Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 25

Chapter 25 3,684 words Public domain Markdown

De plek, die de Sassaniden hadden uitgekozen om hunne beeltenis te laten beitelen, is inderdaad bekoorlijk en verdient wel de warme hulde, die Hafiz haar in prachtige verzen heeft gebracht. Als men de rotsen bestijgt, ontrollen zich voor den blik schilderachtige, schoon gevormde bergketens, die de vallei omzoomen; den bochtigen loop van den Roku-Abâd volgende, ziet men in de verte de schitterende oppervlakte van een zoutmeer, dat door het van de bergen afdalende water is gevormd.

Tegen den avond keeren wij naar Shîraz terug; maar in plaats van mij rechtstreeks naar het telegraafstation te begeven, geef ik den wensch te kennen, de kleine kinderen van den dokter te mogen zien. In de verwachting van zulk een bezoek, heeft de noenoe (min) de beide kinderen netjes aangekleed en zelve ook haar beste spullen aangetrokken. Zij is eene muzelmansche, die dokter Odling bij den dood van zijne vrouw in huis heeft genomen. Dat heeft evenwel heel wat voeten in de aarde gehad. Uit aanmerking van de zoo groote diensten door den dokter bewezen, en uit vrees dat hij anders de stad verlaten zou, hebben de iman djoema en de moesjteïd eindelijk vergunning gegeven, dat eene vrouw haar intrek mocht nemen in het huis van een ongeloovige.

Maar daarmede waren de moeielijkheden nog verre van uit den weg geruimd: het kwam er nu op aan, den als het ware instinktmatigen tegenzin te overwinnen van de min zelve, die waarschijnlijk liever een aap of een jongen hond zou hebben gezoogd dan het kind van een Christen. Men kwam dus overeen dat zij maandelijks honderd krans als loon zou ontvangen, eene buitensporige hooge som in Farsistan; dat zij met ieder nieuw jaargetijde een zijden kleed zou krijgen, en dat eene dienstbode zou worden aangewezen om haar pijp aan te steken en in orde te houden. Volgens haar, is het gebruik van tabak van bijzonder gunstigen invloed op de hoeveelheid in de kwaliteit van het zog.

14 October.--Daar de heer Blackmaur nog vrij van koorts bleef, hebben wij heden morgen een nieuw uitstapje buiten de stad gemaakt en de graven van Hafiz en van Saadi bezocht, de twee beroemde dichters, die beiden te Shîraz het levenslicht zagen.

Het eerste van deze twee monumenten, onder den naam van Hafiziëh bekend, ligt aan den ingang eener vruchtbare vallei, die door een breed kanaal wordt besproeid, dat in de vlakte van Shîraz uitloopt. Een sarkophaag van agaatsteen, versierd met opschriften aan de werken van den afgestorvene ontleend, bevat het stoffelijk overschot van den dichter; daaromheen heeft zich mettertijd een kerkhof gevormd, waar de bewonderaars van den zanger, die gaarne in zijne nabijheid willen rusten, zich laten begraven.

Hafiz werd in de veertiende eeuw te Shîraz geboren. Hoewel in eene zeer nederige betrekking in de maatschappij geplaatst,--naar men zegt, was hij bakker,--wist hij zich door zijn talent al spoedig boven de lieden van zijn stand te verheffen en werd hij de gunsteling en dischgenoot van de machtigste vorsten.

Zijne werken bestaan uit vijfhonderd-negen-en-zestig ghazelen (eene soort van sonnetten), die nog zeer populair zijn, hoewel zeer dikwijls gezocht en gezwollen en vol vergelijkingen en hyperbolische beelden. Zijne verzen zijn zelfs somwijlen zoo duister en raadselachtig, dat zij, even als de Koran, bij wijze van orakel ondervraagd en geraadpleegd worden: men slaat het boek in den blinde open, om een antwoord te vinden op een wensch of geheime gedachte, somwijlen om een raad of aanwijzing te erlangen hoe men zich gedragen moet. Hafiz zelf was de eerste, die van dit geheimzinnig bovennatuurlijk vermogen zijner poëzie profiteerde. De godgeleerden en mollahs van Shîraz maakten namelijk groot bezwaar, om overeenkomstig den ritus de laatste eer te bewijzen aan een dichter, dien zij meenden te moeten beschouwen als een ongeloovige. Zijne vrienden wisten te verkrijgen, dat men zijne verzen zou raadplegen: tweemaal achtereen viel het boek open bij een passage, waarin hij onbewimpeld zijne fouten en misslagen bekende, maar toch de hoop uitsprak dat hem geene plaats in het paradijs zou worden ontzegd. Dit gelukkig toeval besliste, en de eer der begrafenis werd hem niet langer geweigerd.

Zijne ghazelen, die hem den bijnaam verwierven van den perzischen Anakreon, worden nu eens als liederen van aardsche minne en zinnelijk genot gezongen, en dan weer beschouwd als mystieke psalmen, bestemd om de volheid der goddelijke liefde te verheerlijken en te doen waardeeren. Deze dubbele verklaring is in den grond der zaak niet zoo tegenstrijdig als zij oppervlakkig wel schijnt; en de poëzie van Hafiz is niet de eenige, die zich tot zoo uiteenloopende interpretatie leent.

Ondanks de duisterheid en verwardheid van zijne gedichten en de schier grenzenlooze ongebondenheid van sommigen zijner ghazelen, kennen de Perzen aan de werken van Hafiz eene eerste plaats toe onder de voornaamste voortbrengselen hunner nationale litteratuur. De geletterden kennen zijne oden van buiten; ook de lieden uit de volksklasse reciteeren gaarne de meest bekende, en bijna iedereen weet u eene of andere anekdote te vertellen, waarvan Hafiz de held is.

"Hafiz woonde in Shîraz, toen die stad in handen viel van den emir Timoer" (Tamerlan), zoo verhaalde mij de oude derwisj, die ons door den tuin rondleidde; "de tartaarsche veroveraar liet aanstonds den dichter ontbieden, en sprak tot hem ongeveer als volgt:

"Ik heb het grootste gedeelte van de aarde veroverd; ik heb eene menigte steden en provinciën geplunderd en ontvolkt om de glorie en den rijkdom te vermeerderen van Samarkand en Bokhara, de twee bloeiende rozen, de twee oogen van mijn rijk; en gij, ellendige dichter, gij durft zeggen dat gij Samarkand en Bokhara zoudt willen geven voor het zwarte moesje, dat de blankheid van een schoon gelaat zoo goed doet uitkomen!

--Helaas! machtige vorst, juist deze buitensporige verkwisting heeft mij in de armoede gestort, waarin gij ziet dat ik verkeer."

Timoer, verrukt over dit antwoord, verbond den dichter aan zijne dienst en overlaadde hem met gunstbewijzen.

Wij verlaten de graftombe van Hafiz en volgen een prachtigen weg, door tuinen omzoomd waarvan de muren met wilde rozen zijn begroeid, die den heerlijksten geur verspreiden. Aan het einde van dien weg staat het grafteeken van Saadi, den schrijver van den _Bostan_ (Boomgaard) en van den _Gulistan_ (Bloemperk.) Het graf van den dichter is in eene kleine kapel geplaatst; de grafsteen is met opschriften bedekt. Het tegenwoordige grafmonument dagteekent uit den tijd van Kerim-Khan, die het liet maken of herstellen.

Sheikh Moslih-oed-din Saadi, of kortweg de Sheikh, zoo als de Perzen hem noemen, werd in het jaar 1194 van onze jaartelling te Shîraz geboren. Hij doorreisde bijna geheel Azië, nam deel aan de krijgstochten tegen de kruisvaarders in Syrië, was gedurende eenigen tijd krijgsgevangene bij de Christenen, en vervaardigde na zijn terugkeer in het vaderland de gedichten, waaraan hij zijn roem dankt. Zijne werken in proza en poëzie zijn voel gemakkelijker te verstaan dan die van Hafiz: men vindt ze dan ook in aller handen; de kinderen leeren uit den Gulistan even goed lezen als uit den Koran.

De vertellingen van Saadi munten uit door duidelijkheid, beknoptheid en zuiverheid van stijl, en hebben daarbij de verdienste altijd te eindigen met korte opmerkingen en spreuken van zedekundigen aard, in verband met den aard van het onderwerp. Zijne ghazelen en zijne _kacidas_, die als modellen van smaakvolle klassieke taal worden beschouwd, zijn vrij van die gezwollenheid en overdrijving, die aan de meeste perzische dichters eigen zijn. Toch, ondanks de groote letterkundige waarde van den Bostan en den Gulistan, komen daarin verzen voor die ons, Westerlingen, ergeren, maar waaraan de Perzen--hierin aan de ouden gelijk--geen aanstoot nemen.

15 October.--De koorts is weder in ons midden verschenen: onze gastheer, de tuinman, twee stalknechts liggen sedert gister-avond te bed. Mijn echtgenoot is zoo straks ook door eene geweldige rilling aangetast en ligt op een stroozak te bibberen. Het gemis van schoon linnengoed is in zulke gevallen een ware ramp: de hevige transpiratie in de tweede periode van de koorts maakt de kleederen doornat, en toch moet de patiënt ze aan het lijf houden. Op mijn verzoek is dokter Odling gekomen: hij vond Marcel licht aangetast, den heer Blackmaur in zeer slechten staat en de bedienden in meerdere of mindere mate ziek. Ik heb ook een bezoek ontvangen van den jongen leerling van dokter Tolozan. Ondanks zijn vijf-en-twintig jaren, draagt deze jonge man het traditioneele kostuum der geneesheeren, want in Perzië--even als in Frankrijk ten tijde van Molière--is het voornamelijk het kleed dat den patiënt vertrouwen inboezemt. Met een grooten tulband van wit cachemire op het hoofd, gekleed in eene lange tuniek van grijze wol, waarover een violetkleurige zijden mantel hangt, heeft onze jonge vriend, vooral wanneer men hem van achteren ziet, een hoogst eerwaardig voorkomen. Hij komt in gezelschap van zijn vader, den deftigen opper-lijfarts van den gouverneur: eene waardigheid die sedert vele geslachten in zijne familie erfelijk is en waarin hij mettertijd zijn vader moet opvolgen.

Beiden komen ons uitnoodigen, den dag van morgen in hunne woning door te brengen. Dit bezoek belooft belangwekkend genoeg te zijn, want op het stuk van geneeskunde zijn de gewoonten en gebruiken der Perzen voor 't minst zeer eigenaardig en zonderling.

De perzische geneesheeren weten niets van anatomie, want het is hun uitdrukkelijk verboden, eene lijkopening te doen en zich daardoor te verontreinigen. Het is inderdaad te verwonderen, dat zij desondanks toch met goeden uitslag iemand van den steen kunnen opereeren. Over het algemeen geven zij aan hun patiënten een of ander huismiddeltje, waarvan de traditie van vader op zoon overgaat, of eenige artsenijen, voorgeschreven door Avicenna. Daar hunne volslagen onkunde hen tegenover hunne europeesche collega's in eene zeer ongunstige verhouding plaatst, trachten zij zoo lang mogelijk te beletten dat de raad van een vreemden dokter wordt ingeroepen; als dit eindelijk toch gebeurt, is de patiënt in den regel niet meer te redden, en draagt de europeesche dokter nog op den koop toe de verantwoordelijkheid voor den dood van den zieke.

Maar de zieken zelven hebben er een onoverwinlijken afkeer van om zich door een christelijk geneesheer te laten behandelen en onderzoeken. Als zij, uitgeput en afgemat door pijn en lijden en anders geen kans ziende om te kunnen genezen, er eindelijk toe komen om zich aan een onderzoek te onderwerpen, maakt de familie een ijselijk misbaar; men spreekt van goddeloosheid, van profanatie, en laat veelal liever den zieke sterven, dan de hulp in te roepen van een ongeloovige en zich daardoor den toorn van de geestelijkheid op den hals te halen.

De moeder van dokter Mohammed is het slachtoffer geworden van dit ongeloofelijk fanatisme. Ongeveer een jaar geleden werd dokter Odling bij de vrouw van zijn perzischen collega geroepen: de groote liefde, die de hakim-bashi voor zijne echtgenoote koesterde en de dringende beden van zijn zoon hadden hem, den eersten geneesheer des lands, er eindelijk toe gebracht, aan het prestige van zijn stand zulk een gevoeligen knak toe te brengen.

De zieke weigerde eerst om zich te laten onderzoeken; en de dokter stond op het punt zich te verwijderen, zeggende dat het hem onmogelijk was haar te behandelen, als hij haar niet mocht zien, toen zij eindelijk hare toestemming gaf om den Farangui bij zich te ontvangen. Zij had eene beklemde breuk; en na eenige vergeefsche pogingen tot genezing, bleek de operatie dringend noodig. Toen dat den echtgenoot werd medegedeeld, verklaarde hij dat hij daarvoor de verantwoordelijkheid niet op zich durfde nemen, en dat hij vooraf zijne familie en vooral de familie zijner vrouw moest waarschuwen. Nu werden de naastbij wonende bloedverwanten ontboden en hun het geval voorgelegd: zij beraadslaagden vier-en-dertig uren eer zij het eens konden worden, en toen dokter Odling eindelijk vergunning kreeg om tot de operatie over te gaan, was het te laat. Het koudvuur was er bij gekomen; er was niets meer aan te doen en men moest de ongelukkige vrouw laten sterven.

Stelt men aan de perzische geneesheeren geen hooge wetenschappelijke eischen, hunne diensten worden ook vrij karig beloond. Na eene lange ziekte, door genezing gevolgd, betalen de welgestelde burgers ongeveer vijftig centimes voor elk bezoek; somwijlen wordt daarop nog zoo wat vijftig percent afgedongen. De hooggeplaatste geestelijken betalen niets, maar beloven den arts hunne bescherming en voorspraak. Toch zijn de geneesheeren zeer op zulke klanten gesteld, want zij trekken uit die praktijk altijd indirecte voordeelen, die niet te versmaden zijn.

16 October.--Gelukkig was mijn echtgenoot heden morgen vrij van koorts, zoodat wij aan de uitnoodiging van den hakim-bashi gevolg konden geven. Nadat ons een zorgvuldig toebereide lunch was aangeboden, liet de eerwaardige geneesheer pijpen brengen en gaf den bedienden last zich te verwijderen. Daarop deelde hij ons mede, dat Çahabi-Divan voortdurend met de koorts sukkelde, en dat dit de eenige reden was waarom hij zich het genoegen had moeten ontzeggen, ons te ontvangen. "Ik maak mij zeer ongerust over mijn patiënt," vervolgde hij; "hij is oud en afgeleefd en kan de chinine niet goed verdragen; als de koorts blijft aanhouden, dan vrees ik dat wij spoedig een anderen gouverneur zullen krijgen. Het zou mij zeer spijten als Çahabi-Divan kwam te sterven, want hij is een waar vriend voor ons.

--Waarom beproeft gij niet hem arsenicum te geven?" zeide Marcel in het fransch.

Op het hooren van deze woorden verbleekte de jonge dokter. Zijn vader, ziende dat hij ontroerde, vroeg hem wat er gaande was.

"Zijne Excellencie stelt voor, om den gouverneur te genezen met _marge moesh_ (rattenkruid, letterlijk rattendood.)

--Dat kan niet, dat is geen edel geneesmiddel," zeide de hakim-bashi op deftigen, afgemeten toon.

Ieder zweeg, en een kwartier lang hoorde men niet anders dan het pruttelen van het water in de pijpen. Toen vroeg de oude man eensklaps, hoeveel arsenicum men iemand kon toedienen, zonder gevaar voor zijn leven. Toen hij hieromtrent was ingelicht, noodigde hij mij uit, hem in zijn anderoen te volgen.

De vrouwen van den vader en van den zoon, jonge meisjes en kinderen schijnen met elkander in de beste harmonie te leven: het is een echt aartsvaderlijk gezin. De dames bieden mij thee en koffie aan; inmiddels bekijken en betasten zij mijne zware lederen schoenen, maken de rijgveters los, zetten mijn vilten helmhoed op, doorzoeken mijn zakken en bewonderen elk voorwerp dat zij er uithalen en waarvan ik eene uitvoerige verklaring geven moet. Mijn zakdoek vooral, dien deze dames eerst voor een biddoekje hadden aangezien, wekt hare nieuwsgierigheid en belangstelling. Ik moest bij herhaling mijn neus snuiten, om het bewijs te leveren dat men dit doen kan zonder uitsluitend zijne vingers te gebruiken, zoo als in Perzië algemeen de gewoonte is.

XXVIII

18 October.--Zoo men de inwoners van Shîraz niet zonder recht van fanatisme mag beschuldigen, dan openbaart zich dat fanatisme toch vooral op eene wijze die geen geld kost, en is het ten eenemale buiten staat om van de burgers te verkrijgen dat zij hunne beurs ontsluiten ten behoeve van de godshuizen der stad. Met uitzondering van de moskee van den Vakil, die eerst in de vorige eeuw werd gebouwd, verkeeren alle bedehuizen in een staat van jammerlijk verval.

De oudste van alle moskeeën van Shîraz, en dus de meest bezienswaardige, werd in 875 gebouwd onder de regeering van Amer ben-Leis, niet minder bekend om zijne vroomheid, dan door zijne oorlogen tegen de opvolgers van den Profeet. Evenals zijn broeder Yakoeb, leefde hij eerst in goede verstandhouding met de khaliefen van Bagdad, wier vasal hij was, en bestuurde gedurende eenige jaren Irak, Farsistan, Khorassan, Seïstan en Tarbistan, onder den titel van: "Slaaf van den Beheerscher der geloovigen." Zijne onderdanigheid was echter meer schijn dan wezen. Kort na zijne troonsbeklimming, zoo verhalen ons oude perzische kronieken, beval hij den bevelhebbers der ruiterbenden van duizend om voor hem te verschijnen, de handen met goud gevuld. Toen zij, ten getale van honderd, voor hem stonden, ontsnapte hem een kreet van smart: "O, waarom heeft de hemel mij niet vergund, met een leger als dit, Hassan en Hosein te komen helpen in de vlakte van Kerbela!" Eene edele en vrome verzuchting, zoo voegt de sjiïtische schrijver er bij, waardoor deze vorst zich eene schoone en eervolle plaats verwierf in de gewesten der eeuwige gelukzaligheid.

Amer ben-Leis was niet alleen een vurig geloovige, maar ook een wijsgeer. Overwonnen op een krijgstocht tegen een tartaarsch opperhoofd, die op aanstoken van den khalief van Bagdad tegen hem in opstand was gekomen, werd hij gevangen genomen. Toen het avond geworden was, zette hij zich neder op den grond en liet door een soldaat eene zeer eenvoudige spijs gereed maken in een dier koperen vaten met wijden buik en smalle opening, die gewoonlijk gebruikt worden om de paarden te drenken, toen een hond, die op den reuk was afgekomen, zijn kop in den hals stak. Gerucht hoorende, nam het dier haastig de vlucht, en daar hij zijn kop niet spoedig genoeg uit de opening kon terugtrekken, liep hij met het vat en de spijs weg.

De gevangen vorst begon luidkeels te lachen, en toen de soldaten hem naar de reden zijner vroolijkheid vroegen, die zoo weinig strookte met den ongelukkigen toestand waarin hij verkeerde, antwoordde hij hun: "Dezen morgen nog beklaagde zich de intendant van mijn huis, dat driehonderd kameelen niet voldoende waren om den voorraad mijner mondbehoeften te vervoeren. Zie nu eens, hoezeer mijne bediening heden avond vereenvoudigd is: een hond loopt met mijn diner en mijn geheele keukengereedschap te gelijk weg."

Ondanks de zeer belangrijke schade, door herhaalde aardbevingen aan zijne muren, bogen en portieken toegebracht, ziet de oude tempel van Amer ben-Lois er nog statig en indrukwekkend genoeg uit. Midden op den voorhof, ter plaatse waar gewoonlijk het waschbekken staat, bespeur ik tot mijne groote verwondering een klein vierkant monument, van steen gebouwd, aan de vier hoeken voorzien van een lagen toren, dat, naar de verzekering van onze gidsen, eene kopie zou zijn van de Kaäba te Mekka. Het dak van dit gebouwtje, dat er over het algemeen zeer vervallen uitziet, is verdwenen. Boven aan de torens ziet men een fraaie inscriptie in blauwe letters, waaruit blijkt dat de stichting van het monumentje in het jaar 1450 plaats greep. Dit geldt uitsluitend van het kleine gebouwtje waarvan wij nu spreken; maar daaruit valt niets af te leiden omtrent den tijd der stichting van het monument, waarvoor dit gebouwtje in de plaats is gekomen. Onze gidsen wijzen ons, te midden van het puin, een grooten zwarten steen, die hier ongeveer dezelfde rol speelt als de beroemde zwarte steen in de Kaäba te Mekka. Tot mijne uiterste verbazing herken ik in dien steen een blok porfier, in vorm en versiering geheel gelijk aan de voetstukken der zuilen van Persepolis.

Waren wij niet de eerste Europeanen, die de mastsjed Djoema hebben bezocht, dan zou de legende, die Shîraz tot eene moderne stad maakt, reeds lang als onwaar zijn verworpen; want het schijnt mij niet mogelijk dat deze steen, waarvoor de bewoners van Shîraz van geslacht tot geslacht zoo hoogen eerbied koesteren, op een goeden dag en met opzet van Persepolis naar hier zou zijn gevoerd. Misschien bestond er, toen de muzelmansche veroveraars in Farsistan doordrongen, geen spoor meer van de oude stad; maar het is niet aannemelijk, dat de Achemeniden steenen paleizen, dat is dus koninklijke residentiën, zouden hebben gebouwd, verre van eenig centrum van bevolking; en dat in een landstreek waar vruchtbare en waterrijke vlakten zoo uiterst zeldzaam zijn, de vallei van Shîraz, juist in het bloeiendste en schoonste tijdperk der perzische monarchie, een verlaten wildernis zou zijn geweest, en dat nog wel onder de regeering van vorsten, die bij voorkeur in hun oorspronkelijk vaderland verblijf hielden.

Nadat wij het kleine gebouwtje, het Huis Gods genoemd, aan alle kanten hadden bekeken, richtte de mollah, die ons vergezelde, zijne schreden naar het oudste gedeelte van de moskee. Dit is eene smalle langwerpige zaal, aan het eene uiteinde versierd met een ouden, ruw bewerkten steenen mihrab, waarvan de twee zijden eene verschillende gedaante hebben. Boven dit werk van eene nog barbaarsche kunst ziet men een verrukkelijk schoon plafond van cederhout met ivoor ingelegd, een kunstwerk van hooge waarde, dat nog in goeden staat verkeert en slechts hier en daar met zorg en smaak is gerestaureerd. Mijn brave mollah schenkt mij overigens niets kwijt: hij laat mij iederen steen en ieder hoekje zien. Dicht bij den ingang, in eene zeer donkere nis, wijst hij mij een fraaie porfieren kuip. Deze kuip heeft den vorm van een regelmatigen polygoon met twaalf vakken; al de vakken zijn onderling gescheiden door zuiltjes, rustende op voetstukken in de gedaante van vazen.

Ondanks haar uiterst bouwvalligen toestand, en ondanks de talrijke misvormingen, die de eenheid van het geheel verloren hebben doen gaan, is de moskee Djoema nog een van de belangrijkste monumenten van het mohammedaansche Perzië. De aanwezigheid van eene Kaäba op het midden van den binnenhof; het oud-perzische voetstuk aan den voet der muren van het dusgenoemde Huis Gods; het oudste gedeelte van het heiligdom met zijn zonderlingen mihrab en zijn uitnemend fraai plafond; de porfieren kuip, misschien uit een antiek gebouw afkomstig:--al deze bijzonderheden zijn wel geschikt om de bijzondere aandacht van oudheidkenners en archeologen op deze moskee te vestigen.--De mastsjed Djoema schijnt overigens de type te zijn geweest, waarnaar alle andere moskeeën van Shiraz zijn gebouwd; met name de zoogenoemde nieuwe moskee, die echter reeds omstreeks het jaar 1300 werd gesticht. Dit zeer uitgestrekte gebouw schijnt weinig van de aardbevingen geleden te hebben: met uitzondering van enkele scheuren in de groote bogen, ziet het er nog vrij goed onderhouden uit, en onderscheidt zich vooral door zijne betrekkelijke zindelijkheid van de mastsjed Djoema.

De medresseh Khan zou vrij ver van deze moskee verwijderd zijn, indien men, zooals in de europeesche steden, om van het eene gebouw naar het andere te gaan, den beganen grond moest volgen; maar in het vaderland van Hafiz schiet iedereen vleugelen aan: althans wij beginnen onzen tocht naar de medresseh, met op de daken te klimmen. "Welken weg gaat gij ons nu voeren?" zeide ik tot mijn gids.

--Den kortsten weg, Çaheb; tuinen zijn in het hart der stad zeer zeldzaam; de straten zijn zeer smal en bovendien voor een deel overdekt; daarom nemen wij den weg over de daken, en ieder burger van Shiraz weet dien weg even goed als door de straten en bazars. Alleen wie te paard zit of op den middag uitgaat, volgt de straat."