Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 29
De valk is gulzig, maar hij mist volharding. Overkomt het hem eenige malen achtereen, dat hij zijne prooi niet gewaar wordt of dat zij hem ontsnapt, dan keert hij in zeer onvriendelijke gemoedsstemming naar zijn meester terug, en blijft doof voor alle vermaningen en aansporingen. De uitkomst van de jacht hangt dus meestal af van de behendigheid, waarmede den valk de kap wordt afgenomen, en de vlugheid, waarmede hij losgelaten wordt.
Doch ook de sterkste, de best gedresseerde, de best bestuurde giervalk is nog niet altijd overwinnaar. De oude trapganzen, uitgeleerd in krijgslisten, maken hem dikwijls te schande. Wanneer zij te vergeefs beproefd hebben, den vijand onder zich te krijgen, veinzen zij soms eensklaps groote vermoeidheid, laten zich op haar vleugels drijven en bespieden het oogenblik, waarop de vijand, meenende dat zij geen weerstand kunnen bieden, zich op haar gaat werpen. Dan, plotseling eene wending makende, spuiten zij hem een straal drek tegen den kop, die hem verblindt en zoo van zijn stuk brengt, dat hij zich als een steen op den grond laat vallen. Gebeurt dit, dan moet de valkenier den vogel zoo spoedig mogelijk met de spons reinigen en hem naar huis brengen, want na zulk een ongeval wil hij dien dag niet meer den strijd aanbinden.
Men gebruikt den valk niet alleen om vogels of hazen te vangen; de grootere giervalken worden ook bij de jacht op groot wild, met name op de gazellen, gebezigd. De ruiters zetten eerst het wild na met zeer vlugge hazewinden, onder den naam van _tazi_ bekend; beginnen de honden vermoeid te raken, dan ontkapt de valkenier zijn vogel. De valk schiet als een bliksemstraal neder op den kop der gazelle en pikt haar de oogen uit, zoodat zij den jagers in handen valt.
Boeshir, 16 November.--De vlakte van Goerek is van de zee gescheiden door duinen van los stuifzand, waarin onze ongelukkige paarden en muilezels schier tot de knieën wegzinken. Heeft men die duinen achter den rug, dan komt men aan een uitgestrekt moeras, dat met de grootste moeite moet doorwaad worden. Maar Boeshir rijst voor onze oogen uit de golven op, en dit gezicht geeft ons nieuwen moed.
Boven een met torens voorzienen muur vertoonen zich huizen van eenige verdiepingen en gekroond met eigenaardige toestellen, ik mag wel zeggen torens, bestemd om den wind op te vangen. Deze eigenaardige bouwtrant, in harmonie met het klimaat en de grondgesteldheid van de zuidkust van Perzië, geeft aan de stad een voorkomen, geheel afwijkende van dat der steden in het binnenland. Boeshir, tusschen de zee en lage moerassige gronden gelegen, is natuurlijk vochtig en ongezond. De inwoners bezigen dus de benedenverdieping hunner huizen als kelder, en gebruiken alleen de bovenkamers en vertrekken, die aan alle vier zijden groote openslaande vensters hebben. Om zooveel mogelijk de vochtige en zware lucht, die de hitte letterlijk ondragelijk maakt, buiten te sluiten, opent men alleen de vensters aan den kant van waar de wind komt.
Eer wij de stad zelve binnen gaan, rijden wij langs de haven, die ondiep is en waarin wij slechts hier en daar enkele visschersschuiten zien liggen. Nabij de poort der stad liggen op het strand vier booten, of liever vier onttakelde kielen zonder zeilen of tuigage. Brengt hun uw eerbiedigen groet: dit toch is de koninklijke vloot van Perzië, die hier sedert jaren ligt te rotten op het strand van Boeshir. Na een blik geworpen te hebben op deze eerwaardige overblijfselen eener marine, die nimmer de zeeën met haar glorie heeft vervuld, begeven wij ons rechtstreeks naar het paleis van den gouverneur Mirza Mohammed Moestafi Nizam, die zeer bevriend is met dokter Tolozan en aan wien wij dus zoo spoedig mogelijk onze introductiebrieven wenschen ter hand te stellen. Gedurende ons bezoek bij den hakem, zochten de gerechtsdienaars een onbewoond huis op en lieten onze bagage daarheen overbrengen; weldra gingen wij ook zelven bezit nemen van onze nieuwe woning.
Aan ruimte ontbreekt het ons niet: een geheel regiment zou in ons huis plaats kunnen vinden. Van het terras overziet men de stad, de vlakte van Goerek, de zee, en geheel aan den horizon, de schemerende masten van twee engelsche schepen. In werkelijkheid is er te Boeshir noch eene reede, noch eene haven; de stoombooten van grootere afmetingen kunnen voor de stad niet ankeren, maar moeten het anker uitwerpen op een afstand, dien de inlandsche zeil- of roeibooten in geen twee uren kunnen afleggen. Wanneer de wind tegen is, zijn de schepen dikwijls genoodzaakt zee te kiezen, zonder hunne lading geheel te kunnen innemen. De kustvaarders met een diepgang van drie of vier voet zouden zich in de kreek, die tot haven dient, kunnen wagen; maar daar er geen boeien zijn, zouden zij gevaar loopen bij harden wind uit het noordwesten op het strand geworpen te worden.
Naar de gouverneur mij mededeelde, zou de Shâh Zadeh Zelleh Sultan het voornemen hebben opgevat, om te Boeshir een hoofd en eene kaai te laten maken, waar kleinere vaartuigen zouden kunnen aanleggen, maar uit vrees, de achterdocht van den koning, zijn vader, op te wekken, heeft hij vooreerst daarvan afgezien. Ik vrees, dat er van de geheele zaak niets komen zal: en toch is Boeshir de eenige haven, waardoor Perzië in geregelde gemeenschap met Europa zou kunnen treden.
19 November.--Aanvankelijk verkeerden wij in groote ongerustheid over onze bagage, die wij te Shîraz hebben achtergelaten en die reeds lang hier had moeten zijn. De gouverneur heeft de vriendelijkheid gehad, voor ons een onderzoek in te stellen: daaruit is gebleken dat het vertrek der karavaan was vertraagd, omdat Çahabi-Divan, de ons welbekende hakem van Shîraz, beslag had gelegd op alle paarden der provincie, ten behoeve van zijne reis naar het gebergte, waar hij van de koorts genezen moet. De karavaan is thans echter vertrokken en weldra zullen wij in het bezit zijn van onze bagage.
Daardoor gerustgesteld konden wij met des te meer smaak aanzitten aan het prachtige, geheel naar europeesche wijze bereide diner, waarop de gouverneur ons genoodigd had en waaraan wij alle eer bewezen. Van tafel opgestaan, begaven wij ons naar den salon: de avonden zijn in dit jaargetijde te Boeshir te koud en te vochtig, om ze op de terrassen of platte daken te kunnen doorbrengen. Het gesprek liep voornamelijk over Frankrijk en over Parijs, waar de hakem eenigen tijd had gewoond en waarvan hij de aangenaamste herinneringen had medegebracht.
Toen wij ons gereed maakten te vertrekken, werd een telegram binnengebracht, dat van Teheran kwam en alleen deze woorden bevatte: "God heeft den çpâhcâlâr tot zich geroepen."
De eeretitel van çpâhcâlâr, overeenkomende met dien van generalissimus der perzische legers, werd gevoerd door den voorlaatsten minister van staat, een van de voornaamste en krachtigste figuren aan het hof van Nasr ed-din. De onverwachte dood van dezen man maakte te meer indruk omdat de overledene, die van zeer geringe afkomst was, jaren lang een schier onbeperkt gezag had uitgeoefend.
Zoon van een badstoofhouder te Kazbin, verliet Hoesein-Khan reeds zeer vroeg de ouderlijke woning, en kreeg, in zeer ondergeschikte betrekking, eene aanstelling bij de hofhouding van den Shah. Dank zij zijn vlugheid van begrip, zijn helder verstand en overleg, wist hij zich al spoedig meer op den voorgrond te dringen en allengs de aandacht van den koning te trekken, bij wien hij zich zoo aangenaam wist te maken dat hij eerst tot minister van buitenlandsche zaken en eindelijk tot eersten minister werd benoemd.
De goede en aangename verstandhouding, waarin hij met de diplomatieke agenten stond, de sympathie die hij zich had weten te verwerven door te breken met den traditioneelen eindeloozen sleur en het eeuwig uitstellen van de oostersche politiek, bewogen den Shâh zijn eersten minister mede te nemen op zijne reis naar Europa en hem zijn vol vertrouwen te schenken. Gedurende die reis gebeurde er evenwel iets van groot gewicht aan het hof te Teheran. Eene zuster van den monarch, weduwe van den emir Nizam, trad in het huwelijk met Ya-Ya-Khan, den broeder van den çpâhcâlâr. Naar het schijnt, was de koning met deze echtverbindtenis ontevreden: althans van dat oogenblik af leende hij het oor aan de beschuldigingen en aanklachten, die zijne talrijke vijanden en benijders niet verzuimden tegen den almachtigen minister in te brengen.
Bij de troonsbeklimming van keizer Alexander III scheen de Shah zijne grieven tegen zijn dienaar vergeten te hebben, en droeg hij hem eene bijzondere zending op, om den nieuwen souverein te gaan gelukwenschen. De gezant moest tevens den Tsaar een degen ter hand stellen, waarvan de schede met smaragden was versierd; en aan de Tsarine een turkoois, waarvan de waarde op twintigduizend francs werd geschat. Hosein-Khan vroeg geen toelage of vergoeding; hij nam alle kosten voor zijne rekening; begaf zich met een talrijk gevolg naar Rusland, vertegenwoordigde op waardige wijze zijn meester, en keerde naar Perzië terug, in de stellige verwachting dat de Shâh hem nu weder in gunst zou aannemen.
Nog geen drie dagen waren sedert zijne aankomst te Teheran verloopen, of hij werd tot gouverneur van Khorassan benoemd en ontving den last om naar Meshed te vertrekken, vijf-en-twintig dagreizen van de hoofdstad verwijderd. Hoewel deze betrekking, eene der aanzienlijkste des rijks, in den regel aan een prins van den bloede wordt gegeven, begreep de çpâhcâlâr de bedoeling des konings: hij wist dat zijne benoeming met eene verbanning gelijk stond. Hopende nog de gunst van den Shâh te kunnen herwinnen, bood hij, naar men zegt, den monarch een millioen krans aan, indien het hem vergund werd te Teheran te blijven. Tot antwoord ontving hij het bevel, zich naar zijn post te begeven en binnen vier dagen de hoofdstad te verlaten. Naar het schijnt, heeft hij zijne ongenade niet kunnen verkroppen, en heeft het verdriet den reeds door rusteloozen arbeid en buitensporig genot verzwakten en uitgeputten man gedood.
Zooveel is zeker, dat zijn dood een diepen indruk maakt. Hosein-Khan had werkelijk groote diensten aan Perzië bewezen, zoowel door het aanknoopen van meer rechtstreeksche betrekkingen met Europa, als door het bevestigen en versterken van de innerlijke eenheid des rijks.
XXXII
19 November. De gezondheidstoestand te Boeshir laat veel te wenschen over: dit is trouwens geen wonder, want nog nimmer zag ik eene zoo verregaand onzindelijke stad. Dat pleinen tevens tot begraafplaats dienende, waar de lijken maar even onder den grond worden gestopt, nu niet juist een bloemengeur verspreiden, evenmin als straten opgevuld met onreinheden van allerlei aard, met krengen van dieren en rottende visschen, en doorsneden van open riolen tot afvoer van faecaliën:--nu dat is eene kleinigheid, die aan bijna alle oostersche steden eigen is; maar hier is de toestand nog vrij wat erger. Van de huizen worden alleen de bovenverdiepingen bewoond, en daar afvoerpijpen en buizen hier onbekend zijn, werpen de bewoners alle denkbare onreinheden, door middel van houten goten, naar buiten, zoo het heet naar het open riool in het midden der straat. Hoe ge u ook in acht neemt, ge moogt van geluk spreken, indien ge aan de volle laag ontsnapt en alleen maar bespat wordt door het vuil, dat op den grond uitvloeit. Boeshir is het overigens niet waard, dat ge u de moeite zoudt geven hare straten te betreden. De stad is van jonge dagteekening en bezit geen enkel monument dat aandacht verdient-, hare bazars echter zijn bijzonder levendig. Met groote voorzichtigheid en veel overleg kan men inderdaad sommige straten met een rijtuig berijden. Op een stevig gebouwde dogcart gezeten, zijn wij door Boeshir gereden, om den heer en mevrouw Ross een bezoek te brengen op hun buitenverblijf te Çabs Abad.
Wij reden aanvankelijk langs eene zandige en volstrekt kale kust. Op acht of tien kilometers afstands van de stad, zijn eenige kooplieden er met veel moeite in geslaagd, midden in de naakte zandduinen, armoedige ongelukkige tuintjes aan te leggen, te midden waarvan de zomerresidentie van den engelschen consul staat. Eenige beklagenswaardige boompjes in bakken, het uitzicht op de zee, en bovenal het comfort van een goed ingericht huis, moeten den consul-generaal vergoeden wat zijn winterresidentie treurigs en onaangenaams heeft.
Hoezeer wij getroffen waren door de hartelijke ontvangst van kolonel Ross en zijne echtgenoote, hebben wij toch de uitnoodiging om eenige dagen te Çabs Abad door te brengen moeten afslaan. De djeloedar van de karavaan is aangekomen; morgen zullen wij in het bezit zijn van onze bagage; de stoomboot, die in geregelde dienst tusschen Bombay en Bassorah vaart, wordt elk oogenblik verwacht: wij moeten ons dus voor de inscheping gereed maken.
21 November. Gister avond heeft de stoomsloep van het engelsche consulaat ons aan boord van de _Pendjab_ gebracht. Deze boot, voor het vervoeren van Oosterlingen bestemd, mist het comfortable, dat men anders, bij zoo hoogen vrachtprijs, recht zou hebben te verlangen. In den loop van den nacht is een vrij hevige storm opgestoken; de _Pendjab_ heeft hare volle lading niet kunnen innemen, en omstreeks twee uren in den morgen het anker gelicht.
Bij het aanbreken van den dag heb ik mij naar het dek begeven. Wij voeren nog steeds langs de vlakke, lage, zandige kust van Perzië, ten eenemale ontbloot van elk spoor van plantengroei en vaalgeel van kleur.
Omstreeks acht uren in den morgen stoomen wij een wijden riviermond, zoo breed als een zeearm, binnen: dat is de Shatt-el-Arab, gevormd door de samenvloeiing van den Tigris en den Euphraat; de oevers zijn zandig en vreeselijk eentonig. Een half uur later stoomt de boot met volle vaart gelukkig over een bank of drempel, die voor vaartuigen van meer dan achttien voet diepgang altijd gevaarlijk is. Voorbij die bank, beginnen de oevers meer tot elkander te naderen; en hoewel de rivier nog eene breedte heeft van meer dan zes kilometers, bespeurt men toch langs de zoomen eenigen plantengroei; dan vertoonen zich dwergachtige palmen, door den zeewind gekromd; straks groeien de eenzame boomen aan tot groepen, dan, naarmate wij dieper landwaarts indringen, tot geheele bosschen van palmen. Overigens geene enkele woning, nergens een spoor van de tegenwoordigheid des menschen. Men zou kunnen meenen dat de Shatt-el-Arab midden door eene woestijn stroomde, indien zich niet op de rivier talrijke booten bewogen, die zich in de vele besproeiingskanalen verliezen. De roeiers zijn gewapend met riemen, in grootte en vorm vrij wel met een soeplepel overeenkomend; bij wijze van zeil gebruiken zij hun mantel, dien zij aan een stok uitspannen.
Omstreeks een uur later varen wij langs een groot versterkt vlek, aan de uitmonding van den Karoen. Mohammerah, zoo heet dit stedeke, werd in 1856 door de Engelschen genomen, en vervolgens bij de regeling der grenzen tusschen Turkije en Perzië, aan dat laatste rijk teruggegeven. De ontmantelde aarden wallen vertoonen nog de sporen der engelsche bommen.
Een eind voorbij Mohammerah liet de gezagvoerder van de _Pendjab_, op ons verzoek, eene boot uitzetten, die ons naar het armoedige dorp Feliëh bracht, waar een sheikh woont, voor wien Çahabi-Divan ons bijzonder dringende aanbevelingsbrieven heeft mede gegeven. Op onze vraag of hier eene karavanserai was, bracht men ons rechtstreeks naar de woning van den sheikh.
Reeds dadelijk bij het binnentreden krijgt men den indruk van gastvrijheid: rondom eene reusachtige koffiekan, op de heete asch geplaatst, zitten en liggen zeelieden, soldaten en toefangtsjis; elke vreemdeling, die den drempel overschrijdt, ontvangt uit handen van een opzettelijk daartoe gestelden bediende, eene kop koffie. Al deze lieden onderscheiden zich door hun voorkomen, hunne kleeding en hunne taal van de Perzen: aan hunne lange gandoerah, hunne abba, aan hun hoofddoek met een dik koord van kemelshair omwonden, herkent men in hen onmiddellijk Arabieren van Hedjaz.
Uit dit voorhuis, dat altijd vol menschen is, komen wij op eene groote ruime binnenplaats, omringd door lage gebouwen uit aarde en palmtakken opgetrokken. Rechts zijn twintig of dertig bedienden bezig met het schoonmaken van groenten, het bereiden van vleesch en het koken van spijzen in acht reusachtige ketels, waardige genooten van de koffiekan. Trouwens, wanneer de arabische opperhoofden die onder eene galerij hunne pijp rooken, de derwisjen die te midden van een troep welgewapende soldaten staan te redeneeren, de slapers die in alle hoeken op den grond zijn uitgestrekt,--wanneer al deze lieden gevoed moeten worden, dan zullen de acht ketels nauwelijks voldoende zijn.
Een oude intendant brengt ons naar eene zeer zindelijke kamer.--"Zoodra de sheikh van de jacht zal zijn teruggekeerd, zal ik hem mededeelen dat Allah hem gasten gezonden heeft, zegt hij, gereed om heen te gaan.
--Is de sheikh dan niet krank? Is dan deze brief van den gouverneur niet aan hem gericht?
--Mijn arme meester is niet meer. Voor omstreeks veertien dagen heeft Allah hem tot zich geroepen; maar zijn zoon Moses zal ongetwijfeld handelen overeenkomstig hetgeen van zijn vader werd verwacht."
Tegen zonsondergang komt het gansche huis in rep en roer: uit alle vertrekken komen haastig bedienden toeloopen. Derwisjen, toefangtsjis, soldaten, zeelieden, zij allen sluiten zich bij de bedienden aan, spoeden zich naar den ingang en scharen zich in twee rijen, om den heer des huizes te ontvangen. Een man in de kracht des levens, met een streng gebiedend voorkomen, treedt binnen; hij wordt gevolgd door een jonkman van zeventien of achttien jaren, wiens fijn besneden gelaatstrekken zijn arabisch bloed verraden; beiden dragen lange zwarte gewaden, benevens abbas (mantels) en tulbanden van dezelfde kleur, zonder eenig sieraad hoegenaamd. Dit is sheikh Moses en zijn jongste broeder, beiden in zwaren rouw over hun vader. Achter hem volgt een zeer schoone knaap, die met de zorg voor de kalyan (pijp) is belast.
Alvorens zich naar zijne vertrekken te begeven, richt de sheikh zijne schreden naar de kamer waar wij ons bevinden. Na wisseling van de gebruikelijke beleefdheden, neemt hij den brief, waarin Çahabi Divan hem, of eigenlijk zijn vader, verzoekt, mijn echtgenoot te helpen om naar Susiane te kunnen gaan. Hij deelt ons daarop mede, dat hij zoo gelukkig is, eene stoomsloep tot onze beschikking te kunnen stellen, waarmede wij den Karoen kunnen opvaren tot Ahvas, op vijf dagreizen afstands van Dissoel. Ongelukkig is de boot op het oogenblik niet goed bruikbaar; maar onze gastheer verklaart dat hij haar in orde zal laten brengen, en voegt er heengaande bij, dat hij hoopt dat wij langen tijd zijne gasten zullen zijn.
Zoo als ik, bij het binnentreden der woning, al dadelijk had vermoed, is sheikh Moses het hoofd van een der machtigste stammen van Arabistan. In minder dan veertien dagen kan hij tienduizend krijgslieden, met uitmuntende amerikaansche geweren gewapend, op de been brengen; ook bezit hij twee stoombooten, die de produkten van zijne uitgestrekte goederen naar Indië vervoeren. Eigenlijk had, naar mohammedaansch recht, niet hij de waardigheid en de fortuin van zijn vader moeten erven; maar de Shâh, in deze gebruik makende van zijn souverein recht, heeft hem al de rechten en privilegiën van den ouden sheikh verleend, ten nadeele van een ouderen broeder, die het raadzaam heeft geacht te vluchten. Al deze bijzonderheden worden mij medegedeeld door den onder-gouverneur van Arabistan, die, naar ik vermoed, hierheen is gekomen om te onderhandelen over den prijs van een firman, waarbij de positie van den nieuwen sheikh moet worden geregeld.
22 November.--Dezen morgen hadden wij een lang bezoek van sheikh Moses, die weldra zijn hart voor ons uitstortte. Hij heeft een waren hartstocht voor paarden en fraaie wapenen, die hij dan ook in overvloed bezit; maar zijn geluk wordt verstoord door de gedachte dat hij zijn laatsten broeder naar Teheran moet zenden. De Koning heeft den wensch te kennen gegeven, dat hij voor de toekomst van dien jonkman wilde zorgen; maar Moses begrijpt zeer goed, dat het den Shâh te doen is om een gijzelaar, ten einde zeker te zijn van de trouw van zijn vazal. De scheiding valt hem des te smartelijker, omdat het Allah niet heeft behaagd, zijne vele huwelijken te zegenen en hem een erfgenaam te schenken.
"Hoeveel vrouwen hebt gij dan wel? vroeg ik aan den sheikh, toen hij gereed stond afscheid van ons te nemen.
--Tien.
--Dat is niet veel; ik zou ten minste de twee dozijn vol maken, antwoordde ik lachende.
--Mijn anderoen is inderdaad onbeteekenend, in vergelijking met dien van mijn buurman, den sheikh van Kara Sala, welke honderd-veertig vrouwen van allerlei leeftijd en allerlei nationaliteit bevat; maar als ik aan de rust van mijn leven denk, is mijn anderoen toch talrijk genoeg."
Nadat dit bezoek was afgeloopen, stelde de onder-intendant mij voor, den harem van zijn meester te gaan zien, welk voorstel ik mij haastte aan te nemen. Na eene wandeling over verscheidene terrassen van ongelijke hoogte, door verlaten kamers en zalen, kwam ik op eene kleine binnenplaats, door zeer armoedige kamers omgeven. In eene daarvan, welke noch gewit noch van tapijten voorzien was, lag eene in het zwart gekleede vrouw, de meest begunstigde echtgenoote van den overleden sheikh. Ter zake van den rouw, heeft zij het luchtige vertrek, dat zij gedurende het leven van haar gemaal bewoonde, verlaten, om zich in dit somber verblijf op te sluiten.--Na met enkele woorden te hebben gesproken van het ongeluk, dat haar getroffen had, rees Torkan-Khanoem op van haar bed van palmbladeren, en noodigde mij uit haar te volgen naar de vertrekken op de eerste verdieping, waar zij mij beter zou kunnen ontvangen, dan in dit aan smart en rouw gewijd verblijf. Dit gezegd hebbende, klapte zij in hare handen, waarop een aantal vrouwelijke bedienden verschenen, aan wie nu de last werd opgedragen, den harem van mijne komst te verwittigen.
De officieele salon is, als de receptiekamers in den biroen, gemeubeld met tapijten, kussens, pendules van nagemaakt brons, kunstbloemen onder glazen stolpen. Wij waren nauwelijks sedert vijf minuten gezeten, toen verschillende vrouwen achtervolgens binnenkwamen, op Torkan-Khanoem toetraden, haar op het voorhoofd kusten, en vrede, gezondheid en geluk toewenschten; vervolgens gingen zij, na elkander toegeknikt te hebben, op eene rij langs den muur op den grond zitten. De gemalinnen en bijzitten van sheikh Moses zijn gekleed met lange hemden van zwarte wol, die tot op de voeten afhangen, en wijde pantalons, die om de enkels zijn saamgesnoerd. Torkan-Khanoem draagt op het hoofd een doek van zwart gaas, die haar gelaat onbedekt laat en een paar malen om den hals is gewonden. De oudere dames hebben hetzelfde hoofddeksel, maar de mond en het benedenste gedeelte van het gelaat is bij haar door een sluier bedekt. De jonge dames hebben een zeer elegant voorkomen; zij zijn rijzig en welgemaakt van gestalte en weten zich met onvergelijkelijke kunst in haar leelijke jurken te drapeeren. De voeten, de handen en het voorhoofd zijn bedekt met blauw getatoeëerde figuren; de met edelgesteenten versierde neusringen hebben zij als teeken van rouw afgelegd.