Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 31
Maar wij mogen nog geene overwinning roepen: onze luidjes, die er hoegenaamd geen bezwaar in hebben gevonden, de quarantaine te verbreken, komen ons nu vertellen, dat hun geweten hun verbiedt, de douane te ontduiken! Zonder op mijne tegenspraak te letten, springt een der negers op den oever en keert weldra met acht of tien gemeene kerels terug. Deze lieden bestormen het schip, em maken zich gereed om onze koffers en kisten open te breken, onder voorwendsel dat daarin geweren en ammunitie verborgen zouden zijn. Niet wetende met wie wij te doen hebben, verzetten wij ons tegen elk onderzoek.
"Brengt ze dan naar het lazaret!" beveelt het opperhoofd der bende.
Op het hooren van die bedreiging haasten wij ons, de touwen los te maken en, met een vriendelijken glimlach, den heeren de sleutels van onze koffers aan te bieden. Onze bereidwilligheid, nog verhoogd door eene goede fooi, bleef niet zonder uitwerking. Van het lazaret was verder geene sprake; enkele voorwerpen, die bijzonder de aandacht der tolbeambten getrokken hadden, werden hun ten geschenke gegeven; en blijde dat wij er dus waren afgekomen, voeren wij Bassorah binnen.
Daar nu verder geen gevaar te duchten is, kan ik al mijne aandacht wijden aan het tooverachtig schouwspel, dat zich bij het helder licht der volle maan, voor mijne blikken ontrolt.--Ik ben in Venetië, maar in een tropisch Venetië, met een onbewolkten hemel, en met huizen wegduikende in de schaduw van palmen, van rijk beladen oranjeboomen, van breed gebladerde bananen, van bloeiende geurende acacias. Nu eens rijzen de huizen uit het kanaal zelf op, dan weder strekt zich daartusschen eene smalle kaai uit; voor den ingang der fraaiste huizen liggen sierlijke bootjes vastgemeerd. Onder en rondom mij, kalme, heldere wateren, groen, vruchten, bloemen; boven mijn hoofd de diep-blauwe hemel, bezaaid met tintelende sterren.
Het schip ligt aan wal. Na door een soort van ruime open hal te zijn gegaan, waar groote hoopen graan liggen opgestapeld, onder de hoede van eenige met lantarens voorziene wachters, kloppen onze gidsen, nog voor het aanbreken van den morgen, aan de poort van het consulaat; en kort daarop kan ik mij ontdoen van mijne kleederen, zoo nat van den dauw als of ik in het kanaal el-Asher kopje onder had gedoken.
4 December.--Naar gelang men Bassorah bij hoog of bij laag water ziet, kan men het een lusthof of een labyrinth van stinkende riolen noemen. Toen ik heden avond uitging, waren de grachten nagenoeg droog; door het wegvloeien van het water, waren groote hoopen modder, vuil en onreinheden van allerlei aard bloot gekomen; de bootjes, die te midden van die vuiligheid aan den grond zaten, schenen welhaast wrakken in een modderpoel; een afschuwelijke stank verpestte den dampkring en maakte mij geheel ongevoelig voor de bekoorlijkheden van palmbosschen en oranjegaarden.
Deze stinkende grachten en het vochtige, zeer heete klimaat dragen voor een belangrijk deel de schuld van de ongezondheid der stad; maar bij deze twee oorzaken voegt zich nog eene derde, die het gevolg is van de onverantwoordelijke traagheid en zorgeloosheid der turksche overheden. Omstreeks zestig jaren geleden, braken de dijken langs den Tigris, boven de stad, door; het water verspreidde zich in de vlakte en vormde een uitgestrekt moeras, dat elk jaar, door de hooge waterstanden gedurende den winter, in omvang toeneemt, zonder dat iemand er aan denkt, het moeras droog te leggen, of maar de dijken te herstellen. Sedert dit ongeval heerscht de koorts het gansche jaar door, en richt te Bassorah en in de omliggende dorpen de schromelijkste verwoestingen aan.
De oudheidminnaar vindt te Bassorah niets van zijne gading, maar het oog van den schilder gaat te gast in het gewoel van de slecht en ruw gebouwde bazars, opgevuld met eene in de bontste en kleurrijkste kleederdracht gedoste schare. De turksche vrouwen hebben het sombere donker blauwe overkleed harer perzische zusters vervangen door de _izza_, een kleed van blauwe, rose, witte of gele zijde met gouden en zilveren strepen. Onder de izza bespeurt men soms het gazen hemdje, met zware bloemen geborduurd, het kleine ronde keurslijf en den zwaren gordel met twee halfronde gouden platen gesloten, die met edelgesteenten zijn versierd. Bijna alle vrouwen, met name de Christinnen, dragen lange sleepjaponnen, zoogenoemd naar fransch model, waarmede zij de vuile stoffige straten der stad aanvegen. Onverschillig tot welke kerk zij behooren, vertoonen zij zich nooit met onbedekt gelaat in het publiek; sommigen dragen een zwarten krippen sluier, anderen bedekken zich het aangezicht met een gekleurden zijden doek. Daarentegen zorgen zij wel, dat haar juweelen en andere sieraden, waarmede borst en armen prijken, zooveel maar eenigszins mogelijk, tusschen de plooien van de izza te voorschijn komen. Haar schoeisel is afschuwelijk: zij dragen voor het meerendeel blauwe of groene bottines, met koperen of glazen knoopjes: een smaakvol produkt van de britsche industrie!
Zoo de Christenvrouwen, zeer tot haar nadeel, een gedeelte van de nationale kleederdracht hebben opgeofferd, om de frankische mode na te volgen, hebben de mannen het nog veel erger gemaakt en het oostersche kostuum geheel en al afgelegd. Allen zijn gekleed in geelachtig grijze bijna paarsche pantalons en leelijke laken jasjes van nog onoogelijker kleur. In dit afschuwelijk, door en door vulgair kostuum, blijft hun niets meer over van dat prestige, dat statige en indrukwekkende, hetwelk nog steeds den Muzelmannen eigen is, gedrapeerd in hunne bruine, met gouddraad of zijde doorwerkte abbas, en het hoofd gedekt met veelkleurige tulbanden, omwoeld met een koord van kemelshaar of een wollen wrong, doorvlochten met zilverdraad.
Bassorah, op alluviaal-grond van latere vorming gebouwd, is betrekkelijk jong: het werd kort na den dood van Mohammed door Omar gesticht en werd weldra de groote stapelplaats der produkten van Chaldea en Mesopotamië. De geschiedenis der stad, althans sedert de laatste eeuwen, valt samen met die van de telkens hervatte oorlogen tusschen Turkije en Perzië, die haar beurtelings in hun macht hadden. Tegen het einde van de vorige eeuw werd zij dertien maanden lang door de Perzen belegerd en eindelijk genomen; zij bleef toen in handen der overwinnaars tot den dood van Kerim-Khan. Zijne opvolgers wisten haar niet te bewaren; zij hadden de handen meer dan vol om zich op den troon van Perzië te handhaven, en lieten het ver afgelegen Bassorah los, dat nu weder door de Ottomannen in bezit werd genomen. Hoewel sedert dien tijd de bevolking ongeveer met de helft is verminderd en nu nauwelijks vijftienduizend zielen telt, is Bassorah toch nog een belangrijk middelpunt van handel en verkeer gebleven, dat in geregelde betrekking staat met Indië. De graanhandel is van zeer groot gewicht; maar ook de dadels vormen een van de voornaamste rijkdommen des lands; zij worden in groote menigte naar het buitenland verzonden, gepakt in fijne en zeer buigzame manden van palmbladen gevlochten en met vezels van dien boom genaaid. Altijd weer de palmboom! alles leeft hier van en door den palmboom. Het is inderdaad niet te verwonderen, dat de Oosterlingen een godsdienstigen eerbied koesteren voor dien gezegenden boom, aan welken zij spijs en drank, timmerhout, tapijten, touwwerk en manden verschuldigd zijn. Heeft niet reeds de Profeet gezegd: "Eert den palmboom; hij is uwe moederlijke tante; hij is gevormd uit het overschot van het leem, waaruit het lichaam van Adam gekneed werd."
XXXIV
8 December--Drie dagen lang heeft de koorts ons, indien al niet aan onze legerstede, dan toch aan ons huis geketend, en het voortzetten der reis belet. Zoodra wij evenwel weer een voet konden verzetten, zijn wij zoo spoedig mogelijk Bassorah met zijne ongezonde lucht en vochtig heete temperatuur ontvlucht. Twee stoombooten varen in geregelden dienst tusschen die stad en Bagdad. De eene stoombootdienst is van eene engelsche maatschappij en vaart geregeld iedere week. De vrij eenvoudig ingerichte booten worden zoo zindelijk gehouden als met de gewoonten der reizigers, die steeds op het dek hunne spijzen gereed maken, bestaanbaar is. De andere dienst is door het turksche bestuur georganiseerd; deze booten varen tweemaal in de maand. Wij hebben plaats genomen op de _Mossoel_, eene turksche boot, die heden morgen, eene maand te laat, afvoer.
Het gaat hier alles op zijn turksch! Do gezagvoerder en de bemanning, die zeer ongeregeld betaald worden, moeten wel, om te leven, hunne toevlucht nemen tot maatregelen, die juist niet aangenaam zijn voor de reizigers. Het dek van de eerste klasse is opgepropt met kooien en manden vol kippen, die de matrozen te Bassorah hebben gekocht en die zij te Bagdad weder verkoopen, met twee of drie stuivers winst per stuk. De officieren, wier eerzucht verder reikt, kunnen dit den matrozen moeilijk verbieden, want zij zelven nemen met hunne koffers en pakken het geheele ruim in beslag.
Onze reisgenooten zijn, vooreerst, een Engelschman, die pas uit Indië is teruggekeerd, en die op de _Mossoel_ plaats heeft genomen, omdat de turksche booten de reputatie hebben, veel meer aan den grond te raken dan de engelsche: hij hoopt dan gelegenheid te kunnen vinden om aan zijn hartstocht voor de jacht te kunnen bot vieren. Onze tweede reisgenoot is een Corsicaan, kapitein Dominici, die zelf langen tijd het bevel heeft gevoerd op de _Mossoel_ en nu, nadat hij uit zijne betrekking is ontslagen, te Bagdad woont. Men behoeft niet lang met hem in gezelschap te zijn, om deelgenoot te worden van zijne grieven. Ongeveer een jaar geleden, kwam de turksche regeering op de gedachte, dat zij haar leveranciers eigenlijk evenmin behoefde te betalen als haar ambtenaren. Een der eersten, verbitterd over een eindeloos uitstel, verloor zijn geduld, en verklaarde dat hij geen zak kolen meer zou leveren, zoolang zijne rekening niet betaald was. De _Mossoel_ wachtte op brandstof, toen de kapitein bevel ontving, onmiddellijk te vertrekken.
"De bakken zijn bijna ledig; ik kan niet vertrekken zonder kolen, zeide hij tot den pâsja, met het opzicht over de stoombootdienst belast.
--Dan hebben wij uw diensten niet meer van noode! Varen, en dan nog kolen verbranden op den koop toe!
--Het woord "onmogelijk" bestaat in onze fransche taal niet," antwoordde de kapitein, zijne hand in zijn vest stekende.
De trossen worden losgegooid en de _Mossoel_ vaart statig op den Tigris. Na verloop van twee dagen was er geen stukje steenkool meer te vinden, maar onze Corsicaan wist raad. De lading van de boot bestond uit sesam, een peulgewas, uit welks zaad eene uitmuntende olie wordt bereid.
"Voor den dag met het sesam! gooi het in het vuur!" beveelt de kapitein. De machine snuift en stampt, en na verloop van acht dagen komt de _Mossoel_ zegepralend te Bagdad, na eene lading ter waarde van ruim dertigduizend francs in rook te hebben doen opgaan. De kapitein boette met het verlies van zijne betrekking voor de stoutmoedigheid, waarmede hij het woord zijns grooten Keizers in toepassing had gebracht; terwijl de opzichter van de dienst nog een aardig voordeeltje trok uit dit zonderlinge avontuur. De pâsja, nu overtuigd dat het zaak was de rekening van de steenkolen te betalen, stelde het gouvernement voor, om, bij gebrek aan geld, den leverancier tevreden te stellen met achthonderd kameelen, aan een oproerigen stam ontroofd. De leverancier had daar niets tegen; en recht in zijn schik dat hij nu in natura ongeveer de dubbele waarde ontving van hetgeen hij te vorderen had, deed hij op zijn beurt twee- à driehonderd van de meest versleten dieren aan den pâsja cadeau.
Eenige uren na ons vertrek van Bassorah, voeren wij langs Qoernah, op eene smalle landtong gelegen, aan welker benedeneinde de Euphraat en de Tigris samenvloeien, om vereenigd den Shatt el-Arab te vormen. Het landschap is zeer onbeteekenend: lage, half overstroomde oevers; moerassige weilanden, waarin magere koeien loopen te grazen, die tot den ruggegraat met slijk zijn bespat; voorts enkele boomen--ziedaar alles.
9 December--De vaart op den Tigris is in de hoogste mate eentonig; de wederzijdsche oevers zijn zoo hoog, dat het is alsof men tusschen twee dijken vaart, die alle uitzicht onderscheppen. Dezen morgen voeren wij langs de uitmonding van eene fraaie rivier, en hielden eenige oogenblikken later stil te Amarah. Deze stad is van zeer jonge dagteekening en dankt hare welvaart aan de karavanen uit Kermansha en Shoester, die granen en indigo aanvoeren, welke vervolgens naar Bagdad worden gebracht.
10 December.--Babel is niet meer dan een vormelooze puinhoop; en Ezra, die als balling in de beroemde wereldstad vertoefde en het voorrecht mocht smaken, zijne landgenooten naar Jeruzalem terug te voeren, slaapt, volgens de overlevering, nog altijd aan de boorden van den Tigris. Daar eenige Joden aan boord van de _Mossoel_ moesten worden opgenomen, heb ik van de weinige oogenblikken van oponthoud gebruik gemaakt, om haastig eene photografie te nemen van het graf van den profeet. Het tegenwoordige gebouw, dat, te oordeelen naar den koepel van aardewerk, uit den tijd van Shâh Abbas schijnt te dagteekenen, is zeker de plaatsvervanger van een zeer veel ouder monument: immers, volgens de overlevering, is deze plek reeds sedert overoude tijden eene heilige bedevaartsplaats. Nog in onze dagen, komen de Joden, op de hooge feesten, in grooten getale een bezoek brengen aan de laatste rustplaats van Ezra. Als de stoombootmaatschappijen, die op den Tigris dienst doen, de opbrengst moesten missen, voortspruitende uit het vervoer van christelijke, joodsche en mohammedaansche pelgrims, die de graven der profeten of der imams willen bezoeken, dan zouden zij ongetwijfeld bankroet gaan.
Onze engelsche reisgenoot had zich al herhaaldelijk beklaagd, dat hij reeds drie dagen aan boord was en nog niet op pelikanen of wilde eenden had kunnen schieten. "Het doel mijner reis is geheel gemist, riep hij mistroostig uit.
--Ga te Koet-el-Amarah, waar wij stilhouden, aan land, antwoordde de kapitein. Gij kunt dan op uw gemak de geheele streek afjagen, en na een oponthoud van drie dagen, gaat gij weer aan boord van de engelsche stoomboot _Khalifa_, die ook te Amarah ophoudt. De vlakte is rijk aan wild; en gij zult ongetwijfeld een overvloedigen buit maken, eer ge den tocht naar Bagdad hervat."
Onze vriend heeft zich gehaast, overeenkomstig den raad van den kapitein te handelen; sedert zijn vertrek hebben wij tot driemaal aan den grond gezeten. Deze incidenten hebben gelukkig geene ernstige gevolgen gehad; nauwelijks hadden de zeer talrijke reizigers die het dek en de salons vulden, voor het meerendeel de boot verlaten, of deze begon zich los te werken uit de modder en kliefde weldra weder de breede wateren van den Tigris.
Ik heb van het oponthoud gebruik gemaakt om een bezoek te brengen aan een kleinen arabischen stam, die niet ver van de rivier is gekampeerd, onder tenten van geitenhaar. De mannen, die er vrij woest uitzien, zijn gekleed met een donkerbruin of blauw wollen hemd; de doek om hun hoofd is met een koord van kemelshaar omsnoerd; hun gang is zeer fier; meestal hebben zij eene lange lans in de hand. De bruinkleurige vrouwen, forsch en gespierd en even als de mannen gekleed, zijn bijna allen kenbaar aan de zilveren of koperen ringen, die zij in den neus en om de polsen dragen.--Naar men mij zegt, behooren deze lieden tot den stam der Beni-Laams, die zich vooral op de paardenfokkerij toeleggen. Zuidwaarts van Amarah vindt men de Beni Aboe-Mohammed, die bepaaldelijk in buffels handel drijven; in de vlakte nabij Bagdad wonen de Shamars, de machtigste nomaden van Babylonië en de onverzoenlijke vijanden der Turken. Metterdaad leven de Beni-Laams, de Beni Aboe-Mohammed en de Shamars eenvoudig van roof en diefstal, en hebben zij elkander onder dat opzicht niets te verwijten.
Voor- en tegenspoed wisselen elkander in dit ondermaansche af: de stuurman is tot de ontdekking gekomen dat de boot niet meer naar het roer luisterde; toen wij het laatst aan den grond raakten, is het roer gebroken. Aan dit ongeval danken wij een oponthoud van eenige uren en eene zeer levendige woordenwisseling tusschen den vroegeren en den tegenwoordigen gezagvoerder van de _Mossoel_. De brave kapitein Dominici heeft met een vloed van woorden zijn tegenstander vernietigd, en breedvoerig uitgeweid over zijne talrijke schipbreuken en de schokkende avonturen van zijn zeemansleven; hij heeft aangetoond hoe hij steeds een middel wist te vinden om, ook zonder roer, toch een schip te besturen, en dat niet maar op zulk eene ellendige rivier als de Tigris, maar midden door de klippen en stormen der zeeën van Patagonië! Gelukkig behoefden wij met de toovermiddelen van den dapperen Corsicaan geene proef te nemen; tegen den avond kon de _Mossoel_ haar reis hervatten.
Niet zonder wrevel en ergernis heeft de kapitein bemerkt, dat een zijner passagiers liever op de eendenjacht ging, dan stil aan boord te blijven; om ons voor onze trouw aan zijn vaartuig te beloonen, heeft hij gisteravond ons medegedeeld, dat hij ons bij den boog van Ktesiphon aan land zou zetten. De booten hebben vier uur noodig om het schiereiland om te varen, waarop eenmaal de hoofdstad van Khosroës verrees, terwijl men te land dien tocht in twintig minuten kan doen. Wij zullen dus den tijd hebben om een blik te werpen op de ruïnen van het paleis, eer wij weder aan boord moeten gaan. Bovendien zal de kapitein ons door seinen waarschuwen.
Overeenkomstig de belofte van den gezagvoerder bracht de sloep ons tegen den middag naar den wal, tegenover een kolossaal gebouw, dat reeds in den loop van den morgen mijne aandacht getrokken had.
De dusgenoemde boog van Ktesiphon, geheel uit zware baksteenen opgetrokken, is eigenlijk eene een-en-negentig meter lange en vijf-en-dertig meter hooge façade, in het midden waarvan zich eene gewelfde zaal opent, die eene breedte heeft van vijf-en-twintig el. Deze talar beslaat de geheele tegenwoordige hoogte van het gebouw: het paleis ontleent daaraan den naam van Tag-Kesra, waaronder het nog bij de omwonende bevolking bekend is. Rechts en links van deze groote zaal of hal bevonden zich zijgalerijen, ongetwijfeld bestemd voor de lijfwacht, de hovelingen en de koninklijke schrijvers. Dergelijke vertrekken waren toch niet geschikt om tot vrouwenverblijf te dienen; bovendien, de koningen uit de dynastie der Sassaniden verborgen hunne vrouwen met evenveel naijverige zorg, als in onze dagen de strengste volgelingen van Mohammed doen.
In gewijzigden vorm vinden wij dus te Ktesiphon het koninklijk paleis terug, dat wij te Persepolis leerden kennen; wij vinden hier dezelfde onderscheiding tusschen de officieele residentie van den monarch en de vertrekken voor het huiselijk en familieleven bestemd; en het is van te meer belang deze bijzonderheid te constateeren, omdat in de kasteelen van Sarvistan en Firoez-Abâd de biroen en de anderoen niet aldus gescheiden, maar binnen dezelfde muren begrepen zijn.--De zijvertrekken van het paleis van Ktesiphon zijn allen verdwenen; ter nauwernood kan men uit de weinige brokstukken der scheidingsmuren en de fondamenten hunne grootte opmaken. De vertrekken van den harem en die van het personeel der hofhouding, welke zeer waarschijnlijk van ongebakken steenen waren gebouwd, zijn natuurlijk verdwenen, of liever zij bestaan nog slechts in de gedaante van lage tumuli, waarin men tot dusver niets gevonden heeft, behalve enkele parthische muntstukken en scherven van aardewerk. De munten der Sassaniden zijn te Tag Kesra veel minder zeldzaam dan die der Parthen.
Behalve twee poorten en den kolossalen middenboog, heeft de voorgevel geene enkele opening; maar daarentegen is hij versierd met vier rijen van rondbogen boven elkander, die door een soort van pilasters worden gedragen. Deze zuilen of pilasters, die men op het eerste gezicht louter voor ornament zou aanzien, moeten mede dienen om den reusachtigen muur stevigheid te verleenen, zoodat hij zonder verderen steun aan de vernielende werking van den tijd en aan de schokken van aardbevingen weerstand kan bieden. Volgens het zeggen der kroniekschrijvers zouden deze zuilen met zilver bekleed zijn geweest. Dit is niet zeer waarschijnlijk; maar eene bekleeding met verzilverde koperen platen, als bij de koepels van Koem en Shâh Abdoel-Azim, acht ik zeer wel mogelijk. In ieder geval moeten zij overpleisterd of op eenige andere wijze bekleed zijn geweest, want de steenen waaruit zij bestaan zijn zeer slordig bewerkt, en steken daardoor zeer af bij de schoone en zorgvuldige bewerking van de vlakke gedeelten der muren.
Treedt men de groote zaal binnen, dan wordt men onwillekeurig getroffen door de majesteit van deze kolossale hal en de stoutheid van het gewelf. Een gedeelte van dit gewelf is, volgens de sage, ingestort op den dag der geboorte van Mohammed; het andere is nog zeer goed bewaard gebleven en op regelmatige afstanden voorzien van aarden buizen, volgens de Arabieren bestemd om de lampen te vullen, die aan de zoldering waren opgehangen. Door de deur achter in de hal, kon de koning uit zijne bijzondere vertrekken zich rechtsstreeks naar zijn troonzetel begeven. Dan werd het zware voorhangsel voor den grooten boog ten deele opgelicht, zoodat de stralen der morgenzon in de zaal konden doordringen: dat was voor de hovelingen het teeken, dat de monarch bereid was, de hulde zijner onderdanen te ontvangen en hunne beden aan te hooren. Daar zat hij dan, op zijn elpenbeenen troon, omstuwd door zijne lijfwachten en dienaren; de vloer van de indrukwekkende zaal was met fijne matten belegd, waarover prachtige, veelkleurige tapijten waren gespreid; langs de vermoedelijk met stuc bekleede wanden waren, bij wijze van draperieën, kostbare weefsels opgehangen; en dit alles, ten deele in half donker gehuld, slechts beschenen door de van buiten invallende zonnestralen, moet inderdaad een tooverachtigen aanblik hebben opgeleverd.
De tijd en de menschen hebben zich aangegord ter vernietiging van dezen kolossus; maar de massa van het monument was zoo stevig, dat noch de Romeinen, noch de Arabieren, noch de Turken het ontzaggelijk geraamte hebben kunnen sloopen, en zich hebben moeten vergenoegen, met stuksgewijze de ondergeschikte deelen, als het ware de ledematen van het reusachtig gebouw, te vernielen. De omwalling is verdwenen; de voorhof voor de groote zaal, de zalen en vertrekken ter wederzijde ondergingen hetzelfde lot; maar wat nog over is gebleven getuigt nog steeds van de macht en den rijkdom der koningen, die te Ktesiphon hun zetel hadden.
11 December.--Het beklimmen van torens en minarets heeft voor mij niets aanlokkelijks. Buiten adem en badende in zweet, komt ge eindelijk, na tegen een smalle, donkere, min of meer bouwvallige trap van vier- of vijfhonderd treden te hebben opgeklauterd, op een plat of galerij, waar een koude wind u om de ooren blaast en eene verkoudheid op den hals jaagt. Blazend, hijgend, rillend, laat ge uw blik dwalen over eene verzameling van daken en schoorsteenen, over grijsachtige velden en donkergroene massaas; in stille bewondering staart ge naar een wemelenden nevel aan den horizon, die nu eens de zee en dan weder een bergketen moet voorstellen; na dit verwarde, onharmonische tooneel een poosje te hebben aangegaapt, daalt ge weer, met groote stappen, de altijd draaiende trap af, die u bijna duizelig en zeeziek maakt, zoodat ge u moet vasthouden aan een vies, vettig, glimmend touw, en recht dankbaar zijt, als ge eindelijk weer onder uwe voeten den vasten grond gevoelt, waarop de natuur gewild heeft dat wij ons bewegen zouden. Het is dus voor mij een vaste regel, geen torens te beklimmen.