Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 3

Chapter 3 3,660 words Public domain Markdown

De oostenwind, die nog altijd even fel blaast, jaagt eindelijk de wolken uit elkander: de horizon wordt langzamerhand helder, en de zon schiet bleeke stralen over de wijde vlakte. Eensklaps schemeren minarets door den nevel; straks schitteren de blauw porseleinen tegels der koepels in het zonnelicht; en voor onze verraste blikken onthult zich Tauris, schilderachtig gelegen langs den oever eener rivier. Door de koude voortgedreven, heeft de karavaan meer spoed gemaakt, dan ik had durven verwachten. Reeds kunnen wij duidelijk de brug over de rivier en de eerste huizen der voorstad onderscheiden, toen onze lieden eensklaps stilstaan, een muilezel ontladen, kleine tapijten op den grond uitspreiden, en na zich met het gelaat naar Mekka gewend te hebben, rustig hun gebed beginnen op te zeggen. Deze aanval van godsdienstigheid is mij te onverklaarbaarder, omdat onze vrome muzelmannen tot dusver hunne godsdienstplichten zeer slecht hadden waargenomen. Weldra werd het mij duidelijk waarom de karavaan had moeten ophouden. Bij den opgang der brug stond een derwisj, die, door enkele toehoorders omringd, de heldendaden van Roestem verhaalde. De man maakte een alleszins gunstigen indruk; hij is rijzig van gestalte, zijne gebaren zijn vol majesteit en zijne pantomine is zoo sprekend en duidelijk, dat ook zij, die zijn turksch dialekt niet verstaan, toch zonder moeite den loop van zijn verhaal kunnen volgen. Zulk een voordracht, waarop de stedelingen weinig acht slaan, heeft eene onweerstaanbare aantrekkelijkheid voor de buitenlui; geen hunner, die niet blijft stilstaan, om door deze rondzwervende barden de groote daden te hooren verhalen der helden in hun strijd tegen de booze geesten en de toovenaars. Eindelijk staan de tsjarvadars weer op, en noodigen ons uit, dadelijk weer te paard te stijgen.

Een steenen brug brengt ons aan de overzijde der rivier, waar eene lange laan begint, door moestuinen en boomgaarden omzoomd. De deuren, die toegang geven tot deze tuinen, verdienen wel eene bijzondere vermelding: zij bestaan uit groote rechtopstaande zerken, die op twee harren draaien, in den dorpel en in de bovenpost bevestigd. De sluiting is niet minder merkwaardig: men bereikt het slot door middel van een gat in den steen; een lange houten sleutel dient om de klink op te lichten. Deze zeer primitieve en toch zeer soliede sluiting zou volkomen zijn, als er niet zulk een echt oostersch geduld toe noodig was om het slot te openen. De eigenaar van den tuin moet minstens een kwartier lang zijn sleutel in alle richtingen draaien, eer hij het slot kan openen; het gebeurt zelfs wel, dat hij in het eind zijn geduld verliest, en in vredesnaam maar over den muur klimt.

Talrijke karavanen ontmoeten elkander aan den ingang van Tauris; de voorsteden wemelen van bedelaars, uitgemergelde, afzichtelijke figuren, bij hoopen nevens den weg neergehurkt. Arme, halfnaakte kinderen roepen luid om eene aalmoes en grijpen zelfs met wanhopend gebaar de teugels onzer paarden, om ons eene gave als af te dwingen. Wij geven wat wij kunnen, en rijden dan zoo snel mogelijk voort, om van dit jammerlijk schouwspel bevrijd te geraken. Na een rit van omstreeks een uur door een doolhof van smalle en bochtige straten, komen wij eindelijk aan de armenische of christelijke wijk, in wier midden het fransche consulaat ligt, bewaakt door een troep havelooze soldaten. Daar vinden wij weder tafels, stoelen, bedden, waschkuipen: gedurende eenige dagen zullen wij weder naar europeeschen trant kunnen leven.

14 April.--Na Teheran is Tauris de volkrijkste stad van Perzië; in uitgestrektheid doet zij slechts voor Ispahan onder. Volgens Hamdoella Kaswini, werd de stad in 791 gesticht door de sultane Zobeïde, echtgenoot van den khalief Haroen al-Rashid, ter eere van een geneesheer, die haar van eene gevaarlijke ziekte genezen had. In de tiende eeuw werd Tauris door Soliman belegerd; de stad behaagde den overwinnaar zoo zeer, dat hij ten haren behoeve van zijn soldaten het recht afkocht van driedaagsche plundering, dat op alle met storm genomen steden werd toegepast.

Sedert dien tijd behoorde de hoofdstad van Azerbeïdsjan achtervolgens aan de Abassiden, aan de Seldsjukken, aan de Turken, aan de Perzen, aan de Russen. Bij den vrede van 1828 werd zij door Rusland aan Perzië terug gegeven, dat haar sedert behouden heeft. De stad heeft bij herhaling te lijden gehad van aardbevingen, die in den omtrek van het Araratgebergte gansch niet zeldzaam zijn. In 1726 verloor zij zeventigduizend inwoners, en in 1780 omstreeks veertigduizend. In 1831 werd zij geteisterd door de cholera; en in den laatsten tijd had zij te lijden door de invallen der Kurden, wier verwoestingen een nijpenden hongersnood ten gevolge hadden.

Alvorens de stad te bezoeken, moeten wij onze opwachting maken bij den gouverneur der provincie, wiens taak het in de eerste plaats is, de vreemdelingen te beschermen.

Het bestuur over de provincie Azerbeïdsjan, waarvan Tauris of Tebriz de hoofdstad is, komt van rechtswege toe aan den perzischen kroonprins. De erfgenaam van den troon in Perzië is echter niet altijd de oudste zoon van den Shâh, want het recht van erfopvolging komt uitsluitend toe aan de zonen, geboren uit prinsessen, behoorende tot het geslacht van Kadjar. De oudste zoon van Nasr ed-Din is gesproten uit eene moeder van lage geboorte; wordt aan den regel vastgehouden, dan kan hij, ondanks zijne verstandelijke ontwikkeling en zijne administratieve bekwaamheid, geen aanspraak maken op den troon, niettegenstaande hij zijn jongeren broeder in geestesgaven ver overtreft en zich jegens den staat zeer verdienstelijk heeft gemaakt.

De valyat, de erfgenaam van den troon, is de tweede zoon des konings. Zijn onderwijzer, Mirza Nizam, een gewezen kweekeling van de Polytechnische-school te Parijs, regelde de opvoeding van den jongen prins met verstand en overleg. Hij verloor echter daarbij de nationale eigenaardigheden te veel uit het oog: de mohammedaansche geestelijkheid van Tauris beklaagde zich bij den Shâh, dat de prins, in strijd met de geboden van den Korân, europeesche kleederen droeg. De gouverneur werd ontslagen en de opvoeding van den jongen prins aan andere handen toevertrouwd. De goedhartige, maar zwakke valyat kwam nu geheel onder den invloed van de mollahs en van zijne moeder, eene dweepzieke mohammedaansche. Deze paleisrevolutie heeft hare gevolgen gehad: de prins verloor alle gezag en werd zelfs door zijne bedienden op de meest schaamtelooze wijze bedrogen en bestolen. Eindelijk heeft de Shâh, onderricht van den verwarden toestand, zijn zoon naar Teheran terug geroepen, waar hij zeer afgezonderd leeft, omringd door priesters en derwîsjen. Ten einde de provincie Azerbeïdsjan te zuiveren van de roovers en bandieten, wier aantal onder het zwakke, weifelende bestuur van den valyat buitengewoon was toegenomen, heeft de koning het bestuur over dit gewest voorloopig opgedragen aan zijn oom, die ook de orde in de administratie moet herstellen. De nieuwe gouverneur, die eerst voor ongeveer drie weken is aangekomen, heeft reeds menige bastonnade laten toedienen; verscheidene handen, en ook hoofden laten af houwen; onze tsjarvadars verzekerden ons dan ook, dat het weder veilig begon te worden in het land, dat nog onlangs zoo hoogst onveilig en gevaarlijk te bereizen was, en ook in de stad zelve, waar elken nacht ettelijke moorden werden gepleegd.

Onze consul, de heer Bernay, volkomen vertrouwd met de regelen der perzische étiquette, heeft Zijne Excellentie kennis gegeven van onze aankomst te Tauris, en overeenkomstig het perzisch gebruik, laten vragen, op welken dag en welk uur hij met mijn echtgenoot aan het paleis zou mogen verschijnen. De gewoonte brengt mede, dat aan de bezoekers een collation wordt aangeboden, overeenkomstig hun rang: van daar dat het noodig is, eenigen tijd vooruit dag en uur der receptie te bepalen. Ook de Europeanen houden zich aan dezen regel.

Na het advies te hebben ingewonnen van zijn waarzegger en den officieelen kalender der goede en kwade dagen te hebben geraadpleegd, zond de gouverneur een zeer beleefd antwoord op het verzoek van den consul.

Na het ontbijt stegen alzoo de consul en mijn echtgenoot te paard, om zich naar het paleis te begeven, voorafgegaan door een talrijken drom van soldaten met geweren en bedienden met stokken gewapend, die voor den stoet een weg moesten banen door de nauwe en drukke straten van den bazar.--De gouverneur was zeer vriendelijk; op het collation, hoofdzakelijk uit zeer gesuikerde gebakjes bestaande, volgde koffie en thee, die door een aantal bedienden werden gepresenteerd; daarop gingen de brandende kalyans van hand tot hand, te beginnen bij den gouverneur en zijne omgeving, om te eindigen bij de schare, die voor de deuren en vensters van de zaal stond saamgedrongen om getuige te zijn van de receptie.

Bij de voorname staatsambtenaren is de _biroen_ of het vertrek voor de mannen geheel gescheiden van de _anderoen_, die bepaaldelijk voor de vrouwen is bestemd; het eerstgenoemde gedeelte der woning is in zekeren zin publiek domein en staat voor iedereen open. De armste schooier treedt zonder schroom of aarzeling het paleis van den gouverneur eener provincie binnen; hij verschijnt in het voorhuis, groet de aanwezigen, gaat op zijn hurken zitten na zijne knieën met de panden van zijn kleed bedekt te hebben, vouwt de handen samen, zwijgt of praat al naar de gelegenheid zich voordoet, gebruikt thee of koffie wanneer die hem wordt aangeboden, en gaat weer heen, zonder dat iemand er aan denkt, hem te ondervragen. Het publiek stroomt dan ook regelmatig naar de binnenplaatsen der paleizen, overtuigd dat het daar steeds iets vinden zal, zijner aandacht en belangstelling waardig. Nu eens zijn het de laatste geurige rookwolken uit een kalyan, die ook de meest havelooze straatjongen vrijelijk mag inademen; dan weder wordt er een kop koffie buit gemaakt, of kan men de bastonnade zien toedienen, zoowel aan den onhandigen dief, die gisteren in den bazar op heeter daad werd betrapt, als aan den generaal, dien men een paar dagen later de parade zal zien kommandeeren. Dan zijn er nog bijzondere plechtigheden: het uitdeelen der geschenken van den Noe-roez (nieuwjaarsdag); de receptie van een aanzienlijken Farangui (Frank, Europeaan); het afsnijden van den neus en de ooren van een of anderen bandiet, die met de wapens in de hand werd gegrepen. Het bijwonen van eene terechtstelling is een feest voor den Oosterling;--trouwens in het Westen toont het publiek zich van een dergelijk schouwspel evenmin afkeerig.

Ieder aanzienlijke is hier steeds omringd door een talrijken drom van lieden, die misschien het best met de cliënten der romeinsche patriciërs kunnen vergeleken worden. Dit maakt dat ook de hoogst geplaatsten zeer gemakkelijk te naderen zijn: zonder eenige formaliteit wordt men bij de gouverneurs en ministers toegelaten. Zelfs de koning is volstrekt niet ongenaakbaar: bijna iedereen kan bij hem recht of bescherming komen vragen, hem zijne hulde aanbieden, en uit zijn mond woorden der wijsheid opvangen. Deze gemakkelijke omgang met beschaafde en welopgevoede, of door 's konings gunst tot hoogen rang verheven mannen draagt er niet weinig toe bij, om zelfs aan lieden uit de geringe klasse die gemakkelijkheid van manieren, dien beschaafden toon, die natuurlijke waardigheid en distinctie te geven, die niet kan nalaten de verwondering van Westerlingen op te wekken, en waardoor de lagere standen in het Oosten zich zoo gunstig onderscheiden van de heffe des volks in onze zoogenoemd meer beschaafde landen. Dank zij deze deels aangeboren, deels aangeleerde distinctie, zijn de Perzen in den omgang alleraangenaamst en zoo voorkomend mogelijk.... totdat ge iets met hen te verhandelen hebt, waarbij hun eigenbelang betrokken is. Dan vertoont zich eensklaps hun bedriegelijke sluwe aard, hunne gierige winzucht; dan verandert de gentleman van zoo even in een inhaligen, listigen, schacherenden koopman, en voelt ge uwe achting en genegenheid voor hen nog sneller bekoelen, dan zij die door hun beminnelijkheid en geestig vernuft hadden verworven.

IV

16 April.--Wij hebben heden een bezoek afgelegd bij de weinige Europeanen, die door het noodlot gedwongen zijn, in Tauris verblijf te houden.

Indien men in Perzië, even als in Amerika, tentoonstellingen hield van zwaarlijvige lieden, dan zou buiten eenigen twijfel de eerste prijs met algemeene stemmen worden toegekend aan den turkschen consul. Zelden zag ik zulk een wandelende vetklomp in menschelijke gedaante. Zijne buitengewone corpulentie verhindert den effendi, op oostersche manier, dat wil zeggen met de beenen onder het lijf gevouwen, op kussens neergehurkt, te eten. Wordt hij ergens ter maaltijd genoodigd, dan zendt hij vooraf eene diep uitgeholde tafel, waaraan hij zich neerzet, en waarin zijn majestueuse buik juist past. Spotvogels beweren dat er tot dusver nog geen paard is gevonden, dat hem zonder rusten naar eene aangewezen plaats dragen kan; anderen houden staande, dat Zijne Excellentie zich van tijd tot tijd voor een grooten spiegel plaatst, om zich te vergewissen dat hij zijne voeten, die hij sinds lang uit het oog heeft verloren, nog bezit.

In het vorige jaar was diezelfde consul de held van een schitterend avontuur, waarmede men zich nog in de bazars van Tauris vermaakt. Hij had zich naar Constantinopel willen begeven, en wel over Trebizonde, welke weg in den winter gemakkelijker is dan die over den Kaukasus. Vergeefs hadden zijne collega's getracht, hem van dit voornemen terug te brengen, en hem gewezen op de gevaren van eene reis door Kurdistan.

"De Kurden, had hij geantwoord, zijn turksche onderdanen en zullen zich wel wachten, de hand te slaan aan den vertegenwoordiger van den beheerscher der geloovigen."

De dappere consul, die zich door geene dreigende gevaren wou laten terughouden, vertrok, gevolgd door een veertigtal welgewapende bedienden, op prachtige paarden gezeten, die voor de dienst van het serail waren bestemd. Nauwelijks had het reisgezelschap de perzische grenzen overschreden, of de kleine karavaan werd door een dozijn bandieten overvallen; aan weerstand werd niet gedacht, en de Kurden maakten zich meester van de paarden en bagages, de wapenen en de kleederen der reizigers, die zij van alles beroofden. Maar toen zij op het punt stonden, Zijne Excellencie van zijn laatste kleedingstuk te ontdoen, schrikten zij zoo van de onmetelijke massa, die zich aan hunne blikken vertoonde, dat zij zich haastig uit de voeten maakten....... De effendi hield zich goed.

"Ik had het wel aan mijne collega's gezegd, zoo sprak hij, dat de majesteit van den vertegenwoordiger van den Padishah ook de stoutmoedigsten zou verschrikken en op de vlucht drijven."

Wij maakten ook onze opwachting aan de consuls van Rusland en Engeland. De echtgenoote van dezen laatste gewaagt met veel geestdrift van de bekoorlijkheden, die het leven te Tauris voor eene europeesche dame oplevert. In het bekrompen armenische kwartier opgesloten, kan zij zich met ongesluierd gelaat niet in de muzelmansche stad vertoonen, zonder aanstonds door eene nieuwsgierige menigte omringd te worden, die haar met verbaasde blikken aangaapt. Het eenige middel om niet opgemerkt te worden en ongehinderd te komen en te gaan, is het aannemen van de oostersche, mohammedaansche kleederdracht: maar eene europeesche vrouw kan daartoe niet licht besluiten.

17 April.--De stad heeft weinig oude monumenten, maar die weinigen zijn ten volle de aandacht waard. Het allermerkwaardigste van deze monumenten is buiten kijf de Blauwe moskee, in de vijftiende eeuw gebouwd, onder de regeering van Djehan-Shâh uit de mongoolsche dynastie, die van 1393 tot 1505 over Perzië heerschte.

Dit schoone gebouw verdient wel de bewondering, waarmede de Perzen daarvan spreken, niet alleen om de algemeene ordonnantie en de indrukwekkende majesteit van den voorgevel, maar vooral ook om de smaakvolle sierlijkheid der vormen, en de heerlijke bekleeding met een prachtig mozaïek van fijne gekleurde porseleinen tegels. Ongelukkig zijn de koepels, ten gevolge van eene aarbeving, bijna geheel ingestort, in hun val de gespleten muren mede slepende en de binnenplaatsen met hoopen puin en scherven bedekkende. De inwoners van Tauris hebben ongehinderd van deze kostbare materialen gebruik gemaakt voor den bouw hunner woningen. Niemand deed iets om dit vernielingswerk te stuiten, want de moskee was door de Sonniten gebouwd, en de sjîitische Perzen zagen met vreugde den ondergang van een heiligdom, dat hen aan de heerschappij der gehate ketters herinnerde. Trouwens de haat tusschen deze beide groote afdeelingen der muzelmansche wereld is wederkeerig. "Het is verdienstelijker één sjîitischen Pers, dan zeventig Christenen te dooden," zeggen van hun kant de orthodoxe sonnitische ulema's.

Voor de moskee bevond zich een ruim voorplein, door zuilengangen omringd, en in het midden versierd met eene fontein voor de voorgeschreven wasschingen. Van dit alles is tegenwoordig niets meer over; de ruimte van den voormaligen voorhof is door huizen bezet, en langs den voet der trappen, die naar de hoofdpoort geleidden, loopt een karavanenweg. Op het verhoogde terras verrijst een groote boog, omlijst door een breeden band van blauw porseleinen tegels.

De binnenzijden van deze portiek prijken met heerlijke mozaïeken van porselein, zoo zuiver bewerkt en zoo uitnemend saamgevoegd, dat zij één groote tegel of plaat schijnen te zijn. Het mozaïek verbeeldt kransen en bloemslingers en wijkt ten eenemale af van de ingewikkelde geometrische figuren, die zoo kenmerkend zijn voor de seldsjuksche en mongoolsche kunst. Verwonderlijk is ook de harmonie tusschen de licht-blauwe, donker-groene, bruin-gele en zwarte tinten der teekening en het donker-blauw van den grond, waarvan zij de eentonigheid breken, zonder daardoor schade te doen aan dien eigenaardigen kleurengloed, waaraan de moskee haar naam van de blauwe dankt.

Eene vrij lage deur, in den binnengevel van de portiek aangebracht, geeft toegang tot het bedehuis, bestaande uit twee ruime zalen, weleer met koepels gedekt en door galerijen omringd. De eerste is versierd met mozaïeken van verschillende kleur, die door hun stijl aan de mozaïeken van de poort herinneren. De tweede zaal, waarin zich de mihrab bevindt, is bekleed met blauw porseleinen platen, in den vorm van kleine zeshoeken. Het donkerblauw email, met gouden arabesken bezaaid, komt heerlijk uit tegen het ivoorblank der lambrizeringen van geaderd agaat, aan den bovenrand versierd met eene groote inscriptie in arabische letters, doorvlochten met fijne kransen van bloemen en bladeren. Deze prachtige platen van agaatsteen, uit de steengroeven nabij het meer Oermiah afkomstig, zijn nog heden ten dage volkomen gaaf, dank zij hun buitengewone hardheid en hun gewicht, waardoor zij tegen moedwillige schennis werden beveiligd.

Dit gedeelte van het gebouw maakt, niettegenstaande de rijke pracht der versiering, een ernstigen en statigen indruk, geheel passende bij de verheven bestemming van het heiligdom.

Rondom de moskee strekt zich, tot aan den buitenmuur, eene sonnitische begraafplaats uit, die reeds sedert lang verlaten werd.

18 April.--Wij hebben gisteren het middagmaal gebruikt met den kanselier van het fransche consulaat, den heer Audibert, en zeer gaarne van zijn vriendelijk aanbod gebruik gemaakt om ons door de bazars en de voorsteden rond te leiden; heden morgen komt hij ons afhalen om ons naar de citadel te brengen.

Dit zware, massieve gebouw, vijf-en-twintig ellen hoog, dat bij het naderen van Tauris reeds van verre in het oog valt, verrijst in het midden van eene ruime esplanade, omgeven door een veelhoekigen wal, met torens en bolwerken voorzien en door breede en diepe grachten omringd, die tegenwoordig half met puin gevuld zijn. De citadel zelve is niet veel meer dan eene ruïne; rondom den steenen reus groepeeren zich militaire gebouwen uit later tijd, zooals eene kazerne voor het garnizoen van Tauris en eene geschutgieterij, waarin niet gewerkt wordt. Het platte dak, dat men langs een bouwvallige trap bereikt, is overdekt door twee loggia's, bestemd voor de wachters, die bij het uitbreken van brand alarm moeten maken.

Van deze hoogte heeft men een zeer schoon uitzicht. De reeds groene velden strekken zich uit, zoover de blik reikt, tot aan de eerste uitloopers der hooge, met sneeuw bedekte bergen; aan onze voeten schuilen de leemen woningen der stad weg onder de witte en rooskleurige bloesems der vruchtboomen; slechts de koepels der bazars, der karavanseraïs en moskeeën steken boven het wazige jonge groen uit. In de verte bespeur ik een uitgestrekten tumulus, door een paar dorpjes omgeven. De kanselier verhaalde mij, dat dit de ruïne was van de moskee van Gazan-Khan, die midden in het oude Tauris stond. Sedert zeshonderd jaar heeft de stad zich meer dan twaalf kilometers verder verplaatst; voortdurend nadert zij steeds dichter tot de rivier.

Het schromelijk verval der half verlaten voorsteden, de tumuli, de verlaten kerkhoven, zijn als het ware zoovele mijlpalen, die de opvolgende verplaatsing van Tauris aanwijzen.

Deze opschuivingen zijn eene eigenaardigheid van vele oostersche steden en een noodzakelijk gevolg van de zeden des lands: de wet, die de vrouwen verbiedt, zich ongesluierd in het openbaar te vertoonen en haar ook tehuis een afzonderlijk verblijf aanwijst, noodzaakt de muzelmannen tot het bouwen van zeer uitgestrekte woningen, waarvan de kamers op ruime binnenplaatsen uitkomen, en binnen wier omwalling men dikwijls ook nog groote tuinen vindt, waar de vrouwen en dochters ongestoord kunnen wandelen en de versche lucht inademen. Daar dit alles zeer veel ruimte eischt, blijft er voor de eigenlijke woning niet veel over: zij bevat dan ook doorgaans niet meer kamers dan voor één huisgezin volstrekt noodig zijn. Niets is meer onbestaanbaar met de oostersche zeden dan onze moderne kazernen van vier, vijf verdiepingen, waarin een aantal gezinnen naast elkander ingekwartierd zijn: wonen, kan men dit samenhokken ter nauwernood meer noemen. Hier woont ieder, bijna zelfs de armste, in zijn eigen huis. Als de zonen van het gezin huwen, verlaten zij de ouderlijke woning en laten zich een nieuw huis bouwen, veelal in eene nieuwerwetsche wijk; bij den dood der ouders verhuren zij, als zij kunnen, het oude huis; gelukt dit niet, dan wordt het houtwerk weggenomen, zoodat alleen de leemen muren overblijven, die, aan hun lot overgelaten, weldra ineenzakken en wegbrokkelen. Langzamerhand worden de aldus verlaten wijken weer tot bouwland gemaakt, terwijl nieuwe voorsteden de plaats innemen van vroegere akkers en tuinen.

Op onzen terugweg naar het consulaat komen wij langs een aantal ijskelders, waar gedurende het koude jaargetijde het ijs verzameld en bewaard wordt, dat 's zomers in de bazars te koop wordt geboden.

Om het noodige ijs te verkrijgen, wendt men een zeer eenvoudig en goedkoop middel aan. Des avonds leidt men het water van eene naburige beek naar een op het noorden gelegen vijver, die door een leemen muur tegen den zuidenwind gedekt is. Dat water bevriest des nachts; 's morgens wordt het ijs stuk geslagen en naar overwelfde kelders gebracht, waar het tot het einde van den zomer goed blijft. Hoewel dit ijs zeer goedkoop is, brengt iedere kelder aan den eigenaar jaarlijks tusschen de honderd en honderd-twintig tomans op (een toman staat ongeveer gelijk met negen en een halve franc.)