Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 28
De minister liet nu, door zijne bedienden, allen van wie hij vermoeden kon dat zij aan den diefstal schuldig waren, uitnoodigen tot een groot feest. Zij verschenen allen op het bepaalde uur, het hoofd gedekt met hunne fraaiste tulbanden, gekleed in hunne prachtigste abbas, niet weinig trotsch op de eer, dat zij bij een zoo hooggeplaatst man ter maaltijd waren genoodigd.
Na den vezier hun dank te hebben betuigd voor de eer, aan hun familie bewezen, begonnen de verheugde gasten van de pillau te smullen, toen de minister eensklaps uitriep:
"Ziet die onbeschaafde, onwellevende lieden! er zit nog katoen in hun baard, en zoo durven zij voor mij verschijnen."
Aanstonds brachten de verschrikte dieven hunne hand aan hun gelaat en verrieden alzoo zich zelven door hunne onbedachtzaamheid.
"Baricallah! baricallah! (bravo!) (bravo!) riepen al de toehoorders.
--Als ik ooit bij een gouverneur ten eten gevraagd word, laat ik mijne handen in mijne zakken vast naaien, zegt de een.
--Ge zoudt beter doen, uwe lippen op elkaar te laten naaien, herneemt zijn buurman.
--Chut! stilte! laat Ali spreken."
Eene vrouw van lagen stand begaf zich naar het bad zonder geleide. Een man volgde haar hardnekkig en liep vlak achter haar.
"Waarom loopt gij voortdurend achter mij? vroeg zij, zich omkeerende.
--Omdat ik op u verliefd ben geworden.
--Waarom zijt gij op mij verliefd geworden?
--Gij zijt van rozen en leliën gemaakt; voor geheel mijn leven zijn mijne oogen als vastgehecht aan uw bevallig gelaat.
--Mijne zuster, die mij op korten afstand volgt, is duizendmaal schooner dan uwe dienstmaagd; richt u tot haar."
De man keerde op zijn schreden terug en ontmoette eene negerin, wier gelijke in leelijkheid hij nog nooit had gezien. Beschaamd en verstoord liep hij op nieuw de vrouw, die hem te slim was geweest, na.
"Waarom hebt gij mij voor den gek gehouden?
--Neen, gij hebt mij voor den gek gehouden: waart gij werkelijk op mij verliefd geweest, dan zoudt gij niet van mij zijn weggegaan om uw hof te maken aan eene andere vrouw."
Een goudsmid ging tot den Shâh en sprak:
"Een vreemdeling sluipt telken dage mijn anderoen binnen en brengt schande en jammer over mijn huis. Hoeveel moeite ik ook gedaan heb om hem bij mijne vrouw te betrappen en mij zelven recht te verschaffen, het is mij nog niet mogen gelukken.
--Zijt gij wel zeker van hetgeen gij beweert?
--Helaas! ik kan niet langer aan mijn ongeluk twijfelen.
--Welnu, neem dan dien flacon met welriekende olie, geef dien aan uwe vrouw en druk haar zorgvuldig op het hart dat zij de olie uitsluitend voor uw gebruik moet bewaren."
Dien eigen avond beval de koning zijn lijfwachten, dat zij nauwkeurig het huis van den goudsmid moesten bewaken; dat zij alle mannen, die er uit kwamen moesten beruiken, en dengeen die naar rozen rook bij hem moesten brengen.
Toen de avond gekomen was, sloop de minnaar naar zijne schoone. Zoodra hij de kamer was binnengetreden, zeide zij tot hem: "Mijn man heeft mij een flacon heerlijk riekende olie gegeven; niemand is waardiger daarvan te gebruiken dan gij;" en zij zalfde hem den baard en het haar.
Bij het verlaten van het huis werd de ongelukkige, verraden door den geur dien hij in het rond verspreidde, aanstonds gevat en naar het paleis gebracht.--"Ziedaar de minnaar van uwe vrouw," zeide de Shâh tot den goudsmid; "handel met hem naar uw welgevallen, hij is in uwe hand."
"Mijn paard heeft verleden week een noodlottigen val gedaan en zijn poot gebroken", zoo zeide dezer dagen een koopman van Ispahan tot een zijner collega's, die in geldelijke moeielijkheden verkeerde; verkoop mij uw paard, ik bied er u veertig tomans voor.
--Zeg vijf-en-veertig, en de koop is gesloten.
--Dat zij zoo.
--Toegeslagen.
--Neem nu uw woord niet terug, zeide de kooper; want Yaya de zadelmaker heeft mij heden een paard te koop aangeboden, voor 't minst even schoon als uwe merrie, en morgen zal ik niet meer in de gelegenheid zijn om dien koop te sluiten.
--De heilige Imans hooren mij. Zoo ik mijn woord verbreek, dan geef ik u vergunning om twee _mescals_ (ongeveer tien grammen) vleesch uit mijn lichaam te snijden."
Den volgenden morgen meldde de kooper zich aan, om het paard in ontvangst te nemen.
"Mijn paard is niet meer te koop, riep de ander; ik heb gisteren eene goede tijding ontvangen. Een handelaar van Shîraz, die mij sedert vele jaren eene aanzienlijke som gelds schuldig was, zal mij betalen. Ik kan dus mijn handel voortzetten; en nu de zaken zoo staan, is er voor mij geen enkele reden om mij van mijn uitmuntend paard te ontdoen.
--Maak u dan gereed om mij de twee mescals vleesch te laten uitsnijden, die gij mij in naam der heilige Imans beloofd hebt. Ik laat u de keus: wilt gij dat ik aan de rechter- of aan de linkerzijde snij? Gij zijt dik genoeg: niemand zal het merken.
--Nooit, hondekind! Ziet gij mij voor een dier van uwe soort aan?
De twee partijen konden het niet eens worden en onderwierpen de zaak aan de wijsheid van den rechter. De waardige magistraat poogde te vergeefs den eischer aan het verstand te brengen, dat de vervulling der verbintenis, die zijn collega op zich genomen had, voor de eene partij hoogst onaangenaam was en voor de andere hoegenaamd geen voordeel opleverde: wat zou hij toch met twee mescals menschenvleesch kunnen uitvoeren? Alle vermaningen en vertoogen stootten af op de onverzettelijkheid van den koppigen schuldeischer.
"Nu, daar gij met alle geweld dien ongelukkige wilt dwingen zijne schuld te betalen, zal ik een gerechtsdienaar bevelen, uw schuldenaar op den grond uit te strekken en hem met gebonden handen en voeten aan u over te leveren. Gij zult dan uit zijn lichaam de twee mescals vleesch snijden, waarop gij recht hebt; maar als het uitgesneden stuk iets boven dat gewicht bedraagt of wel daar beneden blijft, laat ik u het hoofd afslaan."
De mollah Nasr-ed-din ontving eens een gazelle ten geschenke, die een zijner vrienden geschoten had. Zeer getroffen door deze beleefdheid, noodigde hij den jager bij zich te eten, en beiden smulden aan het wildbraad en aan de heerlijke gebakjes, door de vrouwen van den heer des huizes klaar gemaakt. De gast was ten hoogste voldaan, en vertelde aan ieder die het hooren wilde, dat de mollah Nasr-ed-din er niet voor niet zoo welgedaan uitzag en zoo'n deftigen buik had.
Door deze verlokkende beschrijvingen bekoord, meldde zich een paar dagen later een tafelschuimer bij den goeden priester aan.
"Ik ben de broeder van den man, die u dezer dagen eene gazelle gezonden heeft."
De beleefdheid vorderde dat men ook den broeder van den milden vriend niet voorbij ging. Nasr ed-din noodigde hem ten maaltijd.
Den volgenden dag verscheen weder een andere vreemdeling.
"Ik ben de neef van den broeder van den jager, die u eene gazelle gezonden heeft."
Nasr ed-din keek wat zuinig, maar hij achtte zich toch verplicht om de regelen der wellevendheid in acht te nemen, en hij noodigde den neef ten avondmaal. De reputatie van de keuken van den mollah verspreidde zich al verder en verder.
Twee dagen later meldden zich twee reizigers aan.
"Wij zijn de vrienden van den neef van den broeder van den vriend, die u eene gazelle gezonden heeft.
--Het verheugt mij zeer u te mogen ontvangen. Vergunt mij slechts, in den anderoen mededeeling te gaan doen van het geluk dat mij te beurt valt."
En de man Gods ging naar zijne vrouw on zeide tot haar:
"Als het uur van het middagmaal gekomen is, doe dan wat vet in heet water en laat dat mengsel naar den biroen brengen.
--Bah! Wat is dat voor kost, mollah? riepen de gasten, toen zij van de soep proefden. Hebt gij Satan als kok in dienst?
--Is die schotel niet naar uw smaak? Hij is toch de vriend van den neef van den broeder van den schotel, dien ik toebereid heb met de gazelle, mij gezonden door den vriend van den neef van den broeder van uw vriend."
De mollah Nasr-ed-din was een zoo achtenswaardig geestelijke en bezat een zoo mooien en aardigen ezel, dat zijne parochianen, wanneer zij hout gingen halen, de gewoonte hadden, het dier mede te nemen en met een flinke vracht hout beladen bij zijn meester terug te bezorgen.
Door een boozen geest gedreven, liet de mollah zich in een gezelschap, waar ieder de deugden van zijn rijdier prees, de onbedachte woorden ontvallen: "Mijn ezel is zoo knap, dat hij geheel alleen naar het bosch gaat, zelf hout op zijn rug laadt en daarmede naar huis terugkeert."
Dat was eene groote onvoorzichtigheid en, bij een zoo heilig man, bovendien een blijk van schuldige ondankbaarheid.
De buren van Nasr ed-din, aan wie dit gezegde ter oore was gekomen, besloten zich te wreken. Den eersten keer dat zij weder naar het bosch gingen, namen zij als naar gewoonte den ezel mede; maar toen zij het noodige hout gehakt hadden, gingen zij weg en lieten het beest achter. Toen het nu donker begon te worden en de ezel nog niet terug was, begon de mollah zich ongerust te maken. Hij ging naar de houthakkers en vroeg hun:
"Wat is er toch met mijn ezel gebeurd? hij is nog niet in den stal teruggekeerd.
--Uw ezel heeft tot ons gezegd: Doet mijne eerbiedige groeten aan mijn meester, en zegt hem dat ik naar Teheran ga om daar eene dienst te zoeken en veel geld te verdienen."
Nasr ed-din dacht bij zich zei ven: Mijn ezel is te knap om in eene ondergeschikte betrekking te blijven: hij zal stellig tot een hoogen rang opklimmen; en dit overwogen hebbende, begaf hij zich op weg.
De mollah naderde de hoofdstad en zag reeds aan den horizon den gouden koepel van Shâh Abdul-Azim blinken, toen hij den hofnar van Zijne Majesteit ontmoette, aan wien hij het doel zijner reis mededeelde.
"Ik kan u zeer goede tijdingen brengen van uw ezel, hernam de nar op ernstigen toon. Dit dier is buitengewoon knap: hij slaagt in alles wat hij onderneemt. Hij is thans een der rijkste handelaars van Kazbin."
"Waarom zou ik mij te Teheran ophouden, zeide de mollah bij zich zelven; ik ga rechtstreeks door naar de woonplaats van mijn ezel."
Het geschiedde nu juist in dien tijd dat de gouverneur van Kazbin een geschil had gehad met zijn vezier en tegen hem eene klacht had ingediend bij den Shâh. Zijne Majesteit had echter uitspraak gedaan ten gunste van den vezier en dezen tot gouverneur van Resht benoemd, terwijl hij zijn tegenstander naar de hoofdstad terug riep.
De afgezette hakem kon het niet verkroppen dat een ondergeschikte hem uit de gunst des konings verdrongen had, en verliet zijne provincie in allesbehalve aangename stemming. Op zekeren avond, aan de pleisterplaats gekomen, ontmoette hij den mollah. Men sprak over de zaken van den dag, over den toestand der provincie, over koetjes en kalfjes, over de moeilijkheden en bezwaren der reis. Eindelijk zeide Nasr ed-din, die zijne nieuwsgierigheid niet langer kon bedwingen:
"Kunt gij mij soms ook iets mededeelen omtrent een zeer geleerden ezel, die tegenwoordig een van de rijkste kooplieden van Kazbin is?
--Wel zeker; hij is mijn vezier geweest en de Shâh heeft hem nu dezer dagen tot gouverneur van Resht benoemd."
Acht dagen na dit gesprek kwam de mollah te Resht, en begaf zich aanstonds naar het paleis.
"Ik wensch den gouverneur te spreken, zeide hij op hoogen toon tot de dienaars.
--De gouverneur ontvangt geen lieden van uw slag."
Maar de mollah begon zoo bitterlijk te schreien en smeekte zoo ootmoedig, dat hij eindelijk eene audiëntie verkreeg.
Niet zoodra was hij de zaal binnen geleid, waar de nieuwe dignitaris was gezeten, of hij trad vooruit met een glimlach om den mond en de beide wijsvingers boven het hoofd opgestoken.
"Mollah, wat scheelt u? Zijt gij krankzinnig geworden? riep de verbaasde hakem.
--Neen, mijn waarde ezel, ik ben niet krankzinnig.... Ik weet dat gij zeer knap en geleerd zijt geworden. Door u tot gouverneur te benoemen, heeft de koning eene weldaad aan de provincie bewezen; maar.... waar hebt gij uwe twee lange ooren gelaten?"--
De mooiste vertellingen van de wereld kunnen evenwel niet voor immer den slaap weren uit de oogen van lieden, die eene lange dagreis hebben afgelegd. Wij brengen dus onzen dank aan den verteller en keeren naar onze kamer terug, na den gholams op het hart te hebben gedrukt, ons een uur voor het aanbreken van den dag te wekken.
11 November.--Wij hadden het voornemen om, des morgens vroeg, een klein gewelfd gebouwtje te gaan zien, dat wij gisteren waren voorbij gereden, en dan onze reis naar het zuiden te vervolgen; maar de gidsen zeiden ons dat de eerstvolgende etappe zeer lang is en gaven ons den raad, ons vertrek tot den volgenden dag uit te stellen.
Zoodra onze gastheer van ons besluit onderricht was, is hij zijne opwachting bij ons komen maken, vergezeld van zijn broeder.--"Uwe Excellentiën zullen gisteravond wel vermoeid zijn geweest, zegt de naïeb. Ik vrees zeer dat de babbelaar, dien ik gelast had mijne bedienden bezig te houden, u gehinderd zal hebben; men heeft mij gezegd, dat hij zich vermeten heeft, in uwe tegenwoordigheid te spreken.
--Integendeel: zijne verhalen hebben ons bepaald geamuseerd. Gij ziet trouwens dat wij ons in volmaakten welstand bevinden.
--In dit geval, stel ik Uwe Excellentiën voor, onze tuinen te bezoeken en kennis te maken met ons nieuw plantsoen van palmen."
Buiten het ommuurde dorp gekomen, trof mij de schoonheid en de rijkdom van deze oase. Reeds te Firoez-Abad had ik enkele alleen staande palmen gezien: hier zag ik uitgestrekte palmbosschen. Een tocht van zestig kilometers heeft ons van een klimaat, overeenkomende niet dat van zuidelijk Europa, overgebracht in een land, dat ons aan Opper-Egypte denken doet. Het is echter ook waar, dat het verschil in hoogte tusschen die twee punten niet minder dan achthonderd el bedraagt.
De palmboom is de eenige rijkdom der vlakten van Ferashbad en van Boeshir, die, naar het schijnt, niet geschikt zijn voor den graanbouw. De opbrengst van deze kultuur is zeer verschillend. Te Ferashbad, waar de grond goed gemest en verzorgd wordt en overvloed van water is, geeft de palmboom eene opbrengst van vijf-en-twintig francs per stuk en verschaft uitmuntende dadels, zoo lekker als ik ze nog nergens gegeten heb; in andere dorpen daarentegen bedraagt de opbrengst niet meer dan hoogstens drie of vier francs.
"Gij doet zeker al wat gij kunt om eene zoo winstgevende kultuur uit te breiden, zeide ik tot den naïeb.
--Sedert tien jaar plant ik geen palmen meer.
--Is er gebrek aan het noodige water?
--Het water der kanots is ruim voldoende voor de bevloeiingen; en zoo noodig, zou ik er niet tegen opzien, nieuwe kanalen te laten graven; maar aan de palmenkweekerij zijn groote bezwaren verbonden. De jonge boomen vereischen groote zorg; tot op den ouderdom van tien jaren, wanneer zij hunne eerste vruchten beginnen te geven, moeten zij onophoudelijk gemest, verzorgd en besproeid worden. Op den leeftijd van zes jaren vooral, als de stam gaat opschieten, verlangt de palmboom zeer veel water en aanhoudende nauwlettende zorg. De door mijn vader geplante boomen zijn oud; die ik in mijn jeugd geplant heb, werpen nu belangrijke winsten af; de jonge plantsoenen beginnen vruchten te dragen: welk belang heb ik er nu bij, mijn aanleg uit te breiden? Zullen mijne zonen na mij de vruchten van mijn arbeid genieten; of zullen zij het moeten aanzien dat een schraapzuchtige gouverneur mijne nalatenschap aan een of anderen verren bloedverwant verkoopt? Bij deze onzekerheid heb ik er hoegenaamd geen belang bij om verbeteringen aan te brengen, die eerst in vervolg van tijd rente kunnen afwerpen."
Zonder het zelf te willen of te bedoelen, had de naïeb, in enkele woorden, het vonnis geveld over een geheel stelsel van bestuur. De boeren kunnen, door gemis aan kapitaal, niet de noodige hoeveelheid water verkrijgen voor het in kultuur brengen der uitgestrekte vlakten van Perzië; de ket khoda's of opperhoofden der gezeten stammen, door den gouverneur onderdrukt en uitgezogen, zijn er veeleer op uit, om gedurende den tijd van hun bestuur eene fortuin bijeen te brengen, die de toekomst hunner familie verzekert, dan geld uit te geven voor verbeteringen, waar een vreemdeling of wel de gouverneur zelf de voordeelen van zal trekken.
Na de tuinen en boomgaarden bezichtigd te hebben, begeven wij ons op weg naar het gebouwtje waarvan ik boven sprak. Het is in denzelfden stijl als het paleis van Sarvistan, zij het ook op veel kleiner schaal. Eene bijzonderheid in de constructie verdient vermelding: de hangbogen van het gewelf rusten niet op muren, maar op vier gemetselde pilaren.
14 November.--Na een verblijf van twee dagen te Ferashbad hervatten wij onzen tocht, die ons ditmaal weder door het gebergte voerde. De wegen waren zoo slecht, als wij ze bijna nog niet aangetroffen hadden; onze arme paarden en muildieren konden letterlijk niet meer voort. Op verscheidene plaatsen was het ook met den besten wil onmogelijk, een spoor van een pad te ontdekken; de hellingen zijn buitengewoon steil; het pad loopt rakelings langs onpeilbare afgronden of ook wel midden door de uitgedroogde beddingen van bergstroomen, bezaaid met geweldige steenblokken, waartusschen het vaak nog moeielijker is zich een weg te banen, dan langs de berghellingen. Toch zou ik deze bezwaren niet tellen, indien ik mijn dorst slechts lesschen kon aan de kristalheldere wateren der beek, maar dat water heeft nog sterker purgeerende eigenschappen dan de beroemde bronnen van Pullnau, van Birmenstorf of Unyadi Janos. Vandaag heb ik voor het eerst begrepen wat Tantalus te lijden had.
Terwijl ik, in sombere gedachten verzonken, mijn muildier werktuigelijk bestuurde te midden van glibberige steenen, liet Marcel eensklaps een luiden vreugdekreet hooren. Tusschen twee bergtoppen, door eene diepe kloof gescheiden, ontrolt zich voor ons oog eene wijde vlakte, stralende in den zonneschijn, aan den horizon begrensd door eene donkerblauwe streep. Die blauwe streep is de Perzische-golf, dat is de zee! Men zal begrijpen, welke verrukking mij bij dien aanblik doortintelde, als men bedenkt dat ik sedert Maart een-en-negentig etappen en bijna vierduizend mijlen te paard heb afgelegd, in een land zonder wegen en waar, behalve in de groote steden, letterlijk aan alles gebrek is wat ook maar aan de bescheidenste eischen van comfort zou kunnen voldoen.
Wij jagen onze paarden en muildieren zoo snel mogelijk voort en komen, drie uren later, in het fraaie dorp Aharam, waar wij in de woning van den ket khoda een geschikt logies vinden. Uit mijne vensters zie ik de hooge bergen, waarover wij getrokken zijn; in de vlakte groote palmbosschen; voor mijne voeten liggen de leemen woningen van het dorp, afgewisseld door boomgroepen. De dorpelingen, die zich op straat bewegen, zijn donkerbruin van kleur. Jammer slechts, dat het water van de bronnen te Aharam zoo brak is, dat zelfs de inboorlingen het niet drinken kunnen, en zij gedwongen zijn hun dorst te lesschen met regenwater, dat zij gedurende den winter opvangen, hetzij in bakken, hetzij in open kuilen, waarin het bederft. Toen ik het proefde, dacht ik inderdaad, dat men mij bij vergissing de petroleumkan had gegeven, zoo afschuwelijk was de smaak. Maar de kleur stelde mij gerust: petroleum is helder, het water van Aharam is bruin als een aftreksel van tabak.
XXXI
De afstand van Aharam tot Boeshir bedraagt niet meer dan acht farsaks, en toch hebben wij die niet in eene dagreis kunnen afleggen, zoo zeer hadden de paarden geleden door het drinken van het ongelukkige water, dat als een sterk purgatief werkte.
Eindelijk bereikten wij het dorp Goerek, waar wij gelukkig drinkbaar water vonden. Dit dorp bestaat uit hutten, die, zoo als alle woningen in zuidelijk Farsistan, van palmtakken en bladeren zijn gebouwd; de straten zijn opgevuld met mooie kinderen, gele honden en zwarte kippen, allen even schuw. Rondom het dorp strekt zich een vlakte uit, die met gras en struiken is begroeid. Toch is de bodem hier niet onvruchtbaar; ook getuigt het voorkomen en de kleeding der dorpelingen van betrekkelijke welvaart.
De levenswijze van den sheikh van Goerek laat zich het best vergelijken met die van de groote heeren uit den ouden feodalen tijd: hij kan naar welgevallen zich het genot gunnen van de jacht, hetzij drijfjacht, hetzij vederspel: een vermaak, waarop alle Perzen hoogen prijs stellen, maar dat alleen binnen het bereik valt van stamhoofden, die machtig en rijk genoeg zijn om er paarden, honden en valken op na te houden. Vooral de laatsten kosten veel geld. Een goed gedresseerde giervalk is zeer duur; hunne voeding, bestaande uit gevogelte en vleesch, vordert betrekkelijk aanzienlijke sommen; bovendien heeft men voor iederen vogel een valkenier noodig en voor elken valkenier een paard. Men berekent, dat het onderhoud van elken vogel, met zijn knecht en zijn paard, gemiddeld tusschen de achthonderd en duizend francs per jaar kost.
Een vogel, die op zulk een grooten voet leeft, verdient wel dat hij met zorg wordt opgekweekt: reeds vroegtijdig wordt hij dan ook ter schole gezonden. Zoodra de jonge valk vliegen kan, leert men hem om rauw vleesch te gaan weghalen uit de oogholten van een opgezette gazelle of trapgans. Naar gelang hij behagen begint te krijgen in dit spel, wordt het lokaas al verder en verder verwijderd, en eindelijk zoo geplaatst, dat de vogel het niet zien kan als hij op den grond blijft. Hij stijgt dan omhoog, zoekt met de oogen het opgezette dier en schiet er pijlsnel op neer. Volwassen zijnde, stort zich de valk volkomen op dezelfde wijze op het wild en pikt dat de oogen uit, om in de holte het voedsel te zoeken dat, naar hij meent, daar verborgen is.
Als een valk ter jacht zal gaan, laat men hem een dag vooraf vasten; op het oogenblik van het vertrek trekt men hem eene met edelgesteenten versierde kap over den kop en bindt een dunne lederen riem aan een zijner pooten. De valkenier voorziet zich van een ijzeren stang waaraan een lederen bal gevestigd is, van een spons en een trom, om den vogel terug te roepen als hij zich te ver verwijdert; dan zet hij den valk op zijne met een opgevulden handschoen bekleede vuist, kiest een vlug paard, en volgt zijn meester in het open veld. Zoo ontmoetten wij den sheikh van Goerek, aan het hoofd van een talrijken jachtstoet, op korten afstand van het dorp. Wel zocht ik te vergeefs naar schoone edelvrouwen op blanke hakkeneien, naar de dappere ridders, pages en lijfknechts in schitterende liverei; maar al ontbrak dit alles, de jacht zelve was er niet minder boeiend en belangwekkend om.
De obarè (eene soort van trapgans), tegen wie de valk was losgelaten, was zoo groot als eene groote kip. Zoodra zij den vijand gewaar werd, verhief zij zich moedig in de lucht, in plaats van te trachten zich op den grond te verbergen. Nu pogen de beide partijen, door steeds hooger te stijgen, elkander te ontwijken en de beten te ontgaan, die zij elkaar zoeken toe te brengen; weldra hadden wij de strijders uit het oog verloren. Maar, daar worden opnieuw twee stippen, hoog in de lucht, zichtbaar. De gevleugelde worstelaars vliegen naast elkander, snavel tegen snavel, klauwen tegen klauwen. Doch de strijd is te ongelijk; zij dalen en dalen; de trapgans is uitgeput, terwijl de valk nog in het bezit is van zijn volle kracht. Eensklaps omklemt hij zijne prooi, die eene laatste wanhopige poging doet om te ontsnappen; de beide vogels, een verwarde massa van opgezette vederen, strijken neder op den grond. De trapgans is overwonnen en blind.
Zoodra hij zich van zijne prooi heeft meester gemaakt, zou de valk die geheel verslinden, wanneer de jager hem die niet kwam ontrukken. Maar de overwinnaar heeft recht op den kop en de lever van elk stuk wild; en indien deze belooning hem onthouden werd, zou de vogel, die juist niet door onbaatzuchtigheid schijnt uit te munten, niet langer willen jagen.