Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 34

Chapter 34 3,688 words Public domain Markdown

De tramweg is dus op den rechteroever aangelegd, in de onmiddellijke nabijheid van een stoffigen weg, waaarop zich een aantal kooplieden en vrouwen bewegen. Tal van reizigers trekken heen en weer tusschen de beide steden, voor het meerendeel gezeten op kleine ezels, die onverschillig voortdraven langs den zoom van korenakkers, zeer onvoldoende beschut door eene reeks van palmen en oranjeboomen. De bebouwde zoom is echter zeer smal, en daarachter strekt zich de wijde onvruchtbare vlakte uit, slechts afgebroken door de ineengezakte en afgebrokkelde dijken van de oude kanalen. Aanstonds na het verlaten van Bagdad, waren mij de schitterende spitsen in het oog gevallen van de vier minarets van het grafteeken van den Imam Moessa; naderbij komende, onderscheidde ik tusschen het gebladerte twee sierlijke, vergulde koepels; maar van het gebouw zelf kon ik nog niets zien, daar liet achter de muren der stad verborgen bleef.

Voor de poort van Kâzhemîne stappen wij af, en gaan, onder geleide van onzen kawas, de stad in. Langs vrij zindelijke straten, althans in vergelijking met die van Bagdad, en door drukke bazars, komen wij op een groot plein, waarvan drie zijden door kraampjes en uitstallingen van groenten en allerlei levensmiddelen zijn ingenomen; aan de vierde zijde loopt een muur, waarin eene poort toegang geeft tot de moskee. Ik begeef mij onmiddellijk daarheen, niet vermoedende dat mij hier zou geweigerd worden, wat in alle moskeeën van Bagdad was vergund. Maar het bleek dat ik mij had vergist. In een oogenblik waren alle groenteboeren opgestaan, en versperden ons den toegang tot het heiligdom. Men beduidde ons, dat geen Christen in de grafmoskee van den Iman Moessa werd toegelaten; de menigte groeide van oogenblik tot oogenblik aan, en de opgewondenheid nam hand over hand toe. Wij kozen de wijste partij en verwijderden ons. Met den tramwagen keerden wij naar Bagdad terug; het was de laatste rit van den dag en de koetsier joeg zijn paarden zoo onbarmhartig voort, dat wij in den hotsenden en botsenden wagen letterlijk door elkander werden geworpen. Op de bepaalde plaats derailleerde de wagen en hadden wij een kwartiertje tijd om adem te scheppen.

19 December.--Ik heb een groot gedeelte van den dag besteed met een bezoek aan de begraafplaatsen en de grafteeken en op den linkeroever der rivier, op de plek waar eens het oude Bagdad stond. Eene uitgestorven stad, slechts door lijken bewoond, heeft niets uitlokkends. In Europa misschien niet, maar in Chaldea is dat anders: de groote toovenaar, de zon, schenkt aan alles leven en bekoring. De doodenakkers zijn hier nog minder somber en droevig dan zelfs te Stamboel of te Skutari; geene enkele afsluiting of omheining maakt scheiding tusschen de levenden en de dooden. De grootste van deze begraafplaatsen strekt zich uit rondom eene moskee, gebouwd op het graf van den broeder van Haroen ar-Rashîd. Eene prachtige laan van palmen voert naar het grafmonument. De graven zijn, naar gelang van de kunne der overledenen, overdekt met een zeer ruw bewerkten, min of meer platten of ronden koepel, waaraan niet de minste kunst is besteed.

Terwijl ik uit de verte mijne blikken vestigde op den blauwachtig grijzen toren van Akerkoef en op de vergulde minarets van Kâzhemîne, werd eensklaps mijne aandacht getrokken door sombere klaagtonen: een lijkstoet naderde met haastige schreden. Het lijk wordt op eene baar gedragen en is bedekt met een grooten shawl, waarop, aan het hoofdeneinde, eene soort van kroon is geplaatst. Eene vrouw werd grafwaarts gedragen. De stoet houdt stil bij een versch gedolven grafkuil; ik wil naderbij komen, maar de kawas houdt mij terug. Ik wil geen botsing uitlokken en blijf dus op een afstand, van waar ik toch kon zien wat er geschiedde. De baar werd vlak bij het graf neergezet; de naaste bloedverwanten schaarden zich in dichten kring daaromheen en hielden met opgeheven handen eene soort van gordijn vast, zoodat het lijk, bij het nederlaten in het graf, voor aller oogen verborgen was. Na verloop van weinige oogenblikken, had de aarde voor immer den sluier vervangen, dien de muzelmansche vrouw gedurende haar leven nooit mag afleggen, zoo vaak zij den kring der familie verlaat.

Nadat de schare zich verspreid had, verlieten wij op onze beurt het kerkhof en richtten onze schreden naar een monument, waarvan de koepels ter nauwernood boven den buitenmuur uitsteken. Wij kloppen; in eene met ijzer beslagen deur wordt een luik geopend; een deurwachter steekt de hand door de tralies, en vraagt een kran per persoon als fooi, alvorens de poort te openen. Marcel geeft hem het gevraagde, en wij betreden den voorhof van het graf van Jozua. Lange spreuken in hebreeuwsche letters zijn met lichtgroene kleur geschilderd boven de boog van eene tweede poort, die toegang geeft tot het inwendige van het gebouw. Weer wordt eene fooi gevraagd. Wij aarzelen een oogenblik, maar geven ook nu toe: men moet er iets voor over hebben om het graf te zien van iemand, die de zon heeft doen stilstaan. Wij treden het heiligdom binnen. De aanblik van eene met kalk gewitte zaal en van een blok ruw metselwerk is nooit bijzonder merkwaardig; maar wanneer men daarvoor een half uur heeft moeten onderhandelen en acht francs betalen, mag men met eenig recht beweeren, bestolen te zijn. Ondanks zijne meer dan buitengewone soberheid en kaalheid, staat het heiligdom zeer hoog aangeschreven bij de Joden, die op sommige tijden van het jaar in grooten getale ter bedevaart herwaarts trekken, niet alleen uit Bagdad, maar uit geheel Chaldea en Mesopotamië, waar hun aantal zeer groot is. De joodsche kolonie van Bagdad heeft den handel dier stad bijna geheel in handen en bestuurt alle geldelijke aangelegenheden van het vilayet, waarbij, het behoeft niet gezegd, niemand zich zoo wel bevindt als deze Joden zelven. De huizen van de joodsche wijk zien er minder terugstootend en gevangenisachtig uit dan de mohammedaansche huizen. Enkele vensters in de buitenmuren en getraliede balkons, die boven de straat uitsteken, geven aan de joodsche vrouwen de gelegenheid om, zonder zelven gezien te worden, toch te zien wat er op straat geschiedt. Deze vrouwen leiden een zeer afgezonderd en schijnbaar zeer eenvoudig leven; maar bij plechtige gelegenheden tooien zij zich met een schat van juweelen en edelgesteenten, die op zich zelven eene aanzienlijke fortuin vertegenwoordigen. Meermalen hoorde ik gewagen van de halssnoeren van zes rijen paarlen, waarmede de dochters van een rijken joodschen bankier pronkten, behalve de armbanden, broches, ringen, oorhangers van brillanten en de met edelgesteenten geborduurde mutsjes, waarmede deze Jodinnen, bij plechtige gelegenheden, de oogen verblinden.

Om in het grafmonument van Zobeïde, de sultane-favorite van Haroen ar-Rashîd, door te dringen, zou men vleugels moeten hebben, en alzoo de openingen kunnen bereiken boven in de bevallige pyramide, welke het monument kroont: want de deur is toegemetseld. Dit is niet geschied om het graf der gemalin van een der machtigste monarchen van het Oosten voor ontwijding te bewaren, maar uit consideratie voor de dieven. Naar het schijnt, had eene rooverbende zich genesteld in dit monument, dat in de nabijheid staat van de karavanenwegen naar Hillah en naar Kerbela. De turksche regeering, die altijd een zeker zwak heeft voor bandieten en moordenaars, oordeelde het niet geraden, de bewoners van het monument met geweld te verjagen. In de verwarring zou men misschien een of anderen onhandigen roover hebben moeten gevangen nemen, en deze zou zijne makkers hebben kunnen verraden. De eene indiscretie lokt de andere uit, en wie weet, van welke onaangename zaken men op het spoor zou zijn gekomen. Er moest geen schandaal worden gemaakt! Daarom zond men, in plaats van gerechtsdienaars en gendarmen, op zekeren morgen toen men wist dat de roovers op expeditie waren, een troep metselaars, die onverwijld den eenigen toegang tot het graf moesten dicht metselen. De verdreven roovers, dankbaar voor de vriendelijke welwillendheid der regeering, braken nu ook den muur niet weer af, maar vestigden elders hun hoofdkwartier. Ik moet er echter bijvoegen, dat men in den muur een vierkant gat heeft gelaten, waardoor de vrome bezoekers het hoofd naar binnen kunnen steken.

De zaal is achthoekig en gedekt met een rijk versierd gewelf. De kale muren zijn met kalk gewit en van alle versiering ontbloot. Zobeïde rust niet alleen in het midden van het gebouw: de echtgenoote van een zeer machtigen arabischen sheikh heeft de gunst gevraagd en verkregen om nabij de sultane te mogen rusten, en is in hare nabijheid ter aarde besteld. De beide graven zijn van ruw metselwerk.

Van de bazars van Bagdad zal ik niet veel zeggen; men vindt daar de gewone voortbrengselen van de oostersche nijverheid: tapijten, zijden stoffen, borduursels, kleederen voor mannen en vrouwen, paardentuigen en dergelijke artikelen; maar ge zoudt hier vergeefs zoeken naar die kostbare wapenen, die geëmailleerde luxe-artikelen en die kostbare stoffen, die men te Kashar, te Ispahan en vooral te Constantinopel zoo vaak aantreft.

De rijkste bazars zijn niet de meest bezochte: voorwerpen van zekere waarde worden doorgaans bij den kooper aan huis bezorgd; maar daarentegen kan men zich moeilijk een denkbeeld maken van de drukte in de straten, waar engelsche katoentjes en russische snuisterijen worden verkocht, en vooral die heerlijke glazen ringen, welke zoo zeer de begeerlijkheid trekken van de arabische vrouwen, die met kippen-eieren of gevogelte ter markt komen.

XXXVII

21 December.--De paleizen van de assyrische koningen zijn te ver van Bagdad om ze te kunnen bezoeken. Daarentegen mogen wij de ruïnen van Babel niet voorbijgaan, de overblijfselen van die aloude wereldstad, van wier wonderen wij reeds als kinderen hoorden verhalen. De tocht daarheen is niet verre.

Ondanks mijn afkeer van het officieele Turkije, heb ik mij heden morgen aan de hoede toevertrouwd van vier zaptiëhs, die door den gouverneur van Bagdad tot onze beschikking waren gesteld; en gezeten op een mageren knol, dien zijn eigenaar, als voorbehoedmiddel tegen de booze geesten, op den schouder met eene roodgeschilderde hand heeft versierd, ben ik de schipbrug overgetrokken en den weg naar Babel ingeslagen.

Indien de straatjongens zich niet zoo buitensporig vermaakt hadden met mijn kanariekleurigen rosinant, dan had ik inderdaad fier kunnen zijn op onze kleine karavaan. Tegen de gewoonte, waren onze zaptiëhs met fraaie abba's bekleed en van behoorlijke hoofddeksels voorzien; zij waren gewapend met Snidergeweren, die zij telkens afschoten, middelerwijl eene wonderlijke fantasia uitvoerende; verder bestond ons gezelschap uit een geïmproviseerden kok, eenige muilezeldrijvers met hunne lastdieren, zwoegende onder de vracht onzer bagage en benoodigdheden. Een kolonel van het indische leger, die aan mijn echtgenoot vergunning gevraagd had de reis met ons mede te mogen maken, is niet op het appel verschenen.

De heerbaan loopt aanvankelijk tusschen korenakkers, welke door besproeiingskanalen zijn doorsneden, en richt zich dan naar de boorden van den Tigris. Een zeer bouwvallige schipbrug brengt ons over een arm van de rivier, en nu betreden wij de woestijn. Vroeger verspreidden talrijke kanalen hier overal leven en vruchtbaarheid; van die kanalen is niets meer over dan brokstukken van de dijken, die nog boven de kale vlakten uitsteken. Naar het schijnt, dagteekent het jammerlijk verval van deze weleer zoo bloeiende streek toch eerst van betrekkelijk lateren tijd. Immers, om nu niet van Herodotus te spreken, die Babylonië een der rijkste gewesten van het perzische rijk noemt, wordt de vruchtbaarheid van Chaldea nog in de twaalfde eeuw door de arabische geografen geprezen. "De weg van Hillah naar Babel, zegt Ibn Djobaïr, is een der schoonste en aangenaamste van de geheele wereld; de vruchtbare vlakte is bezaaid met gebouwen, die bijna aan elkander raken, en met steden, die links en rechts den weg omzoomen." Van dit alles is geen spoor meer over: het land is thans eene huilende wildernis.

Met de gedachte aan de vergankelijkheid van al het aardsche vervuld, komen wij aan eenige armoedige huizen, rondom de karavanserai van Azad-Khan gegroept. Eenige manden met dadels, onder een luik uitgestald, een winkel, waarin men kokende koffie verkoopt, zijn voor ons onwederstaanbare aanlokselen. Een kop koffie wekt mijn eetlust op; en daar wij ons volstrekt niet behoeven te haasten, stijgen wij af en stillen onzen honger met een malsch kippeboutje. Maar wie mogen wel de ruiters zijn, die ik aan den horizon bespeur? Zij naderen zoo spoedig, als de zwaar beladen muilezels het veroorloven. De troep komt dichter bij, en weldra herken ik den reisgenoot, op wien wij vergeefs gewacht hadden. Hij draagt de uniform der engelsche officieren, die in Indië aan het hoofd van inlandsche troepen staan; zijn hoofd is gedekt met een soort van roode fez, waarom een blauwe doek is gewikkeld, die tevens over de schouders afhangt en den nek bedekt. Kolonel Gérard, afstammeling van eene fransche familie, die bij de herroeping van het edict van Nantes is uitgeweken, heeft zijn voornemen om Mesopotamië te bereizen niet opgegeven: dat hij op het appel mankeerde, was niet zijne schuld. Op een vurig jong paard gezeten, dat hij den vorigen dag in den omtrek van Ktesiphon gekocht had, verscheen hij dezen morgen aan de schipbrug over den Tigris. Het woei vrij sterk, en het dek van de niet al te stevige brug golfde op en neder. Ondanks alle inspanning, gelukte het den kolonel niet, zijn paard te dwingen om de brug te betreden; tot groote vreugde der omstanders, was hij genoodzaakt af te stijgen. De bedienden en de muilezeldrijvers poogden nu het weerspannig ros over de brug te trekken: het lukte niet; om een ongeluk te voorkomen, besloot de kolonel naar het consulaat terug te keeren en zoo spoedig mogelijk een handelbaarder dier te huren.

Nauwelijks had de kolonel ons zijn wedervaren medegedeeld, of andermaal verhief zich in de verte, in de richting van Bagdad, een nieuwe stofwolk, die haastig naderde, en waaruit ten slotte twee haveloos gekleede, slecht gewapende en onbeschrijfelijk vuile ruiters te voorschijn kwamen. De nieuw aangekomenen houden voor de uitstalling van de fruithandelaars stil en knoopen een praatje aan met onze zaptiëhs. Zouden die bandieten met ons mede willen reizen?

"Çaheb, zegt het hoofd van ons escorte, vergun mij, aan Uwe Excellentie de zaptiëhs voor te stellen, die u verder zullen begeleiden.

--Neemt ge dan nog twee manschappen er bij, om den roovers schrik aan te jagen?

--Wel neen! Bij uw vertrek uit de stad hebben u, op verzoek van den consul, de mooiste en de best gekleede zaptiëhs van geheel Bagdad uitgeleide gedaan, zoo als aan uw rang voegde; maar nu is onze taak afgeloopen. Zoo goed gekleede en uitgeruste gendarmen als wij, zijn niet bestemd om de karavanen te begeleiden. Geef ons de fooi, die ons toekomt, omdat wij tot uwe eer zooveel kruit hebben verschoten en onze mooie uniformen versleten; en moge Allah met u gaan op den weg!"

Dit gezegd hebbende, keeren de parade-gendarmen onmiddellijk terug naar de kazerne, waar zij zorgvuldig voor zon en stof bewaard worden, en laten ons over aan de hoede van de twee schooiers, die nu in onze dienst zijn getreden.

Wij reizen den geheelen dag midden door onbebouwde velden, uitgedroogde en ingezakte kanalen en baksteenen, die in groote menigte den grond bedekken. Bij het vallen van den avond vertoont zich aan den horizon, scherp uitkomend tegen den oranjekleurigen hemel, een groot steenen gebouw: dat is de prachtige karavanserai van Biroenoes, aldus genoemd naar een waterput halverwege tusschen Bagdad en Hillah. Door Perzen gebouwd en berekend voor het herbergen van de vele Sjîiten, die hier nachtverblijf komen zoeken, is dit gebouw eene kopie op groote schaal van de karavanserais van Iran. De poort, waarboven eene opperzaal is aangebracht, geeft toegang tot een door zuilengangen omringden binnenhof. Bij goed weer huizen de reizigers in deze open galerijen; des winters trekken zij zich terug in de gesloten zalen of galerijen daarachter. Daar het koud is, begeven ook wij ons in die gesloten galerijen. In onze nabijheid liggen in de nissen en tegen den muur, in onregelmatige hoopen, collis opgestapeld, die eene lengte hebben van ongeveer twee meter. Naar het schijnt behooren zij aan sjîitische pelgrims, die voor ons zijn aangekomen, en die blijkbaar groot vertrouwen stellen in onze eerlijkheid, want niemand is daar om op de bagage te passen. Maar weldra bespeuren wij, dat deze collis een afschuwelijken stank van zich geven, ik zou zeggen, eene lijklucht.... Ongerust geworden, sta ik op en betast de pakketten.... Ik bedrieg mij niet: het zijn lijken; sommigen in tapijten genaaid, anderen in kisten geborgen, waarvan de slecht saamgevoegde planken vergunnen een blik te werpen op den afschuwelijken inhoud! Uit geheel Perzië namelijk en zelfs uit Hindostan vervoeren de Sjîiten de lijken hunner afgestorvenen naar den heiligen grond in de nabijheid van de grafmoskee van Hosein, den zoon van Ali; ook mijne stille buren zijn daarheen op weg. Ondanks mijn eerbied voor de dooden, heb ik geen trek om den nacht in gezelschap van deze lijken door te brengen: wij hebben ons nachtleger naar de binnenplaats overgebracht, waar wij toch nog door den ondragelijken stank vervolgd worden.

Die gewoonte van de Sjîiten om zich te Kerbela te laten begraven--voor zoo verre althans hunne middelen hun deze vrij kostbare weelde veroorloven--klimt ongetwijfeld tot de eerste tijden van den Islam op, want zij hangt onmiddellijk samen met de onderlinge verdeeldheid tusschen de Moslims na den dood van den Profeet, waaruit ten slotte de groote scheuring der mohammedaansche wereld ontstond.

Bij den dood van Mohammed waren er onder zijne vrienden en verwanten vooral twee, die als zijn opvolger in aanmerking kwamen: Aboe-Bekr en Ali. Voor den eersten pleitte zijn rijper leeftijd en rijker ervaring, vooral ook zijne innige vriendschap met den Profeet, tot wiens allereerste bekeerlingen hij had behoord en die zijne dochter Aïsja had gehuwd; de ander, Ali, daarentegen was Mohammeds eigen neef, in zijn huis opgevoed en de echtgenoot van zijne eenig overgebleven dochter Fâtima. Volgens de verzekering der Sjîiten, had de Profeet hem ook werkelijk als Khalief (plaatsvervanger) aangewezen; maar wat hiervan zij, de oudsten en stamhoofden te Medina vergaderd, gaven de voorkeur aan den vriend van beproefde trouw en ervaring boven den jongeren bloedverwant: zij kozen Aboe-Bekr. Nog tweemaal moest Ali voor anderen wijken, toen na den dood van Aboe-Bekr, achtereenvolgens Omar en Othmân, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, tot het khalifaat werden verheven. Maar gaandeweg was er tweedracht ontstaan tusschen de Moslims zelven. Met kwalijk verborgen wrevel en spijt zagen de oud-geloovigen allengs de macht overgaan in handen van lieden, wier familiën tot de bitterste vijanden van Mohammed hadden behoord, en wier eigen rechtzinnigheid en geloofsijver voor 't minst zeer verdacht was. Eene machtige partij verhief zich tegen den ouden en zwakken Khalief Othmân; even als zijn voorganger Omar, viel hij onder de dolken van sluipmoordenaars. Nu werd eindelijk Ali tot Khalief uitgeroepen; doch het twistvuur was daarmede niet gebluscht. Othmân's stamgenoot, Moâwiah, de stadhouder van Syrië, uit het geslacht der Omaijaden, verhief de vaan des opstands en der bloedwrake. Wederom woedde de broederkrijg: ook Ali werd vermoord, en Moâwiah behield de alleenheerschappij. Doch Ali had zonen nagelaten: om hen schaarde zich nu de partij, die hun vader ten troon had verheven en die onder den naam van Sjîiten bekend en welhaast geducht werd. Hassan, Ali's oudste zoon, die aan een gemakkelijk leven in zijn harem de voorkeur gaf boven de vermoeienissen en gevaren van den oorlog, stond voor een aanzienlijk jaargeld zijne aanspraken aan Moâwiah af, en vestigde zich te Medina, waar hij, volgens de Sjîiten, aan vergif stierf. Anders was het lot van zijn ridderlijken broeder Hosein. Na den dood van Moâwiah weigerde hij diens zoon Jezîd te erkennen en waagde eene poging om, met behulp zijner aanhangers in Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte De in stilte voorbereide opstand werd ontdekt en in de kiem gesmoord; toen Hosein, met zijn gezin en eene kleine schaar getrouwen, in Irak aankwam, vond hij niemand tot zijne hulp en zijne vijanden oppermachtig. De edele emîr wilde zich niet door de vlucht aan het dreigende gevaar onttrekken en de zijnen aan de wraak van den overwinnaar prijs geven: met hen bereidde hij zich ter dood. Door de overmacht omsingeld, streed hij met heldenmoed; en de kleinzoon van Mohammed, de man die als kind aan de knieën van den Profeet had gestaan, viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslim.

Nabij het graf van Hosein in gewijden grond te rusten, is nu een der hoogste wenschen van den vromen Sjîiet. Maar om van het sterfhuis in het hart van Perzië of soms wel in Hindostan die heilige stede te bereiken, is meermalen eene reis van ettelijke maanden noodig. Daarom zijn niet allen, wier stoffelijk omhulsel de lange reis aanvaardt, zeker ook de eindpaal te zullen bereiken: uitgezonderd natuurlijk de rijken en aanzienlijken, die een eigen karavaan kunnen uitrusten en door hun gansche huisgezin gevolgd worden. Maar de minder vermogenden, die slechts op de hulp en hoede van de engelen Nekir en Monkir kunnen rekenen, en de reis moeten doen, vier aan vier op een paard gebonden, even netjes ingepakt als de krokodillen van Sioet: zij bereiken niet altijd de plaats hunner bestemming. Bezwijkt een of andere muilezel onder weg, dan zal de tsjarvadar niet aarzelen om zijne zoo moeielijk te vervoeren vracht aan de arenden of jakhalzen der woestijn ten prooi te laten.

23 December.--Ik ben door Babel gereden zonder het te merken: en toch, de hemel weet, dat niet de veelheid der huizen mij heeft belet de stad te zien!

Het was omstreeks twee uren in den namiddag, toen de hemel eensklaps bewolkt werd. De wind joeg geweldige zand- en stofwolken op, die ons geheel omhulden; de donder rommelde; bliksemstralen schoten door het donkere zwerk boven de oude hoofdstad van Chaldea; eindelijk begon de regen in dikke, loodrechte stralen neer te vallen. Dit was de eerste bui sedert de maand Maart. Doornat, rijden wij zonder er acht op te slaan langs den aardheuvel, dien wij reeds sedert ons vertrek van de karavanserai Iskanderiëh hadden gezien, en komen in bezaaide velden. Het is afschuwelijk weer; het duurde dan ook niet lang of onze gidsen waren ten eenemale het spoor bijster. Gelukkig brengen onze paarden ons welhaast bij een heuvel, van scherven en brokstukken van aardewerk gevormd en in alle richtingen door diepe voren doorsneden: nu kunnen wij het rechte spoor wedervinden, en houden eenige oogenblikken daarna, druipende van water, stil voor een huis, waarin de inlandsche beambte woont, met het opzicht over de opgravingen te Babylon belast.