bloeit nog in volle kracht in het Oosten. Om iemands horoskoop op te maken, worden nauwkeurige sterrekundige waarnemingen gedaan, waarvoor de astrologen dikwijls zeer kostbare instrumenten gebruiken. De Shah heeft zijne officieele toovenaars; zij zouden ongetwijfeld bij de geboorte der koninklijke kinderen tegenwoordig zijn, evenals de astroloog, die bij de geboorte van Lodewijk XIV in de kamer van koningin Anna verborgen was, indien de koninklijke anderoen voor gewone stervelingen toegankelijk was.

11 Mei.--"De gouverneur heeft u zeker geene vergunning gegeven om de moskee van den Shah te bezoeken, zeide ons gisteren, toen wij van de audiëntie terug kwamen, de huisbewaarder van de Mehman-Khaneh. Hij is te bang voor den toorn der mollahs; maar zoo gij op mij vertrouwen wilt, zal ik u toonen dat een dienaar van Zijne Majesteit slimmer en gewilliger voor de vreemden is, dan de gouverneurs en de prinsen. Tusschen het morgen- en het middaggebed is er doorgaans niemand in de moskee; de mollahs zitten aan tafel en de kooplieden zijn in den bazar; zoo gij mij belooft, op een gegeven teeken uit te gaan, maak ik mij sterk dat ik u, zonder dat gij eenig gevaar loopt, in ons oudste heiligdom zal binnen leiden."

Dezen morgen begeeft onze vriend zich naar de moskee, om zich te overtuigen dat zij bijna geheel ledig is, en op een gegeven teeken, volgen wij hem van ver, vergezeld van drie of vier zijner vrienden.

Wij gaan eerst door een donker gewelf, vervolgens door eene open galerij, waarin ettelijke bedelaars zijn gezeten, die ons met verbaasde blikken aanstaren, maar niets zeggen. Een hoek omslaande, komen wij in eene vestibule, die naar eene overwelfde zaal voert, en bereiken eindelijk het binnenplein van de moskee. Dit zeer ruime plein is geplaveid met slecht onderhouden baksteenen, waartusschen het gras welig opschiet. In het midden bevindt zich een waterbekken voor de wasschingen, overschaduwd door eenige boomen. Langs de vier zijden van het plein loopt een portiek of zuilengang; in het midden van iederen vleugel ziet men eene groote poort, toegang gevende tot een zaal met een halfrond koepeldak; de poorten in de zijvleugels zijn kleiner van afmeting; de grootste geeft toegang tot de moskee zelve; boven de vierde verheffen zich twee minarets. Deze poort was vroeger de hoofdingang; zij is thans gesloten en vervangen door den zijingang, waardoor wij gekomen zijn.

De Mastsjed-Shah draagt de sporen van verschillende tijdperken. De vierkante zaal van den mihrab en haar plompe koepel herinneren aan de bouwwerken uit den tijd van Haroen-al-Rashid. De met stuc bekleede friesen en lijsten, kostbare overblijfsels van de perzische kunst der twaalfde eeuw, prijken met uitmuntend bewerkte bloemen en kunstige letters, op de smaakvolste wijze dooreen gevlochten. Deze decoratie, tijdens de regeering der Seldsjoeken voltooid, dagteekent uit denzelfden tijd toen het gebouw eene geheele herstelling moest ondergaan, ten gevolge van de aardbevingen, die in de elfde en de twaalfde eeuw de stad teisterden en verwoestten.

Den volgenden dag, Vrijdag, richten wij onze schreden naar een geëmailleerden koepel, die naar men zegt, het graf bedekt van een kind van twee jaren, een zoontje van den iman Hosein. Voor den ingang van het monument ligt een ruim kerkhof. Vrouwen, op de graven gezeten, praten met hare vriendinnen of eten bonbons. Op de eerst onlangs gelegde zerken hurken moeders of weduwen, die luid weeklagen en van tijd tot tijd een soort van klaagzang aanheffen, zonder dat haar geburinnen daar veel aandacht aan schenken. Zij dragen allen hetzelfde kostuum. Rijken en armen trekken, als zij uitgaan, een zeer wijden pantalon aan, die tot op de voeten afdaalt, en hullen zich in de plooien van een ruimen blauwen mantel, die over het hoofd wordt getrokken en daar vastgehouden door een breeden sluier van zware stof, die tot de knieën hangt. Op de hoogte van de oogen is in dien sluier eene smalle met gaas voorziene opening. Als eene vrouw aldus is ingepakt, is het voor ieder volstrekt onmogelijk haar te herkennen.

Naast de poort van het monument van den iman Zaddeh Hosein bespeuren wij een trap, die naar een terras voert. Derwaarts willen wij ons begeven om den afloop te zien van de godsdienstoefening. Eerst slaat niemand acht op ons; maar toen het gebed is afgeloopen, verschijnt een mollah met een streng uitzicht op de binnenplaats, en richt, op de aanwijzing van andere priesters, zijne oogen naar de plek, waar wij ons zoo goed mogelijk verscholen hebben. Aanstonds klimt de grijsaard de trap op; maar hoe groot is onze verbazing, toen hij, in plaats van ons te gelasten onverwijld heen te gaan, ons uitnoodigt om beneden de graftombe te komen bezichtigen. Het mausoleum is vierkant; aan de voorzijde bevindt zich een ruim, met prachtige mozaïeken versierd portaal, dat toegang tot het heiligdom geeft. In het midden van eene groote zaal, waarvan de met wit stuc bekleede wanden met ornamenten van geslepen glas zijn versierd, staat een groote sarkophaag, met goud bekleed; hij rust rechtstreeks op den grond en is omgeven door een zilveren hekwerk, aan de hoeken met vier groote zilveren ballen prijkende. Op den vloer gespreide tapijten, koperen lampen, eenige met fraaie letters geschreven teksten uit den Korân, aan het hek vastgemaakt, lappen van kleedingstukken, als _ex-voto's_ op den sarkophaag neergelegd, vormen de verdere versiering van het bedehuis, waarin eene aandachtige schare vergaderd is. De geloovigen treden binnen, na hunne muilen voor de deur te hebben uitgetrokken; zij knielen neder, neigen hun aangezicht ter aarde, staan weer op, leggen hunne beide handen op het zilveren hek en gaan driemaal om den sarkophaag. Aan de hoeken kussen zij de zilveren ballen, na die met hun voorhoofd te hebben aangeraakt, onder het prevelen van arabische gebeden, die de meesten hunner niet verstaan; vervolgens verwijderen zij zich, achteruit gaande en bij iederen stap eene buiging makende.

Nabij het graf bevinden zich twee kleine zalen, voor de geestelijken van het heiligdom bestemd. De muren zijn verguld en prijken met prachtige arabesken in roode, groene en blauwe kleur, hetgeen een uitmuntend effekt maakt. In de richting van Mekka zien wij een mihrab, met een gordijn bedekt, waarachter de lijst van een schilderij zichtbaar is. Men schuift het gordijn weg, en wij zien eene schilderij van hoogst middelmatige uitvoering, voorstellende een mansportret met scherp geteekende gelaatstrekken, het hoofd gedekt met een haïk, door een koord van kemelshair bevestigd, en gekleed met een bruinen wollen mantel. Dit is volkomen de type van een arabischen sheikh. Men zeide ons dat het portret Mohammed moest voorstellen. Is dit zoo, dan is het zeker zeer vreemd, zulk eene afbeelding in eene moskee te vinden, daar toch de Korân uitdrukkelijk het weergeven van het menschenbeeld verbiedt.

Terwijl wij in de aanschouwing van deze schilderij verdiept zijn, keeren de mollahs, die hun gebed verricht hebben, langzamerhand in de zaal terug, en hurken zwijgend naast elkander, langs den muur neder. Den voornaamste onder hen wordt nu de kalyan gebracht; hij biedt de pijp aan de andere priesters aan, daarbij hunne hiërarchische rangorde streng in het oog houdende, en eerst nadat allen geweigerd hebben daarvan gebruik te maken, begint hij zelf te rooken. Na eenige trekken gedaan te hebben, biedt hij de pijp wederom den priester aan, wien hij die het eerst had gepresenteerd; de priester neemt haar thans aan en reikt haar op zijn beurt aan een ander over. Deze formaliteit wordt telkens herhaald, en duurt zoo lang, tot de kalyan, half uitgedoofd, weder in handen komt van den bediende, die voor het op nieuw vullen en aansteken zorgen moet. Nadat de pijp behoorlijk de ronde gedaan heeft, nemen eenige mollahs de boeken die in de nissen liggen; anderen halen uit de plooien van hun gewaad een kleinen verlakten inktkoker te voorschijn, alsmede een rol papier, en beginnen te schrijven. Het is voor ons tijd om te gaan.

Op onzen terugweg door een der voorsteden werd mijne aandacht getrokken door het geschetter van eene trompet. Op een pleintje, geheel buiten den karavanenweg, was eene vrij talrijke schare verzameld, om getuige te zijn van den dood der afstammelingen van Ali, Hassan en Hosein, op last van Khalief Omar om het leven gebracht. Deze dramatische voorstellingen zijn bij de Sjîieten zeer geliefd; en zoo vaak zij de droevige geschiedenis hooren verhalen van de martelaars van hun geloof, wordt op nieuw in hun gemoed de haat opgewekt tegen de Sonnieten, de bewerkers van den dood der rechtstreeksche afstammelingen van den Profeet.

Kazbin bezit niet, als Teheran, eene zaal, waar dergelijke voorstellingen met groote pracht kunnen worden gegeven: zij hebben hier in de open lucht plaats. De toeschouwers zitten neergehurkt rondom een open plek, waar zich de spelers bevinden; aan de eene zijde de gesluierde vrouwen, aan de andere de mannen met de ronde muts der landlieden op het hoofd. Op het open terrein ziet men een tapijt, waarop een sabel en een schenkkan; boven het tooneel welft zich de blauwe hemel, en de stralende zon zorgt voor de verlichting. Twee kinderen, met groote groene tulbanden op het hoofd, vervullen bij deze mysteriën de rol van het koor in het antieke treurspel en reciteeren op zangerigen toon klaagliederen, die aan aller oogen tranen ontlokken. Bij treffende, aangrijpende oogenblikken paren zich de snikken en tranen der spelers aan die der toeschouwers; de valsche verrader zelf, wiens gelaat met een kap bedekt is, jammert over zijn eigene verdorvenheid; de vrouwen snikken en jammeren luidkeels, en slaan zich met heftige gebaren op de borst. Deze uitbarstingen van toon en droefheid houden eenige minuten aan, waarna zij weer het afgebroken gesprek hervatten en vroolijk snappen en lachen. Het orchest, bestaande uit een trommel en een trompet, staat op een hoek van het tapijt en voegt zijn wanluidende tonen bij het geschreeuw en gejammer der toeschouwers. Niet verre van daar zit, op een houten stoel, een zwaarlijvig man, die met blijkbare zelfvoldoening het tooneel aanziet: misschien is hij wel de impressario, die voor het eerst met een uitgelezen troep voor het publiek optreedt.

VIII

1 Juni.--Sedert drie weken ben ik te Teheran, en nog ben ik niet verder gekomen dan in den tuin, waarop de vensters uitzien van de kamer, waarin mijn echtgenoot ziek ligt en langzamerhand in beterschap toeneemt. In welke droevige omstandigheden zijn wij te Teheran gekomen, en wat zou er van ons geworden zijn zonder de hulp en toewijding van dokter Tholozan, wiens goede diensten wij niet genoeg op prijs kunnen stellen. Deze bekwame geneeskundige, die vroeger een hoogen rang bekleedde bij het fransche leger, is sedert twee-en-twintig jaren de lijfarts des konings. In plaats van zich over te geven aan dat luie en gemakkelijke leven, dat voor de Europeanen in het Oosten zoo machtige bekoring heeft, heeft hij zich met grooten ijver toegelegd op de studie der lokale ziekten; en zijne werken over de cholera in Indië, over de pest in Mesopotamië en Perzië, en andere wetenschappelijke studiën zijn niet onopgemerkt gebleven bij de mannen van het vak. Dokter Tholozan is niet alleen de lijfarts, maar ook de vriend en vertrouwde raadsman des konings. Nasr ed-Din heeft inderdaad vriendschap voor hem opgevat, schenkt hem zijn vertrouwen en waardeert zijne kennis en zijne belangeloosheid; maar om aan het verlangen van het hof te voldoen, moest de koning zich ook omgeven door inlandsche geneesheeren, die het vertrouwen bezaten van de koninklijke familie, van de geestelijkheid en vooral van de dames uit den harem. Dit gaf soms aanleiding tot moeilijkheden en botsingen, die dokter Tholozan met zijn bedaard en gematigd karakter en verstandig overleg wist te boven te komen en uit den weg te ruimen, maar die bepaald nadeelig moeten zijn geweest voor de gezondheid des konings.

Nevens dokter Tholozan ben ik niet minder dank schuldig aan mijne buurvrouwen, de liefdezusters van Sint-Vincentius à Paulo, die mij in de ziekte van mijn echtgenoot trouw hebben bijgestaan. Zoodra zij mijne aankomst vernomen had, kwam de overste van het gesticht, zuster Caroline, mij aanbieden om mijn echtgenoot te laten overbrengen naar een paviljoen bij den ingang van het klooster, waar de hulpbehoevende, verlaten Christenen eene liefderijke verpleging vinden, die zij overal elders te vergeefs zouden zoeken; maar aangezien dokter Tholozan die verplaatsing niet raadzaam oordeelde, zijn wij gebleven in het huis, waar wij bij onze aankomst waren afgestapt.

Zoodra de zieke zoo ver hersteld was, dat ik hem alleen kon laten, ging ik een bezoek afleggen bij de zusters, om haar te bedanken voor de mij betoonde sympathie. Een blinde opende de deur; hij herkende mijne stem niet, en vroeg of ik de fransche dame was, onlangs van Tauris aangekomen. Op mijn bevestigend antwoord geleidt hij mij, langs vijvers, en met volkomen zekere schreden, naar de apotheek, waar zuster Caroline de geneesmiddelen laat bereiden voor de door haar ondersteunde armen. Het is van daag de dag der vrouwen, die in grooten getale zijn opgekomen en van de vrome edele zusters raad en hulp ontvangen.

Eerst voor weinige jaren hebben de liefdezusters te Teheran een klooster gesticht, waarin de kinderen van de weinige europeesche familiën, die in Perzië gevestigd zijn, hunne opvoeding kunnen ontvangen. De kloosterschool wordt ook bezocht door een aantal armenische meisjes; ook Muzelmannen hebben meer dan eens hunne dochters naar de school gezonden, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de zusters niet zouden pogen de meisjes van godsdienst te doen veranderen. De meisjes krijgen onderricht in het lezen, schrijven, naaien, strijken en alle andere huishoudelijke bezigheden, voorts in de fransche taal en in de eerste beginselen van geschiedenis en aardrijkskunde. Het voornaamste is wel, dat zij een huishouden leeren besturen, waarvan de perzische vrouwen schier zonder uitzondering niet het flauwste begrip hebben.

De prinsessen van den bloede toonen zich jegens de zusters zeer welwillend en edelmoedig. De koning zelf geeft aan het klooster, als bewijs zijner ingenomenheid, eene jaarlijksche toelage van tweeduizend-vijfhonderd francs; uit een financieel oogpunt, is dus de toestand der missie gansch niet ongunstig. Ongelukkig worden de krachten der edele en moedige zusters maar al te vaak uitgeput door de vermoeienissen en ontberingen van eene zeer bezwaarlijke reis, en nog meer door den invloed van het klimaat; koortsen en kwijnende ziekten ondermijnen hare krachten, en de meesten bezwijken, na verloop van ettelijke jaren, in het verre vreemde land. Vooral te Oermiah, waar zij van europeesche geneeskundige hulp verstoken zijn, en waar men niet dan over Erzeroem of Tauris kan komen, is de sterfte zeer groot.

