Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 36
Wij richten nu onze schreden naar de poort, maar worden tegengehouden door schildwachten, die onzen gidsen op norschen toon bevelen, terug te keeren en een andere minder volkrijke buurt te kiezen, ten einde de tegenwoordigheid van ongeloovigen de pelgrims niet ergere. Er heerscht eene buitengewone opschudding en verwarring bij de muren, omringd door tallooze bedevaartgangers, die geen onderkomen kunnen vinden in eene karavanserai. Wij trekken eindelijk door eene poort, die naar een ruim plein voert; onze gidsen brengen ons naar een armoedig huis, waarvan de kamers uitzien op eene modderige binnenplaats, door kakelende kippen bevolkt. Kerbela is eene stad, die door tal van vreemdelingen wordt bezocht: er is dus stellig eene betere karavanserai, maar onze gidsen oordeelen het raadzaam, ons niet in aanraking te brengen met de dweepzieke, door de toespraken der mollahs opgewonden pelgrims. Na bezit te hebben genomen van onze kleine kamers, begeef ik mij naar het platte dak, om een blik te werpen op de stad. Ter linkerhand verheffen zich de vergulde minarets en de koepel van de grafmoskee van Hosein; rechts zie ik een anderen koepel, met blauw, geëmailleerde tegels bekleed.
Zoo ooit, dan komt het er nu op aan, al ons diplomatiek talent te gebruiken, want het geldt niets minder dan de toelating in een heiligdom, dat door de Perzen nog hooger wordt vereerd dan zelfs de Kaäba te Mekka. Wij hebben ons dan ook gewapend met verschillende brieven van aanbeveling, aan de kerkelijke, burgerlijke en militaire overheden gericht, wier medewerking wij noodig kunnen hebben.--In de eerste plaats gaan wij een bezoek afleggen bij den consul van Perzië, een grijsaard van vier-en-tachtig jaar, die bij onze komst door een aantal mollahs en andere lieden is omringd. Hij zendt die allen weg, en nu met zijne huisgenooten en ons alleen gebleven, laat hij den _klid dar_, den bewaarder van den sleutel van het graf, van onze komst verwittigen. De bode keert terug met de tijding, dat de _klid dar_ naar buiten is gegaan en niet voor het einde van de week in de stad terugkeert. Dat is een slecht voorteeken, want ieder begrijpt dat de afwezigheid van den sleutelbewaarder maar een praatje is: de consul stemt dan ook zijn toon wat lager en beklaagt zich over de moeilijke en onaangename positie van de Perzen in aziatisch Turkije, daar zij genoodzaakt zijn, zich aan de willekeur der turksche ambtenaren te onderwerpen. Hij eindigt met ons eenvoudig naar de turksche overheid te verwijzen. Hoe vreemd ons dit ook in de ooren klinke, daar er hier sprake is van eene sjîitische moskee, haalt mijn echtgenoot een brief uit zijn zak, door den gouverneur van Bagdad aan zijn plaatsvervanger te Kerbela gericht. De consul verzekert, dat nu niets meer de vervulling van onzen wensch in den weg kan staan: hij zal zelf de boodschap aan den _klid dar_ overbrengen.--Welnu, wij hebben de moskee niet betreden. Het hoogste wat wij na lange onderhandelingen met de mollahs konden verkrijgen, was dat men ons zou vergunnen, van het platte dak van een naburig huis een blik te werpen op de binnenplaats der moskee. En ook die vergunning zou ons alleen gegeven worden, als wij ons met den turkschen tarboesj wilden dekken. Daar mijn echtgenoot deze voorwaarde niet wilde aannemen, kwamen de mollahs niet meer terug. Na eene wandeling over de uitgestrekte, lommerrijke begraafplaatsen dezer voor de Sjîiten zoo heilige stad, keerden wij naar Bagdad terug.
1. Januari 1882.--Op dezen dag ontwaakt in ons met dubbele kracht het heimwee naar het vaderland en naar de geliefden, die wij daar hebben achtergelaten. Gelukkig zijn wij de laatste periode van onze reis ingetreden en is de terugreis niet verre meer. Maar mijn echtgenoot houdt vast aan zijn voornemen om naar Susiane te gaan. Zullen wij ditmaal beter in onze pogingen slagen?
Daar wij voor ons vertrek uit Mesopotamië nog te Ktesiphon wilden vertoeven, zijn wij in den namiddag van den 28_sten_ December van Bagdad vertrokken. Men was op het veld bezig met gerst te zaaien. Op het bebouwde land volgde weldra de woestijn, straks afgewisseld door eene met heesters en laag kreupelhout begroeide heide, waarin schapen en geiten ronddwaalden. Welhaast teekende de donkere massa van het paleis van Ktesiphon zich tegen den helderen avondhemel af. Wij brachten het grootste gedeelte van den volgenden dag door met het bezoeken der ruïnen, en gingen toen aan boord van de _Khalifé_, eene prachtige stoomboot van de maatschappij Linch, die op den Tigris vaart.
Den volgenden morgen hield de boot stil te Amara. Deze stad, eerst in den laatsten tijd gesticht, strekt zich uit langs den oever der rivier, die eene uitmuntende natuurlijke kaai vormt. Een boomstam vormt de verbinding tusschen de boot en den oever; nauwelijks is deze eigenaardige soort van brug gelegd, of de menigte overstroomt het dek van de _Khalifé_. Wij hadden ons in de kajuit begeven, om de drukte wat te laten bedaren, en gingen vervolgens aan wal. De stad, voor ongeveer dertig jaar gebouwd op het punt, waar de Tigris, in een zijner veelvuldige kronkelingen, het dichtst tot de perzische grens nadert, is schier van alles ontbloot, en wij zouden zeer verlegen zijn geweest, indien de consul van Bagdad ons niet aan een christelijk koopman had aanbevolen. Onze gastheer ontving ons zeer vriendelijk, en stelde de mooiste kamer van zijn huis tot onze beschikking; maar het is hem niet mogen gelukken, ons paarden te bezorgen. De weinige inwoners der stad, die ons paarden zouden kunnen verhuren, willen tot geen prijs hunne volbloed merriën ontwijden door haar vrachten te laten dragen, en nog minder de kans loopen om hunne kostbare paarden de prooi te zien worden van de Beni-Laam, die in de woestijn tusschen den Tigris en Dizfoel gekampeerd zijn.
Er bestaat geen op velijn papier gedrukt arabisch paarden-stamboek, maar de genealogie hunner edele rossen staat geprent in de gedachtenis der nomaden: zij kennen die van buiten. Verliest een sheikh, tengevolge van eene razzia, de kudden, waarin zijn rijkdom bestaat, en heeft hij geld noodig, dan komt hij er toch niet licht toe, zijne merriën te verkoopen: hij verkoopt dan de helft of het vierde gedeelte van zijn paard met of zonder den teugel, dat wil zeggen met of zonder het recht om het paard te berijden. Eigenlijk neemt hij dus hypotheek op zijn paard, en behoudt zich daarbij het recht voor, om binnen een bepaalden tijd het verkochte gedeelte terug te koopen. Brengt de merrie een mannelijk veulen ter wereld, dan wordt dit verkocht, en de gezamenlijke eigenaars deelen den prijs; is het jong daarentegen een wijfje, dan moet de meester van den teugel het veulen gedurende een jaar opvoeden en daarna aan den mede-eigenaar de keus laten tusschen de helft der moeder en het veulen. Voor al dergelijke transactiën gelden bepaalde regelen, welke de arabische sheikhs allen kennen en met groote rechtvaardigheid toepassen. De nomaden verlangen van hunne paarden geene bijzondere snelheid: die hoedanigheid heeft ook weinig waarde in een land zonder wegen, met struikgewas en moerassen bedekt, en meestal ontbloot van drinkwater; maar daarentegen moeten hunne paarden tegen vermoeienissen en ontberingen bestand zijn, en groote afstanden kunnen afleggen, des noods zonder eten of drinken. Sommige algemeen bekende paarden hebben drie dagen en drie nachten achter elkander doorgeloopen, zonder daar hinder van te hebben.
4 Januari.--Gisteravond kwam onze gastheer ons vragen, of wij met hem mede wilden gaan naar de dienst, die door een chaldeeuwsch priester zou gevierd worden in eene kerk, welke door de christelijke kolonie van Amara is gebouwd. Bij het aanbreken van den dag treden wij een smalle zaal binnen, die ter nauwernood drie meter hoog is. Deze armoedige kapel, van leem en stroo gebouwd, heeft geene andere opening dan de deur. Ik ga tusschen een zestigtal geloovigen door, en zet mij, op aanwijzing van een koorknaap, neder voor een even armoedig altaar van aarde, dat door een kleed van gekleurd katoen ter nauwernood wordt bedekt; eene geschilderde houten doos of kist dient als tabernakel. Dadelijk bij onze komst heeft de koster zich gehaast, een twintigtal kaarsen te ontsteken: overvloed van licht is een noodzakelijk vereischte bij alle gewijde of profane ceremoniën in het Oosten. Kort daarop begon de chaldeeuwsche mis, nu eens door den priester, dan door de koorknapen gezongen, waarbij nu en dan de mannen achter in de kerk geschaard aan het gezang deel namen. Onwillekeurig voerde deze eenvoudige godsdienstoefening mij in gedachte eeuwen en eeuwen terug, in de dagen van vervolging, toen de eerste belijders van het Evangelie in het huis van een hunner samenkwamen om te bidden en avondmaal te houden, of wel in de diepte der duistere katakomben de heilige mysteriën werden gevierd. En heeft ook deze kleine christelijke kolonie niet, even als de jeugdige Kerk, met tallooze bezwaren te worstelen gehad? Nog geen jaar geleden, bezat zij zelfs geen priester. De kinderen konden niet worden gedoopt, de stervenden moesten den laatsten troost missen en daalden zonder zegenbede in het graf. Slechts met Paschen verscheen een Karmelieter monnik uit Moessoel of Bagdad, om zooveel mogelijk voor de geestelijke belangen der gemeente te zorgen. Gelukkig is dit thans veranderd en mag zij zich verheugen in het bezit van een eigen herder.
Na afloop van de mis noodigen de hoofden der christelijke kolonie ons uit, met hen naar de woning van den priester mede te gaan. Die woning is eene leemen hut, niet verre van de kerk; zij bevat slechts een enkel vertrek, dat tot spreek-, eet- en slaapkamer dient. Eenige dekens op eene estrade van riet geworpen; een kist, die beurtelings als kast en als stoel dienst moet doen; gebedenboeken, zorgvuldig op eene tafel gerangschikt: ziedaar het gansche ameublement. Inderdaad, de pastorie van Amara voegt wel bij de kerk.
5 Januari.--Den hemel zij dank: er is eene karavaan met indigo van Dizfoel aangekomen: wij vertrekken morgen. Wel heeft het veel moeite gekost, den tsjarvadar-bashi te bewegen, zes paarden en muildieren af te staan, maar dank zij de tusschenkomst van den perzischen consul, is de zaak toch geschikt. Ten einde alle ongerustheid bij onze muilezeldrijvers weg te nemen, heeft mijn echtgenoot zich naar den _moetessaref_ (onder-prefect) begeven, om van hem een escorte van vier zaptiëhs te vragen. "Ik heb hoegenaamd geen lust, mij met uwe zaken te bemoeien," antwoordde de onder-prefect. "Als u een ongeluk overkwam, zou men mij daarvoor aansprakelijk stellen. Door u integendeel de reis naar Dizfoel ten stelligste af te raden, handel ik als een goed vriend en een voorzichtig ambtenaar. Gij hebt het u zelven te wijten, als u op dien tocht eenig onheil overkomt."--Dit bescheid was niet geschikt om onze ingenomenheid met de turksche administratie te verhoogen.
7 Januari.--Omstreeks den middag zijn wij van Amara vertrokken, met het oogmerk om in de tenten van Douéridj te overnachten. Bij een palmboschje gekomen, hield de karavaan halt. "Gij zult verder niet dan brak water vinden", zeiden onze gidsen. De paarden worden dus naar de bron gevoerd, en wij gebruiken een eenvoudig ontbijt, met bezorgdheid de zwarte wolken gadeslaande, die zich boven ons hoofd samenpakken. Weldra voel ik eenige regendroppels. Haastig in het zadel nu, ten einde zoo spoedig mogelijk de tenten van Douéridj te bereiken! De karavaan waagt zich in eene lagune, waardoor de weg heet te loopen. Dit bekomt ons slecht: de regen neemt in hevigheid toe, de duisternis valt: en na links en rechts door de biezen te hebben gedwaald, verklaren de gidsen dat zij het spoor bijster zijn, en dat zij, daar geene enkele ster is te zien, niet voor het aanbreken van den dag de te volgen richting kunnen bepalen.
De muildieren worden afgeladen. Marcel laat de bagage opstapelen, zoodat wij hoog genoeg boven het water kunnen plaats nemen; wij zetten ons boven op eene kist, met het aangename vooruitzicht, den gansenen nacht aan wind en regen te zijn blootgesteld. Onze muilezeldrijvers liggen in het water en houden een wakend oog op de muildieren, uit vrees dat de in de nabijheid gelegerde stam ons kamp zal aanvallen. Het is ongeveer elf uur; de regen wordt een stortvloed; de wind steekt al heftiger op. Ondanks onze ellendige positie, viel ik toch van uitputting in slaap. Bij mijn ontwaken bemerkte ik dat Marcel alle beschikbare dekens over mij had uitgespreid en alle voorzorgen genomen om mij tegen het water te beveiligen; maar desniettemin gevoelde ik mij zoo stijf, zoo ziek en afgemat, dat ik vreesde niet te paard te kunnen stijgen. Wij moesten evenwel onze reis vervolgen. Ten acht uren was de zon nog niet boven de kim gerezen; het begon weer hoe langer hoe harder te regenen; de gidsen trokken weer door de rietbosschen heen en weder, en eindigden met te erkennen, dat zij gisteravond, in plaats van naar het oosten, naar het westen waren getrokken.--Eindelijk, een-en-dertig uren na ons vertrek van Amara, kwamen wij aan het kamp van Douéridj; men tilde mij van het paard en droeg mij in eene ruime tent, te midden van eene kudde lammeren. Er was geen denken aan, van kleederen te verwisselen, en onze dekens waren doornat: ik moest dus blijven zoo als ik was: zeer vermoedelijk heb ik het behoud van mijn leven aan den warmen koesterenden adem mijner aardige kamergenooten te danken.
10 Januari.--Nog eenige dagreizen als de laatste, en dan zal men ook voor mij een graf kunnen uitzoeken op de lommerrijke kerkhoven van Kerbela. Gisterochtend was de lucht opgehelderd; de muilezeldrijvers raadden ons van die beterschap aanstonds gebruik te maken, want in dit jaargetijde kan men ook hier niet op bestendig mooi weer rekenen. Ik had den ganschen nacht de koorts gehad; maar de zon scheen zoo helder, de lucht was zoo zuiver en zoo frisch, de vlakte zoo groen, dat ik in vredesnaam toch besloot op weg te gaan. Wij trokken door een smal kanaal en richtten toen onze schreden naar groote tumuli in de verte. Aan den horizon verhief zich een hooge bergketen, waarvan de toppen met sneeuw waren bedekt: aan den voet dier bergen lag eenmaal het oude Susa en staat nog de moderne stad Dizfoel. Ik had de koorts en gevoelde mij zoo ziek, dat ik niet langer in den zadel blijven kon. Men maakte een soort van bed van saâmgebonden dekens, waarop men mij neerlegde; zoo, zonder te weten wat er met mij gebeurde, heb ik zeven of acht uur te paard doorgebracht, tot wij eindelijk des avonds aan een kamp van nomaden kwamen, dat aan den voet van een hoogen tumulus was opgeslagen.
Ondanks mijne uitputting en uiterste zwakte, trof mij toch het echt aartsvaderlijk tooneel, dat mij aan de bijbelsche verhalen herinnerde, toen met zonsondergang de kudden schapen van het weiland terugkeerden en haar blatende lammeren te gemoet ijlden; toen de geiten, de runderen, de kameelen achtereenvolgens hunne plaats innamen in afzonderlijke parken, die slechts door eenig kreupelhout waren omtuind. Nadat de kudden rondom het kamp waren saâmgebracht, verzamelden de herders en herderinnen zich voor de tent, die men ons had afgestaan; zij zouden ons zeker geen ruimte overgelaten hebben, indien onze gastheer hen niet genoodzaakt had, hunne nieuwsgierigheid te temperen en op een betamelijken afstand te blijven. De vrouwen, voor het meerendeel schoon en statig van gang en houding, gekleed met lange hemden, welke op de borst en op den rug open zijn, het hoofd gedekt met lichte wollen tulbanden, versierd met oorhangers, glazen halskettingen en zilveren armbanden met turkoizen bezet; de vrouwen trokken zich toen op den achtergrond terug, terwijl de mannen neerhurkten rondom een groot bekken, waarin een houtskolenvuur brandde, dat ons zoowel licht als warmte schenken moest. Bij den rossen gloed der vlammen sla ik aandachtig het tooneel gade, en kan niet nalaten die Arabieren met hunne fijne en sprekende gelaatstrekken, hun sierlijken en krachtvollen lichaamsbouw, te bewonderen.
Buiten alle aanraking met de beschaafde wereld, aan zichzelven overgelaten, zonder priesters, ik zou bijna zeggen, haast zonder godsdienst, kennen deze nomaden geene andere wet, dan die de noodzakelijkheid hun oplegt en die door eeuwenlange overlevering is gewijd. Werkelijk georganiseerd is bij hen alleen de familie, de oorspronkelijke groep van elke maatschappij. De stam is niet anders dan eene vereeniging van zekere familiën, die door gemeenschappelijke afstamming en bloedverwantschap met elkander verbonden zijn; het nomadenleven is oorzaak, dat uit de familie zich geene hoogere maatschappelijke organisatie kan ontwikkelen. Deze zwervende stammen, die voor een goed deel van roof leven, onderscheiden zich voor het meerendeel door hunnen krijgshaftigen geest en hun moed, en de vrouwen doen daarin voor de mannen niet onder. Het is niet zeldzaam, dat zij aan het gevecht deelnemen of althans daarbij tegenwoordig zijn, en haar mannen, broeders en zonen door haar woeste kreten aanvuren tot den strijd.
De turksche regeering is er nooit in geslaagd, deze nomaden aan haar gezag te onderwerpen; zij mag al van geluk spreken als zij niet de toevlucht tot de wapenen behoeft te nemen om de schatting te innen. Weigeren de stammen het verschuldigde te betalen, dan zendt de gouverneur een kolonel met zijn regiment. De Arabieren, altijd intijds van het vertrek der troepen verwittigd, nemen de wijk in de moerassen, waarvan zij alleen de begaanbare paden kennen; de kolonel durft zich op dit gevaarlijk terrein niet wagen, marcheert wat heen en weer, en keert onverrichter zake naar Bagdad terug. Worden zij soms onverwachts overvallen, dan breken de nomaden haastig hun kamp op, verbergen hun geld en hunne kostbaarheden in het moeras, en vluchten naar het gebergte. Zoodra de troepen vertrokken zijn, keeren zij terug, slaan hun kamp weer op en brengen hunne schatten weer voor den dag. De talrijke en welgestelde stammen, die zich niet zoo licht verplaatsen kunnen, nemen hunne toevlucht tot een ander middel: zij huren, tegen eene jaarlijksche bezoldiging van twaalf- tot vijftienhonderd francs, een seyed (afstammeling van den Profeet), en bergen in zijne tent, welke onschendbaar is, al hun voorwerpen van waarde. Deze seyeds moeten ook met de onderprefecten in overleg treden omtrent alle zaken welke den stam betreffen en zijne belangen voorstaan. Zulke blauw of groen getulbande advokaten zijn, krachtens hunne doorluchtige afstamming, tegen alle geweldenarij beveiligd: de overheden moeten met aandacht naar hen luisteren, en zij oefenen een gezag en invloed uit, waarvan zij dikwijls misbruik maken.
De nomaden, wier gastvrijheid wij thans genieten, hebben zich noch om de turksche ontvangers, noch om de turksche soldaten te bekommeren; langs de grenzen van Turkije en Perzië rondzwervend, begeven zij zich beurtelings naar het eene en het andere land, naarmate men het hun hier of daar lastig maakt; feitelijk zijn zij volkomen onafhankelijk. De reizigers, wier weg door hun gebied loopt, zijn echter te beklagen: want om de waarheid te zeggen, zijn onze gastheeren de stoutmoedigste en de behendigste dieven van de geheele landstreek. Zij leven van roof, en maken onder dat opzicht geen onderscheid tusschen hunne eigen landgenooten en de Perzen. Wanneer men vooraf met hen in onderhandeling treedt en aan hun sheikh eene schatting wil betalen van tien francs per lastdier, dan kan men ongehinderd en zonder vrees voor plundering van Amara naar Dizfoel of omgekeerd reizen; maar wil men dien tocht beproeven, zonder deze schatting te betalen, dan loopt men groot gevaar uitgeplunderd en misschien wel vermoord te worden.
11 Januari.--Ik heb de helft van de laatste étappe afgelegd, uitgestrekt op mijn paard en half dommelend. Tegen den middag ontwaakte ik uit mijn sluimer, om een blik te werpen op twee ruïnen, die in de eenzame vlakte verrijzen: de eene een verlaten grafmonument, de andere misschien de overblijfselen van een paleis uit den tijd der Sassaniden. Kort nadat wij deze laatste ruïne hadden verlaten, kwamen wij aan den oever van de Kerkha, eene breede rivier, die wij moesten doorwaden. Voorzichtigheidshalve verzocht ik dat men mij zou los maken, en zette ik mij weer in den zadel: geen overtollige voorzorg. Nauwelijks zijn wij in den stroom, of de beesten worden uit hun baan gedrongen; het water reikt tot aan den schouder van mijn paard: ik ben genoodzaakt mijne beenen over den zadel te kruisen. Toch bereiken de ruiters zonder ongeval den oever: maar een der muildieren raakt van de been, wordt door den stroom medegevoerd en verliest in de worsteling al zijne bagage; eerst een eind verder kon het arme dier weer worden opgevischt. De gidsen deelen ons nu mede, dat wij nog geen victorie kunnen roepen: boven de voorde splitst de rivier zich in twee takken: wij bevinden ons nu op een eiland en moeten nog den anderen arm oversteken. Wij gaan op weg en staan na verloop van een kwartier weer aan den oever. De paarden, nog onder den indruk van het zooeven genomen bad, weigeren hardnekkig te water te gaan, en keeren zich telkens aan den oever om: sporen noch zweepslagen, geschreeuw noch scheldwoorden, niets helpt. Wij wisten werkelijk niet wat aan te vangen, toen wij, op den anderen oever vier of vijf ruiters gewaar werden, op prachtige paarden gezeten. Op het hooren van de kreten van onze tsjarvadars, en onze verlegenheid ziende, gingen zij zonder bedenken te water en stelden zich aan de spits der karavaan. Nu gelukte het; nog een paar stappen, en wij staan behouden op den oever. De Kerkha heeft het ons lastig gemaakt; maar bij eene zoo edele rivier, die heugenis heeft van een zoo roemrijk verleden, moet men wat door de vingers zien. Was het niet de Kerkha, die de muren van Susa bespoelde, eene van de oudste steden van Azië? Was het niet de Kerkha, wier kristalhelder water, in zilveren vazen medegevoerd, overal op de tafel van den Koning der koningen moest verschijnen? Wanneer de brandende zomerhitte den grond van Susiane heeft uitgedroogd en geblakerd, kan men nog op sommige punten zonder bezwaar de verzwakte rivier doorwaden; maar gedurende negen maanden van het jaar moet men zich van vaartuigen bedienen, overeenkomende met de keleks van den Euphraat.
Een onzer gidsen is de zoon van Kerim-Khan, het hoofd van een aanzienlijken stam, die, naar gelang van het jaargetijde, langs de oevers van de Kerkha of aan den voet der bergen nabij Dizfoel, zijne tenten opslaat. Op uitnoodiging van den jonkman, traden wij de tent zijns vaders binnen. Men bracht pijpen, thee, gestremde melk, en warme broodkoeken, door de mannen van den stam op gloeiend gemaakte koperen platen gebakken. In weinige oogenblikken waren wij de beste vrienden, en namen straks, onder hartelijke wenschen, afscheid van elkander.
Rondom het kamp strekken zich op grooten afstand korenakkers en weilanden uit; verder op, langs den weg naar Dizfoel, liggen een aantal dorpen door tuinen omringd, die bewijzen hoe vruchtbaar de bodem is, wanneer hij behoorlijk wordt bearbeid en voor de noodige besproeiing zorg wordt gedragen. Wij gaan van de eene oase tot de andere over, en weldra vertoont zich Dizfoel aan ons oog. De stad is langs den zeer steilen oever van de Ab-Dizfoel gebouwd, en maakt met haar tuinen, haar amphitheatersgewijze oploopende huizen en haar monumentale brug, eene zeer goede vertooning. Daar het reeds donker was, vonden wij de poort gesloten; aanvankelijk weigerde de poortwachter ons in te laten, maar de brief met het prinselijk zegel van Zelleh Sultan bracht hem spoedig tot andere gedachten. Door tusschenkomst van den gouverneur kregen wij een vrij ruime kamer, waarvan de vensters door luiken konden worden gesloten.
XXXIX
13 Januari.--Sedert twee dagen zijn wij te Dizfoel, en nog is het ons niet mogelijk geweest een uitstapje te maken naar de ruïnen van Susa, die ter nauwernood zes à zeven farsaks van de stad verwijderd zijn. Het heeft sedert onze aankomst nog geen oogenblik opgehouden met regenen.