Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 27

Chapter 27 3,856 words Public domain Markdown

Omstreeks tien uren werd de hitte ondragelijk; de gholams brachten ons onder het oog, dat wij niet aldus in de brandende zon konden blijven, zonder vuur om spijzen te bereiden, zonder water om de muildieren te drenken. Zoo goed en zoo kwaad als het ging, hebben zij Marcel op een muilezel gezet; en in dien toestand bereikten wij een met torens voorzienen aarden wal. Ik dacht, achter die omwalling huizen te zullen vinden, maar de geheele ruimte was ingenomen door iets dan reusachtige molshoopen, waaruit van tijd tot tijd woeste en havelooze boeren te voorschijn kropen. Wij vonden een schuilplaats tegen de zon onder een soort van portaal nabij den ingang, en beproefden toen, maar zonder gevolg, alle middelen die onze apotheek kon opleveren. Ten einde raad, kwam ik op de gedachte om onze schotels, ketels en koperen trekpotten op een groot vuur heet te laten maken, en die, bijkans gloeiend, op de maagholte en de voetzolen te leggen. Aanstonds vormden zich groote blaren, en na verloop van een uur had de pijn opgehouden en was onze patiënt in een diepen slaap gedompeld. Tegen dien avond gaf Marcel zelf, die in dit hol niet gaarne den nacht wilde doorbrengen, den wensch te kennen om naar Sarvistan te gaan, welk vlek ongeveer twintig mijlen verwijderd was. In het dorp aangekomen, vervoegden wij ons aanstonds bij den naïeb, die ons een bedompt en berookt krot ten verblijve aanwees. Een gescheurd tapijt wordt in een hoek op den grond gespreid: andere meubelen zijn er niet.

31 October.--Sedert twee dagen wordt mijn echtgenoot aanhoudend door pijnen gekweld, die bij de minste beweging onuitstaanbaar worden; hij kan niet rechtop gaan zitten en geen ander voedsel gebruiken dan rijstewater en granaatsap. Eindelijk kwam Marcel toch in zoo verre bij, dat wij Sarvistan konden verlaten.

Drie uren lang voerde onze weg door eene woeste vallei, met hoog gras en struiken begroeid, en waarin zich de indrukwekkende bouwvallen bevinden van een paleis dat in voorkomen veel overeenkomst heeft met de oude mongoolsche moskeeën. Bij het binnentreden van het monument wijzigt zich die eerste indruk; de reusachtige baksteenen, die overal op den grond liggen, de elliptische vorm der bogen en van den koepel, de schaarschte van ornamenten aan de muren, zijn zoovele bewijzen van hoogen ouderdom. Het belangrijkste gedeelte van het monument is ongetwijfeld de groote zaal, die door een eivormigen koepel is gedekt. Langs de zijden der groote zaal loopen lange galerijen, die in vakken zijn verdeeld door contreforten, welke op gemetselde kolommen rusten. De kolommen zijn plomp en de contreforten massief; de kroonlijst is eenvoudig uitgetand. De technische uitvoering van dat deel van het gebouw is volstrekt niet in harmonie met de zeer verdienstelijke conceptie van het geheel en den stouten bouw der koepels.

Het is zeer moeielijk, den juisten ouderdom van dit monument te bepalen; het eenige wat men zeggen kan, is dat het waarschijnlijk uit den tijd voor de muzelmansche heerschappij dagteekent. De plaatselijke overlevering, waaraan echter niet te veel waarde is te hechten, plaatst de groote bloeitijd van dit gedeelte van Farsistan onder de regeering van de Achemeniden of liever van Dsjemsjid: dat is de eenige traditie, die eenigermate een leiddraad aan de hand geeft. Wanneer men daarbij bedenkt dat de koningen uit de dynastie der Achemeniden steeds over Farsistan hebben geheerscht; dat de talrijke vestingwerken op de hoogten in den omtrek van Shîraz hun werk zijn, zoowel als de diepe in de rots geboorde putten bij die stad en boven Sarvistan,--dan is men geneigd aan te nemen, dat het paleis van Sarvistan, dat ongetwijfeld gebouwd werd toen deze landstreek eene hooge mate van welvaart genoot, dagteekent uit den tijd vóór de troonsbeklimming der Sassaniden. Deze onderstelling schijnt te minder gewaagd, wanneer men in aanmerking neemt dat de Sassaniden hunne residentie in de noordwestelijke provinciën hadden gevestigd, in de nabijheid van de door de Romeinen bedreigde grenzen, en dat, naar het schijnt, Farsistan door de koningen van deze dynastie verlaten werd, zoo als blijkt uit den volkomen ondergang van het oude Shîraz.

Miandjangel, 2 November.--Toen wij gisteravond het paleis verlieten, hebben onze gholams ons rechtstreeks naar Miandjangel gevoerd, de eerste pleisterplaats in de richting van Darab. Het was reeds te laat om logies te vragen in het huis van den ket khoda; wij namen dus onzen intrek in een iman zadeh, die niet meer dan een bouwval is en waarin zich reeds eenige bedelende derwisjen gevestigd hadden. Ik had nog geen half uur gelegen op de plaats, mij door de derwisjen afgestaan, toen ik eensklaps op onuitstaanbare wijze gebeten werd. Ik stak mijn zaklantaarn op en stiet onwillekeurig een kreet van afgrijzen uit. Reeds dikwijls genoeg heb ik, sedert wij op reis zijn, kennis gemaakt met het walgelijke ongedierte, waarvan europeesche huisvrouwen een ingeboren afkeer hebben, met luizen--om ze bij den naam te noemen;--maar nooit had ik ze in zoo groote menigte gezien. Do oudste van onze gholams, wakker geworden door het ongewone gerucht, stak zijn hoofd uit de groote deken, waarin hij zich 's nachts wikkelde, en vroeg naar de reden van mijn schrik. "Die insekten brengen u geluk aan, zij komen van Mekka," zeide hij bij wijze van troost, na een blik van welgevallen geworpen te hebben op de kleine hadjis, die over zijn rooden baard kropen. Dit gezegd hebbende, trok hij zijn deken over zijn hoofd en sliep weer in.

Firoez-Abad, 7 November.--Nog toen wij te Miandjangel waren, werd mijn echtgenoot op nieuw in hevige mate door de koorts aangetast, zoodat wij genoodzaakt waren naar Sarvistan terug te koeren, waar wij een paar dagen rust hielden. Toen Marcel zich weer beter gevoelde, wilde hij volstrekt naar Firoez-Abad gaan; wij hebben ons op weg begeven en zijn gister in den namiddag hier aangekomen. De weg liep voor een deel door eene bij uitnemendheid vruchtbare en waterrijke streek, zoo goed bebouwd en zoo rijk aan houtgewas als ik nog bijna nergens in Perzië had gezien. Nadat wij een nauwen pas in eene keten van steile naakte rotsen waren doorgetrokken, kwamen wij in eene groene vlakte, waarin een heuvel oprijst, bekroond door de ruïnen van het paleis van Firoez-Abad.

Dit gebouw maakt een machtigen indruk, maar schijnt op het eerste gezicht massiever dan dat van Sarvistan. Bij het binnentreden wordt men aanstonds getroffen door den eenvoud van het plan en de majesteit der ordonnantie, waaraan alle versiering ontbreekt. Men treedt eerst in een breede overwelfde vestibule, die door groote bogen gemeenschap heeft met vier vertrekken. Achter dit voorhof bevindt zich een ruime zaal met een eivormigen koepel gedekt, en die door eene poort verbonden is met eene binnenplaats, die geheel met puin is bezaaid, en waarop wilde vijgeboomen groeien. Twee andere deuren of poorten geleiden naar andere zalen, die voor een deel in puin liggen. Op de binnenplaats ziet men, in eene overwelfde kamer, de trap die naar de ruime _zir zamin_ geleidt, dat is naar een dier onderaardsche vertrekken of kelders, die de Perzen nog heden ten dage in den zomer bewonen, en waaruit zij alleen des avonds te voorschijn komen om op het platte dak de koele lucht in te ademen.

De vlakte, waarin het paleis oprijst, is bedekt met aarden terpen en met groote hoopen van scherven, de laatste overblijfsels van verlaten en verwoeste huizen. Voor de vestibule ziet men nog een kunstmatigen vijver waarin het water, door onderaardsche buizen, uit de rivier wordt gevoerd, om dan nutteloos weg te vloeien tusschen distels en struiken en losgewoelde steenen van de vroegere omwalling.

Zeer vermoedelijk is dit paleis nog ouder dan dat van Sarvistan, en hebben wij hier de overblijfselen voor ons van een gebouw uit de eerste tijden der oude perzische monarchie. Misschien was dit paleis wel bestemd tot woning van den gouverneur der provincie, die met de bewaking der naburige bergpassen was belast.

Toen het donker geworden was, hebben wij de ruïnen verlaten, met het voornemen om ze morgen meer in bijzonderheden op te nemen, en begaven wij ons langs de rivier, waarvan de oevers met prachtige vijgeboomen en slanke palmen beplant zijn, naar het dorp Firoez-Abad gadim (oud), het antieke Djoer. Dit dorp wordt slechts door arme boeren bewoond; de meer gegoeden wonen allen in Firoez-Abad no (nieuw), dat men op eenige mijlen afstands te midden van het weelderigste groen ziet liggen.

XXX

8 November.--Als alle huizen van Firoez-Abad gadim, is ook dat waarin wij onzen intrek genomen hebben op antieke ruïnen gebouwd. Dit maakt het dan ook bijna onmogelijk, de noodige opmetingen en waarnemingen van de aldus verborgen monumenten te doen. Beter is het te dien opzichte gesteld met een ander monument, buiten het dorp gelegen, en dat schier geen enkel punt van vergelijking aanbiedt met de antieke of moderne gebouwen van Perzië. Dit monument bestaat uit een terras, waarop een toren is gebouwd van ruim zes-en-twintig ellen hoogte. Een van buiten aangebrachte trap, waarvan de sporen nog te herkennen zijn, voerde naar de tinne van dien toren. De treden zijn verdwenen; de tinne is afgebrokkeld en ingestort ten gevolge van den invloed der lucht, van zon en regen en van aardbevingen; maar de algemeene ordonnantie van het gebouw is nog zeer duidelijk te herkennen. Blijkbaar hebben wij hier een dier torenvormige tempels voor ons, die wij in Babylonië zullen wedervinden.

Volgens de lokale overlevering zou de toren van Firoez-Abad niets minder zijn dan de Atesh-ga (vuuraltaar), door Ardeshir Babeghan, den stichter van de dynastie der Sassaniden, te Djoer opgericht.

Het was ons voornemen niet van hier te vertrekken, zonder ons naar de nieuwe stad te begeven, die wij in de verte in een krans van groen zien liggen, om daar onze opwachting te maken bij den machtigen gouverneur der stammen in de vallei. De ziekte van Marcel heeft echter al onze plannen in de war gestuurd; zoodat wij, in plaats van zelven te gaan, den oudsten van onze gholams naar de stad hebben gezonden om onze hulde te betuigen aan dat gewichtig personage, dat in den omtrek bekend staat als de Ilkhani. Hij liet ons zeer vriendelijk bedanken en ons zijn leedwezen betuigen dat hij ons niet had kunnen ontvangen. Hij zou zich zeer gelukkig hebben gevoeld, indien hij zijne familie aan ons had mogen voorstellen en ons, als aandenken aan ons verblijf in Farsistan, een tapijt aanbieden, door de vrouwen van zijn stam geweven.

Deze Ilkhani is een van de machtigste en aanzienlijkste leden dier aristokratie, die in het zuiden van Perzië genoegzaam alle grondbezit in handen heeft; maar zijne rijkdommen en zijne macht schenken hem geen meerdere voorrechten boven anderen. Khans, sheikh en hoe die heeren verder heeten mogen, zijn allen aan het gezag des konings onderworpen; maar in hunne hoedanigheid van stamhoofden, zijn zij in zekeren zin onafzetbaar, met dien verstande namelijk, dat zij alleen dan uit hunne waardigheid kunnen worden ontzet, wanneer deze met de daaraan verbonden rechten en privilegiën, op een lid hunner familie wordt overgedragen. Hierdoor zouden zij feitelijk onafhankelijk kunnen worden van den Koning; maar de onderlinge twisten en veeten, die deze heeren verdeden, geven den monarch steeds een middel aan de hand om hen onderling door elkander in bedwang te houden. Wil hij een zijner vazallen tuchtigen, dan heeft de Shah daarvoor geen troepen noodig: hij laat onder de hand een der buren opstoken om het dorp of het kamp van den ongehoorzame te gaan plunderen. Zulk eene uitnoodiging wordt altijd met graagte ontvangen en trouw opgevolgd; de verdeeldheid onder de stammen en hunne hoofden ontvangt nieuw voedsel, en de hakem ziet de kans schoon om tusschenbeiden te komen en aan de twistende partijen een zware boete op te leggen.

Wanneer een ket khoda of een khan blijkbaar met opzet nalatig is in het voldoen der verschuldigde schatting, dan ontbiedt de gouverneur der provincie in het geheim een der familieleden van den nalatige naar de hoofdstad. Hij brengt dien broeder of neef de voordeelen onder het oog, die hij zou kunnen genieten, indien hij de plaats van den kwaden betaler innam; en het einde van de zaak is, dat de bloedverwant, natuurlijk tegen voldoening van eene behoorlijke som, met de waardigheden en rechten van den ander wordt bekleed.

Dergelijke handel is het meest in het nadeel van den stam, die per slot de dikwijls zeer aanzienlijke kosten betalen moet. Want de hakem neemt zijne voorzorgen: de nieuwe dignitaris moet, alvorens hij zijne waardigheid kan aanvaarden, aan den hakem, bij wijze van geschenk of vereering, eene som ter hand stellen, die somwijlen tweehonderd-duizend francs kan bedragen: bovendien moet hij een solieden bankier, die in de hoofdstad woont, aanwijzen als borg voor de geregelde betaling der belastingen. Is dit alles in orde, dan keert de nieuwe khan naar zijn dorp terug, van waar zijn voorganger zich voorzichtigheidshalve verwijderd heeft, ten einde den strop of den gifbeker te ontgaan; hij neemt bezit van de landerijen en de boomgaarden en behoudt zijne waardigheid, tot dat de afgezette genoeg middelen bijeen heeft weten te brengen om zijn gelukkiger mededinger te verdringen en zijne vroegere rechten terug te koopen.

Onderhandelingen van dezen aard zouden in een land, waar geen kadaster en geen belasting-kohieren bestaan, zeer moeielijk te voeren zijn, indien de gouverneurs althans niet in zekere mate wisten wat zij als belasting kunnen vorderen van elk dorp, dat aan hun gezag is onderworpen. Deze wetenschap wordt echter hoofdzakelijk geput uit de mededeelingen en berichten van persoonlijke vijanden en tegenstanders van den ket khoda.

Deze wijze van behandeling der zaken is de gewone regel. In buitengewone ernstige gevallen, tracht de hakem de weerspannige stamhoofden naar de hoofdstad te lokken, waar zij dan gevangen worden gehouden tot zij de gevorderde som hebben betaald. Ket khoda's en khans vermijden dan ook zooveel maar eenigszins mogelijk, het bezoeken van groote steden, vooral van de hoofdstad der provincie. Zijn zij, om overwegende redenen, genoodzaakt daarheen te gaan, dan slaan zij op vijf of zes mijlen afstand van de poort hun kamp op; ook verschijnen zij nooit zonder een gevolg van drie- of vierhonderd welgewapende ruiters, op wier hulp zij weten in tijd van nood te kunnen rekenen.

10 November.--Wij hebben twee dagreizen noodig gehad om het gebergte over te trekken, dat ten zuiden de vallei van Firoez-Abad begrenst. Heden morgen ontmoetten wij een talrijken stam van Iliaten, die van de hooge plateaux afdaalde naar de lagere, zwoelere vlakten, waar de kudden nog goede weilanden zullen vinden.

Aan het hoofd van den stoet gaan de geiten en schapen, bewaakt en voortgedreven door kinderen met ongekamde haren en een woest voorkomen; vervolgens de jonge veulens en ezels, die door hunne dolle sprongen en hun weerbarstigheid het hun geleiders bij uitstek lastig maken. Dan volgt eene andere afdeeling: merriepaarden, schier verdwijnende onder zakken en bagage, waartusschen de guitige kopjes uitsteken van geitjes en lammetjes, die nog te jong zijn om de reis te voet af te leggen; daarna de muildieren, met de tenten en de getouwen voor het weven van tapijten beladen. Hoog, op den top dezer stapels tronen de hanen en kippen, die met de pooten zijn vastgebonden, en die, als ervaren reizigers gewoon aan lange tochten, zeer rustig blijven zitten. Dan volgen de runderen, niet minder beladen dan de muilezels, en dat wel met de zwaarste voorwerpen, zooals handmolens om het koren fijn te malen, vijzels en dergelijken. Deze dingen, met lompen en doeken bedekt, dienen tevens tot zitplaats voor de kleine kinderen van drie tot zeven jaar, die met de voeten en met den gordel zijn vastgebonden; de allerkleinste kindertjes liggen plat op den rug.

Op de gevaarlijkste plaatsen, waar de koeien vaak niets anders kunnen doen dan zich van de rotsen laten afglijden, maken de moeders de kinderen los, binden de twee kleinsten met riemen op haar rug vast, nemen het derde in haar armen en laten de anderen loopen om zelven een goed heenkomen te zoeken. Is men over dit punt heen, dan herneemt de karavaan haar marsch, maar op zeer onregelmatige wijs: op de vaak zeer smalle bergpaden zijn menschen en dieren soms zoo dicht opeengedrongen, dat zij gevaar loopen in den afgrond te storten; doch zoodra de weg weer breeder wordt gaat alles weer uit elkaar en verspreidt de karavaan zich her- en derwaarts.

Bij deze stammen dragen de vrouwen geen sluier: men kan ongehinderd haar gelaat met forsche breede trekken, haar donkerbruine huid en hare zeer levendige schoone oogen aanschouwen. De haren zijn op het voorhoofd kort afgeknipt en hangen in lange krullen langs de slapen tot op de borst af. Dat eigenaardig kapsel geeft aan deze vrouwen eene zekere romantische bekoorlijkheid.

De trein besloeg eene lengte van ruim twee uren gaans. Kort nadat deze stam voorbijgetrokken was, kwamen wij in eene wijde vlakte, waar een andere stam der Iliaten was gekampeerd. De gholams vonden bij deze nomaden een grooten voorraad van gestremde melk en kaas, en noodigden ons uit, af te stijgen en halt te houden.

De tenten dezer nomadenstammen van Farsistan, meer bestemd om tegen de zon dan tegen de koude te beschermen, munten noch door zindelijkheid, noch door comfort uit. Zij zijn saamgesteld uit vijf stukken doek, uit geiten- of kameelenhaar geweven. De vlakke zoldering rust op palen, die met houten krammen in den grond bevestigd zijn; aan de zuidzijde wordt de zoom van het tentdoek vastgehouden door steenen of aarden potten, die elk oogenblik kunnen weggenomen worden; aan de noordzijde is het doek opgelicht en vormt eene soort van veranda, waaronder de familie zich in de schaduw nederzet. In een hoek der tent staat het getouw voor het weven van tapijten. Deze toestel is hoogst eenvoudig, en ik verwonder mij er nu niet langer over dat de patronen niet altijd nauwkeurig worden overgenomen en het weefsel niet altijd zuiver regelmatig is.

De vrouwen arbeiden zonder voorbeeld en zonder anderen leiddraad dan de traditie. Allen kunnen zij zekere weinig ingewikkelde patronen uitwerken, waarvan het geheim door de moeder aan de dochter wordt overgeleverd met de recepten voor het bereiden der kleuren uit plantaardige bestanddeelen. De kleuren der wollen stoffen, die rondom de tenten te drogen hangen, zijn buitengewoon duurzaam; beurtelings aan de zon en den regen blootgesteld, verschieten zij toch zoo weinig, dat de tapijten, na twee of drie geslachten gediend te hebben en bij herhaling te zijn gebruikt voor het omwikkelen der lijken, die uit alle oorden van Perzië naar Kerbela gezonden worden, naar Europa overgebracht, aller bewondering opwekken en onze kamers helpen versieren, zonder dat wij een onderzoek instellen naar hunne vroegere bestemming of ons bekommeren over de meer of minder sterke kiemen van besmetting die zij bevatten kunnen.

De Perzen willen geene andere dan nieuwe tapijten en zenden ons de oude verbruikte en half versleten tapijten, waarvan zij niet gediend believen. Ik kan hun geen ongelijk geven: daar is ongetwijfeld iets gemaakts en ziekelijks in onze liefhebberij voor versleten en vuile voorwerpen, en het is niet te verwonderen dat anderen op die manie spekuleeren en ons bedriegen. Verandering van klimaat is niet voldoende om de lijkkleeden, die in de mooiste magazijnen te Parijs en te Londen zijn opgehangen, inderdaad in echte oude tapijten te herscheppen.

Het weven is uitsluitend het werk der vrouwen; meermalen heb ik mannen wol zien spinnen, maar nooit heb ik een man aan een weefgetouw zien zitten. De vrouwen der Iliaten zijn trouwens ook in ander opzicht flink en degelijk en maken zich vrij wat verdienstelijker dan de perzische vrouwen in de steden; zij bekleeden in het gezin, waar de polygamie bijna onbekend is, eene eervolle plaats en maken een waardig gebruik van de vrijheid, die haar gelaten wordt. Ook onder zedelijk opzicht verdienen zij billijke waardeering: zij willen niets weten van tijdelijke huwelijken en maken bijna geen gebruik van de bevoegdheid tot echtscheiding, of liever tot het nemen van een anderen echtgenoot, want echtscheiding is een begrip dat onafscheidelijk is van de erkenning van een burgerlijk of godsdienstig wetboek. De godsdienst dezer stammen is, wel is waar, het islamisme, maar het is een zeer eenvoudig en elementair islamisme, want bij gebrek aan mollahs, kennen de nomaden nauwelijks eenige korte gebeden en leven overigens naar overoude aartsvaderlijke wetten en inzettingen, die van geslacht op geslacht overgaan.

Nadat wij het kamp verlaten hadden, raakten de gidsen bij herhaling het spoor bijster, zoodat wij ten gevolge van hunne onhandigheid vijftien uren achtereen te paard moesten blijven. Wanhopende nog dien eigen avond een onderkomen te vinden, wilde Marcel den nacht doorbrengen tusschen dicht kreupelhout, dat ons evenwel geen bescherming kon bieden tegen den dauw, die hier in de vlakten nabij de Perzische-golf zeer sterk is. Ik gebruikte de weinige kracht die mij overschoot, om dit denkbeeld te bestrijden, en de uitkomst bewees dat ik gelijk had: omstreeks negen uren onderscheidden wij in de duisternis de palmen van Ferashbad. Eenige oogenblikken later betraden wij het huis van den naïeb.

Nu waren wij eindelijk in een huis met een stevig dak van palmhout, hetgeen wij te meer waardeerden omdat wij groote kans hadden geloopen, des nachts onder den blooten hemel te moeten doorbrengen en alleen in gedachte te soupeeren. Ook op onze gholams werkte deze onverwachte verandering in onzen toestand niet minder gunstig en opwekkend dan op ons zelven. Hunne vroolijkheid uitte zich op zoo luidruchtige wijze, dat ik, door nieuwsgierigheid geprikkeld, mij naar de kamer begaf, waar zich de lieden van ons gevolg bevonden. Een man met een zeer intelligent voorkomen, op eene lage bank van palmbladeren gezeten, vertelde aan zijn talrijk gehoor, bestaande uit tsjarvadars, boeren, toeffangtsjis en bedienden, een dier verhalen, waarnaar de Perzen, als alle Oosterlingen, zoo gaarne luisteren.

Zoodra hij mij bespeurt, houdt de verteller eensklaps op.

"Ga voort, ik zal met genoegen naar u luisteren."

De man aarzelt.

"Breng uw verhaal ten einde, roepen de toehoorders in koor.

--Ik durf niet.

--Waarom niet? vragen de gholams; wees niet bang. Çaheb zal u een backshish geven.

--Ik kan u de lotgevallen van den derwîsj van Samarkand niet verder vertellen.

--Vertel ons dan sprookjes van den bazar." En de toehoorders pakken den redenaar, die van zijn troon was afgedaald en zich onder de schare had gemengd, bij de schouders en brengen hem met zachten dwang naar de eereplaats terug. Om zijn geheugen op te frisschen geeft men hem eene pijp; al rookende bezint hij zich een poos, drinkt daarop een beker water en begint eindelijk te spreken.

"Op zekeren nacht waren er dieven ingebroken in den bazar van Shîraz, die, zoo als bekend is, altijd slecht wordt bewaakt, en hadden den winkel van een koopman in katoen leeg gestolen. De bestolene ging zich beklagen bij Kerim-Khan. Deze zon van gerechtigheid en billijkheid beloofde hem dat hij geene moeite zou ontzien om de schuldigen op te sporen, en dat hij hen naar verdienste straffen zou. De koopman verwijderde zich, na zich met het aangezicht ter aarde gebogen en den grond gekust te hebben. Den volgenden morgen werden de policie-agenten van het paleis op verkenning uitgezonden; de barbiers en de handelaars in thee werden in verhoor genomen; maar alle nasporingen bleven vruchteloos. Toen sprak de vezier:

"Het mag niet zijn dat onbeschaamde boeven nog langer de slaven van Uwe Majesteit tarten. Indien de koning mij daartoe machtiging verleent, maak ik mij sterk dat ik de dieven zal vinden.

--Die machtiging is u verleend," zeide de vorst tot zijn dienaar.