Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 24

Chapter 24 3,837 words Public domain Markdown

De bedienaars van de eeredienst, doorgaans onder den naam van magiërs bekend, droegen den naam van _atravan_. Magiër was bij de Meden, zooals Levi bij de Joden, misschien den naam van den stam, waaruit de priesters, wier waardigheid van vader op zoon overging, genomen werden. Bij de Parsis in Hindostan is de priesterlijke waardigheid nog heden erfelijk in sommige geslachten. Het woord magiër, dat de oude schrijvers aan de Perzen ontleend hebben, was ongetwijfeld, in den mond van de godsdienstige vijanden der medische priesters, een scheldwoord, dat niet dan in ongunstigen zin werd gebruikt.

Wat hiervan zij, dit is zeker dat de magiërs Medië veroverd hadden en zich gereed maakten ook Perzië te onderwerpen, toen zij in de verdere volvoering hunner plannen werden gestuit door het mislukken van den aanslag van Gautama, die zich na den dood van Kambyses van den troon wilde meester maken. Darius, genoodzaakt om met kracht tegen de priesters op te treden, schijnt hen, gedurende zijne geheele regeering, met wantrouwen te hebben gadegeslagen. Onder Artaxerxes Ochus werd de eeredienst van Anahithra en Mithra in Perzië ingevoerd; later schijnen de Arsaciden, ook ten gevolge der overheersching van Alexander, nog meer tot het oorspronkelijk vreemde polytheïsme te zijn genaderd.

De Sassaniden herstelden de oude medische eeredienst in al hare zuiverheid en schonken aan de magiërs hun aloud gezag en hunne hooge waardigheid terug; toen kwamen, kort na Mohammed's dood, de Arabieren, die Perzië veroverden en met geweld van wapenen den Islam in de plaats stelden van de overoude godsdienst van Zoroaster.

Sedert eene week brengen wij onze hulde aan Ahoeramazda en leven in onafgebroken gemeenschap met de in steen uitgehouwen koningen van het oude Perzië. Wij hebben aanteekeningen en afbeeldingen gemaakt: het wordt nu tijd afscheid te nemen van de ruïnen der paleizen van de koningen der koningen en de plek te verlaten, waar eenmaal Persepolis stond. Alles is gereed: wij gaan op weg naar Shiraz, de nieuwe hoofdstad van de provincie Farsistan. Zal zij beantwoorden aan hetgeen Hafiz, de beroemdste harer zonen, van haar getuigt: "Wat is Kaïro en Damaskus, wat is de aarde en de zee? Dat zijn slechts dorpen. Shiraz alleen is eene stad."

XXVI

8 October.--Tegen het vallen van den avond hebben de bedienden en de tsjarvadars, die altijd haast maken om te vertrekken, Kenareh verlaten.

"Wij gaan vooruit, zeiden zij tot mij toen zij het dorp uittrokken; gij hebt slechts de telegraafpalen te volgen, om zeker te zijn, niet te verdwalen.

--Het is goed, antwoordde ik."

Omstreeks tien uren namen wij onze geweren en pistolen en begaven ons op weg, blijde van het vaak lastig gezelschap der toefantsjis ontslagen te zijn. Na verloop van een kwartier waren wij reeds het spoor bijster. Er was geen heirbaan te ontdekken, en evenmin zagen wij telegraafpalen; er schoot niet anders over, dan op onze schreden terug te keeren. De boer, bij wien wij onzen intrek genomen hadden, had de beleefdheid een eind weegs met ons te gaan en ons weer op het goede spoor terug te brengen.

"Volgt nu, zoo zeide hij, het spoor van de karavanen, en gij zult weldra uwe bedienden weder aantreffen, wanneer Allah zulks wil."

Zoo lang wij over den zandigen, met keien bezaaiden grond reden, hebben wij het spoor trouw gevolgd, nmar weldra kwamen wij aan effen rotsplateaux, waarop het ten eenenmale onmogelijk was, eenig spoor te ontdekken. Na links en rechts omgedoold te hebben, waren wij zoo hopeloos verdwaald, dat wij voor- noch achterwaarts durfden te gaan. Nog eene hoop bleef ons over: dat wij de palen van de engelsche telegraaflijn in het oog zouden krijgen; maar het was stikdonker, en tenzij wij tegen de palen aanreden, was er geene kans op, dat wij ze gewaar zouden worden. Bij dien bedenkelijken stand van zaken, stegen wij van het paard om te zamen te overleggen wat ons te doen stond. Wrijving van denkbeelden geeft licht, zegt een spreekwoord, dat meer hoopgevend en opwekkend dan waar is. Gelukkig hield het in dit geval zijne reputatie op. Er werd besloten, dat de een onbewegelijk op de plaats zou blijven, terwijl de ander om dit middelpunt steeds grootere kringen zou beschrijven, tot hij een of ander teeken gevonden had, dat ons op het spoor zou kunnen brengen. Deze laatste taak werd aan Marcel opgedragen, waarschijnlijk omdat hij bijziende is.

Sedert een groot half uur liep mijn echtgenoot in het rond, mij telkens toeroepende om zich te overtuigen dat wij in gemeenschap waren gebleven; reeds keerde hij, zeer teleurgesteld, tot mij terug en raadde mij aan, in 's hemels naam op den grond te gaan liggen en den dag af te wachten, toen hij eensklaps luidkeels _eureka_! riep. De wind, die plotseling was opgestoken, had de telegraafdraden boven zijn hoofd doen trillen: vermoedelijk was hij reeds verscheidene malen onder de draden doorgegaan, zonder ze op te merken. Nu viel het niet moeilijk een paal te ontdekken. Geleid door het onwelluidend geruisch van de britsche aeolus-harp, trokken wij nu den ganschen nacht voort, over hoogten en door ravijnen, steenhoopen beklimmende, waarvoor wij bij dag waarschijnlijk zouden zijn teruggedeinsd, tot wij eindelijk het spoor terugvonden. Bij het aanbreken van den morgen bespeurde ik in de verte de karavaan en de toefantsjis.

Ik wilde onze bedienden, die zich, naar ik mij voorstelde, zeer ongerust hadden gemaakt, reeds gerust gaan stellen, toen ik bespeurde dat ons onverklaarbaar achterblijven hun in het minste niet gedeerd had. Ik meende hun nu eene geduchte berisping te moeten toedienen over hunne verregaande onverschilligheid.

"Excellentie, gij doet niet wel met ons aldus harde woorden toe te spreken; de zorg voor uw kostbaar leven is de hoogste taak van uwe slaven: wij ondervragen alle voorbijgangers en onderzoeken of het verblijf in deze streek voor uwe gezondheid schadelijk kan zijn. De berichten zijn zeer ongunstig: in dezen herfst hebben de inwoners van Zargoen zoo veel van de koorts te lijden gehad, dat alle kleine kinderen bezweken zijn en dat de volwassenen, voor zoo ver zij er het leven hebben afgebracht, besloten hebben het dorp te verlaten en hun kamp op den berg op te slaan.

--Zullen wij dan zonder pleisteren de twaalf farsaks moeten afleggen tusschen Persepolis en Shiraz?

--Ongetwijfeld. Mashallah! (bij God!) drie maanden geleden, toen de muilezeldrijvers van Shiraz naar Ispahan zijn gegaan, wilden eenige inwoners van het dorp nog achterblijven, om hun oogst binnen te halen; maar nu zouden wij op de pleisterplaats noch levensmiddelen voor de menschen, noch stroo voor de paarden vinden."

Onze tsjarvadar-bashi is gansch niet in zijn schik, dat hij aldus genoodzaakt is, zijn paarden en muildieren een dubbele étappe te laten afleggen; onze rijpaarden hebben te Persepolis eene behoorlijken tijd van rust gehad en kunnen dus zonder bezwaar den tocht vervolgen, zonder te Zargoen op te houden.

De vervelende eentonigheid van het landschap, het branden van de stralen der middagzon, de langzame stap der paarden, hadden mij bijna al rijdende doen indommelen, toen ik eensklaps, door eene smalle opening tusschen de bergen, van roodachtige rotsen omlijst, eene breede vlakte bespeurde, te midden waarvan eene stad verrees door vestingwerken omringd en als het ware gekroond door bolronde koepels, met geëmailleerde tegels bekleed. Om den muur strekken zich cypressengaarden uit, niet minder schoon dan die der kerkhoven van Ejoeb en Scutari. Hier en daar, schilderachtig uitkomende tegen de donkere massa en de strenge lijnen der cypressen, verheffen zich eenige groepen van slanke, bevallige palmen. De Perzen, die een open oog hebben voor natuurschoon, roemen de aankomst te Shiraz als een der schoonste panorama's van hun land. Zij hebben zelfs aan den bergpas, waardoor men de stad voor de eerste maal gewaar wordt, den karakteristieken naam gegeven van Tang Allah Akbar (pas van "God is groot!"), doelende op den uitroep van bewondering, die, naar hunne schatting, aan de lippen van iederen vreemdeling moet ontsnappen, wanneer de nieuwere hoofdstad van Farsistan voor het eerst voor zijne oogen opdoemt.

Deze smalle bergpas, de eenige waarlangs men gemakkelijk in de vlakte kan afdalen, wordt op omstreeks een kilometer afstand van de stad, door een versterkt wachthuis verdedigd. In de balakhaneh boven de poort wordt met de grootste zorg een fraai handschrift bewaard van den Koran, dat geheel eigenhandig is geschreven door Sultan Ibrahim. De derwîsj, die met de bewaring van dezen schat is belast, schijnt maar niet te kunnen begrijpen dat wij ten zeerste naar ons logies verlangen, en dat een rit van twee-en-zestig kilometers onder eene brandende zon juist niet geschikt is om ons in de rechte stemming te brengen voor het bewonderen van oude handschriften. In het voorbijrijden werpen wij even een blik op een bas-relief, op den rotswand aan onze rechterhand uitgehouwen, en waarop Feth-Ali Shah is afgebeeld, omringd door eenigen van zijne zonen: welk bas-relief eene slechte navolging is van de beeldwerken uit den tijd der Sassaniden. Eindelijk dalen wij in de vallei af en bereiken het zoogenoemde Holle Perzië (Coele Persi), door de Perzen zelven zeer te recht het _warme land_ genoemd, hoewel Shiraz nog vijftienhonderd-vijftig el boven de zee ligt.

Eene breede allée, waardig de toegang te zijn tot eene groote stad, loopt midden door fraaie tuinen tot aan de vestingwerken, bestaande uit grachten met vuilnis gevuld, uit bouwvallige torens en ontmantelde bolwerken. Binnen de poort begint een bazar, door een groen loofgewelf overschaduwd. In de handeldrijvende buurt heerscht weinig beweging. Langs de muren liggen op den grond een aantal mannen uitgestrekt, in hunne met bont gevoerde mantels gewikkeld, en rillende van koude ondanks het branden van de zon. Verder in de stad doordringende, treft het mij, dat er van de drie winkels in den regel twee gesloten zijn; somwijlen bespeur ik, tusschen de half geopende blinden, de kooplieden, te midden hunner waren, op den vloer uitgestrekt. De karavaan trekt langzaam voort door smalle, vuile, stinkende steegjes en bereikt ten slotte een groot plein, waarvan een der zijden wordt ingenomen door de bureaux van de telegraaf. Eenige dienaren, in de poort gezeten, staan bij onze nadering op, en verzoeken ons, uit naam van den directeur van het station, om onze reis te vervolgen naar zijn buitenverblijf op drie mijlen van de stad, waar wij, volgens hen, minder gevaar zullen loopen, door de koorts te worden aangetast, dan te Shiraz. Het is niet aangenaam, na dertien uren te paard gezeten te hebben, nog verder te moeten rijden; maar het is nog onaangenamer, met ijlende koorts te bed te liggen. Wij rijden dus op nieuw de poort uit, en komen eindelijk aan eene breede oprijlaan, die ons naar een grooten tuin brengt, waarin een huis staat, half op perzische, half op europeesche manier gebouwd. Rondom het huis zijn perken aangebracht met westersche bloemen; aan de rechterhand is een moestuin, waarin kool, artisjokken en augurken worden gekweekt, en waarin appel- en pereboomen zijn geplant, die er goed uitzien.

Wij zijn dus weer in de beschaafde wereld.

De heer Blackmaur, de onder-chef van het station, ontvangt ons zeer vriendelijk en stelt twee kamers tot onze beschikking, die van tafels en stoelen zijn voorzien. Vervolgens vraagt hij ons verlof, om weer naar bed te mogen gaan, want hij is door de malaria aangetast en kan ter nauwernood op zijne beenen staan.

"Er is nog een andere Farangui te Shiraz, zegt de ferash, die ons heeft binnengeleid. Doctor Odling, de geneesheer van het personeel der beambten van het engelsche telegraafstation, zal u zeker in den namiddag komen bezoeken, als hij niet door de koorts verhinderd wordt."

9 October.--Ik was bezig met het ontpakken mijner photografietoestellen, toen ik eensklaps luide kreten in den tuin hoorde; een oogenblik later zag ik den kok, blootshoofds, met gescheurde kleeren, op het huis toeloopen.

"Recht! recht! çaheb! De tsjarvadar--moge zijn vader in de hel branden!--heeft de hand durven slaan aan den slaaf van Uwe Excellentie. Deze goddelooze hond heeft mij mijn bakshish ontstolen; toch had hij gezworen, mij eene fooi te zullen geven, als hij de huur van uwe paarden zou ontvangen. Tuchtig het galgenaas; door mij te bedriegen, heeft de schoft u beleedigd."

Het gold hier weer de eeuwige kwestie van den madakhel (gift, geschenk.) Na al onze bagage, die wij aan de zorg van den tsjarvadar-bashi hadden toevertrouwd toen wij ons te Madereh Soleiman van zijne karavaan afscheidden, weder in ontvangst te hebben genomen en in orde bevonden, hebben wij met dien braven man afgerekend. Maar nauwelijks had hij ons verlaten, of Mohammed, de kok, is hem bij wijze van commissieloon, een deel komen vragen van het geld, dat hij van ons ontvangen had. De tsjarvadar antwoordde, dat hij te Ispahan genoeg geplunderd was, en dat hij vast voorgenomen had, hem geen stuiver meer te geven.

Groote woede van onzen trouwen dienaar! Hij schold den tsjarvadar uit voor dief, ongedierte, hond, schurk, jood enz. De muilezeldrijver antwoordde op die beleedigingen, door aan den kok eene geduchte dracht slagen toe te dienen en hem op die manier eene praktische les in de wellevendheid te geven. Mohammed, zich niet in staat gevoelende op die argumenten te antwoorden, nam daarop de vlucht en wierp zich luid jammerend en smeekend voor ons op de knieën.

Ik vind het niet onaardig, het tarief van den madakhel van Mohammed te kennen, en ik ga dus den tsjarvadar-bashi opzoeken, om hem te ondervragen. Ik zoek hem vergeefs in de keuken en in den stal, tot ik hem eensklaps, bij toeval, bemerk achter eenige boomen, bezig zich met de vuist op zijn neus te slaan. Ongerust over de gevolgen van zijne drift, is hij bang straf te zullen krijgen; hij heeft nu niets beters weten te bedenken, dan zelf zijn neus aan 't bloeden te slaan, ten einde zich het voorkomen te kunnen geven van het slachtoffer van de ruwheid van Mohammed.

"Spaar uw neus, mijn brave Ali!" riep ik hem toe, zoodra ik zijne bedoeling raadde; maar hij, tevreden met het bereids verkregen resultaat, liep op mij toe, het gelaat en de kleederen met bloed bevlekt.

"Çaheb, roept hij op zegevierenden toon, zie hoe erbarmelijk uw slechte dienaar mij mishandeld heeft. Ik had hem reeds zes _tomans_ gegeven, toen hij mijne paarden gehuurd heeft; nu durft hij nog eens dezelfde som van mij te vorderen. Ik zou mij zelven ruïneeren, als ik al mijn winst aan hem moet afstaan."

In plaats van een ernstig gezicht te zetten en mij boos te maken, barst ik in lachen uit. De tsjarvadar-bashi, verbaasd over de wijze waarop ik hem ontvang, staat mij met open mond aan te gapen en schijnt van zins op nieuw op zijn armen neus los te beuken. Ik maak een einde aan dit dwaze tooneel, door hem te kennen te geven, dat ik geen enkele grief tegen hem heb; maar dat ik integendeel den ontrouwen dienaar straffen zal; daarna geef ik hem den raad, zich zoo spoedig mogelijk te gaan wasschen. In het huis teruggekeerd, neem ik Mohammed duchtig onder handen en zeg hem, dat ik mij bij den gouverneur over hem zal beklagen.

"Ik geef niets niemendal om u en om den gouverneur, antwoordt hij op onverschilligen toon; ik ben hier in eene heilige stad; ik ga naar de mastsjed; en wie er mij van daan haalt, moet vroeg opstaan."

Op dit terrein overgebracht, moest de discussie noodwendig in mijn nadeel uitvallen; ik haast mij dus, met dien schavuit af te rekenen.

"Ik jaag u weg; ga nu naar uw mastsjed.

--En mijn gescheurde kleeren; die moet ge mij vergoeden; antwoordt de onbeschaamde.

--Wend u tot den moesjteïd. Als hij logies verleent aan schavuiten zoo als gij zijt, zal hij ook wel de noodige middelen bezitten om u van kleeren te voorzien."

10 October.--Ik heb gister nader kennis gemaakt met den heer Blackmaur en met doctor Odling.

Beiden zijn weduwnaars. Na verloop van zeer weinige jaren zijn de twee jonge vrouwen, die haar lot aan het hunne hadden willen verbinden, bezweken door de koortsen, de hitte, de doodelijke verveling en martelende eenzaamheid in het vreemde land. Dadelijk na hare aankomst te Shiraz hadden zij beiden getracht, paard te gaan rijden en met inspanning van alle krachten te worstelen tegen den invloed van het afmattende klimaat; maar, zoo als trouwens te voorzien was, deze methode bleek de ware niet. De verschijning van ongesluierde vrouwen op de openbare straat had zoo zeer de algemeene verontwaardiging opgewekt, dat de beide echtgenooten, door talrijke bedienden vergezeld, niet bij machte waren geweest, de dames tegen grove beleedigingen te beschermen. De gouverneur, bij wien de twee Engelschen zich beklaagden, had niet zonder recht geantwoord, dat het roekeloos was, op die wijze de publieke opinie te trotseeren en dat men zich naar de gewoonten des lands zooveel mogelijk schikken moest. Hij zelf kon de opgewonden menigte niet in bedwang houden. Mevrouw Blackmaur en haar vriendin zouden er misschien toe zijn overgegaan, de perzische kleederdracht aan te nemen, ten einde ongemoeid op straat te kunnen verschijnen; maar in dat geval zou het haar niet veroorloofd zijn geweest zich in het openbaar met Europeanen te vertoonen. Den strijd moede, sloten zij zich op in haar tuin, de afzondering verkiezende boven de beleedigingen van het gepeupel. Mevrouw Blackmaur is den afgeloopen zomer gestorven; mevrouw Odling bezweek voor ongeveer drie weken aan de koorts; er heerscht dus in dien kring eene alles behalve vroolijke stemming.

11 October.--Ik heb den morgen doorgebracht met het ontvangen van bezoeken. Een jong inlandsch geneesheer, dien doctor Tolozan ons te Têheran had voorgesteld, was de eerste; hij werd weldra gevold door een man, die zich aankondigde als Mirza Salih Khan, beschermer der vreemdelingen te Shiraz. Hij is langen tijd secretaris van legatie te Londen geweest; maar, vreemd genoeg, hij verstaat geen woord engelsch, terwijl hij het fransch vrij goed meester is. Ik onderstel dat hij wat al te dikwijls, van de nevelige Theemsboorden, uitstapjes heeft gemaakt naar de boulevards van Parijs. Hoewel zijn collega te Ispahan nu juist geene aangename herinnering had achtergelaten, willen wij de diensten van dezen beschermer der vreemdelingen niet weigeren. Voor hij heenging noodigde Mirza Salih Khan--die gedurende zijn verblijf in Europa een kok uit Shiraz liet overkomen en hem een jaar in de leer deed bij Bignon,--ons tegen overmorgen ten eten. Tevens nam hij op zich, ons bezoek aan te kondigen bij Çahabi Dinan, onder-gouverneur van Farsistan en voogd van den jongen zoon van den prins Zelleh Sultan.

Na zijn vertrek, zijn wij de stad gaan bezichtigen. O Shiraz! bakermat der dichters, rozengaarde, paradijs der lommerijke geurige boschjes, waarin steeds de nachtegaal zingt;--wat is er van u geworden! Binnen uw vervallen muren omdolende, heb ik niets gezien dan vuile, slecht onderhouden straten, bouwvallige door de aardbevingen gescheurde monumenten, vervallen slordige huizen, armoede en ellende overal. Toch is Shiraz, dat de plaats van Istakhar als hoofdstad van Farsistan innam, niet zoo oud. Volgens de arabische schrijvers in 695 gesticht, deelde zij in de lotgevallen van het door zoo vele omwentelingen en oorlogen geteisterde rijk, maar bereikte haar toppunt van bloei eerst onder het bestuur van Kerim-Khan, den beroemden _Vakil_ (regent), die omstreeks het midden der vorige eeuw over Iran regeerde.

Kerim-Khan had Shiraz tot zijne residentie gekozen, ten einde meer in de nabijheid te zijn van de volksstammen, aan wie hij zijne verheffing op den troon te danken had. Hij omgaf de stad met muren en wallen, stichtte fraaie gebouwen, legde buiten de stad prachtige tuinen, cypressen- en oranjegaarden aan; bouwde in de wijk die nog zijn naam draagt een paleis, den overwelfden bazar, den schoonsten van de geheele stad, voorts nog een moskee, een badhuis en eene medresseh.

Kerim-Khan is te Shiraz even beroemd en populair als Shah Abbas te Ispahan; als ik een of ander monumentaal gebouw in het oog krijg, vraag ik maar niet eens meer naar den naam van den stichter: op al dergelijke vragen krijg ik onveranderlijk hetzelfde antwoord: de Vakil. Ongelukkig zijn al deze gebouwen erg gescheurd door de herhaalde aardbevingen.

Kerim-Khan zorgde niet alleen voor de verfraaiing van zijne hoofdstad: hij trachtte ook het geluk van zijn volk te bevorderen; zijne goedheid is te Shiraz niet minder beroemd dan zijne prachtliefde.

Eens had hij rechtszitting gehouden en stond op het punt zich, zeer vermoeid, te verwijderen om wat rust te nemen, toen een man zich aanmeldde, die aanstonds verlangde gehoord te worden.

"Wie zijt gij? vraagt Kerim-Khan.

--Een koopman, die door dieven van alles wat hij had werd beroofd.

--En wat deedt gij terwijl zij u beroofden?

--Ik sliep.

--Waarom waart gij ingeslapen? vroeg de vorst op toornigen toon.

--Omdat ik meende onder uwe hoede veilig te zijn.

--Gij hebt gelijk, antwoordde Kerim-Khan, getroffen door dit stoutmoedige antwoord. Men brenge dien man bij mijn schatmeester en vergoede hem de waarde van het gestolene. Ik zal voor het opsporen der dieven zorgen."

XXVII

18 October.--De eene dag volgt wel op den ander, maar gelukkig gelijken zij niet op elkaar. In gezelschap van dokter Odling en den heer Blackmaur, beiden althans tijdelijk van de koorts verlost, zijn wij bij het krieken van den dag te paard gestegen en een weg ingeslagen, die midden door de vlakte loopt. Gedurende een half uur voerde die weg door bouwland, waar boeren aan den arbeid waren; vervolgens moesten wij de helling beklimmen van den berg, die ter linkerhand de vallei omzoomt. Wij reden nu over een wijd veld, bezaaid met overblijfselen van baksteenen en aardewerk, en langs een rots, waarin een aantal kleine grafkamers waren geboord, en kwamen vervolgens aan de ruïnen van een paleis, dat zeer veel overeenkomst heeft met het paleis van Darius te Persepolis.

Het gebouw, op eene hoogte gelegen, bestaat uit eene vierkante zaal, die haar licht ontvangt door deuren, in het midden van elk der vier zijden. De openingen zijn gevat in fraai bewerkte lijsten; in de doorgangen zijn bas-reliefs, jachttafreelen voorstellende. Het gebouw is ongelukkig niet meer dan een ruïne. Eenige jaren geleden, liet een gouverneur van Shîraz een steen wegnemen, om dien als drempel bij den ingang van zijn tuin te gebruiken; bij toeval vond men oude muntstukken in de fondamenten onder dien steen. Door deze ontdekking werd zijn begeerlijkheid opgewekt, zoodat hij onder alle deuren opgravingen liet doen. Bij de eerste winterregens zakte de vochtige, omgewoelde aarde weg, zoodat een deel van het monument instortte.

Van het terras afdalende, waarop het paleis verrees, komen wij weldra aan eene kleine rivier, waarvan de kristalheldere wateren, door biezen en bloemen omzoomd, wemelen van fraaie donkerblauwe krabbetjes. Op den linker oever verrijst een bijna loodrechte rots, waarin drie bas-reliefs zijn uitgehouwen, die, wat de uitvoering betreft, de vergelijking met de beeldwerken van Nakshe-Roestem niet kunnen doorstaan, en eene zeer ongeoefende hand verraden. De figuren hebben zeer geleden, zoodat het niet meer mogelijk is de personen te onderscheiden. Alleen de koning is kenbaar aan zijn tiara en zijn lang gekruld haar.

Deze monumenten, de overblijfselen van oude vestingwerken op den berg, de ontdekking van twee rechthoekige putten, tweehonderd-twaalf el diep, op den top van een steilen heuvel, die zoowel den Tang Allah-Akbar als de vallei van Shîraz beheerscht:--dit een en ander versterkt mij in de meening dat men niet al te veel waarde moet hechten aan het verhaal der arabische schrijvers, die de stichting van Shîraz doen samenvallen met den ondergang van Istakhar.