Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 32
Dezen stelregel, waarnaar ik in alle landen en onder alle hemelsbreedten gehandeld heb, herinner ik mij te laat, zooals het meer het geval is, nu ik met handen en voeten, met ellebogen en knieën, omhoog klauter tegen den muur van het paleis van Ktesiphon. Ik kan niet meer en houd even op. Ik ben op omstreeks twintig ellen boven den grond, en hang bijna aan eene uitstekende kroonlijst, die eene geschikte zitplaats aanbiedt voor de vleermuizen en uilen, de gewone gasten van deze ruïnen. Hoe zou ik mij haasten, naar beneden te komen, indien niet de blikken van onze matrozen en van de in den omtrek zwervende nomaden, met spottende nieuwsgierigheid, op mij gevestigd waren!... Oef! De eer is gered: ik sta boven op den rug van het gewelf. Ik heb waarlijk duur genoeg het recht betaald, om het historische landschap te mogen bewonderen, dat zich voor mijne voeten uitbreidt en dat heugenis draagt van wie weet hoe vele eeuwen.
Ik sta thans zoo hoog boven de vlakte van den Tigris, dat ik, met behulp van een kijker, niet enkel de plek kan overzien waar eenmaal Ktesiphon stond, en waar nu de bruine tenten der Arabieren verspreid staan rondom het grafteeken van Salomon den Reine, den beroemden barbier van Mohammed; maar ook aan de overzijde van de blauwe wateren der rivier de lage heuveltjes of tumuli kan onderscheiden, de eenige overblijfselen van de stad Seleucia. Bij een blik op de povere ruïnen dezer beide steden, zoo dicht in elkanders nabijheid gelegen, begrijpt men aanstonds, dat zij bestemd waren wederkeerig elkander in bedwang te houden; mocht de eene een vooruitgeschoven post van het Westen worden genoemd, aan de andere was de taak toevertrouwd om de grenzen van Perzië te verdedigen.
Ktesiphon, door de Parthen, misschien zelfs reeds door de laatste Achemeniden gesticht, vergroot of herbouwd door Ardeshir, den zoon van Babek, vooral onder de Sassaniden machtig en bloeiend, kon op eene betrekkelijk hooge oudheid roemen; toch wist de door Seleukos I, een der opvolgers van Alexander, gestichte en naar hem genoemde nieuwe grieksche stad in weinige jaren haar mededingster naar de kroon te steken en te overvleugelen. Zij werd een der hoofdstapelplaatsen van den oosterschen handel en telde in haar bloeitijd eene bevolking van meer dan zeshonderdduizend zielen. Ook na den val van het syrische rijk en onder de heerschappij der Romeinen behield Seleucia eene groote mate van vrijheid en autonomie; zij was en bleef eene grieksche stad, waar westersche denkbeelden en gewoonten heerschten en de westersche beschaving den boventoon voerde. Ongelukkig had zij van de grieksche traditie ook de zeer kwade gewoonte overgenomen om steeds te politiseeren; en evenals de oude grieksche staten aan deze politieke manie hun ondergang te danken hadden, zoo ook Seleucia, en na Seleucia nog menige andere stad en staat. De heftigste partijschappen verdeelden het volk; en daar politieke partijen steeds en overal in de eerste plaats haar eigen belang, den triomf harer stellingen en theoriën beoogen en het algemeen belang daarvoor doen wijken, zoo schroomden ook de partijhoofden te Seleucia niet, de hulp van vreemden en van vijanden in te roepen. Zoo geraakte de stad onder de macht der parthische koningen, die hun winterresidentie in Ktesiphon hadden; en zoo had zij mede haar deel te dragen van de ellende, die de herhaalde oorlogen tusschen de Parthen en de Romeinen over deze gansche streek brachten. In 116 na Chr. bezette Trajanus de stad en legde haar, nadat de bevolking in roekeloozen overmoed in opstand was gekomen, voor een deel in de asch; nog zwaarder slag trof haar eenige tientallen jaren later, in 165, toen zij door Lucius Verus geheel werd verwoest. Sedert was haar kracht gebroken. Door Septimius Severus, te gelijkertijd met Ktesiphon, veroverd, viel zij later in handen der Sassaniden en zonk allengs in vergetelheid weg. Ktesiphon bleef eene der hoofdsteden van het perzische rijk, tot het in 637 door den Khalief Omar veroverd en verwoest werd.
Met uitzondering van de overblijfselen eener aarden omvalling is van de hoofdstad van Seleukos geen enkel monument, geen enkel spoor overgebleven; de eenmaal zoo vruchtbare bodem, waarop zij zich verhief, wordt tegenwoordig alleen nog maar betreden door zwervende Arabieren, door enkele geitenherders, en in den herfst door inwoners van Bagdad, die nadat de felle zomerhitte geweken is, hunne tenten komen opslaan in de vlakke velden van den Tigris, om in het dichte kreupelhout ter wilde-zwijnenjacht te gaan.
De avond valt. Wij moeten de nauwkeurige studie van het paleis tot eene latere gelegenheid uitstellen, en naar den oever terugkeeren, waar de _Mossoel_ weldra verschijnen zal. Wij volgen een door herders of stroopers gebaand pad, dat ons midden door kreupelhout en dicht struikgewas, aan de rivier brengt. Nauwelijks is de korte avondschemering voorbij en door de nachtelijke duisternis vervangen, of de temperatuur daalt met buitengewone snelheid. Op den vrij hoogen oever neergezeten, zie ik vergeefs uit naar de lichten van de stoomboot; hoe scherp ik ook luister, geen enkel geluid verkondigt de nadering van het zoo vurig verwachte schip. Kapitein Dominici, die ons als gids heeft vergezeld, wordt ongeduldig en onrustig: hij loopt heen en weer, en zorgt zeer slecht voor het vuur, dat hij op ons dringend verzoek heeft doen aanleggen. Nadat er een vol uur verloopen was, kon hij zich niet langer bedwingen.
"Ziet gij, zoo zegt hij, die vurig gekleurde rookwolken, die uit de vlakte opstijgen? Dat zijn de kampementen der nomaden, wier aantal zeer groot is. Zij kunnen ongemerkt door het kreupelhout naderbij sluipen; en als zij zien, hoe weinig talrijk wij zijn, zullen zij ons aanvallen en naakt uitschudden. Dooft daarom het vuur zoo spoedig mogelijk uit; strooit zand over de asch, die ons zou kunnen verraden, en laat ons langs den oever der rivier vluchten."
Dat is evenwel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Rechts wordt het kreupelhout steeds dichter; links is de steile oever op vele plaatsen ingestort of afgebrokkeld; zoolang de maan ons niet te hulp komt, kunnen wij in den donker niet verder gaan, tenzij wij ons aan het bijna zekere gevaar willen blootstellen, in den Tigris te storten. De angst voor de nomaden, de vrees in eene hinderlaag te zullen vallen, gevoegd bij de kwellingen van honger en koude, maken dat de traag voortkruipende uren ons eene eeuwigheid schijnen. Nog altijd komt de boot niet, en wij gaan beraadslagen over hetgeen ons te doen staat--hetgeen altijd een veeg teeken is. Goddank! daar plast iets in het water! Het is een zeilschip, dat naar Koet el-Amarah bestemd is en langs den oever vaart, waar wij in zoo treurigen toestand vertoeven. De gezagvoerder van het vaartuig is bereid ons op te nemen; en nadat wij een uur gevaren hebben, zien wij in de verte de lichten van de _Mossoel_. Kort na ons vertrek was de ongelukkige boot weer op eene modderbank vastgeraakt: uren lang heeft men moeten arbeiden om haar weer vlot te krijgen: van daar de vertraging.
Middernacht is reeds voorbij, als ik de kajuit binnentreed, die tegelijk tot salon, tot eetzaal en tot kabinet voor den kommandant en de eerste-klasse passagiers dient; de tafel is gedekt; de lamp werpt een uitlokkend schijnsel op den schotel met pilau; ik heb geen hinder meer van den kouden nachtwind en heb geen onwelkom bezoek van nomaden meer te duchten. Einde goed al goed.
XXXV
12 December.--De matrozen loopen op een drafje door den salon, die behalve tot vele andere doeleinden, ook tot doorloop dient tusschen het voor- en het achterschip van de _Mossoel_; wij werpen het anker uit in de haven van Bagdad. Met den dageraad ben ik op de been; ik treed naar buiten en zie, tot mijne groote verwondering, op het dek en op de kooien met gevogelte, eene dunne laag ijzel. Dat is de eerste nachtvorst: het zou ons niet goed bekomen zijn, indien wij zonder mantels of dekens onder den blooten hemel hadden moeten overnachten.
Hoe heerlijk is toch, ondanks alles, het klimaat van het gezegende Oosten! Zelfs de winter vermag hier de eeuwig bloeiende natuur niet in eene akelige doodswade te hullen en alle leven tot stilstand te doemen; ter nauwernood wijzigt hij eenigszins het voorkomen van het landschap. Het vriest--en zie, daar ligt Bagdad in een krans van groene boomen, waarover de adem der lente schijnt te zweven.
Van oogenblik tot oogenblik wordt het lichter: weldra vertoonen zich op den rechter oever de gebouwen van het serail, de kazernen, de porseleinen koepels, waarop tallooze zwermen van duiven neerstrijken, om in de eerste stralen der morgenzon haar vleugelen te drogen; dan de minarets, in slankheid wedijverende met de palmen; de medresseh, de statige gebouwen van de douane, waarvoor zich reeds, in kleurige kleederdracht, Joden, Armeniërs en Arabieren verdringen; eindelijk, benedenwaarts van den aanlegsteiger, teekenen zich, half omsluierd door den wazigen nevel, die over de breede rivier zweeft, prachtige tuinen en in het midden van dien lusthof het sierlijke paviljoen van het engelsche consulaat.
De andere oever is nog rijker aan groen. De gelukkige bewoners van deze onder den lommer van palmen en allerlei geboomte als wegschuilende huizen moesten, zou men zoo zeggen, hun voorrecht te zeer waardeeren om zich bezig te houden met zoo alledaagsche dingen als handel en verkeer, en al dergelijke beslommeringen overlaten aan hunne buren van de overzijde. Toch schijnt dit volstrekt niet het geval, want het verkeer tusschen de beide stadsdoelen is zeer druk. Eene schipbrug, wonderlijk gedraaid en afwisselend in breedte en hoogte, buigt zich onder de voestappen van eene groote menigte van vrouwen, in roode, blauwe of groene _izzas_ gehuld; van mannen in gele of witte kleederen; van kameelen, ezels, muildieren, die elkander verdringen en voortduwen, en op het niet van leuningen voorziene brugdek eene schilderachtige bontkleurige processie vormen.
De haven van Bagdad, of liever de rivier zelve, biedt een niet minder levendig schouwspel dan de brug, die de beide oevers verbindt; langs den kant en op de rivier liggen verschillende rijen van schepen van onderscheiden vorm en grootte, en die wel even onze aandacht verdienen.
Daar zijn vooreerst de _belems_, groote zeilvaartuigen, voornamelijk voor het vervoer van granen bestemd; zij zijn van palmhout getimmerd en van buiten met eene dikke laag aardpek bestreken; zeer zeewaardig en gemakkelijk weer in orde te brengen; gebeurt er een of ander ongeval, dan is het voldoende, ze op nieuw met aardpek te bestrijken, om ze weer te kunnen gebruiken. De belems maken zeer lange reizen tusschen Bagdad en Bassorah, en liggen bijna altijd beneden de schipbrug vastgemeerd; boven de brug liggen de _keleks_, die voornamelijk op de rivier boven de stad worden gebruikt.--Wanneer de schippers op den Boven-Tigris eene lading hebben te vervoeren, vullen zij een zeker aantal lederen zakken met lucht, en binden die in concentrische rijen aan elkander; vervolgens bevestigen zij daarop een planken vloer, dien zij met eene dikke laag gras en kruiden bedekken, om de lading tegen de aanraking met het water te beveiligen; zij stapelen hunne koopwaren op dit vlot, voorzien zich van de noodige boomen voor het besturen van hun vaartuig, en zakken de rivier af, wel niet zonder dat eenige zakken barsten, maar toch in den regel zonder ernstig ongeluk. Ter plaatste hunner bestemming gekomen, verkoopen de schippers de planken en de kruiden tegen vrij hoogen prijs, laten de lucht uit de zakken ontsnappen, laden die op den rug van ezels, en keeren naar hun land terug, om daar telkens hetzelfde bedrijf te hervatten. De huurprijs van de keleks verschilt in evenredigheid van het aantal zakken, waaruit zij zijn saamgesteld. Voor de vlotten, waarmede passagiers vervoerd worden, gebruikt men tachtig zakken; dan wordt ook op het vlot eene hut of eene tent geplaatst; vijftig zakken zijn daarentegen voldoende voor het vervoer van schapen of gevogelte, van vruchten, kaas of granen.--De keleks komen, uit verre landen, want voor hun bouw gebruikt men timmerhout, dat in Chaldea uiterst schaarsch is.
Voor kleine tochtjes tusschen Bagdad en de onmiddellijke omstreken, bedient men zich van zeer eigenaardige vaartuigjes, _koeffehs_ (manden) genoemd. Overal op de rivier zie ik die ronde manden drijven, van palmbladen vervaardigd en met aardpek bestreken. Twee mannen brengen ze in eene draaiende beweging en bepalen tevens de richting. Zij gaan niet gauw, maar zijn zeer stevig, en verplaatsen eene vergelijkenderwijze zeer groote hoeveelheid water; zij kunnen niet kantelen, en scheppen geen water, hoewel sommigen, met meloenen en pasteken beladen, ter nauwernood vijftien duim boven het water uitsteken.
Onder welke van deze kategoriën moet ik nu de babylonische vaartuigen rangschikken, waarvan Herodotus spreekt? Gedurende ons watertochtje had ik alle gelegenheid om nog eens te lezen en te herlezen wat de vader der geschiedenis van de schepen der Babyloniërs zegt: en met de stukken voor oogen moet ik zonder aarzelen of voorbehoud elke gelijkstelling van de babylonische boot met den _kelek_ verwerpen. Ik begrijp mij zelfs niet, hoe sommige schrijvers tot die zonderlinge opvatting zijn kunnen komen.
"De Babyloniërs, zoo zegt Herodotus, hebben geene andere vaartuigen, dan die den Euphraat afzakken tot aan de stad; zij zijn rond en geheel van leder, want nadat zij de kiel hebben getimmerd van het hout van wilgen, die in Armenië, ten noorden van Assyrië, groeien, bekleeden zij de buitenzijde met vellen, die het geheele vaartuig bedekken, zonder dat men daaraan een voor- en achtersteven onderscheiden kan. Deze booten zijn rond, naar de gedaante van een schild; zij bekleeden ze inwendig met biezen; dan steken zij van wal en laten zich met hunne vracht den stroom afzakken. Deze vracht bestaat uit verschillende koopwaren, vooral uit aarden potten met palmwijn gevuld. Twee mannen, ieder met een stok of riem gewapend, besturen staande het vaartuig en duwen het voort. Men maakt naar dit model groote en kleine vaartuigen; de grootsten kunnen eene lading bergen tot een gewicht van vijfduizend talenten. Wanneer zij aldus te Babyion zijn aangekomen en de lading is afgeleverd, verkoopen de bootslieden de biezen en de kiel; dan laden zij de huiden op hunne ezels en keeren naar Armenië terug, want uit aanmerking van den snellen stroom, is het onmogelijk de rivier op te varen. Daarom maken zij hunne booten niet van hout, maar van leder. Als de ezeldrijvers in Armenië zijn terug gekeerd, beginnen zij op nieuw, op dezelfde wijze, hunne vaartuigen te vervaardigen."
Herodotus spreekt zeer stellig van vaartuigen of booten; hij voegt er bij, dat die booten noch voor- noch achtersteven hebben, en dat zij rond van vorm zijn als een schild. Mijn inziens, bedoelt en beschrijft hij dus een uitgehold voorwerp, dat veel overeenkomst had met eene gewone boot, maar daarvan verschilde door zijne ronde gedaante. Ten einde allen twijfel bij zijne lezers weg te nemen, voegt de schrijver er bij, dat de kiel is vervaardigd van wilgentakken, dat wil zeggen van hout, dat gemakkelijk gebogen kan worden, en van biezen, die hier dezelfde rol spelen als teenen of rijshout bij de vervaardiging van manden. De vorm van het vaartuig is, dunkt mij, beslissend: het schijnt mij buiten twijfel, dat Herodotus eene _koeffeh_ bedoelt, geheel gelijk aan die, welke voor mijne oogen op het water tollen, en welke de assyrische beeldhouwers acht eeuwen voor onze jaartelling reeds op hunne bas-reliefs afbeeldden. Er is echter een zeker verschil tusschen de hedendaagsche _koeffeh_ en de door Herodotus beschreven boot: de eerste is eenvoudig met aardpek besmeerd, de andere is met toebereide huiden bekleed. Maar uit het feit, dat die huiden, dadelijk na aankomst ter bestemder plaatse, werden weggenomen en weer naar het vaderland der booten teruggevoerd, mag men het besluit niet trekken, dat Herodotus een _kelek_ heeft willen beschrijven. Geen enkele grieksche matroos zou hetzelfde woord hebben gebruikt om daarmede toebereide huiden en met lucht gevulde zakken aan te duiden; noch minder zou het hem zijn ingevallen, bij een vlot van een voor- en achtersteven te spreken. Kan men zich ook een rond vlot voorstellen van de gedaante van een schild? Waarom zou men zich de moeite geven, op deze zoo onnatuurlijke wijze de balken en planken te schikken, terwijl eene eenvoudige samenvoeging aan alle vereischten voldoet en de meeste waarborgen van stevigheid aanbiedt? Ik meen dus, dat men het best doet, zich aan de beschrijving van Herodotus te houden, zonder daaraan iets toe te voegen of daarvan iets af te nemen. De babylonische boot was buiten kijf eene _koeffeh_ van meer of minder groote afmetingen, bekleed met aan elkander genaaide huiden, die zonder moeite aan het houten geraamte konden worden bevestigd en ook weer losgemaakt. De _koeffeh_ der ninevitische bas-reliefs, waarop men zeer duidelijk de naden der huiden kan onderscheiden, stemt volkomen met die beschrijving overeen.
Mijne eerste kennismaking met dit antieke vaartuig was alles behalve aangenaam. Nauwelijks hadden wij naast onze bagage in de koeffeh plaats genomen, of wij begonnen zoo snel in het rond te draaien, dat ik een oogenblik een gevoel had, als ware ik in een tol veranderd. Toch bereikten wij zonder ongeval den oever. De roeiers sprongen in het water, trokken de boot op den kant en reikten mij de hand; ik sprong uit de mand en zette voor het eerst mijn voet op den bodem der stad van Haroen-er-Rashid. De fransche consul, van de aankomst der stoomboot onderricht, had een kawas gezonden om ons af te halen; gespierde dragers namen onze koffers op hun rug, en wij betraden achter hen de leelijke straten van de christelijke wijk.
Consul van Frankrijk is thans de heer Péretié, zoon van den bekenden archeoloog; hij ontvangt ons, omringd door zijne vrouw en kinderen, en het is ons inderdaad een groot voorrecht, na zoo vele maanden van afzondering, weder in een familiekring, in eene huiselijke omgeving, te mogen vertoeven. Mevrouw Péretié wilde volstrekt dat ik de kamer harer dochters zou betrekken: ik zal dan heden nacht weer op een bed slapen, hetgeen mij niet gebeurd is sedert ons vertrek uit Teheran. Inmiddels zullen de jonge dames mij tot gids verstrekken en mij het huis laten zien.
Het consulaat, door en voor inboorlingen gebouwd, komt in inrichting geheel overeen met de andere huizen der stad. In eene zeer smalle straat ziet men een hoogen muur, zonder andere opening dan eene lage poort, waaronder een ruiter ter nauwernood kan doorgaan. Deze poort geeft toegang tot een vestibule, die tevens tot wachthuis dient voor de kawassen, die den consul, zoo noodig, moeten beschermen, hem op zijne wandelingen vergezellen en zijne boodschappen verrichten. Dit voorhuis voert met een hoek naar eene ruime binnenplaats, waarop de keukens, de stallen en andere bijgebouwen uitkomen. Eene poort in een der vleugels geeft toegang tot een tweeden binnenhof, die omgeven is door de eigenlijke woning met haar gebeeldhouwde balkons, haar vensters met fraai mozaïek van hout en glaswerk, en haar groote rood en witgestreepte zeilen, die de zonnestralen moeten keeren, wat ook in het hart van December niet overbodig; is.--Dit is de platte grond; laat ons nu de doorsnede eens bekijken. De groote afwisseling van temperatuur in den zomer en den winter noodzaakt de inwoners van Bagdad om hunne huiselijke inrichting dikwijls te veranderen; de huizen moeten dus zoo gebouwd zijn, dat vier malen in het jaar als het ware eene verhuizing binnenskamers kan plaats hebben.
Alle woningen rusten op overwelfde kelders, die eene diepte hebben van drie of vier meters onder den beganen grond. In de lente trekt de familie zich in deze souterrains, die den naam van _serdab_ dragen, terug; zij neemt niet alleen alle voorwerpen van dagelijksch gebruik, maar ook haar meubelen naar die kelders mede; liet men de meubelen gedurende den zomer in de kamers van de eerste verdieping of zelfs maar van de benedenverdieping staan, dan zouden ze door de wormen en andere insekten worden verteerd en geheel vergaan. Zoodra de felle hitte begint, sluit men zich op in den serdab, die door een pijp of buis versche lucht ontvangt; eerst na zonsondergang komt men daaruit te voorschijn om op het platte dak heete lucht te gaan inademen, want--in tegenstelling met Perzië, waar de nachten koel zijn--daalt ook na zonsondergang de temperatuur te Bagdad maar weinig graden. De stad, die over dag als uitgestorven is, herleeft met de schemering; de dames leggen op de platte daken bij elkander bezoeken af, en brengen den nacht door met praten, rooken en het gebruiken van sorbets; maar daar zij, om de muskieten niet te lokken, geen licht durven opsteken, voeren zij den ganschen zomer niets uit. Bij het aanbreken van den dageraad keert ieder naar zijn serdab terug, en brengt daar, slapend, soezend, dommelend, den dag door. Zoodra de kou begint, begeeft men zich naar de vertrekken op de eerste verdieping; en hoewel daar geregeld gestookt wordt, zit men toch te rillen en te huiveren, want de schier ondragelijke warmte heeft alle zenuwen overprikkeld en verslapt.
Het leven van de dames van Bagdad is in den winter al even weinig benijdenswaardig als in den zomer: de bedompte straten zijn dan in den letterlijken zin modderpoelen, waarin men zich met europeesche kleederen moeilijk bewegen kan; bovendien worden zij al spoedig opgevuld met onreinheden van allerlei aard, die door pijpen worden afgevoerd naar open putten of bakken, welke voor ieder huis zijn aangebracht. Bij sterken of aanhoudenden regen raken deze putten al spoedig met water gevuld, en van dat oogenblik af stroomt de inhoud van de gootpijpen rechtstreeks over de straat. Zelfs de mannen kunnen des avonds niet uitgaan, zonder zich te laten voorafgaan door bedienden, die op twintig duim boven den grond lantarens houden. Ik verwonder er mij niet meer over, dat in het hart van den winter de pest uitbreekt, om hare verwoestingen aan te richten tot de maanden Mei en Juni. Dan wordt het zoo heet, dat zelfs de pest het niet harden kan, maar wegvlucht of zich schuil houdt.
De herfst is het eenige jaargetijde, waarvan de beklagenswaardige inwoners van Bagdad inderdaad genieten kunnen. Het weer is dan nog altijd zeer schoon; men heeft noch storm, noch regen te duchten; de vermogende familiën maken daarvan gebruik om haar tenten te gaan opslaan in de vlakken van Ktesiphon en Seleucia. De meest geliefkoosde uitspanning gedurende deze villeggiatura, welke twee a drie maanden duurt, is de wilde-zwijnenjacht. Deze jacht is niet zonder gevaar, vooral voor Europeanen: vooreerst is de lans, het eenige wapen dat hierbij gebruikt wordt, hun vreemd; en ten andere is het geheele terrein vol gaten en kuilen, ten gevolge van het woelen en graven van mollen en andere dieren.
13 December--Het bed is mij eene ongewone weelde geworden: ik kon met de kussens en lakens niet terecht, en had ten slotte een zeer slechten nacht. Bij het aanbreken van den dag begaf ik mij naar de binnenplaats; de kawassen van het consulaat trekken hunne schitterende uniformen aan, en maken zich gereed mij door de stad rond te leiden; ik verlangde er naar, kennis te maken met de stad van Zobeïde. Helaas! de sporen der vroegere heerlijkheid zijn geheel bedolven onder de massa ruïnen en puin, door belegeringen en vijandelijke invallen sedert eeuwen opgestapeld.