Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 33

Chapter 33 3,696 words Public domain Markdown

De westersche en oostersche schrijvers zijn het niet eens over de afleiding van den naam der stad; wij zullen ons in deze kwestie niet verdiepen en de heeren dit punt onder elkander laten uitmaken. De ontdekking van een monument, waarvan de steenen den stempel van Nebukadnezar dragen, heeft het bewijs geleverd, dat reeds in die oude tijden aan den linkeroever van den Tigris eene stad bestond. Vermoedelijk was van deze stad niets meer over, toen de khalief Aboe Djaffar Abdallah el-Mansoer, de tweede heerscher uit de dynastie der Abbassiden, in het jaar 145 van de hedsjra, zijne nieuwe hoofdstad stichtte. De khalief vestigde zijne residentie in de stad en schonk haar den bijnaam van Dar el-Salam (verblijf des heils of des vredes).

Terwijl de eigenlijke stad zich op den linkeroever verhief, werd de rechteroever met huizen en tuinen bedekt; volgens de kronieken werden de beide oevers weldra door twee of drie bruggen verbonden, en al spoedig werd Bagdad de rijke en machtige metropolis van de mohammedaansche wereld, het brandpunt van eene beschaving, die te schitterender glans verspreidde, omdat Europa toen eerst aanving, langzamerhand uit den nacht der barbaarschheid te ontwaken. De beschrijvingen, welke de oude arabische schrijvers ons van de stad geven, grenzen aan het wonderbare; het aantal paleizen, baden, scholen was niet te tellen; de bevolking was zoo talrijk, dat meer dan een millioen menschen tegenwoordig waren bij de begrafenis van den beroemden godgeleerde Ibn-Hanbal, den stichter van een der vier groote orthodoxe sekten. Maar die bevolking was twistziek, onrustig en oproerig van aard: drie khaliefen uit het huis der Abbassiden moesten hunne residentie overbrengen naar Samara, dat zij op tien mijlen afstands van hunne hoofdstad hadden laten bouwen, ten einde aan de woede der oproerige menigte te ontkomen.

Binnenlandsche twisten en beroerten, die weleer Seleucia te gronde hadden gericht, werkten ook nu krachtig mede tot ondermijning en verzwakking van de macht der khaliefen. In 945 werd Bagdad door de Boejiden, in 1055 door de Seldsjoeken veroverd; maar de vreeselijkste slag trof de trotsche khaliefenstad in het jaar 1258, toen Hoelagoe, de kleinzoon van Dsjenghis-Khan, de khan der Mongolen, haar innam en aan zijne mongoolsche en tartaarsche horden overleverde. De laatste khalief verloor met tachtigduizend zijner onderdanen het leven; voor de stad zelve was het tijdperk van welvaart en bloei voor immer vervlogen. In 1401, na heldhaftigen tegenweer, door Timoer veroverd, zag de oude khaliefenstad bijna alle monumenten verwoesten, waarmede de Abbassiden haar hadden versierd; de hoofden van negentig-duizend harer inwoners werden, naar mongoolsche zede, buiten haar poorten tot pyramiden opgestapeld. In 1406, na den dood van den geweldigen veroveraar, trachtte Bagdad haar muren te herbouwen, maar viel achtervolgens in handen van de verschillende Mongolen-vorsten, die elkander de nalatenschap van Timoer betwistten, tot zij eindelijk werd genomen door Shah Ismaïl, den stichter van het nieuw-perzische rijk. Langen tijd een twistappel tusschen de Perzen en de Osmanlis, werd Bagdad eindelijk de hoofdstad eener turksche provincie en de zetel van een pâsja, tot de agha der opgestane Janitsaren haar, in 1634, in handen leverde van Abbas den Groote.

De tijding van het verlies der tweede stad des rijks veroorzaakte groote ontroering te Constantinopel; bij herhaling werden troepen naar Mesopotamië gezonden, maar alle pogingen om Bagdad te herwinnen, bleven vruchteloos. Een derwîsj wist ten slotte aan den oorlog eene nieuwe wending te geven. Sultan Moerad verrichtte, op zekeren Vrijdag, zijn plechtig gebed in de moskee, toen een pelgrim vergunning verzocht, hem te mogen spreken. De reiziger kwam van Bagdad, en huiverde nog bij de gedachte dat de heilige stad der khaliefen in de macht was van de kettersche Perzen.--"Gij verbergt u in uw harem, onwaardige opvolger van den Profeet, terwijl onreine dieren uw erf verwoesten. Weet gij het, dat vervloekte Sjiîten het graf van Abd-el-Kader hebben verwoest?"--Door deze heftige toespraak ontroerd, zwoer de beheerscher der geloovigen dat hij de stad zou hernemen en het grafteeken van den heilige herstellen. Hij hield woord: in het volgende jaar trok hij te velde en verscheen onder de muren van Bagdad, volgens zijn lofredenaars, negentien dagen nadat hij Scutari verlaten had. Na eene reeks van schitterende gevechten gaf de stad zich aan hem over. Maar toen, den dag na de overgave, de inwoners weigerden om, overeenkomstig het gebod van den sultan, voor den middag hunne woningen te verlaten, gaf Moerad, verraad duchtende, zijn soldaten bevel, Bagdad binnen te dringen en de verdedigers te dooden. Dertigduizend Sjiîten vielen door de scherpte des zwaards. Tengevolge van dit beleg werd tusschen de beide rijken een verdrag gesloten: Perzië stond aan Turkije het geheele gebied van Bagdad af, en ontving in ruil daarvoor de provincie Erivan.

De belegeraars drongen de stad binnen door eene poort, die nog in wezen is, en waarop eene inscriptie is aangebracht, vermeldende de zegepraal des turkschen legers. Na den intocht van den sultan werd de poort toegemetseld, en is sedert niet weder geopend. Zij gaf toegang tot een prachtigen toren, uit baksteen opgetrokken, en met het naburige bolwerk verbonden door eene versterkte brug, die zelf door twee zijtorens verdedigd werd. Een fraaie fries, in het muurwerk van den toren ingemetseld, prijkt met een lang opschrift, beginnende met een vers uit den Korân.

"Te dien dage werden de grondslagen der huizen opgetrokken door Ibrahim en Ismaïl.

"Heer, verhoor onze gebeden: gij hoort en gij verstaat alles.

"Deze bouw geschiedde op bevel van onzen meester en heer, den Imam Aboe el-Abbas Ahmed el-Nasr ed-din Allah, emir der geloovigen, aan wien de gansche wereld gehoorzaamheid schuldig is; het sieraad van God, van het heelal; het bewijs van het bestaan van God, de emir, dien de geheele aarde moet volgen en helpen.

"Heil en zegen zij over hem en over zijne reine deugdzame voorvaderen! Dat zijne gebeden en vermaningen steeds voeren op den weg des heils en der gerechtigheid, waarop de geloovigen hem altijd moeten volgen en steunen.

"De toren werd voltooid in het jaar 628 (1230 van de christelijke jaartelling)".

In de onmiddellijke nabijheid en binnen de vestingwerken ligt een uitgestrekt kerkhof, waarop het grafteeken van den Sheikh Omar voor alles de aandacht trekt. De richting naar de stad volgende, komt men langs eene betrekkelijk fraaie straat aan dat beroemde grafmonument van Abd-el-Kader, dat sultan Moerad zwoer te zullen laten herstellen, toen hij in de moskee te Constantinopel het besluit nam, met zijn leger naar Bagdad te trekken. Een afgeplatte koepel met een aantal kleine openingen dekt de bij het monument behoorende moskee. Nevens deze zware massa zie ik een anderen koepel van dergelijke gedaante, met gekleurde porseleinen tegels bekleed; deze koepel welft zich boven de eigenlijke grafkamer. De ruime voorhof is omgeven door arkaden, waaronder reizigers of derwîsjen hun leger hebben opgeslagen. Iets verder ziet men een médresseh. Deze beide gebouwen dagteekenen uit den laatsten tijd, even als de twee minarets aan de poort in den buitenmuur.

Op weinige schreden afstands van het monument van Abd-el-Kader, wijst men mij nog een ander grafteeken; aan onze rechterhand verrijzen de minarets van de moskee van Sheikh Yoessoef; aan onze linkerhand zien wij de poort van de masdjed Abd-el-Rahman. Maar het is volkomen onmogelijk, en ook ten eenemale overbodig, om al de gewijde gedenkteekenen en heiligdommen op te noemen, die ge hier bijna in iedere straat vindt, en waarvan ik de meesten met stilzwijgen moet voorbij gaan.

14 December.--Gaarne had ik van onze veelvuldige pelgrimages naar de moskeeën en graven partij getrokken om op de hoogte te komen van de verschilpunten tusschen de vier orthodoxe sonnitische sekten, maar mijne groote onbedrevenheid in het arabisch is mij daarbij een zeer lastige hinderpaal: te meer daar mijn tolk, als trouwe Sjiîet, weinig gezind is, mij bij mijne nasporingen behulpzaam te zijn.

Even als andere godsdiensten, had ook het Islamisme in den aanvang een tijdperk van crisis te doorworstelen. De gewijde tekst was nog niet vastgesteld, de overleveringen waren nog onzeker; en het voorname dogma, dat de hoeksteen van het mohammedaansche geloof worden zou, de goddelijke oorsprong en het onfeilbaar gezag van den Korân, vond onder de aanhangers van den Profeet nog geene algemeene instemming. De jonge kerk zou wellicht ernstig gevaar van ontbinding hebben geloopen, indien er niet achtervolgens vier beroemde schriftgeleerden waren opgestaan, door wier gezag de kanonieke tekst werd vastgesteld en tevens de nog min of meer zwevende overlevering in vasten vorm gegoten.

De eerste dezer muzelmansche godgeleerden, Aboe Hanifa, werd in 767 in Perzië geboren en vestigde zich reeds vroegtijdig te Bagdad. Vooral onder de Turken vond zijne leer grooten aanhang. De tweede, Malek, de wetgeleerde van Medina, werd in 795 geboren; Ash-Shafi, in 820 geboren, stamde, even als Mohammed zelf, uit den stam van Koraïsch en leefde te Medina; de jongste der vier wetgeleerden, Ibn-Hanbal, in 855 geboren, de schriftgeleerde van Bagdad, vond vooral grooten aanhang onder de Arabieren.

Hoewel de hoofden der vier orthodoxe hoofdsekten het in alle wezenlijke punten betreffende het dogma eens zijn, en het verschil tusschen hunne leeringen voornamelijk de uitlegging en vooral de praktische toepassing van sommige wettelijke of ritueele voorschriften loopt, onderscheiden hunne volgelingen zich toch van elkander door hunne algemeene geestesrichting. De jongste dezer sekten, die der Hanbaliten, kenmerkt zich door een strengen, starren geest van orthodoxisme en onverdraagzaam fanatisme, dat meermalen, onder de Abbassiden te Bagdad aanleiding gaf tot zeer gevaarlijke opstanden. De Hanafiten daarentegen onderscheiden zich door eene groote mate van verdraagzaamheid en vrijzinnigheid; de beide andere sekten, die der Malikiten en Shafiten, houden ongeveer het midden tusschen de uiterste rechter- en linkerzijde.

Hoewel de orthodoxie niet zonder groote moeite en telkens herhaalden kamp het veld behield, overwon zij ten laatste toch al hare tegenstanders, de kettersche sekten; tegenwoordig zal geen Sonniet, tenzij hij geheel met zijn geloof gebroken hebbe, den goddelijken oorsprong en het onfeilbaar gezag van den Korân betwisten.

De meest bekende van de nieuwere sekten is wel die der Wahabiten, die de geheele muzelmansche wereld in beroering heeft gebracht en aanleiding gegeven tot zeer ernstige burgeroorlogen en opstanden. De stichter dezer sekte, Wahab, die den Islam, naar het schijnt, in zijne oorspronkelijke zuiverheid, zoo als hij zich die voorstelde, wilde herstellen, begon zijne prediking in 1740. Hij vond zeer grooten bijval en een talrijken aanhang; zijne volgelingen voelden zich weldra sterk genoeg om naar de wapenen te grijpen en dwongen de vreedzame bewoners van Nedjd tot het aannemen der nieuwe leer. Hunne macht breidde zich, in Arabië, in die mate uit, dat zij in 1785 de pelgrimskaravanen durfden aantasten, die zich naar de Kaäba begaven; eenige jaren later veroverden zij zelfs de heilige steden Mekka en Medina, plunderden Kerbela, de heilige stad der Sjiîten, en beletten, tien jaren lang, het bezoeken der heilige plaatsen door de orthodoxe Moslemîn.

Geen wonder, dat schrik, ontsteltenis en rouw de geheele mohammedaansche wereld vervulden. Eindelijk, in 1813, kwam de sultan, de Padishâh, tusschenbeiden. Een egyptisch leger, onder aanvoering van Ibrahim-pâsja, den zoon van Mohammed-Ali, verdreef de kettersche Wahabiten uit Hedjaz; de uit den hemel gevallen zwarte steen en het graf van den Profeet kwamen weder in handen van de orthodoxe Sonniten.--Het aantal Wahabiten is in Chaldea nog vrij groot; zij worden door de overheid wel niet vervolgd, maar toch vrij streng in het oog gehouden.

XXXVI

18 December.--Gedurende mijn verblijf in Perzië heb ik voortdurend geprutteld tegen de wijze van regeeren en tegen de gebruiken des lands, al was ik niet blind voor de uitnemende geestesgaven en den kunstzin der Iraniërs. Nu ik de Turken heb leeren kennen, zijn de Perzen zeer hoog in mijne schatting gerezen; sedert den dag, waarop ik den voet op turksch gebied heb gezet, is het mij alsof ik uit het paradijs in de hel ben overgebracht.--En toch, zeide Marcel nog gisteren tot mij, toch hebben de snuggere staatslieden van Europa gemeend--of zich althans gehouden alsof zij het meenden--dat het voldoende was, onze politieke en administratieve inrichtingen naar het Oosten over te planten, om de Oosterlingen inderdaad ook onze beschaving deelachtig te maken. Voorwaar, niet door de europeesche instellingen en gebruiken in meerdere of mindere mate na te apen, zullen de mohammedaansche volken tot nieuw leven ontwaken; maar veeleer door op hun eigen weg, overeenkomstig hunne eigene traditiën, voort te gaan en zich te bewegen op de historische lijn hunner nationale ontwikkeling. Hoever staat het oude, half feodale Perzië nog boven het zoogenoemd naar europeesch model hervormde Turkije! Terwijl het gezag van den Sultan miskend en bespot wordt; terwijl de procureurs-generaal, hunne substituten en hunne zaptiëhs (gendarmen) onmachtig zijn om voor de veiligheid der vreemdelingen te waken, en het leven en de bezittingen der getrouwe rajahs te beschermen,--blijft Perzië, met zijne overoude staatsinrichting, het gezag van den Shâh eerbiedigen, en tevens dat van zijne plaatsvervangers, de satrapen of stadhouders, die machtig genoeg zijn om ook zonder gerechtshoven en zonder gendarmen, orde en rust en veiligheid van lijf en have te verzekeren."

Ik moet bekennen, dat de antipathie van mijn echtgenoot tegen het officieele Turkije niet van grond ontbloot is; trouwens, om te kunnen beoordeelen, wat die zoogenaamde wedergeboorte van Turkije door den invloed der westersche denkbeelden te beteekenen heeft, moet men nog iets meer hebben gezien dan Constantinopel en de groote steden langs de kust der Middellandschezee, kosmopolitische karavanserais, waar het van Europeanen en Levantijnen wemelt en waar het eigenlijke turksche element meer en meer op den achtergrond gedrongen wordt. De vrees voor de westersche mogendheden; een zeker uiterlijk vernis van beschaving, dat de Oosterling in den omgang met Westerlingen spoedig overneemt; zekere buigzaamheid en plooibaarheid, welke vooral aan de officieele wereld, voor een deel uit zonen van tot den Islam bekeerde Armeniërs, Grieken, of Syriërs bestaande, eigen is: dit een en ander is wel geschikt om ook anders scherpzinnige lieden, maar die met den waren stand van zaken niet goed bekend zijn, te misleiden.

Wie de turksche regeering in al haar glorie wil leeren kennen en bewonderen, die moet zich niet tot Europa en de kustlanden bepalen, waar het oog der westersche dwarskijkers steeds geopend is, die moet dieper in Azië doordringen en zich bij voorbeeld naar Bagdad begeven, naar de tweede stad des rijks, en daar de gedragingen gadeslaan van dat heirleger van schaamtelooze dieven en afzetters, dat zich de turksche ambtenaarswereld noemt. Een paar staaltjes!--Een chaldeeuwsch bankier te Mossoel ging failliet. Onder de slachtoffers van deze ramp bevond zich ook een ambtenaar van de douane, die de kunst had verstaan om, ondanks zijn gering traktement, dat nog zeer ongeregeld werd uitbetaald, een kapitaal over te leggen van ruim zeshonderdduizend francs. Dit cijfer behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij ons herinneren hoe een ondergeschikt ambtenaar, met medeweten en medewerking van zijn chefs, een openbaar gebouw, waarvan de fondamenten nog niet eens waren gelegd, heeft laten bouwen, afbranden, herbouwen en nog eens afbranden, natuurlijk alles ten koste van de keizerlijke schatkist.--De militaire chefs hebben zich den palm niet willen laten ontrukken en er nog iets fraaiers op bedacht. Onlangs is, volgens hunne berichten, in eene hinderlaag een legerkorps vernield, dat geen voet buiten Bagdad had gezet. Deze verdichte nederlaag werd verzonnen om zekere fouten in het comptabel beheer goed te maken, om den onderhandschen verkoop van wapenen en krijgsvoorraad verborgen te kunnen houden, en om onder een of ander voorwendsel een aantal soldaten te kunnen doen verdwijnen, die geheel ten onrechte op de betalingslijsten waren gebracht, maar sinds lang naar huis gezonden.

De gouverneurs, die te Constantinopel met hunne liberale beginselen pronken en zich vrienden toonen van vooruitgang en verdraagzaamheid, de hoog geplaatste geestelijken, die door hunne vroomheid en hunne wetenschap achting afdwingen, huwen de dochters van oproerige sheikhs, verwittigen hunne schoonvaders van de bewegingen der troepen, waarschuwen hen als de groote karavanen zich op reis begeven, deelen hun mede welken weg zij volgen zullen, en zorgen steeds dat de roovers aan de tegen hen uitgezonden troepen ontsnappen en zonder gevaar de reizigers kunnen plunderen. De stam der Khamavend, die uit niet meer dan tweehonderd gezinnen bestaat, heeft op die wijze, sedert vijftig jaar, de macht van den Sultan getrotseerd, dank zij de medeplichtigheid der hooge ambtenaren, die daarvoor natuurlijk worden betaald.--De generaal, die zijne militaire opvoeding in Frankrijk heeft ontvangen en geene gelegenheid laat voorbijgaan om op zijne vaderlandsliefde en toewijding te stoffen, lokt een opstand bij de Sjamars uit, die hem de gelegenheid verschaft om eene expeditie tegen deze Arabieren op touw te zetten, waarbij honderden zijner soldaten doelloos zullen omkomen, maar waarbij hij zelf roem en wat nog beter is veel geld verdienen zal.

Dat zijn de Turken der nieuwere school: zij hebben al de gebreken en ondeugden hunner voorgangers, maar missen dezer oprechtheid; met den nieuwerwetschen rok en pantalon, hebben zij tevens de ondeugden van leugen en geveinsdheid aangenomen. Stel vooral geen vertrouwen in die vroolijke, aangename tafelgenooten, die zonder aarzelen uw fijnen wijn zullen drinken, en spottend met Mohammed en zijn Koran, varkensvleesch zullen eten en al de spijzen genieten, door de onreine handen der Franken toebereid;--ondanks hun liberalisme, waarmede zij weten dat zij de meeste Europeanen vangen kunnen, zouden zij de eersten zijn om de Christenen te vermoorden, als zij slechts zeker waren dat dit ongestraft geschieden kon. Want--en het hedendaagsche sceptische Europa vergeet dit maar al te zeer--wat ook in het gemoed van den Muzelman, en met name van den Turk, moge zijn uitgedoofd, het godsdienstig fanatisme leeft nog in volle kracht, en dat fanatisme openbaart zich in de eerste plaats in den wel onderdrukten, maar daarom des te felleren haat tegen den gevreesden en verfoeiden Christen. De Turk haat ons met een volkomen haat: hij haat ons omdat wij tot die ongeloovigen behooren, wier aanraking hem reeds ontreinigt; hij haat ons omdat wij hem de landen weer afnemen, die zijne krijgshaftige zegevierende voorvaderen op ons veroverd hadden; hij haat ons bovenal, omdat hij, ondanks zijne vooroordeelen en zijne opvoeding, dien verachten Christenhond als zijn meerdere en zijn meester erkennen en ontzien moet.

In hoeverre het ingeworteld fatalisme der Turken mede schuld heeft aan hun staatkundig en maatschappelijk verval, blijve in het midden gelaten; dit is zeker, dat hun geloof aan de absolute voorbeschikking, indien al niet de reden, dan toch het voorwendsel is voor eene onverantwoordelijke traagheid en zorgeloosheid, die hen onfeilbaar ten ondergang voert. Niet ten onrechte zegt het spreekwoord, dat overal waar een Turk den voet heeft gezet, de aarde geen kruid meer voortbrengt. Inderdaad, wat is er onder de turksche heerschappij geworden van de zoo gezegende landstreken langs den Tigris en den Euphraat? Deze landen, weleer de korenschuren van het Oosten, om wier vruchtbaarheid te roemen Herodotus schier geen woorden vinden kon, zijn thans niets meer dan onmetelijke moerassen, kweekplaatsen en brandpunten van de pest en van kwaadaardige koortsen, waarvan wij mede de noodlottige werking gevoelen. De landerijen zijn nog altijd vruchtbaar, maar bij gebrek aan behoorlijke irrigatie, kunnen zij niet in kultuur woorden gebracht en blijven zij braak liggen. Het getal der inwoners is in verband daarmede evenzeer verminderd. Bij het doorkruisen van de omstreken van Bagdad, die het grootste gedeelte van het jaar eene kale wildernis zijn, denkt men onwillekeurig terug aan die welbebouwde akkers van het oude Babylonië, waar het koren driehonderdvoudige vrucht voortbracht, waar het blad van de tarwe en van de gerst eene breedte had van vier vingers, en waar de maïs en de gierst zoo welig tierden, dat Herodotus maar liever niet zegt hoe hoog de stengel opschoot, uit vrees dat men hem niet gelooven zou. Is het mijne schuld, dat ik geen voet buiten het consulaat kan zetten, zonder telkens nieuwe bewijzen te vinden van de schromelijke verwaarlozing, waaraan Aziatisch Turkije ten prooi is? Te Bassorah zijnde, ging ik aan boord van een fregat, dat door een gebrek aan de schroef langzamerhand wegzinkt in de modder met al de millioenen welke het schip heeft gekost, zonder dat iemand eene hand uitsteekt om de ramp te voorkomen. Heden nog hebben wij op den rechteroever plaats genomen in een tramwagen, die ons, volgens het programma, in een kwartier of twintig minuten naar Kâzhemîne moest brengen; halverwege kwam men ons verzoeken om uit te stappen, omdat, zooals er met echt oostersch flegma werd bijgevoegd, de wagen zoo aanstonds zou derailleeren. De weg beschrijft namelijk op dat punt eene zeer scherpe bocht; de buitenste rail is nu zoo weggezakt, dat de wagen, als hij zijn rit vervolgde, omgeworpen zou worden. Deze toestand duurt nu reeds achttien maanden. Is het niet ongeloofelijk, dat de turksche administratie anderhalfjaar laat voorbijgaan, zonder den weg te herstellen? De maatschappij heeft bij het gevaarlijke punt eenige hamals (sjouwerlieden) geposteerd; als de wagen is ontspoord, stappen de reizigers uit en de hamals zetten met veel inspanning het rijtuig weer op de rails. Daar de afstand tusschen Kâzhemîne en Bagdad niet meer dan vier kilometers bedraagt en er met het in orde brengen van den wagen ongeveer een kwartier verloren gaat, maken de reizigers geen gebruik van den tramweg en doen als vroeger de reis te voet. Toch zou de herstelling van den weg niet meer dan een paar uren arbeid vorderen.

Ondanks den instinktmatigen afkeer der Turken van alles wat uit het Westen komt, zijn de inwoners van Bagdad toch niet weinig trotsch op hun tramweg, die eene schepping is van Midhat-Pâsja gedurende zijn kortstondig bestuur als stadhouder van Mesopotamië. Nooit koesterde eenig landvoogd zulke grootsche en verstrekkende hervormingsplannen; nooit won een vertegenwoordiger van het hof van Stamboel zich in Aziatisch Turkije zoo groote mate van populariteit. Midhat-Pâsja, met meer dan gewone verstandelijke gaven bedeeld, besefte wel wat eene goede administratie eigenlijk moest zijn, maar het haperde hem ten eenemale aan praktischen zin. Bij den aanleg van den tramweg van Bagdad naar Kâzhemîne, was het hem uitsluitend te doen, om aan de hoofdstad van zijn vilayet een volkomen rechten weg te schenken. De ingenieur, die het ontwerp moest maken, had de grootste moeite om hem aan het verstand te brengen, dat uithoofde van de vele scherpe krommingen van den Tigris, de weg onvermijdelijk de groote bochten van den oever wel moest volgen, wilde men niet telkens in de rivier zelve terecht komen. Hij gaf eindelijk toe; maar alleen de vrees, van eene uitgave te moeten doen, die door de inkomsten van zijne provincie niet kon worden gedekt, was in staat, hem van zijn oorspronkelijk denkbeeld te doen afzien, om in de lengte eene brug over den Tigris te laten bouwen.