Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 35
Sedert ettelijke jaren reeds worden hier van wege de engelsche regeering op vrij groote schaal opgravingen gedaan. Eens in het jaar komt een conservator van het Britsch Museum den stand der werken opnemen en voor zooveel noodig daaraan een nieuwen stoot geven; maar het dagelijksch opzicht is toevertrouwd aan een Armeniër, bij wien onze gidsen ons gebracht hebben. De brave man laat mij de uitkomsten der jongste opgravingen zien. Sedert zes maanden heeft men weer een aantal tabletten van gebakken aarde gevonden, bedekt met inscripties in spijkerschrift, benevens stukken van huisdieren, die waarschijnlijk als kinderspeelgoed hebben gediend, vazen van gestreept agaat, en beeldjes van gebakken aarde in zuiver griekschen stijl. Daar het onweer inmiddels bedaard was, hervatte de karavaan de reis naar Hillah, waar zij nachtverblijf en voedsel vinden zal. Nauwelijks hebben wij de heuvels van puin en scherven achter ons, of wij komen op een weg, ter wederzijde door fraaie plantsoenen van palmen omzoomd. De regen schijnt de geheele natuur met nieuw leven te hebben bezield: het groen der boomen schittert met ongewonen glans; de zonnestralen weerspiegelen in de kristalheldere druppels, die trillend aan de bladeren hangen; duiven en tortels vliegen van tak tot tak, terwijl brutale kraaien over den weg fladderen en met schuin gebogen kop de reizigers aanstaren.
Na een rit van drie uren bespeuren wij blanke minarets; vervolgens vertoonen zich de eerste huizen der voorsteden van Hillah, dan de Euphraat, een schipbrug een weinig minder wrak dan die van Bagdad, eindelijk de stad zelve. De zaptiëhs, die vooruit zijn gezonden, hebben reeds logies voor ons gevonden: zij wachten ons op het plein en brengen ons naar de ledigstaande woning van een aanzienlijk man, die onlangs naar Mekka is vertrokken.
Hillah, dat in 1832 vreeselijk door de pest geteisterd werd, telt tegenwoordig ter nauwernood vijftienduizend zielen; de bevolking bestaat uit Arabieren, Chaldeeën, Joden die ook hier zeer rijk en machtig zijn, uit sjîitische Perzen en uit ambtenaren van de Verheven-Porte, die geesels van alle turksche steden. Daarbij komen dan nog de reizigers en de nomaden, die vooral in steden nabij beroemde bedevaartsplaatsen steeds zoo talrijk zijn. De huizen van Hillah, gedeeltelijk van antieke materialen gebouwd, zijn even hoog als die te Bagdad, maar dragen met hunne vensterlooze muren en platte daken toch een echt oostersch karakter. De weelderige rijkdom van den plantengroei tempert gelukkig de eentonigheid van deze aaneenschakeling van blinde muren. De stad bezit geene belangwekkende monumenten uit den muzelmanschen tijd; op den weg naar Kerbela staat echter eene kleine moskee, bekend onder den naam van Meshsjed es-Shems of moskee der zon. Volgens de overlevering zou zij gebouwd zijn op de plek, waar Ali, vreezende dat de invallende nacht hem eene zekere overwinning zou doen ontgaan, even als Josua, de zon op haar baan tegenhield. Intusschen schijnt uit eene oude inscriptie te blijken dat deze moskee de plaats vervangt van een door Nebukadnezar gebouwden of herbouwden tempel. "Ik heb, zoo zegt de groote koning van Babel; ik heb in Babel, van asphalt en tichels, ter eere van den god Samas, die mijn hart met liefde tot de gerechtigheid vervult, den Tempel van den Rechter der wereld, zijn tempel, gebouwd."
Hillah, de tegenwoordige mohammedaansche stad, dagteekent uit de eerste helft der twaalfde eeuw. Toen was evenwel de oude heerlijkheid van Babyion reeds lang ondergegaan. Een nauwkeurig onderzoek van de omgeving der stad, zoowel als de richting van de sporen der ingezonken muren, welke de beide terpen of tumuli aan de uiteinden van Babel verbinden, schijnt grond op te leveren voor het vermoeden, dat Hillah ongeveer het middelpunt beslaat der oppervlakte van vijfhonderd-dertien vierkante kilometers, binnen de muren der aloude koningstad omsloten. Babylon was, onder Nebukadnezar, omgeven door een dubbelen muur, waarvan de buitenste, volgens Herodotus, een vierkant vormde van honderd-twintig stadiën. Deze muur was, van afstand tot afstand, ter wederzijde van torens of bolwerken voorzien, waartusschen voldoende ruimte overbleef om een met vier paarden bespannen wagen te doen keeren. In den muur bevonden zich honderd poorten van massief brons. De rivier, die midden door de stad stroomde, was ook ter wederzijde omgeven door muren, waarin aan het einde der straten kleine bronzen poorten waren aangebracht; over de rivier lag slechts eene enkele brug, waarvan het dek van cederhouten planken iederen avond werd weggenomen. De ontzaglijke oppervlakte binnen deze muren was echter slechts voor het kleinste gedeelte met huizen bezet: volgens Quintus Curtius besloeg het eigenlijk bebouwde gedeelte slechts eene oppervlakte van negentig stadiën. Daar het gezag van Quintus Curtius, die vele eeuwen later leefde, volstrekt niet boven bedenking is, mogen wij niet te zeer aan zijne opgave hechten. Niettemin is het zeker, dat de uitgestrekte ruimte, binnen de muren van Babel omsloten, voor het grootste gedeelte was ingenomen door velden en akkers, afgewisseld door hoeven, buurten, dorpen en kampen. De eigenlijke stad vormde het middelpunt dezer ommuurde vlakte. De velden en akkers leverden in voldoende mate graan en andere levensmiddelen op, om bij een beleg in de behoeften der bevolking te voorzien. Hoe groot die bevolking was, weten wij niet; wij mogen echter aannemen, dat zij zeer talrijk was, want volgens Herodotus waren de huizen drie of vier verdiepingen hoog. Zulk eene stad, wier gelijke, naar de getuigenis van Herodotus, niet te vinden was, kon alleen door honger, verraad of bij verrassing worden ingenomen. Zoo bemachtigde haar Koresh of Cyrus, de Koning der Perzen. Hij liet het water van den Euphraat door kanalen afvoeren naar een der groote kunstmatige binnenmeren; en toen nu de rivier genoegzaam gevallen was, dat men haar doorwaden kon, drongen de Perzen langs dezen weg, aan beide zijden de stad in. Maar zonder de zorgeloosheid der bewoners zou ook dit hun niet gebaat hebben. "Indien de Babyloniërs, zegt Herodotus, van het voornemen van Kyros geweten of iets daarvan gemerkt hadden, dan zouden zij de Perzen niet op die wijze in de stad hebben laten komen, maar hen veeleer schandelijk ten onder gebracht hebben. Want zij behoefden slechts de poorten, die naar de rivier leiden, te sluiten en de muren te bestijgen, die langs de beide oevers der rivier loopen, en zij zouden ze allen te zamen als in een kooi gevangen hebben. Nu echter drongen de Perzen binnen, zonder dat iemand iets vermoedde. De stad is echter zoo groot, dat, zooals de lieden des lands verhalen, de buitenwijken reeds in handen des vijands waren, eer zij die in het midden woonden, daarvan iets gewaar werden. Zij vierden juist feest; zij dansten en vermaakten zich op allerlei wijze, en gingen daarmede voort tot zij vernamen wat er geschied was."
24 December.--Ik keer zoo juist terug van den Birs Nimroed, den zuidelijksten ruïnenheuvel op de vlakte van Babylon, en waarin men langen tijd de overblijfselen heeft gemeend te zien van den legendarischen Toren van Babel, die, volgens eene oude overlevering, door Nimrod zou zijn gebouwd. Reeds zoodra men Hillah door de poort van Meshsjed-Ali verlaat, valt deze onregelmatige ruïnenheuvel in het oog, die, naarmate men dichterbij komt, in omvang toeneemt. Onze paarden, nog vermoeid van het onweder van gisteren en van den snellen draf, waartoe wij hen sedert ons vertrek van Hillah hebben aangespoord, beklimmen met moeite de ruïnenheuvels, die elkander in wanorde opvolgen, en houden eindelijk stil bij een arabisch gebouw, waarvan de witte koepel, volgens de overlevering, het stoffelijk overschot bewaart van den aartsvader Abraham. Het graf van den patriarch, dat in Chaldea in niet minder hoog aanzien staat dan de beweerde graven van Ezra en Ezechiël in Mesopotamië, dient ook tot tijdelijke wijkplaats voor de dorpelingen, die de velden in de nabijheid van den Birs-Nimroed komen bebouwen. Eene ondiepe vallei scheidt dezen ruïnenheuvel van Tell-Ibrahim van de ontzagwekkende massa, waarin sommigen, op het voetspoor van joodsche rabbijnen, de overblijfselen hebben willen zien van den Toren van Babel, en waaraan de Arabieren den naam geven van Birs-Nimroed. Op den top van den Birs verrijst een massieve toren van baksteen, nagenoeg vierkant, elf meter hoog en aan het boveneinde gescheurd. Rondom dien steenklomp liggen reusachtige blokken van gebakken steen verspreid, waarvan de oppervlakte groen verglaasd is, en die met de verbindende asphalt eene ijzerharde massa vormen. Van hier gezien, schijnen alle andere ruïnenheuvels voor den Birs-Nimroed onder te doen. Men overziet een schier onmetelijk panorama: dank zij de helderheid der lucht, bespeurt men ten zuiden de minarets van Meshsjed-Ali, ten noordoosten de muren van Hillah, ten noorden de palmen van Kerbela, en meer in de nabijheid de vijver of lagune van Hindiah, op welker eilanden en langs wier zoom enkele arabische dorpen zijn gebouwd.
Na ons aldus georiënteerd te hebben, dalen wij van den tumulus af. De opgravingen en nasporingen, met name van Rawlinson, stellen ons in staat, met tamelijk groote zekerheid te bepalen wat deze ruïnenheuvel eenmaal was. Het staat genoegzaam vast dat wij hier de overblijfselen voor ons hebben van dien tempel van Bel, in de babylonische opschriften E-Zida genoemd, waarvan Herodotus ons de beschrijving heeft nagelaten. "Het is, zoo zegt hij, een regelmatig vierkant, dat aan iedere zijde twee stadiën (270 meter) lang is. In het midden ziet men een massieven toren, die een stadium (135 meter) lang en breed is; op dien toren verrijst een tweede, en op dien tweeden nog een derde, en zoo vervolgens tot acht toe. Men stijgt aan de buitenzijde omhoog, langs een hellend vlak, dat om alle verdiepingen heenloopt." De onderbouw was vijf-en-zeventig voet hoog en elke volgende verdieping vijf-en-twintig voet, zoodat het geheele gebouw eene hoogte bereikte van tweehonderd-vijftig voet. De hoogte van den Birs-Nimroed bedraagt, zonder den toren, honderd-acht-en-negentig voet. Op het hoogste of zevende terras stond de eigenlijke kapel; de zeven verdiepingen waren aan de zeven planeten gewijd en de muren bekleed met geëmailleerde tegels, naar de symbolische kleuren der zeven gesternten. "In den bovensten toren, zoo gaat Herodotus voort, bevindt zich eene kapel; in die kapel staat een groot, rijk versierd bed, en daarnevens eene gouden tafel. Men ziet daar geen beeld; niemand brengt daar den nacht door, dan eene vrouw des lands, door den god zelven uit al hare gezellinnen aangewezen, zoo als de chaldeeuwsche priesters van den god beweren.... Beneden in dezen tempel bevindt zich nog eene andere kapel, waarin men een groot gouden beeld ziet van Zeus (Bel-Mardoek) in zittende houding. Bij dat beeld staat mede eene groote gouden tafel; daarnevens een troon en een voetbank van hetzelfde metaal. Buiten die kapel ziet men een gouden altaar, en nog een tweede altaar van groote afmetingen, waarop runderen geofferd worden. De Chaldeeën ontsteken ook op dit groote altaar, alle jaren, ter gelegenheid van het feest van den god, wierook tot een gewicht van duizend talenten."--Van al deze pracht is niets meer over dan de indrukwekkende ruïnenheuvel, aan welks voet wij gezeten zijn.--Overigens, al moge de Birs-Nimroed niets uitstaande hebben met den legendarischen Toren van Babel, dit is toch zeker dat de tempel, waarvan Herodotus spreekt, een van de oudste godsdienstige monumenten van geheel Chaldea, misschien wel van de geheele wereld was. Het overoude heiligdom, door Hammoerabi, een der koningen van het oud-chaldeeuwsche rijk, gesticht, lag sedert eeuwen in puin, toen Nebukadnezar het weder, in vroeger nooit gekende pracht, liet herstellen. In eene door Rawlinson ontdekte inscriptie zegt deze koning, die met volle recht den naam van den tweeden stichter van Babylon voeren mag: "Borsippa is de stad van hen, die den god prijzen; ik heb haar versierd. In het midden van haar heb ik het E-Zida doen bouwen, het eeuwige huis. Ik heb het versierd met goud, zilver en andere metalen, met steenen, met geëmailleerde tichels, met timmerwerk van pijnboomen en cederhout. Ik heb de plaats der ruste van Neboe met goud bekleed..... Tot verbazing der menschen heb ik het wonder van Borsippa, den tempel der zeven sferen, herbouwd en vernieuwd ... De aardbevingen en de onweders hadden de rauwe steenen losgewoeld en de gebakken steenen der bekleedingen doen splijten. De god Mardoek heeft in mijn harte gegeven, den tempel te herbouwen. Ik heb de plaats niet veranderd; ik heb de fondamenten niet verlegd. In de maand des heils, op den welaangenamen dag, heb ik bogen gegen gemaakt in de massa van den rauwen steen en de gebakken tichelsteenen der bekleeding. Ik heb de rondloopende omgangen gemaakt; ik heb mijn naam geschreven op de fries der arkaden. Ik heb de hand geslagen aan den wederopbouw van het E-Zida; ik heb zijne tinne verhoogd, zoo als die eertijds geweest is; ik heb den tempel vernieuwd en herbouwd, zoo als hij geweest is in de oude dagen; ik heb zijn tinne verhoogd."
Deze tempel der zeven sferen stond niet in het eigenlijke Babylon--de chaldeeuwsche naam der stad is Bab-Iloe, poort van (den god) Iloe;--maar in de voorstad Borsippa. Uit den ontzaglijken afstand, die de ruïnen van el-Kasr, den ouden koningsburcht, van den Birs scheidt, moet men echter niet afleiden dat Babylon en Borsippa twee afzonderlijke steden waren. Volgens Herodotus lag Borsippa nog binnen de buitenste door Nebukadnezar gebouwde omwalling; het is echter waarschijnlijk dat later, toen Babel in verval geraakte en hare reusachtige muren waren geslecht, Borsippa wel eene afzonderlijke stad is geweest.
25 December.--Van Borsippa teruggekeerd, hebben wij ons bivouak opgeslagen op den tumulus van Amran-ibn-Ali, dien wij reeds drie dagen vroeger betreden hadden, toen wij een onderkomen zochten. Heuvels van vergruizelde tichels en scherven, half gedempte grachten, die elkander in verschillende richtingen kruisen, afgebrokkelde dijken, maken dit gedeelte van Babylon tot een doolhof, waar men ronddwaalt zonder het spoor te kunnen vinden. Eenige zwarte klompen metselwerk, door ijzerharde asphalt saam verbonden, een zeer ruw bewerkte leeuw van bazalt, half onder het puin bedolven: ziedaar wat er is overgebleven van deze koninklijke woning, in welker nabijheid Alexander den adem uitblies.
Nog minder is er overgebleven van de dusgenoemde hangende tuinen, door Nebukadnezar aangelegd ten gevalle van zijne gemalin Amytis, de medische prinses, die in de vlakke velden van Babylonië de bergachtige streken van haar boschrijk vaderland niet vergeten kon. Deze hangende tuinen schijnen al spoedig in verval te zijn geraakt. Zoo als men weet, bestonden zij uit gemetselde, op bogen en zuilen rustende terrassen, waarop eene laag aarde was aangebracht van voldoende dikte dat daarin ook de grootste boomen konden wortelen. Na den dood van Alexander en de stichting van Seleucia zonk Bablyon al meer en meer; het verloor den rang van hoofdstad en koninklijke residentie; en het is zeer waarschijnlijk dat de fantastische schepping van Nebukadnezar, welke de bewondering der oude wereld had opgewekt, al meer en meer werd verwaarloosd. De werktuigen tot kunstmatige besproeiing, waarvoor het water uit de rivier werd opgevoerd, eischten veel zorg en kostbaar onderhoud; gebrek aan water deed de boomen en planten sterven; de zware muren scheurden en zakten in, en het paradijs van Amytis verdween langzamerhand van de aarde. Tijdens de heerschappij der Parthen was de grootsche aanleg reeds geheel verdwenen en was het terrein tot begraafplaats ingericht, zoo als blijkt uit de vele parthische graven, die de heer Oppert daar voor eenige jaren heeft ontdekt.
De opgravingen rondom den voormaligen koningsburcht, thans door de Arabieren el Kasr (het kasteel) genoemd, werden in den regel met gunstigen uitslag bekroond. Nog op dit oogenblik zijn aan dien tumulus omstreeks vierhonderd arbeiders bezig met het wegruimen der aarde tusschen geweldig dikke muren van gedroogde tichelsteenen, en met het blootleggen van hooge, lange en smalle zalen of galerijen. Voorwerpen van bijzondere kunstwaarde heeft men tot dusver hier niet gevonden, maar wel een aantal tabletten en cylinders, met inscripties in spijkerschrift bedekt; maar hoe dikwijls heeft men niet, met inspanning en geduld, massaas aarde moeten wegruimen, om ten slotte in een gebarsten pot niets anders te vinden dan de kaak van een paard of het schouderblad van een jakhals.
Ongeveer twee kilometers ten noorden van den koningsburcht verheft zich, in de gedaante van eene afgeknotte pyramide, de reusachtige tumulus, dien wij te Iskanderiëh-khan hebben gezien, en die met den Birs-Nimroed de uiterste grenzen van het oude Babylon schijnt aan te wijzen. Deze kunstmatige heuvel, die veertig ellen hoog en meer dan honderd-tachtig ellen lang is, draagt in den omtrek den naam van Babil. Vermoedelijk hebben wij hier de overblijfselen voor ons van de groote pyramide, door de grieksche schrijvers het graf van Bel genoemd, zeer waarschijnlijk hetzelfde gebouw als de tempel van de grondslagen der aarde, ter eere van den god Bel-Merodach (Mardoek) gebouwd door Asarhaddon, koning van Assyrië. Door Nebukadnezar en Neriglissor (Nirgal-sar-oeçoer) vergroot en verfraaid, door Xerxes geplunderd en verwoest, op bevel van Alexander, die het voornemen schijnt te hebben opgevat om dit oude heiligdom der Babyloniërs te herstellen, van puin gezuiverd, eindelijk door de Grieken als onderbouw voor een fort benuttigd, is de tempel van Bel-Merodach tegenwoordig nog slechts een vormelooze aardhoop. Langs de vrij steile wanden naar boven klimmende, bereikt men zonder veel moeite het plat van de pyramide. In plaats van de gouden beelden, door Xerxes geroofd, zie ik niets dan steengruis en scherven, benevens een kuil of put, die, voor zoover ik zien kon, nergens heenvoert. Hier en daar bespeurt men, te midden van het puin, eenige brokstukken van grieksche of arameesche inscripties. Het panorama van deze hoogte is boven alle beschrijving somber en aangrijpend. Terwijl van den Birs het oog met welgevallen rust op de heldere wateren van de Hindiah met haar half drijvende dorpen en haar groene eilandjes; terwijl bij el-Kasr ettelijke honderden arabische werklieden aan het tooneel leven en beweging bijzetten en hun gezang over de vlakte klinkt, is de omtrek van Babil eene dorre doodsche heide, waar niets dan distels en wat schraal gras groeit en slechts een enkele herder zijne armelijke kudde van geiten rondvoert. Verder niets dan eene eenzame, onafzienbare, doodsche, kale wildernis. En hier stond eens de heerlijke wereldstad Babylon, de Koninginne van het Oosten, de stad van Nebukadnezar! In waarheid, het is als klinken zij ons nog tegen over de wijde vlakte, die vreeselijke woorden van den ouden ziener: "Alzoo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de trots der Chaldeeën, zijn, gelijk als Jahve Sodom en Gomorrha omgekeerd heeft. Daar zal geene woonplaats zijn in der eeuwigheid; zij zal niet meer bewoond worden van geslachte tot geslachte; de Arabier zal daar geene tent spannen; de herders zullen er zich niet legeren. Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijn; hare huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten; daar zullen de jonge struizen wonen en de duivelen zullen er huppelen. De jakhalzen zullen elkander toeroepen uit hare paleizen; de vossen zullen sluipen door de lusthoven"..... Kon hij eens opstaan uit zijn graf, de oude ziener, hoe zou hij de letterlijke vervulling aanschouwen zijner profetie! Inderdaad, zij het dan ook niet zoo spoedig als hij het zich in zijn toorn en onverzoenlijken haat wel voorstelde, de trotsche wereldstad is dan toch geworden wat hij in zijn visioen aanschouwde: eene huilende wildernis.
XXXVIII
26 December.--Te Hillah hebben wij afscheid genomen van kolonel Gérard, die zich naar Kurdistan begeeft, terwijl wij een uitstapje zullen maken naar de heilige stad der Sjîiten, met haar beroemde school, waar de ijverige studenten somwijlen twintig jaren doorbrengen met theologische studiën. Wij volgden den oever van een kanaal, dat Hillah met Kerbela verbindt, en waarop talrijke zeilvaartuigen het kalme water klieven. Het met vele slooten doorsneden land is thans eentonig geel van kleur en herinnert door niets meer aan den overvloedigen oogst in de jongste lente. Zoo ver het oog reikt, is geen enkel huis of dorp te zien; maar op twee uren afstands van Babil komen wij aan de bruine tenten van een aan den oever van het kanaal gekampeerden stam. Eene dezer tenten onderscheidt zich van de andere door hare grootte, door de ruimte die rondom haar is vrijgelaten, en vooral door de aan een lange lans bevestigde vlag voor de voornaamste opening: dit laatste is het teeken van het opperhoofd van den stam; de sheikh alleen heeft het recht zulk eene vlag voor zijne woning te plaatsen.
Te vergeefs verhaast de karavaan haar tocht; de zon, achter wolken verscholen, daalt ter kimme, de duisternis neemt hand over hand toe, en wij zijn nog zeer verre van het palmboschje dat de gidsen ons sedert ons vertrek hebben aangewezen als het punt waar het pad van Hillah den weg naar Kerbela raakt. Van oogenblik tot oogenblik wordt de hemel donkerder; groote zwarte wolken, door den wind aangevoerd, drijven boven ons hoofd; een fijne regen daalt op ons neer; het wordt steeds moeilijker, den weg te volgen, en weldra dwalen wij in den blinde rond tusschen de half met water gevulde slooten en drassige, met gras en biezen begroeide poelen. Van onze bedienden hebben wij geen hulp te wachten: is een oostersche gids eenmaal het spoor bijster, dan is hij ook zijn hoofd kwijt en is veeleer tot last dan tot hulp. "De gewapenden moeten altijd aan de spits gaan van eene verdwaalde karavaan," zeggen onze muilezeldrijvers; en naar dien regel handelende, scharen zij zich achter ons, en laten het aan ons over, een nachtverblijf op te sporen. Al hadden wij nu de oogen van een lynx bezeten, dan zouden wij nog niet in staat zijn geweest, de richting te onderscheiden van dat sedert vele uren gezochte palmboschje, indien niet eensklaps vier zwarte schimmen nevens ons waren opgedoemd. Wij hielden reeds onze geweren gereed, terwijl onze bedienden verschrikt de vlucht namen en zich in de booten verscholen; maar ons laatste uur had nog niet geslagen. De geheimzinnige gedaanten blijken houthakkers te zijn; de gidsen, van hun schrik bekomen, bewegen een dezer nomaden om ons naar het naaste dorp te geleiden, waar wij eindelijk aankomen. Een karavanserai, te midden van een door walmende lampen verlichten bazar, zal ons tot nachtverblijf dienen. Het was hoog tijd dat wij een onderkomen vonden, want de regen valt bij stroomen neer.
27 December.--Bij het opgaan der zon trokken wij over eene schipbrug, die de beide oevers van den Euphraat verbindt, en kwamen eindelijk op den weg naar Kerbela. Het karakter van het landschap verandert nu ten eenemale; de kale naakte vlakte wordt vervangen door prachtige tuinen, die door diepe slooten en muren tegen moedwil en balddadigheid zijn beschermd. De weg, door boschjes van palmen en oranjeboomen omzoomd, daalt voortdurend en slingert te midden van statig frisch geboomte. Het is druk genoeg op den weg, en de voorbijgangers bejegenen ons niet vriendelijk: toch komen wij zonder hinder aan de heilige stad van Hosein. Voor eene min of meer monumentale poort strekt zich eene ruime vlakte uit, schier geheel ingenomen door deels voltooide, deels half afgewerkte grafzerken. De steenhouwers, op hunne hurken gezeten, wachten de komst van een lijkstoet af en bieden dan hunne koopwaar aan. Na lang loven en bieden, als de koop eindelijk gesloten is, beitelen zij onverwijld den naam van den overledene en die zijner ouders en kinderen op den steen, opdat de ter aarde bestelling zoo spoedig mogelijk kunne plaats hebben.