Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 4

Chapter 4 3,688 words Public domain Markdown

Wij komen nu op nieuw in den bazar, die bijna verlaten is; de laatste kooplieden bergen de uitgestalde waren weg en sluiten hun winkel. Toch is het van daag geen vrijdag, de rustdag der muzelmannen, noch een van de vele feestdagen van den perzischen kalender. Wat mag dan de reden zijn van dit plotseling ophouden van allen handel en verkeer in een zoo belangrijken en drukken bazar als die van Tauris? Een hooggeacht geestelijke, de moesjteïd of opperpriester, had, naar men ons verhaalde, zoo juist den adem uitgeblazen. Het was een eerbiedwaardige grijsaard, met een belangwekkend, geestvol gelaat en een gedistingeerd voorkomen. Evenals alle opperpriesters, droeg hij over zijn gewaad een witten mantel van zeer fijne wol, en op het hoofd den grooten blauwen tulband, die in Perzië het onderscheidingsteeken is van de ware of vermeende afstammelingen van den Profeet. Dit eenvoudig en deftig kostuum paste volkomen bij zijn statig voorkomen en majestueusen gang, en deed het scherp geteekende asceten-gelaat, dat wel geschikt was om ontzag in te boezemen, op het voordeeligst uitkomen.

Eenige dagen geleden had mijn echtgenoot dien geestelijken heer verzocht, zijne photografie te mogen maken; maar zonder eenige achterhoudendheid had hij bekend, waarom hij zich liever niet aan die proef blootstelde.

"Ik ben iemand van hoogen leeftijd, zoo sprak hij; en hoewel ik niet bijgeloovig ben, zooals de kettersche Sonniten, vrees ik toch, dat ik, door op die wijze mijn portret te laten maken, als het ware met eigen hand mijn doodvonnis zal onderteekenen. Ik weet niet, of de kunst, waardoor gij eensklaps iemands gelaat kunt afbeelden, u van God of van den duivel geopenbaard is; en bij die onzekerheid, wil ik liever geen aanstoot en slecht voorbeeld geven. Maar dewijl gij eene herinnering aan mij wenscht te bezitten, zal ik mijne vicarissen uitnoodigen, met mij eene groep te vormen, en dan kunt gij onze portretten teekenen: maar op voorwaarde, dat wij al uwe bewegingen kunnen volgen."

Van achteren bezien, komt de weigering van den grijsaard om zich te laten photografeeren ons zeer te stade: had hij aan onzen wensch toegegeven, dan zou het fanatieke volk, bij hetwelk de priester in zoo hooge eere stond, gewisselijk niet hebben nagelaten, in ons de bewerkers van zijn plotselingen dood te zien, en getracht hebben zich daarover op ons te wreken.

De geestelijken, met den naam van moesjteïds aangeduid, bekleeden den hoogsten rang in de sjîitische hiërarchie, en hebben steeds in Perzië een zeer grooten invloed uitgeoefend. Zij bekleeden geen officieel ambt, ontvangen geene bezoldiging, en worden tot die hooge waardigheid aangewezen door de ondubbelzinnige uitspraak der publieke opinie van het volk, dat zij in de waarheden der godsdienst moeten onderrichten, en waarvan zij de verdedigers en beschermers zijn tegen de onderdrukking of het onrecht der grooten. De titel van moesjteïd kan niet door de regeering verleend worden. Zelden zijn er in Perzië meer dan drie of vier moesjteïds, die als zoodanig door het volk worden erkend; om dien titel te kunnen voeren, moet een mollah, gedurende een twintigjarig verblijf te Kerbela of te Nedjef, den hoogsten graad hebben verworven in zeventig vakken van wetenschap; bovendien moet hij aan het land eene talrijke nakomelingschap hebben geschonken. Om de achting en het vertrouwen van het volk te verwerven en te behouden, moeten deze geestelijke heeren eene reputatie genieten van onbesproken levenswandel, van groote matigheid en ingetogenheid; doorgaans leven zij zeer teruggetrokken en onttrekken zich aan alle eerbetooningen of gunstbewijzen van het hof. Hunne stichtelijke toespraken zijn vol zalving; hunne gebeden langer dan die der gewone geloovigen; naar hunne vermaningen luistert de schare met deemoed. Ook als uitleggers van de wet hebben zij groot gezag: in ernstige gevallen roepen de rechters hunne beslissing in en gedragen zich daarnaar.

Maar in den laatsten tijd toont het burgerlijk gezag al meer en meer de neiging om zich van deze geestelijke voogdij te ontslaan; en de tijd is voorbij, toen de doorluchtige moesjteïd van Ispahan, Hadji Seïd Mohammed Boghir, in de provincie Irâk een onbeperkt gezag uitoefende. De misdadigers, die hij ter dood veroordeeld had, werden in zijne tegenwoordigheid terecht gesteld; meer dan een verzocht als eene hooge gunst, door de hand van den priester zelven te mogen sterven. In dat geval werden de lijken op de binnenplaats van het paleis begraven; en de schuldigen ondergingen den dood in het vaste vertrouwen dat hunne zonden hun zouden vergeven en de toegang tot het paradijs voor hen ontsloten zou worden.

Over het algemeen verdient het gedrag en de houding van de hooge perzische geestelijkheid niets dan lof. De voorbeelden dat een der opperpriesters door zijn levenswandel stof tot ergernis geeft, zijn zeer zeldzaam. Trouwens, indien zulke gevallen dikwijls voorkwamen, zou, vooral bij de in Perzië op het stuk van godsdienst heerschende onverschilligheid, de bekoring spoedig verbroken zijn, en zou de hooge geestelijkheid weldra de achting en het ontzag verliezen, dat zij bij de massa der bevolking nog steeds geniet.--Ongelukkig kan men van de lagere geestelijkheid, de mollahs, niet zoo gunstige getuigenis afleggen. Daar zijn duizenden verhalen en anekdoten in omloop, waaruit hunne hebzucht, hunne kwade trouw of domheid moeten blijken. Nog gisteren vertelde men in den bazar het volgende: De mollah Nasr ed-Din preekte laatstleden vrijdag in de moskee van den Shâh Hosein, de schoenlapper uit den laatsten winkel in den lederbazar, in het heiligdom neergeknield, schreide bittere tranen; zijne buren, gesticht door zijne vroomheid en meenende dat de ernstige vermaningen van den prediker zijn gemoed zoo zeer bewogen hadden, vroegen met belangstelling naar de oorzaak zijner in het oog vallende droefheid.--"Mijn bok is gestorven," antwoordde hij snikkende, "en de mollah heeft bij het preeken met zijn baard dezelfde beweging gemaakt als mijn overleden huisgenoot. Ach, de herinnering aan hem heeft mijne tranen doen vloeien!"

Het fanatisme der mollahs houdt gelijken tred met hunne onwetendheid en hun schraapzucht; zij verfoeien de Christenen; en wanneer, in het afgeloopen jaar (1880), de Kurden Tauris waren binnen getrokken,--waarvoor een oogenblik vrees bestond--dan zou het gepeupel, op aanstoken van de mollahs, ongetwijfeld gemeene zaak hebben gemaakt met de bandieten, om de armenische wijk, waar de Christenen wonen, te plunderen; waarschijnlijk om dan later onderling over de verdeeling van den buit te vechten.

In hunne vurige begeerlijkheid naar aardsche goederen gaan vele mollahs zoo ver, dat zij zelfs den plicht der weldadigheid verzuimen, waarop de Korân toch zoo grooten nadruk legt. Ik heb nimmer door een mollah een aalmoes zien uitreiken, hoewel het schouwspel der heerschende ellende inderdaad hartverscheurend was. Daarentegen was ik er wel getuige van, hoe een blinde, door een mollah berispt, omdat hij de barmhartigheid inriep van een ongeloovige, op bitteren toon antwoordde: "Geeft dan zelven aalmoezen, gij huichelaars en valsche geloovigen, en laat ons niet van honger en ellende omkomen!"

Overeenkomstig het gebruik, moet de begrafenis van den moesjteïd twee uren na zijn overlijden plaats hebben. De menigte stroomt van alle kanten naar het sterfhuis, om zich bij den lijkstoet aan te sluiten; ook ik wil gaarne bij de plechtigheid tegenwoordig zijn. Ik spoed mij dus zoo haastig mogelijk voort, maar word weldra door mijn gids tegen gehouden: hij heeft mijn voornemen geraden, tracht mij eerst onder allerlei voorwendsels daarvan terug te houden, maar bekent eindelijk dat hij geen Christenen mag laten stilstaan op den weg, waarlangs de lijkstoet komen zal. Ten einde den trouwen dienstknecht geen verdriet aan te doen en misschien ook den consul in moeilijkheden te brengen, neem ik het aanbod aan van een der soldaten der policie en begeef mij naar het platte dak van een huis, door een zijner bloedverwanten bewoond. Zonder zelve in het oog te vallen, zal ik van daar den stoet kunnen zien voorbij trekken. Nauwelijks ben ik op het dak aangekomen, of een verward gerucht en luide jammerkreten klinken mij uit de verte tegen: de lijkstoet is in aantocht.

Voorop, naar den voor alle landen en hemelstreken geldenden regel, een troep jongens, schreeuwende, gillende, springende, zoo als hunne kameraden overal de loffelijke gewoonte hebben te doen; onmiddellijk achter die rumoerige bende volgt het lijk, op eene baar uitgestrekt, die door vier mannen gedragen wordt. De doode is bedekt met een fraaien kashmiren shawl; aan het hoofdeneinde ligt de groote blauwe tulband; eene schier onafzienbare menigte, bestaande uit mannen van allerlei stand en leeftijd, loopt in ordelooze verwarring achter de baar, dringende en duwende om zich een weg te banen tot bij den doode, ten einde den shawl zoo mogelijk te kunnen kussen of althans aan te raken.

De stoet wordt gesloten door een aantal gesluierde vrouwen, die de lucht doen weergalmen van haar akelig gekrijsch en gillende jammerkreten. Vergeefs zie ik uit naar den gouverneur, de hooge beambten, de soldaten, wier tegenwoordigheid aan de begrafenisplechtigheid een officieel karakter zou geven. Maar nergens is een uniform te bespeuren: de rouwbetooning gaat van het volk zelf uit, en is eene laatste hulde aan de nagedachtenis van een man, die om zijn hoogen rang en nog meer om zijne deugden en zijn heiligen wandel de algemeene achting en sympathie genoot.

De gewoonte om de afgestorvenen zoo haastig te begraven geldt niet alleen voor de leden van de hooge geestelijkheid, maar voor iedereen. Dit gebruik, waarschijnlijk wel op overwegingen in het belang der gezondheid gegrond, heeft deze bedenkelijke zijde, dat het verborgen blijven van misdaden er door wordt in de hand gewerkt.

Is er in een gezin iemand overleden, dan worden de betrekkingen en vrienden onmiddellijk gewaarschuwd, en heeft binnen de twee uren de begrafenis plaats, zonder dat een geneesheer of andere deskundige geroepen wordt om het overlijden te constateeren of de oorzaak van den dood te onderzoeken, Om de mogelijkheid, dat iemand levend zou worden begrafen, schijnt men zich inderdaad niet zeer te bekommeren; de armen beschouwen den dood zeer dikwijls als eene verlossing uit hun lijden, en rekenen de afgestorvenen gelukkig; de rijken zenden hunne dooden naar Kerbela of naar Nedjef, en de reis daarheen duurt zoo lang, dat de schijndoode, die bovendien in geene gesloten kist wordt geborgen, overvloedig den tijd heeft om weer tot zich zelven te komen.

De toebereidselen voor de begrafenis zelve kunnen, bij zoo spoedige ter aarde bestelling, uit den aard der zaak niet veel beteekenen. Het lijk, in een doek of shawl gewikkeld, wordt in een ondiepen kuil gelegd, die in allerijl op de begraafplaats of ook wel elders gedolven wordt. De bloedverwanten beschouwen hun plicht als volbracht, wanneer zij het hoofd van den doode in de richting van Mekka hebben geplaatst, en onder zijne oksels twee kleine houten krukken gelegd, om zich daarmede op te richten, als ten dage van het jongste gericht de engel Azraël de dooden zal opwekken. Is de afgestorvene eene vrouw, dan wordt over het lijk, nadat het in het graf gelegd is, nog een dichten sluier uitgespreid, waardoor de vormen geheel onzichtbaar worden.

17 April.--De dood van den moesjteïd wordt blijkbaar als eene openbare ramp beschouwd: handel en verkeer staan bijna geheel stil. Ten teeken van rouw blijven de winkels in den bazar gesloten; de bakkers bakken geen brood en de slagers slachten geen vee: de inwoners van Tauris schijnen van daag aan geen eten te denken. Om ons eenige afleiding te bezorgen, besluiten wij met enkele Europeanen een uitstapje te gaan maken naar de ruïnen der moskee van Gazan-Khan.

Weldra is eene talrijke ruiterbende bijeenverzameld, en wij komen buiten de stad, na door de bazars en eene uitgestrekte voorstad te zijn gereden, waar de straatjeugd luidkeels liederen zong ter verheerlijking van de heldendaden van Moekhtar-Pasja in den russisch-turkschen oorlog.

Al spoedig bereiken wij de ruïnen der moskee van Grazan-Khan, den mongoolschen sultan, in de geschiedenis van Perzië beroemd om zijne wapenfeiten en zijne veroveringen.

Volgens de overlevering bezat deze koning velerlei bekwaamheden: hij was smid, kabinetwerker, kunstdraaier, gieter, sterrekundige, geneesheer, alchimist; zijn levensbeschrijver voegt er uitdrukkelijk bij, dat hij zelfs de geschiedenis van zijn volk kende. In zijn oorlog met Egypte zocht hij den steun van den Heiligen Stoel. Paus Bonifacius VIII sloot een verbond met den perzischen monarch en trachtte de Christenvorsten tot een nieuwen kruistocht over te halen, waarvoor de omstandigheden bijzonder gunstig schenen, nu de Sarracenen te gelijkertijd door de kruisvaarders en door de Perzen zouden worden aangevallen. Van dien kruistocht is evenwel niets gekomen. Gazan-Khan toonde zich, gedurende zijne geheele regeering, bijzonder welwillend jegens de Christenen, die hij meermalen boven de Muzelmannen voortrok: in die mate zelfs dat men hem verdacht, in het geheim de christelijke godsdienst te zijn toegedaan. Naar men zegt, behoorde tot zijn vertrouwelingen ook een monnik, die zich altijd aan zijn hof ophield. Desniettemin wordt hij door de perzische geschiedschrijvers geprezen als een der grootste vorsten, die ooit over Irân hebben geregeerd.

Gazan-Khan was klein van persoon en zeer leelijk; maar dit gemis van lichamelijke welgemaaktheid en schoonheid werd ruimschoots opgewogen door de uitmuntende gaven van zijn geest; hij had, in de geschriften van Firdoesi en andere perzische dichters en kroniekschrijvers, de geschiedenis bestudeerd der aloude, min of meer fabelachtige helden, en zich voorgenomen, hunne voetstappen te drukken: met name koos hij zich Cyrus en Alexander tot voorbeeld.

De onder zijne regeering gebouwde moskee is tegenwoordig niet meer dan een groote tumulus, aan alle kanten doorgraven en doorwoeld: uit het weinige dat er nog van is overgebleven, blijkt de groote overeenkomst tusschen de decoratie van dit monument en die van de moskee van Narshivan. Maar de wijze van bewerking der mozaïeken verschilt: de porseleinen tegels vormen groote platen, waarop de figuren met de stift zijn geteekend, zoodat op sommige plaatsen het email is verdwenen en de gebakken steen zichtbaar wordt. Het is in waarheid eene gravure, met bewonderenswaardige kunst en nog verwonderlijker geduld bearbeid.--De boeren uit den omtrek zoeken ijverig de nog ongeschonden tegels op, om die te gebruiken voor het bouwen of oplappen van hunne huizen, en zoo blijft er allengs van de groote schepping van Gazan-Khan niets meer over.

Na een bezoek te hebben gebracht aan de verschillende terpen of ruïnenheuvels van het oude Tauris, keeren wij naar de nieuwe stad terug. Onze weg loopt door heerlijke tuinen, van elkander gescheiden door goten, waardoor kristalhelder water stroomt; allerlei vruchtboomen spreiden hunne met bloesems overladen takken uit boven meloenen, komkommers, pasteken, en andere groenten, ordeloos door elkander geplant, maar uitmuntend opschietende.--Hier en daar gunt het ontluikende groen ons een aardig kijkje op het landschap. Nu is het eene karavaan van kleine, met hout beladen ezels, achter elkander over eene hoogst eenvoudige brug gaande; dan weder vrouwen, in blauwe sluiers gewikkeld, en zich haastig uit de voeten makende bij de nadering van Faranguis. Het is mij niet mogelijk geweest, van de moskee van Gazan-Khan eene photografie te maken, daar van het gebouw niets meer dan eene vormelooze masa over is; maar ik heb mijn toestel bij mij; ik stijg van het paard, en ondanks den hevigen wind en de donker bewolkte lucht, verkrijg ik een zeer goeden afdruk van den tuin en van de karavaan van ezels. Zoo spoedig mogelijk zit ik weder in het zadel, maar het is reeds te laat: donderslagen ratelen knetterend door de lucht; verblindende bliksemstralen doorklieven de zwarte wolken, en de regen valt in stroomen neder. Te vergeefs zoeken wij eene schuilplaats onder de boomen: hun gebladerte kan ons tegen deze bui niet beschermen. Ieder geeft zijn paard de sporen en rent zoo spoedig mogelijk naar de stad.

Toen wij de binnenplaats van het consulaat bereikten, waren wij tot op het hemd toe nat en dropen onze paarden van het zweet. Gelukkig is ons hier een goed logies bereid, waar wij droge kleederen en een lekker brandend vuur vinden. Weldra is het ongeval vergeten.

De wachtkamer voorbijgaande, meende ik de soldaten bezig te zien met het schoonmaken hunner wapenen; eene ongewone beweging heerscht in het geheele gebouw: van den salon tot de keuken is alles in de weer. Gedurende onze afwezigheid heeft de gouverneur een bezoek tegen den volgenden dag laten aankondigen, en de ontvangst van een zoo aanzienlijk personage is geene kleinigheid. Niet alleen loopt den kok van het consulaat het hoofd om: zijne verlegenheid komt nog niet in vergelijking met die van den mirza (den inlandschen secretaris), onzen leermeester in het perzisch, op wien de zware taak rust om tusschen nu en morgen een verheven gedicht saam te stellen ter verheerlijking van den gouverneur bij zijn komst in het consulaat van Frankrijk. Wij zullen er van daag onze les maar aan geven.

18 April.--Ik klim op het dak om getuige te zijn van de aankomst van den gouverneur met zijn gevolg. Policiesoldaten met stokken gewapend maken ruim baan in de straat, en deelen met loffelijke onpartijdigheid en onberispelijken ijver slagen uit, in evenredigheid tot den hoogen rang van den landvoogd. Eindelijk bespeur ik den oom des konings: hij is gekleed in eene wijde zwarte overjas, om het midden saamgeplooid, en draagt op het hoofd een kollah (muts) van zwart laken: welke dracht in de laatste jaren aan het hof in de mode is gekomen. De bonte muts wordt tegenwoordig nog maar alleen gedragen door lieden uit de provincie of door mannen van leeftijd.

De hooge geboorte en de macht van den gouverneur van Azerbeïdsjan zijn kenbaar aan den langzamen statigen gang, passende aan iemand van zoo doorluchtige afkomst. Zijne harde, scherp geteekende trekken, zijne bruine gelaatskleur herinneren, naar men mij zegt, aan den eigenaardigen type van den stam, van Kadjar, waaruit hij gesproten is. Mijne aandacht wordt voorts het meest getrokken door een prachtig turkomansch paard, bij den teugel geleid door den stalknecht, die, zoodra Zijne Excellencie in het consulaat is binnen gegaan, het paard met een kostbaar tapijt moet bedekken. Het edele, uitnemend schoone ros is rijk opgetuigd en schittert van fijn goud, waarvan ik niet kan nalaten de voortreffelijke bewerking te bewonderen.

Onmiddellijk achter het paard van den gouverneur volgt de beul, geheel in het rood gekleed. Deze dienaar der gerechtigheid wordt, uit aanmerking van het gewicht zijner betrekking, steeds met zekeren eerbied behandeld; maar toch mag hij nooit achter zijn meester in een bevriend huis binnentreden: hij blijft voor de deur zitten, waar hem koffie, thee, en een pijp wordt aangeboden. Op den beul volgen de officieren van lageren rang, hofbedienden en een drom ruiters, in lompen gehuld en het hoofd gedekt met een grijzen, bruinen of zwarten papash, naar den smaak van den eigenaar. Dit waren, naar men mij op eerbiedigen toon verzekerde, de kozakken van de koninklijke lijfwacht. Hoe mogen er dan wel de gewone soldaten uitzien, als de keurbende van het leger zulk eene armzalige vertooning maakt!

In de woning gekomen, heeft de gouverneur in den salon plaats genomen en met blijkbaar welgevallen geluisterd naar het gedicht van den mirza, waarin de burgerlijke en militaire deugden van den doorluchtigen bezoeker worden verheerlijkt in de uitgezochtste en verhevenste bewoordingen, aan Sadi en Firdoesi ontleend. Deze poëzie, die op een zingenden toon wordt voorgedragen, schijnt zeer in den smaak te vallen van de toehoorders, die nu en dan goedkeurend met het hoofd knikken.--Vervolgens worden ververschingen rondgediend, en een gesprek aangeknoopt, dat langer dan twee uren duurt, naar perzisch gebruik afgewisseld door vrij langdurige pausen, waarin niemand een woord spreekt.

Eindelijk neemt men afscheid van elkander in de beste stemming ter wereld. Na eene eindelooze wisseling van beleefdheden en complimenten, schaart de stoet zich weder in orde; de beul herneemt zijne eereplaats; en de straat, straks zoo druk en woelig, wordt weder ledig en doodsch.

Het begon tijd te worden. De armenische aartsbisschop van Tauris heeft den wensch te kennen gegeven, ons een bezoek te brengen en bij die gelegenheid tevens zijne photografie te laten maken: ik was reeds bang dat ik te laat zou komen. Dank zij onzen photografietoestel, worden anders gesloten deuren voor ons geopend.--Het aartsbisschoppelijk paleis, de nederige residentie van Zijne Doorluchtigheid, is van gebakken steenen gebouwd, maar aan alle kanten omringd door fraaie tuinen, die ook nog eene school bevatten, waarin armenische kinderen onderwijs ontvangen.

Wij worden met ongeduld verwacht en met de innemendste vriendelijkheid ontvangen. Op het gelaat van den kerkvoogd ligt eene uitdrukking van welwillende goedheid: twee levendige geestvolle oogen geven aan de regelmatige, breed geteekende trekken eene bijzondere beteekenis; het hair en de baard zijn gedeeltelijk grijs, maar de gestalte van den prelaat is nog krachtig en ongebogen. De schoone, indrukwekkende kop komt voortreffelijk uit onder de kap van zwarte zijde, zoogenoemd moiré antique, die met een punt boven het mutsje uitsteekt, bijna over de oogen valt en in breede plooien langs de schouders neergolft. Een wijd kleed van zwart satijn daalt tot op de voeten; om den hals hangt een gouden ketting, waaraan een groot, met edelgesteenten omzet medaillon is bevestigd, op hetwelk een Christuskop in émail is geschilderd.

De Armeniërs, die Zijne Doorluchtigheid omringen, zien er bijna geheel uit als fransche kapelaans, maar weten met zeer veel takt en gratie koffie en pijpen te presenteeren. Weldra waren wij met den aartsbisschop in druk gesprek gewikkeld.

"Het doet mij genoegen u te zien," zeide de prelaat; "niet alleen omdat ik veel van de Franschen houd, maar ook omdat gij mij zonder twijfel bericht kunt geven aangaande den Katholikos. Gij zijt immers over den Kaukasus naar Tauris gekomen?

--Tot mijn leedwezen, Monseigneur, antwoordde mijn echtgenoot, kan ik de berichten, die gij verwacht, niet geven. Wij waren reeds op vier dagreizen van Erivan, toen men mij eerst sprak van de schatten van Etsjmiadzin; ik heb dus niet de eer gehad, den Katholikos te ontmoeten.

--Dat is zeer jammer, hernam de prelaat: een bezoek aan het klooster van Etsjmiadzin loont de moeite en ik durf u dat nog ten zeerste aanbevelen."

Nadat wij het portret van den aartsbisschop in verschillende standen en met zeer goeden uitslag gemaakt hadden, namen wij afscheid. Maar aan zijne aanbeveling om het klooster van Etsjmiadzin te gaan zien, hebben wij geen gevolg gegeven. Wij zouden daartoe op onze schreden moeten terugkeeren en op nieuw de russische grenzen overschrijden, en daarin hebben wij geen zin: wij hebben voorloopig genoeg van het heilige Rusland, zijn posthuizen en zijn varkenspootjes met ingelegde pruimen!

Toch was het jammer, dat wij het klooster Etsjmiadzin hadden laten liggen; de kleine omweg, dien wij hadden moeten maken om dit beroemde heiligdom te bereiken, weegt niet op tegen de merkwaardigheden, die wij daar hadden kunnen bewonderen.