Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 30

Chapter 30 3,849 words Public domain Markdown

De eigenaardige type van Torkan-Khanoem, haar ongeschonden neus, de gemakkelijkheid waarmede zij al wat ik zeg in het arabisch vertaalt, haar eerste vraag tot mij: "spreekt gij russisch?"--hadden mijne nieuwsgierigheid geprikkeld. Bij het terugkeeren uit den harem vroeg ik aan mijn geleider eenige nadere inlichtingen omtrent zijne beminnelijke meesteres. "Zij is eene Circassische, antwoordde hij; mijn meester kocht haar, omstreeks vijftien jaar geleden, te Constantinopel. Hij verhief haar tot den rang van favorite, en heeft haar steeds bewijzen van liefde en genegenheid gegeven, hoewel zij hem geen kinderen heeft geschonken. Torkan-Khanoem is zeer knap: zij heeft te Tiflis lezen en schrijven geleerd; zij spreekt met evenveel gemak perzisch en arabisch als turksch en russisch. Zij oefent een zeer machtigen invloed uit, niet alleen in den harem, maar op den geheelen stam; in alle belangrijke zaken wordt zij gekend; en dat de in een anderoen altijd zoo moeielijk te handhaven vrede in ons huis steeds bewaard bleef, is wel in de eerste plaats hieraan te danken, dat geene enkele vrouw ooit haar gezag durfde betwisten of de juistheid en billijkheid van haar oordeel miskennen.

Als eene merkwaardige bijzonderheid teeken ik op, dat hier de mannelijke bedienden toegang tot den harem hebben, zonder dat de khanoems zich daaraan ergeren of er aan denken, haar gelaat te bedekken.

23 November.--Ik ben nog geheel van mijn streek van mijn tweede bezoek bij Torkan-Khanoem. Ik deed mijn best om eene kolossale japon van prachtige zwarte zijde te bewonderen, die de favorite naar de laatste europeesche mode van Bagdad had laten maken, toen eensklaps een luid gebrul naast mij weerklonk; ik keer mij om en zie een prachtigen panter vlak voor mij.

"Kom hier, Oerida (Roosje)", roept Torkan-Khanoem.

De panter richt zich op en legt zich langzaam neder voor de voeten zijner meesteres, maar blijft mij steeds met wantrouwende blikken aanstaren.

"Hij is een lam, eene duif", zegt Torkan-Khanoem, terwijl zij het beest in hare armen neemt en op mijn schoot duwt, zooals zij het een katje zou doen. Roosje heeft echter blijkbaar weinig sympathie voor Christenen en beantwoordt mijne beschroomde en stellig zeer linksche liefkoozingen met een dof gebrom. Bij een blik op die ivoorwitte tanden bevangt mij een onwederstaanbare aandrang om weg te loopen en mijn arm weerloos persoontje in veiligheid te brengen tegen de kennismaking met de nagels of de tanden van dit vreemdsoortig huisdier; maar ik laat mijn angst niet merken en prijs, nauwelijks wetende wat ik zeg of doe, de veelzijdige talenten van Oerida. Dit lieve diertje kan pootjes geven, zich al brullende, met uitgestoken nagels over den grond rollen, dood liggen, de hand zijner meesteresse lekken, en eindelijk op een kussen gaan zitten, als wilde hij deel nemen aan het gesprek.

Oerida munt niet alleen uit door zijn verstand, onder zijn gevlekte huid klopt een gevoelig en dankbaar hart.--Ruim drie weken geleden, toen de oude sheikh zijn einde voelde naderen, wilde hij de tenten verlaten waar hij den zomer had doorgebracht en naar Feliëh terugkeeren. Men brak haastig op, in de verwachting spoedig weer in het kamp te zullen zijn: de panter bleef achter, onder de hoede van zijn oppasser. Aanvankelijk deed hij niets dan huilen en jammeren, vervolgens weigerde hij alle voedsel en liet den oppasser zijne tanden zien. Daar de toorn van het dier met den dag klom, deed de oppasser hem eindelijk eene ijzeren ketting om den hals en bracht hem naar Feliëh, waar de panter, bij het weerzien zijner meesteresse, uitgelaten van blijdschap was. Deze genegenheid van Oerida voor Torkan-Khanoem heeft overigens niets bijzonders: de panters van de oevers van den Karoen en den Shatt-el-Arab, zoo woest en gevaarlijk als zij in vrijheid rondzwerven, laten zich zeer gemakkelijk temmen, en hechten zich dan aan den mensch met al de trouw van een hond.

Maar ondanks de bewondering, die ik voor de edele hoedanigheden van Oerida mocht koesteren, was ik toch hartelijk blijde toen ik den anderoen mocht verlaten. Mijne schoone gastvrouw wilde mij in persoon naar den biroen terug brengen en mij tevens den tuin laten zien, die zich over de geheele breedte van het huis langs den Tigris uitstrekt. Toen wij door het dorp gingen, trof mij de houding der bevolking jegens de favorite, die hier als eene koningin te midden van haar hof leeft: mannen, vrouwen, kinderen, kwamen toeloopen om haar te groeten, den zoom van haar gewaad of haar hand te kussen. Torkan-Khanoem liet zich al deze huldeblijken met zekere trotsche onverschilligheid welgevallen, en wij bereikten den tuin. De bananen, palmen en oranjeboomen staan zoo dicht op elkaar en zijn zoo dicht saamgegroeid, dat men door hunne takken den hemel niet zien kan. Er is noch een grasperk, noch een laan of pad; de grond is bekleed met schraal en mager gras, dat kwijnt door gemis van licht en lucht; oranjeappelen van allerlei soort en grootte groeien in menigte boven uw hoofd en binnen het bereik uwer hand.

Na het ontbijt gingen wij ons dagelijksch bezoek brengen aan ons stoombootje: als naar gewoonte lag het eenzaam en verlaten. Van de wandeling teruggekeerd, ging Marcel zijne opwachting maken bij den sheikh, en vroeg hem, of hij er wel aan dacht, de boot in orde te laten brengen.

"Zoudt ge dan nu reeds willen vertrekken? vroeg hij met groote verbazing; ik had gehoopt, u hier nog eenige maanden te houden; daarom heb ik den timmerman van Bassorah nog niet gewaarschuwd."

De verwondering van sheikh Moses is wel begrijpelijk: sommigen van zijne gasten, die zoowat een jaar geleden de gastvrije woning binnen gingen om een kop koffie te drinken, vonden de mokka zoo naar hun smaak, dat zij er nog niet van konden scheiden. En de gastheer denkt er natuurlijk niet aan, hen weg te zenden.

"Ik stel uwe vriendelijkheid zeer op prijs, maar ik kan en mag mijn verblijf onder uw dak niet langer rekken, antwoordde mijn echtgenoot, wien dit wachten begon te vervelen, hoewel hij zeer vriendschappelijke betrekkingen had aangeknoopt met een beroemd theoloog, den overste van de Aleakhs van Teheran, die sedert den vorigen winter bij den sheikh logeerde.--Indien de reparatie van de boot te lang moest duren, dan zou ik mij genoodzaakt zien, paarden te huren en de oevers van den Karoen te volgen.

--Ik zou nooit dulden, dat gij te paard naar Ahvas gingt; ik zou vreezen, dat gij door de rondzwervende stammen van Arabistan zoudt worden overvallen en geplunderd. Als zij in onze provincie eene razzia hebben gehouden, dan trekken zij over de grenzen; als zij in Turkije eene karavaan hebben geplunderd, nemen zij de wijk naar Perzië. Zij zijn zeer moeilijk te vangen, en zijn bijna altoos van straffeloosheid verzekerd. Gij kunt overigens gerust zijn: ik zal nog heden naar Bassorah schrijven en binnen weinige dagen zal mijne boot tot uwe beschikking zijn."

De raad van onzen gastheer is goed: wij zullen ons daaraan houden.

24 November.--Toen ik dezen morgen bij Torkan-Khanoem kwam, vond ik haar in den salon alleen. Ik vroeg haar naar den welstand der andere dames.

"Al mijne verwanten zijn bij de lijkdienst, die heden gevierd wordt ter eere van de martelaars Hassan en Hosein.

--Zou ik daar ook bij tegenwoordig kunnen zijn?

--De plechtigheid zal u zeer lang vallen en u vervelen, antwoordde zij op luchtigen toon; maar zoo gij er op staat, volg mij dan en ga mede naar de masdjed."

In de benedenverdieping van het huis bevindt zich eene kleine kapel, waar een geheimzinnige schemering heerscht. Langs den wand zitten vrouwen neergehurkt, terwijl een jong meisje, met schelle stem, eene episode voordraagt uit het verhaal van den marteldood der imams.

Torkan-Khanoem treedt binnen, zet zich in het midden van de kapel en wenkt mij, naast haar plaats te nemen. Ik gehoorzaam, en zit daar nu midden in eene sjiîtische moskee, tot groote verbazing en ergernis der hoorderessen, verontwaardigd over deze onbeschaamde ontwijding van het heiligdom. Rechts en links wordt hoorbaar gefluisterd en gemurmureerd; de dienst staat stil. Maar Torkan-Khanoem laat zich niet van haar stuk brengen; op hoogen toon gebiedt zij de lezeres voort te gaan, en het wordt weer stil.

Naarmate mijne oogen zich aan de duisternis gewennen, bespeur ik in de schemering een aantal vrouwen, die ik eerst niet gezien had. Allen hebben haar mantel over het hoofd geslagen, en haar borst en linker schouder ontbloot; zij slaan daarop, op de maat, met de palm van haar hand en begeleiden met dit geluid de klagende tonen van de lezeres. Bij de meest treffende passages, barsten alle toehoorderessen in luid gejammer uit, en herhalen, snikkend en klagend, in koor: "Hassan! Hassan! Hassan! Hosein! Hosein! Hosein!" daarbij zich steeds luider en heftiger op de borst slaande. De oudste vrouwen maken daarbij natuurlijk het meeste misbaar: eene oude tooverheks, die zeker niet meer op haar ontvleesde schouders durft slaan, heeft haar rechter voet op haar linker knie gelegd en trommelt nu met rusteloozen ijver op haar vereelte zool.

Onder al dat gejammer en gehuil gaat echter de kalyan rustig van hand tot hand en presenteert eene negerin aan alle aanwezigen een kop heerlijke koffie. Tusschen twee half gesmoorde zuchten, verklaarde een jong meisje dat de koffie niet goed warm was, en smeet den inhoud van haar kopje der negerin in het gezicht. Torkan-Khanoem bestrafte de nalatige schenkster, en onder al deze incidenten liep de dienst eindelijk ten einde.

De ontroering der vergadering scheen zoo groot en zoo ongeveinsd, dat het mij ten uiterste verbaasde, in het volle licht gekomen, op het gelaat der dames geen spoor van tranen of aandoening te ontdekken; zij waren allen volmaakt kalm en schenen zeer blijde dat zij haar gewoon gebabbel weer konden hervatten. Torkan-Khanoem zelve had de geheele dienst met de grootste onverschilligheid bijgewoond en zonder eenig teeken van smart of aandoening te geven: blijkbaar konden Hassan en Hosein haar niets schelen. Zij was trouwens ook geene echte Mohammedaansche.

XXXIII

25 November.--Wij zijn opgesloten in eene nauwe en kleine hut. Als wij dicht tegen elkander aanschuiven, raken wij aan de zijwanden; als wij gaan zitten, stooten wij met onze hoofden tegen de zoldering. Dit ruime vertrek is de slaap-, zit- en eetkamer aan boord van de stoomsloep, die de sheikh Moses welwillend tot onze beschikking heeft gesteld. De geheele sloep is van soortgelijke afmetingen. In het midden verrijst de hut of kajuit, waarvan het platte dak met kussens is belegd en van eene tent voorzien. De machine is in het achterschip, de provisiekamer in het voorschip aangebracht. De bemanning bestaat uit een _reïs_ of kapitein; uit den machinist, een neger; uit vier goed gewapende toefangtsjis, die voor de veiligheid van het vaartuig moeten waken; en uit een intendant, aan het hoofd van het personeel geplaatst.

Wij verlaten het kanaal van Feliëh en komen op den Shatt-el-Arab. De snelheid van den stroom, gevoegd bij de werking der machine, laat ons niet den tijd om van het prachtige schouwspel te genieten, dat de geweldige rivier bij zonsondergang aanbiedt. Links en rechts zijn de donker purperkleurige wateren omzoomd door palmbosschen; groote buffels grazen in de weide of kijken met hunne groote verbaasde oogen naar de boot, die dicht langs den groenen oever houdt.--De zon nadert den horizon, maar alvorens te verdwijnen, overstroomt zij de rivier met zoo verblindenden gloed, dat de oogen de tinteling van het licht niet kunnen verdragen; dan verbleeken de stralende vlammen aan den blauwen hemel: de purperen wolken worden grauw; de toppen der palmen verliezen zich in de wazige schemering; de buffels verdwijnen te midden van kreupelhout en geboomte; enkele sterren schitteren aan het uitspansel; van oogenblik tot oogenblik groeit haar aantal en vermeerdert haar flonkerend licht, naarmate de laatste sporen van den dag verdwijnen. Eensklaps is het nacht, eene kalme, majestueuse nacht, vol rust en heilige stilte. Wij houden stil te Mohammerah.

Deze haven, die wij, van Boeshir komende, reeds langs zijn gevaren, ligt aan de uitmonding van den Karoen, eene niet onbelangrijke rivier, die van de bergen van Kurdistan afdaalt en een ongelukkig zeer weinig gebruikten gemeenschapsweg vormt tusschen Susiane en de Perzische-golf. De zeer steile oevers der rivier zijn als het ware door de natuur zelve gebouwde kaaien, waaraan al de vaartuigen aanleggen, die de granen van Arabistan te Mohammerah komen lossen.

Wij hebben het vloedgetij afgewacht, waarvan de werking zich tot meer dan dertig kilometers boven de haven doet gevoelen, en zijn eindelijk te middernacht de wateren van den Karoen opgestoomd. Bij het aanbreken van den dag zullen wij haverwege Ahvas zijn. Ik had mij daarmede niet durven vleien en er ook niet op gerekend. Nu geloof ik aan de stoomsloep van sheikh Moses; ik geloof aan het bestaan van eene stoommachine in Perzië; ik geloof zelfs in den zwarten machinist van Bassorah.

26 November. Zou ik te voorbarig zijn geweest in mijn lofrede op onze stoomsloep? Het is niet genoeg, met den haas in de fabel, hard van stal te loopen; men moet ook, met de schildpad, ter bestemder plaatse aankomen.

Bij het krieken van den dag ben ik uit mijn hok naar buiten getreden, en heb aan den machinist, gevraagd, hoe ver wij waren. De vraag scheen mij te minder ongepast, omdat ik, half slapende, half wakende, gemeend had, bij herhaling verdachte geluiden in de machinekamer te hooren.

"Wij hebben omstreeks tien farsaks afgelegd, antwoordde hij, terwijl hij den stoom liet ontsnappen en het vuur uitdoofde; de boot maakte zich gereed aan den oever aan te leggen en de toefangtsjis sprongen op den oever om haar vast te meeren.

--Waarom houden wij stil?

--Er is iets aan den ketel gebroken, zoodat de stoom ontsnapt; ik kan de machine niet op de vereischte drukking houden."

Er moeten reparatiën gedaan worden, men heeft te Feliëh te vluchtig gewerkt. En zoo moeten wij hier dan stil houden, aan de verlaten, doodsche oevers van den Karoen, zonder eenige bescherming blootgesteld aan de zonnestralen, die op het midden van den dag nog hinderlijk genoeg zijn.--De equipage maakt van dit gedwongen oponthoud gebruik om brood te bakken. De oven is hoogst eenvoudig. De mannen snijden takken, bladeren en onkruid af, steken die in brand, begieten de brandende massa met rivierwater, en gebruiken de aldus verkregen kolen om daarop ijzeren platen, in de gedaante van paddestoelen, te leggen. Nu treedt de bakker vooruit, met een houten schotel in de hand, gevuld met meel met water aangelengd; welke pap hij op de gloeiend heete platen uitspreidt. Binnen weinige oogenblikken ziet het deeg er uit, als een stuk dik zwart krip. Het brood is klaar; men heeft niets verder te doen, dan het met een ijzeren haak weg te halen en in de zon te leggen, ten einde het water te laten verdampen, dat nog in het deeg kon zijn overgebleven.

27 November.--Tegen acht uur 's avonds hebben wij de reis hervat. Hoe ver hebben wij het gebracht? Ik weet het niet, want midden in den nacht heeft de voedingspomp opgehouden te werken. De boot gaat nog maar bij tusschenpoozen, met horten en stooten, vooruit; telkenmale als het water in de ketel zakt staat de machine stil; dan moet de ketel weer met emmers worden gevuld, waarna het vuur op nieuw wordt opgestookt; na verloop van een uur begint de machine weer te werken. De drukking neemt toe; de boot vaart met volle kracht; maar weldra, helaas! is het water weer gedaald en begint het spelletje op nieuw.--Wij vragen ons niet zonder bezorgdheid af, of niet misschien straks de ketel zal springen, en vaartuig en reizigers in de lucht geslingerd en vermorzeld zullen worden.

Met veel moeite, inspanning en geduld is het ons gelukt, het vaartuig op de hoogte van een armoedig dorp te brengen, dat in de povere schaduw van eenige schrale palmen ligt. De machinist heeft zoo juist verklaard, dat de machine eene grondige reparatie moet ondergaan, en dat het beter is, daarmede niet langer te dralen. Hoeveel dagen zullen wij hier moeten blijven? De bemanning murmureert en wordt onrustig; ieder wil raad geven en zijn zin doordrijven. De een wil aanstonds naar Feliëh terugkeeren, ten einde zijn twee kijvende vrouwen in bedwang te houden, die, naar hij beweert, in staat zijn, in zijne afwezigheid den boel in brand te steken; een ander heeft er niet op gerekend, eenige dagen van huis te blijven, en heeft dus niet de noodige maatregelen genomen; een derde klaagt over koorts, een vierde over buikpijn. Allen razen en tieren tegen den machinist, die in de verwarring het beetje verstand verliest, dat hij van de natuur ontvangen heeft. Uit vrees dat de sheikh hem straffen zal, durft hij niet terugkeeren; hij blijft doof voor alle verwijten en raadgevingen, en hamert en vijlt en polijst aan zijne machine, naar ik onderstel, vrij wel in den blinde.

30 November.--Wat zou ik niet geven voor een muilezel! Sedert drie dagen liggen wij stil voor dat ellendige palmboschje! De dagen zijn even vervelend en eentonig als het treurige landschap, dat zich voor onze oogen uitbreidt. De oevers van den Karoen verheffen zich loodrecht uit de rivier: zoo ver men zien kan, strekt zich de effen vlakte uit. Alleen de hier en daar zichtbare sporen van vroegere bevloeiingskanalen getuigen van de aloude vruchtbaarheid der streek. De velden met graan en suikerriet zijn, reeds sedert vele eeuwen, vervangen door een schrale flora van doornestruiken en distels; de tallooze dorpen met hunne welvarende inwoners hebben plaats gemaakt voor zwermen van pelikanen, wilde eenden en kraanvogels, die zich over dag tusschen de struiken verborgen houden, en des morgens en des avonds bij troepen op en langs de rivier neerstrijken. Zelfs is ons het genoegen niet gegund, op onze gevleugelde buren te schieten, want het wemelt in de vlakte van leeuwen en panters; en naar het zeggen van onze equipage, loeren de zwervende Arabieren, die nog meer te vreezen zijn dan het wild gedierte, op iederen reiziger, die onvoorzichtig genoeg zou zijn, zich van zijn boot te verwijderen. De vrees van onze manschappen is niet ongegrond; gedurende den geheelen dag houden de vier toefangtsjis, met repetitiegeweren gewapend, de wacht op den oever en gaan telkens een eind weegs op verkenning uit, ten einde wij niet overvallen zouden worden. Des nachts ankeren wij midden op stroom, om voor verrassingen veilig te zijn. Ik begeef mij dan naar de kleine bedompte hut, en luister naar het gehuil en gejank der jakhalzen en het gebrul van andere wilde dieren, die aan de rivier hunnen dorst komen lesschen.

Inmiddels werkt de machinist maar altijd voort! De toefangtsjis hebben ook niet stil gezeten: zij hebben te zamen een kran bijeengebracht, en dien aan een stokouden derwîsj gegeven, opdat hij voor eene spoedige reparatie zou bidden. Maar het gebed van den ouden derwîsj heeft niet veel uitgewerkt: nu de machine eindelijk klaar en weer opgesteld is, lekt zij als eene zeef! Dit ziende, geeft mijn echtgenoot last, onmiddellijk terug te keeren. Wij zullen ons met den stroom laten afdrijven, want de boot heeft noch riemen, noch zeilen, noch touwen om haar te trekken. Hoe lang de tocht duren zal, kunnen wij zelfs niet gissen, want wij weten volstrekt niet waar wij zijn.

2 December.--Mohammerah! Sedert twee dagen zakten wij, zeurig en traag, den Karoen af, met den vloed verliezende wat wij met de ebbe gewonnen hadden, tot eindelijk de wind opstak, en tegelijkertijd een korenschip ons van achteren kwam opzeilen. Aanstonds werden noodseinen gegeven: men wierp ons een sleeptros toe, dien onze matrozen weer lieten glippen; met wrevel en bitterheid in het hart, zagen wij de blanke zeilen van het schip snel uit ons oog verdwijnen. Nu wordt het vuur weer aangemaakt, en de machine in werking gebracht. Op het gevaar af dat zij zal springen, laat Marcel de veiligheidskleppen belasten; de drukking klimt; de boot spoedt zich voort, en haalt, ademloos van inspanning, het korenschip in, dat in eene kromming der rivier door tegenwind was tegengehouden. Wij worden nu op sleeptouw genomen, en komen met het aanbreken van den dag te Mohammerah.

De boot moet hier blijven, want zij kan onmogelijk den Tigris tot Feliëh opvaren. Wij hebben vooreerst genoeg van een tochtje op den Karoen; wij zullen naar Bassorah en Bagdad gaan, ten einde zoo mogelijk, van daaruit in Susiane door te dringen. Naar Bassorah te gaan schijnt zeer eenvoudig; een roeiboot heeft niet meer dan vier uur noodig om den afstand af te leggen die Mohammerah van Bassorah scheidt. Maar de reizigers en de goederen, die uit Perzië komen, moeten op den turkschen oever eene quarantaine van tien dagen ondergaan, zoo het heet als voorzorgsmaatregel tegen de pest. Het lazaret, waarin de reizigers dan worden opgesloten, bestaat uit eenige strooien hutten op een vochtigen, moerassigen grond. De inrichting en de voeding zijn zoo slecht, dat men groot gevaar loopt, door besmettelijke ziekten te worden aangetast, en er in ieder geval op rekenen kan, de koorts te krijgen en honger te lijden. Deze strenge maatregelen zijn te minder begrijpelijk, omdat sedert vele jaren de pest zich niet in Perzië heeft vertoond, terwijl zij in het vilayet (gouvernement) van Bagdad inheemsch is. Men verzekert ons dan ook, dat de quarantaine volstrekt niet het gevolg is van de teedere bezorgdheid van den sultan en zijne ministers voor de gezondheid zijner onderdanen. Zij heeft eene heel andere oorzaak en is vooral voordeelig voor de turksche ambtenaren, die in tijden van epidemie dubbele bezoldiging ontvangen, en bovendien op de onbeschaamdste wijze de gedwongen gasten afzetten. De voornaamste ambtenaren hebben zich het monopolie van de voeding toegekend; zij ontdoen zich op die manier, tegen hoogen prijs, van onbruikbare en bedorven eetwaren, die niemand zou willen koopen, maar die de ongelukkige verdachten wel moeten nemen, willen zij niet van honger sterven. De lagere beambten vergenoegen zich, met u van tijd tot tijd fooien af te persen, en tegen eene zeer ruime vergoeding de reizigers te laten ontsnappen, die onnoozel genoeg zijn om in de val te loopen, en daarbij rijk genoeg om een losprijs te betalen.--Wij hebben ons dan ook vast voorgenomen, om tot iederen prijs de quarantaine te ontduiken. In eene kleine boot verborgen, zullen wij den Shatt opvaren en, door de nachtelijke duisternis begunstigd het kanaal insluipen dat naar Bassorah voert, welke stad ruim twee farsaks verwijderd is van de haven, waar de schepen stilliggen.

3 December.--De onderneming is gelukt. Doornat en verstijfd zijn wij toch te Bassorah aangekomen. Zorgvuldig verborgen tusschen zakken en manden met dadels, zijn wij den Shatt opgevaren, beurtelings boomende en roeiende, en ons nauwelijks nu en dan veroorlovende een vluchtigen blik te werpen op de prachtige palmboomen langs de oevers, en op de malsche groene landerijen, door talrijke kanalen doorsneden.--Vier uren na ons vertrek van Mohammerah, verlaten wij den rechteroever, steken de rivier dwars over en leggen aan bij een dicht begroeid banaanboschje. Van hier bespeurt men in de verte de masten van verscheidene schepen, die in haven voor anker liggen.--Omstreeks middernacht wordt de tocht hervat; wij varen met de uiterste hehoedzaamheid langs enkele schepen en stevenen eindelijk het kanaal el-Asher binnen.--Nu komt het er op aan, dubbel voorzichtig te zijn; de riemen, die te veel beweging in het water zouden maken, worden binnengehaald, en het schip stillekens voortgeboomd: ongemerkt glijden wij midden door het gezondheidskordon heen!