Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 5

Chapter 5 3,855 words Public domain Markdown

Het klooster Etsjmiadzin is de residentie van den Katholikos, het hoofd der schismatieke armenische kerk, aan wien de patriarchen te Jeruzalem en te Constantinopel ondergeschikt zijn. Men weet dat sedert het concilie van Florence in 1439, de armenische kerk in twee afdeelingen is gesplitst. Op dat concilie namelijk kwam de vereeniging van de armenische met de roomsch-katholieke kerk tot stand, waarbij de eerste haar ritus en andere eigenaardige gebruiken behield. Evenwel trad een deel van de armenische Christenheid niet tot deze vereeniging toe: en zoo ontstond, nevens de katholieke of geünieerde armenische kerk, ook eene afgescheidene of schismatieke, die het oude monophysitische dogma omtrent de natuur van Christus vasthoudt, en overigens in ritus en inrichting het meest tot de oude grieksche kerk nadert.

Het hoofd dezer schismatieke kerk nu, die hare aanhangers niet alleen in eigenlijk Armenië, maar ook in aziatisch Turkije, in Syrië, in Perzië en zelfs in Hindostan telt, is de patriarch van Etsjmiadzin, die den titel van Katholikos voert. Dit beroemde overoude klooster ligt op ongeveer twee-en-twintig mijlen afstands van Erivan, in eene vruchtbare met boomgaarden en tuinen prijkende vlakte, negenhonderd-tien el boven de zee verheven. In overouden tijd stond hier de stad Wagharsjabad. De patriarchale kerk, in de vierde eeuw na Christus gebouwd, kan hoegenaamd geen aanspraak op architektonische schoonheid maken, maar staat daarentegen in den roep van buitengewone heiligheid; de kloostergebouwcn dagteekenen uit den tijd van den patriarch Narses, uit de eerste helft der zesde eeuw. De kerk bevat een schat van kostbare relikwieën, zooals de lans, waarmede de Heiland aan het kruis doorboord werd; den rechterarm van Sint-Gregorius, en zeer vele anderen, meest allen in prachtige, rijk versierde relikwariën gevat. Voorts worden in de sakristie kostbare oude vaten en gereedschappen voor de heilige dienst, benevens kerkelijke gewaden bewaard. De grootste merkwaardigheid van het klooster is echter wel de bibliotheek, rijk aan oude zeldzame handschriften, hier sedert eeuwen bijeengebracht. De schatten van deze bibliotheek zijn, zoo ik mij niet bedrieg, nog maar zeer onvolledig bekend. Ook bezit het klooster eene drukkerij, waarop een aantal belangrijke werken in de armenische taal zijn gedrukt.

In de nabijheid van Etsjmiadzin, liggen nog twee andere, bij de Armeniërs in hoog aanzien staande kloosters, Kaiane en Hripsime, die als filiaalstichtingen tot het patriarchale klooster behooren: vandaar ook de bijnaam van dit laatste, Utsjkilissi, dat wil zeggen, Driekerken. De bevolking van Etsjmiadzin bedraagt, met inbegrip van de kweekelingen van het seminarie, ruim honderd personen, waaronder vele geestelijken van hoogen rang, die den Katholikos als raadslieden zijn toegevoegd.

19 April. Paschen.--Het is heden feestdag in alle consulaten. Nadat de receptie was afgeloopen, ben ik op het platte dak geklommen, om daar, in de schaduw van de fransche vlag, een weinig uit te rusten. De laatste stralen der ondergaande zon verlichtten de stad van Zobeïde, die als in vuurgloed scheen gedompeld. Ik was geheel verzonken in de beschouwing van dit tafreel, toen ik mij zachtkens hoorde roepen.

"Çaheb," zeide op beschroomden toon eene chaldeesche vrouw uit het naburige huis, "laat mij de afbeeldingen eens kijken, die gij iederen morgen op het dak maakt."--Ik had niet de minste gedachte, aldus bespied te worden, wanneer ik 's morgens eenige afdrukken naar mijne clichés maakte. Ik groette mijne nieuwe kennis, en stelde haar voor, ook eens voor haar portret te poseeren. Zij is daartoe bereid; de toestel is spoedig in orde; maar het begint donker te worden en ik kan geene photografie meer maken. Haastig roep ik mijn echtgenoot en verzoek hem zijn potlood mede te brengen want misschien zal de schoone Rakhy morgen van gedachte zijn veranderd. Na eerst eenige tegenwerpingen te hebben gemaakt, slaat zij toch haar sluier, die haar den mond bedekt, weg, en staat eenige oogenblikken onbewegelijk stil. Haar zwarte oogen zien ons met eene guitige uitdrukking aan; haar trekken zijn meer sprekend en forsch dan bevallig; in 't oog vallend is de afstand tusschen den neus en den mond. Zij draagt een rooden doek van chineesche zijde om het hoofd geknoopt; de haren, in een aantal kleine vlechten verdeeld, vallen op den rug, bedekt door een sluier van witte mousseline, die eenige malen om het hoofd wordt gewonden, het benedengedeelte van het gelaat tot boven den mond bedekt, en over de schouders wordt geworpen. Onder een wijde koledja (overkleed) van blauw laken, met zwart zijden passement afgezet, draagt zij eene japon van gekleurde stof.--Rakhy was met haar portret zeer ingenomen en betuigde bij herhaling haar dank.

V

20 April.--De hadji, de aanvoerder der karavaan, is gisteren onze bagage in oogenschouw komen nemen, ten einde te kunnen berekenen, hoeveel muildieren voor het vervoer der goederen noodig zouden zijn. Om het uur voor het vertrek te bepalen, moet niet alleen op den wensch en het gemak der reizigers worden gelet, maar vooral ook rekening gehouden met den kalender. De almanak speelt hier eene groote rol, in de belangrijkste zoowel als in de nietigste zaken, en niet licht zal men iets ondernemen, zonder vooraf dit orakel te raadplegen. De eene dag is gunstig voor het aanvangen eener reis, de andere voor het afleggen van een bezoek; zeer dikwijls wordt niet alleen de dag, maar ook een bepaald uur aangewezen;--nooit zal het, bij voorbeeld, een kleermaker in de gedachte komen, iemand de maat nemen, buiten den door den almanak aangegeven tijd: het kleed zou buiten twijfel verknipt worden.

Waarschijnlijk is heden de uitspraak van het orakel gunstig, want reeds met het aanbreken van den dag zijn de tsjarvadars komen vernemen, of wij gereed waren om te vertrekken. Op ons bevestigend antwoord, verzekerden zij dat de paarden zoo aanstonds zouden voorkomen.--_Hala_, dat wil immers zeggen, dadelijk. Op hun woord vertrouwende, begaf ik mij naar de binnenplaats van het consulaat, met het geweer op den schouder en de rijzweep in de hand, niet anders denkende dan dat ik binnen weinige oogenblikken te paard zou moeten stijgen. Het is zes uren in den morgen; ik wacht geduldig tot zeven uren; toen, niets ziende verschijnen, ga ik naar den salon.

"Hoe komt gij al zoo vroeg in volle wapenrusting? vraagt mij de consul lachende.

--Wel, de paarden zouden zoo dadelijk komen. _Hala_, zeiden de tsjarvadars, en ik dacht vroeg te vertrekken.

--Haast u zoo niet, herneemt de heer Bernay: _Hala_ kan tot van avond duren; begin maar eerst met ons te ontbijten. Om pleizierig met eene karavaan te reizen, moet men leeren geduld te oefenen, tot men eindelijk de gewoonte heeft aangenomen, zich te laten wachten. Wil men hier de algemeene achting verwerven en met eerbied bejegend worden, dan moet men niet karig zijn met zijn tijd. Onaanzienlijke, geringe lieden alleen moeten met de uren woekeren; de aanzienlijken, de wijzen zijn zoo zeker van hunne zaak, dat zij altijd tijd in overvloed hebben."

Omstreeks één uur in den namiddag deed zich in de anders zoo stille straat eensklaps een ongewoon gerucht hooren. Gelukkig! daar zijn de tien paarden, noodig voor het vervoer van onze bagage en onze bedienden. Het zoo geroemde turkomansche ras is zeer slecht vertegenwoordigd door die magere, afgetobde knollen. Achttien dagreizen scheiden ons van Teheran: zullen wij daar ooit komen met die ongelukkige dieren?

Tot mijne verwondering bespeur ik aan de poort der stad, dat ik met mijne dienaren en de bagage alleen ben: vergeefs zie ik om naar onze reisgezellen, de pelgrims naar het graf van den iman Rezza van Mesjhed.

"Wij zullen den nacht doorbrengen in een dorp, twee farsaghs van de stad verwijderd, zegt de hadji, die ons de eer heeft aangedaan ons te vergezellen; daar is de algemeene verzamelplaats der karavaan. Zij zal daar heden avond aankomen; en morgen, met het krieken van den dag, zullen wij den tocht van twee-en-twintig dagen aanvaarden, aan welks einde wij, zoo het God behaagt, den gouden koepel van Shah Abdoel-Azim zullen aanschouwen.

--Hoe veel uren duurt uwe dagreis? vroeg ik hem.

--Een goed georganiseerde en goed bestuurde karavaan, als de mijne, legt drie-vierde farsagh per uur af, en in een dag tusschen de zes en acht farsaghs."

Een farsagh, door de grieksche schrijvers een _parasanga_ genoemd, staat ongeveer gelijk met zes kilometers. Naar het schijnt waren oudtijds in het Oosten, even als te Rome, de wegen voorzien van mijlpalen, waarop de reiziger den afstand kon zien, dien hij had afgelegd. Die palen bestaan tegenwoordig niet meer; daar echter de karavanen steeds denzelfden weg volgen, zijn de tsjarvadars zeer nauwkeurig bekend met den afstand van het eene station naar het andere. Op de groote communicatiewegen vergissen zij zich bijna nooit in hunne berekening; en zoo de reis soms langer duurt dan zij volgens den afstand zou moeten duren, dan is dit doorgaans te wijten aan de hinderpalen, die men, vooral in het ongunstige jaargetijde, op den weg ontmoet. In den winter wordt de geringste beek vaak een onstuimige bergstroom, die de karavanen dwingt een langen omweg te maken, eer men eene plaats gevonden heeft, waar de zwaar beladen lastdieren kunnen overgaan.

Aan het dorp Rasmidj gekomen, brengen onze gidsen ons naar den tsjapar-khaneh (het posthuis), waar zich de paarden bevinden bestemd voor de koeriers, die de dienst verrichten langs den weg van Tauris naar Teheran. Dit vierkante gebouw bestaat uit een muur, waartegen aan de binnenzijde de stallen met platte daken zijn gebouwd. Des zomers blijven de paarden buiten, waar zij voor etensbakken worden vastgebonden. Boven de poort bevindt zich een klein vertrek, waarvan de vensters naar de vier windstreken uitzien. De ruiten worden vervangen door houten traliewerk, waardoor de wind vrij kan spelen, maar dat toch dicht genoeg is om onbescheiden blikken buiten te sluiten. Deze luchtige kamer, waarin wij, bij gebrek van beter, onzen intrek nemen, heet de bala-khaneh (de opperzaal).

Terwijl men bezig is met ontpakken, ga ik eene wandeling maken door den bazar van het dorp, die vrij wel voorzien is. Men vindt daar mooie, in goudpapier gewikkelde russische bougies, suiker van Marseille, dadels en melk in overvloed. Het dochtertje van den postmeester vergezelt ons; het is een aardig kind van omstreeks zeven jaar, maar dat vrij wat ouder schijnt; toekomende jaar geeft men haar een sluier; kort daarop wordt zij ten huwelijk gegeven, en eer zeven jaren verloopen zijn, wandelt zij met een zuigeling op den arm.

Inmiddels is het donker geworden; maar dat hindert mij niet, want wij zijn van alles voorzien. In het midden van de kamer staat eene tafel van ongeverfd hout; stroozakken vervangen de plaats van stoelen, en zullen straks dienst doen als bedden; in eene kleine nis staat een trekpot, een samovar, een kandelaar; boven een goed vuur hangen de dampende ketels. Maar, helaas! niets is op deze wereld bestendig. De wind steekt op; de schoorsteen begint geweldig te rooken, en het licht waait uit. Al tastende gelukt het mij, voor het houten traliewerk mantels en doeken en shawls uit te spreiden, die ik zoo goed mogelijk met spijkers bevestig.

De kamer is weer tamelijk in orde als de pilau verschijnt. Dit nationale gerecht wordt zeer smakelijk bereid: naar de lekkerbekken beweren, zijn er, om de pilau klaar te maken, evenveel verschillende manieren, als er dagen in het jaar zijn. Een gewone pilau--rijst met schapevleesch--is binnen het uur klaar; en dit is niet een van zijn minste verdiensten.

21 April.--Ik lag nog in diepen slaap gedompeld, toen de stem van den hadji mij wakker maakte.

"Sta op, Çaheb, zeide hij, wij zijn allen gereed; wij hebben eene lange dagreis te maken; en wanneer wij in den vroegen morgen van hier vertrekken, zullen wij nog juist den tijd hebben om voor den nacht de pleisterplaats te bereiken."

Het is pas één uur: mijn echtgenoot en ik maken zoo spoedig mogelijk ons toilet. Daar wij hier haast zoo goed als in de open lucht zijn, hebben wij weer de gewoonte van den Kaukasus aangenomen, en ons geheel gekleed te slapen gelegd, zorg dragende, niet alleen het lichaam, maar ook het hoofd, on vooral de oogen te bedekken met den grooten reisdeken, dien wij te Tauris hadden laten maken.

Verwonderd over de langzaamheid, waarmede onze bedienden den boel inpakken, beknor ik hen over hunne traagheid. "Wat wilt gij dan doen gedurende de drie of vier uren, die wij hier nog moeten blijven?" antwoorden zij.

Ik herinnerde mij toen, maar een weinig te laat, de waarschuwingen van den heer Bernay en de beteekenis van _Hala_. Om mij van de toedracht der zaak te overtuigen, verlaat ik het posthuis en ga naar de karavanserai, waar bijna alle reizigers bijeen zijn: Bij het schijnsel van eenige walmende kaarsen, die in de booggangen rondom de binnenplaats branden, bespeur ik gesluierde vrouwen die schreeuwende kinderen aankleeden; terwijl de dienaars vuur aanmaken om thee te zetten en de noodige spijzen voor den dag te bereiden. Al deze lieden zijn laat van Tauris vertrokken, hebben een deel van den nacht gereisd, en schijnen in het minst niet gehaast om weer op weg te gaan. De paarden eten rustig hun haver; en de muilezeldrijvers, in hunne mantels van schapevel gewikkeld, snorken zoo luid, dat zij bijna het geschreeuw overstemmen der ontijdig gewekte kinderen.

Met den dageraad wordt overal appèl gehouden, en eindelijk verschijnen de tsjarvadars om onze bagage mede te nemen. Wij zijn nu ongeveer met ons tachtigen, mannen, vrouwen, kinderen, mollahs, bedienden, gevolgd door ruim honderd-vijftig lastdieren.

Aan het hoofd der karavaan gaan de krachtigste paarden, uitgedost en opgeschikt als andalusische muilezels, en allen voorzien van koperen bellen van verschillende grootte: sommigen hangen om den hals der paarden en zijn niet grooter dan kleine schelletjes, zooals de schapen dragen; anderen, tot vijftig duim lang, hangen langs de zijden van het paard en geven een zwaar geluid, bijna als kerkklokken; dikwijls zijn zij, naar gelang van de grootte, in elkander gevat, zoodat iedere bel als het ware de klepel is van diegene waarin zij hangt. Van het eene einde van de karavaan tot het andere hoort men dit getjingel en gelui, waarnaar zich de snelheid van den marsch regelt. Op eenigen afstand maakt dit concert een zeer harmonischen indruk; de liefelijke muziek doet u denken aan statige, zangerige orgeltonen, of aan het klagend suizen van den herfstwind in de bosschen.--Dan volgt de geestelijke leidsman van de bedevaart. Dit is een mollah van rijzige gestalte, met een bronskleurig gelaat; hij draagt den donkerblauwen tulband van de seïds en een kleed van kalemkar; zijn paard--vroeger wit, nu geheel blauw geverfd--is behangen met al het huisraad van den vromen man: waschkommen, een samovar, ketels, zakken voor het bergen van verschillende voorwerpen; de ruiter zelf, op een stapel dekens en tapijten gezeten, schijnt van zijn hemelsblauw paard met dezelfde minachting op menschen en dieren neer te zien. Ik had verwacht dat hij, bij het vertrek, den standaard der bedevaartgangers zou ontplooien en den lofzang aanheffen ter eere van den iman Rezza van Mesjhed, naar wiens graf hij zijne kudde geleidde; maar de tegenwoordigheid van twee ongeloovigen heeft hem, naar het schijnt, in de war gebracht en hem zijn plicht doen verzuimen. Hij wreekt zich, door nu en dan van ter zijde knorrige blikken op ons te werpen en zijn hoofd om te draaien zoo dikwijls wij in zijne nabijheid komen, ten einde niet genoodzaakt te zijn ons te groeten.

Wij rijden dicht achter hem, gevolgd door een troep kinderen van vijf tot tien jaar, die zeer gelukkig zijn nu zij hun eerste groote reis maken. Zij rollen elk oogenblik van de hoog opgestapelde bagage, waarop zij gezeten zijn, naar beneden; maar niemand bekommert zich daarom. Op de bedevaart krijgt niemand een ongeluk.

Ziehier het rustigste gedeelte der karavaan, dat steeds den middentocht uitmaakt. De voor de vrouwen bestemde muilezels dragen, ter wederzijde van het pakzadel, twee lage kisten, tachtig duim lang en vijftig breed, in Perzië bekend onder den naam van kadjavehs. Boven die kisten zijn hoepels aangebracht, waarover een groen doek is gespannen, ten einde de reizigsters tegen de zon, tegen den regen, en vooral tegen onbescheiden blikken te beschermen. Het is niet gemakkelijk, in deze zonderlinge voertuigen plaats te nemen: men gebruikt daartoe een smal laddertje, dat tegen de kist gezet wordt. Als de vrouwen gezeten zijn, wordt het laddertje onder den kadjaveh vastgemaakt tot de volgende pleisterplaats is bereikt, want het is geene gewoonte dat de vrouwen onderweg uitstappen. Op een hoop dekens gezeten of liever neergehurkt, hebben zij bovendien nog de mondbehoeften bij zich en de kinderen die te klein zijn om te paard te rijden.

De kadjavehs der dames zijn omringd door de oudste bedienden en door de jaloersche echtgenooten. Een van deze laatsten heeft op minstens acht vrouwen te passen, en schijnt die gansch niet gemakkelijke taak met de uiterste nauwgezetheid te vervullen. Te oordeelen naar het aantal zijner bedienden en de pracht van zijne kadjavehs, moet hij een groot heer zijn. Het paard, dat de favorite met haar kroost draagt, wordt geleid door een jeugdigen knaap, wiens blozende wangen en levendige geestige oogen onwillekeurig mijne aandacht trekken; zijn kaal geschoren hoofd is gedekt met eene ronde muts, met zwarte schapewol gevoerd; hij draagt eene nette koledja, die om de heupen door een gordel wordt saamgebonden en die zijne slanke, welgevormde gestalte op het voordeeligst doet uitkomen. Die mooie jongen verkeert op den meest vertrouwelijken voet met de dames, tot wie niemand het woord richt; steeds vroolijk en lachende, gaat hij van de eene naar de andere, brengt boodschappen over, drijft de achterblijvende paarden voort, steekt de pijpen aan en rookt zelf; neemt de huilende kinderen van de moeders af, draagt ze op zijn schouders, en legt bijna den gansenen weg te voet af, zoo goed als de sterkste tsjarvadars.

Ik laat de karavaan voorbij trekken en vind eindelijk onze bedienden in de achterhoede.

"Wie is toch die knaap, bij den eersten kadjaveh? vroeg ik een hunner.

--Dat is een pitshkhedmet, antwoordde hij; de aga (de meester), in zijne wijsheid oordeelende dat de vrouwelijke bedienden zijner gemalinnen niet wel op de reis de gewone dienst kunnen verrichten, heeft eene stevige en flinke kurdische boerin uitgezocht, heeft haar het hoofd laten kaal scheren en manskleederen aantrekken, zoodat zij zich, zonder ergernis te geven, ongesluierd kan vertoonen. Ali, zooals men haar hier noemt, neemt nu de dienst waar bij de dames, die geen man zou durven naderen."

23 April.--Gisteren, ten vier uren in den namiddag, hebben wij onzen plechtigen intocht gehouden te Mianeh, eene kleine stad, maar die zeer oud is. Wij hebben onzen intrek genomen in het kantoor van de engelsche telegraaf, dat door twee jonge Armeniërs wordt bewoond.

Nauwelijks was de bagage ontpakt, of men kondigde ons het bezoek aan van den ket-khoda, een ambtenaar, die de meest heterogene functiën uitoefent, die recht moet spreken, die belastingen moet innen en jaarlijks aan den gouverneur der provincie het bepaalde contingent voor het koninklijk leger zenden. Hij verscheen, omringd, als naar gewoonte, door een drom van bedienden, waarvan sommigen aangestoken pijpen droegen.

Wij noodigen hem uit, plaats te nemen op een voor hem bestemd tapijt, alle aanwezigen hurken naast hem neder, ieder overeenkomstig den rang, dien hij in de maatschappelijke hiërarchie inneemt.

"Heil zij u! Is de gezondheid van Uwe Edelheid goed? vraagt de ket-khoda, terwijl hij de hand op zijn hart legt.

--Zij is goed, Gode zij dank, antwoordt mijn echtgenoot.

--Is de gezondheid van Uwe Edelheid zeer goed?

--Bij uwe mogendheid, zij is zeer goed. En is de gezondheid van Uwe Edelheid goed?

--Sedert de komst van Uwe Edelheid in dit land is zij uitmuntend. Reeds sedert lang heeft uw slaaf gehoopt, Uwer Edelheid zijne hulde te mogen aanbieden.

--God zij geloofd, uw dienaar had zijne opwachting bij U behooren te maken.

--Ik dank ten hoogste Uwe Edelheid; uw slaaf is altijd gereed, u voor te zijn."

Nadat deze begroetingen waren afgeloopen, begon de ket-khoda te vragen naar onze nationaliteit en naar het doel onzer reis; vervolgens verwijderde hij zich, God biddende over onze kostbare levens te willen waken.

De kleeding van dezen ambtenaar bestaat uit een wit katoenen broek, en een jas van dezelfde stof, met vergulde knoopen, waarop de leeuw en de zon van het koninklijk wapen prijken. Zijn kleine kollah duidt aan, dat hij de mode van het hof wenscht te volgen; de andere inwoners van het dorp dragen nog allen de ronde papash der Turkomannen. Des avonds laat komt de hadji, na zijne pelgrims zoo goed mogelijk onder dak te hebben gebracht, ons waarschuwen dat de vermoeidheid der vrouwen en vooral de uitputting der paarden ten gevolge van de modderige wegen, hem noodzaakt een dag te Mianeh te blijven.

"Dat is goed," antwoordt mijn echtgenoot, "ik zal dan vooruit gaan om wat langer bij den Dokhtarépol te kunnen blijven.

--Onmogelijk, Çaheb, de weg is niet veilig; misschien zou men u mijne paarden ontnemen.

--Hadji, zeide ik op mijne beurt, ik merk dat gij steeds meer denkt aan uwe beesten dan aan de reizigers: toch zijt gij geroepen om voor beiden althans in gelijke mate te zorgen. Zend ons morgen ochtend vroeg drie paarden: worden die ons ontstolen, dan zullen wij ze u vergoeden.

--Allah ké-rib!" (God is groot) mompelde de hadji, terwijl hij heenging, zich aan ons besluit onderwerpende.

26 April.--Bij het krieken van den dag verlaten wij Mianeh, slechts gevolgd door een armenischen bediende; de dekens zijn opgerold; wij hebben onze fotografie-toestellen en levensmiddelen voor twee dagen bij ons; onze geladen geweren liggen voor ons op het zadel, en twee paar revolvers hangen aan onze gordels. Al dit geschut zal, naar ik vertrouw, de dieven wel afschrikken, die lust mochten gevoelen om de paarden van den hadji te stelen.

Ter linkerzijde van den weg verheffen zich de half in puin gevallen muren van eene oude vesting; op de brokstukken zitten, onbewegelijk, enkele gieren. Rechts hebben wij tuinen met bloeiende vruchtboomen beplant. Door een moeras, waarin de paarden tot aan de knieën wegzinken, komen wij aan de brug van Mianeh en beginnen den Kaflan-koe of berg van den Tigris te beklimmen, in het gezelschap van een derwîsj, van wien wij ons niet kunnen ontslaan. De weg, die door menschen schijnt aangelegd, gaat vrij steil omhoog, langs diepe afgronden en kloven, waarin kleine bergstroomen bruisen. De berg wordt al woester en woester: eindelijk, na vier uren stijgens, bereiken wij een pas, die in het slechte jaargetijde zoo ongenaakbaar is, dat de Turken, toen zij in het bezit waren van dit land, om den overtocht voor hunne troepen gemakkelijker te maken, over eene lengte van een kilometer ter wederzijde van den pas, eene soort van straatweg lieten aanleggen. Onze paarden rusten hier even uit, en inmiddels geniet ik van het prachtige panorama.

Aan den voet van den Kaflan-koe, die de grensscheiding vormt tusschen Azerbeïdsjan en Irâk, strekt zich de bloeiende vlakte van Mianeh uit, beheerscht door de besneeuwde toppen van den Elbroez.

Een heldere lentezon schijnt op de verblindend witte toppen en op de donkere rotsen der bergen. Halverwege de helling verrijst, in de vallei van Kisiloe-soe, een alleen staande rotskegel of piek, waarvan de smalle top gekroond wordt door een gebouw, in den omtrek bekend onder den naam van het kasteel der Maagd (Dokhtaré-pol). De stichting van dit zonderlinge kasteel verliest zich in de hooge oudheid; volgens de overlevering zou deze ongenaakbare vesting zijn gebouwd door Ardeshir-Derazdash (Langhand), den Artaxerxes der grieksche schrijvers, om tot kerker te dienen voor eene ongehoorzame prinses.