Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 23

Chapter 23 3,619 words Public domain Markdown

Op een ander beeldwerk is de koning wandelende voorgesteld, met een langen staf of schepter in de hand en gevolgd door twee dienaren, die een waaier van vederen en een zonnescherm dragen: twee onmisbare zaken in een land, waar de zon zoo fel branden kan als in Perzië. Hier laat Darius de plooien van zijn lang overkleed langs den grond slepen; de koninklijke lijfwachten dragen hetzelfde slepende gewaad; de dienaars van lageren rang daarentegen, die door hun dienst ook buiten het paleis worden geroepen, dragen eene korte tuniek, die om de heupen met een gordel is saamgebonden, benevens de anaxyris of pantalons, waaraan op de romeinsche bas-reliefs de parthische krijgers kenbaar zijn.

Eene boven het hoofd van den koning geplaatste inscriptie luidt aldus: "Darius, de groote koning, de koning der koningen, de koning der landen, zoon van Hystaspes den Achemenide, heeft dit paleis gebouwd."

Zoo de bas-reliefs aan de deuren allen betrekking hebben op het leven van den souverein, dragen de tafreelen, die de zijwanden der trappen bedekken, daarentegen een meer huiselijk karakter. Wij zien daar een reeks van bedienden, die jonge geiten, schalen met vruchten, zakken met wijn of met graan naar het paleis dragen.

Langs de trappen, die van de binnenhoven naar de platte daken van den tempel van Edfoe voeren, herinner ik mij, in bas-relief, lange optochten te hebben gezien van priesters, die, op bepaalde feestdagen, booten of andere gewijde zinnebeelden droegen. Het denkbeeld van deze soort van dekoratie zou dus aan Egypte zijn ontleend. Maar niet alzoo de voorstelling zelve: de personen, die geacht worden langs de trappen naar het paleis op te stijgen, komen den koning, ter gelegenheid van het nieuwe jaar, een geschenk aanbieden. Sedert deze beeldwerken werden vervaardigd, zijn vijf-en-twintig eeuwen verloopen, en nog heden is deze oude en zeer winstgevende gewoonte te Teheran in zwang.--Om den overblijvenden hoek aan de boventreden te vullen, heeft de beeldhouwer onder de genoemde personen een der belangrijkste beeldwerken van Persepolis aangebracht. Het bas-relief verbeeldt een gevecht tusschen een stier en een leeuw. Deze laatste heeft zich van achteren op zijne tegenpartij geworpen en zijn machtige klauw in de zijde van den stier geslagen, die, met de voorpooten steigerend, den kop omwendt. De standen zijn naar waarheid weergegeven; vooral de poot en de schouder van den leeuw zijn uitmuntend bewerkt; de teekening is zuiver en sierlijk; de bekwaamheid, waarmede het harde porfier is bearbeid, verdient inderdaad bewondering.

Op ongeveer vijf-en-zeventig el afstands van het paleis van Darius ziet men de overblijfselen van twee andere paleizen, door Xerxes en zijne opvolgers gebouwd, en die geheel overeenkomen met de monumenten, door den stichter van Persepolis opgericht.

In noordwestelijke richting den voet des bergs volgende, komen wij aan het grootste en indrukwekkendste gebouw van deze geheele ruïnengroep: de apadâna met honderd zuilen, die eene oppervlakte besloeg van vijf-duizend vierkante meters. De deuren en de vensters aan de vier zijden zijn nog in stand gebleven, maar met uitzondering van deze zware steenen, ziet men boven den grond niets meer dan de voetstukken der zuilen.

Sommige bas-reliefs in de deurposten geven dezelfde tooneelen te aanschouwen als die in het paleis van Darius; anderen vertoonen een geheel eigenaardig karakter. Een daarvan verbeeldt ongetwijfeld het betalen der schatting of belasting. Van boven ziet men den koning, op een stoelvormigen troon gezeten, onder een troonhemel; zijne voeten rusten op eene vrij hooge vierkante voetbank; een dienaar houdt een vederen waaier boven zijn hoofd; lijfwachten omringen hem; een officier, kenbaar aan de aan zijn gordel bevestigde sabel, draagt een zwaren zak over den schouder, die waarschijnlijk de schatting bevat van eene of meer provinciën. Daaronder ziet men wederom de lijfwachten des konings, de geduchte Onsterfelijken, afgebeeld, kenbaar aan hun hoofddeksel en aan hun lang gewaad. Sommigen houden eene lans in de hand, anderen zijn met pijl en boog gewapend.

De vorm van den troonzetel is assyrisch, met dit verschil dat de pooten gedraaid, en niet eenvoudig vierkant bewerkt zijn; de afhangende draperie is zeer waarschijnlijk van goudstof en op eigenaardige wijze versierd met borduurwerk, waarin men weder de bekende stierenbeelden en het gevleugeld zinnebeeld van Ahoeramazda aantreft.

Is het niet als wilde Darius in zijn paleis alle wonderen van Azië en Afrika te zamen brengen, en tot versiering van zijne vorstelijke woning de kunstvaardigheid en de schatten der onderworpen volken als om strijd doen medewerken? Aan Ionië ontleende hij de algemeene inrichting en ordonnancie van het gebouw, den vorm der openingen en de ornamentale beeldhouwkunst; aan Lycië, de zolderingen en de terrassen; aan Egypte, de zuilen met haar voetstukken, alsmede de bekroningen der deuren; aan Assyrië de standbeelden; terwijl hij aan de Perzen de taak opdroeg om deze verschillende elementen tot een harmonisch geheel saam te voegen, geleid door dien smaak en dat gevoel voor maat en evenredigheid, die de Iraniërs bij de versiering hunner gebouwen steeds hebben ten toon gespreid.

De studie der bas-reliefs van Persepolis leert onwedersprekelijk de hoogere voortreffelijkheid der beeldwerken van den Takhteh-Dsjemsjid boven die van Madereh-Soleïman. De kunstenaars uit den tijd van Darius en zijne opvolgers hebben het veel verder gebracht in de afbeelding der plooien van de gewaden, die vroeger eenvoudig door lijnen of gekleurde strepen werden aangewezen; hun werk draagt een grootschen stempel en is, ondanks de gebreken, geheel in harmonie met de gebouwen, tot versiering waarvan het moet dienen. De teekening is zuiver; het modelé vertoont niet die zonderlinge overdrijvingen, die aan de chaldeeuwsche of ninevitische beeldwerken eigen zijn; de uitvoering is onberispelijk. Maar niet enkel de technische vaardigheid der Perzen verdient onze bewondering: hunne artistieke meerderheid danken zij voornamelijk aan hun juist begrip van den eigenlijken aard en de wezenlijke eigenschappen van het bas-relief: zij zijn de eersten geweest, die met terzijdestelling van perspektivische landschappen, al de figuren tot eenzelfde groep behoorende, op hetzelfde plan plaatsten.

Al deze arbeid is voor de volgende eeuwen verloren gegaan; de persepolitaansche architektuur, door Cyrus en zijne opvolgers ingevoerd bij een volk, voor hetwelk zij niet geschikt was, is met den laatsten vertegenwoordiger van de dynastie der Achemeniden te gronde gegaan. Dit kon wel niet anders in een land, dat gebrek heeft aan hout en waar gebakken steenen het meest praktische bouwmateriaal zijn. Vandaar dat, na den val van Darius Kodomannus, de paleizen van den Takhteh-Dsjemsjid nooit meer nagevolgd zijn geworden; de parthische koningen en de Sassaniden bouwden opnieuw paleizen en monumenten van gebakken steenen, met hooge koepels gedekt.

In den berg, aan welks voet het terras van den Takhteh-Dsjemsjid is aangelegd, bevinden zich twee in de rots uitgehouwen grafkamers. Men heeft daaruit willen afleiden, dat de gebouwen op het terras eene soort van graftempels of cenotaphen waren, zoo als de egyptische koningen die in de nekropolis van Thebe lieten bouwen. Deze voorstelling schijnt mij zeer gewaagd: de graven van Darius en van zijne eerste opvolgers zijn in de rotsen van Nakhshe-Roestem uitgehouwen, op meer dan een kilometer afstand van de paleizen, door diezelfde koningen te Persepolis opgericht. De nabijheid der twee bovengenoemde grafkamers, die bovendien langen tijd na de stichting van den Takhteh gemaakt zijn, levert dus geen voldoenden grond om aan de paleizen een karakter toe te kennen, dat daarenboven rechtstreeks door de opschriften weersproken wordt.--Zijn op deze wijze alle vragen betrekkelijk den oorsprong van Persepolis voldoende opgelost, het is vrij wat moeielijker, met juistheid den tijd te bepalen, waarop de stad te gronde ging.

Volgens de verzekering van bijna alle oude historieschrijvers, werd Persepolis door Alexander den Groote, in een nacht van uitgelaten feestvreugde, in brand gestoken. Quintus-Curtius verhaalt dat de koning van Macedonië voor de verzoekingen van de perzische hofstad was bezweken: hij ging zich schromelijk te buiten aan den wijn en voerde ook het gebruik in van die eindelooze feesten, die door maaltijden en drinkgelagen afgewisseld, bij de Perzen soms eene week duurden. Hij bracht zijne nachten aan tafel door, bekleed met de lange witte tuniek en de tiara der perzische koningen; hij sprak de taal der overwonnen barbaren, omringde zich met jongelieden uit de eerste families des lands, die zijne lijfwacht vormden, en ook met die schaar van lichte vrouwen, die steeds tot het gevolg behoorden van alle veroveraars der oudheid.

In de schaduw van eene poort van de apadâna van Xerxes gezeten, herlees ik, in het Leven van Alexander, naar de vertaling van den ouden Amyot, het verhaal van den brand van Persepolis; en hoe ongaarne ik ook de nagedachtenis van den grooten koning van Macedonië met zulk eene zware beschuldiging onteer, zoo kan ik toch, bij het zien van deze verkalkte steenen, van deze door de vlammen geteisterde zuilen en verkoolde balken, Plutarchus geen ongelijk geven.

"En het geschiedde daarna, toen Alexander zich gereed maakte om Darius nog verder te vervolgen, dat hij op zekeren dag een groot feest liet aanrichten, waarop hij zijne gunstelingen noodigde en waarbij ook de bijzitten zijner gunstelingen met haar minnaars tegenwoordig waren. Onder dezen nu was de beroemdste Thaïs, geboortig uit het land Attika, de minnares van Ptolemaeus, die na den dood van Alexander koning van Egypte werd. Deze Thaïs nu, deels Alexander met groote behendigheid prijzende, deels met hem spelende, kwam eindelijk met een voorstel voor den dag, dat wel met haar landaard strookte, maar dat ernstiger gevolgen zou hebben dan zij zich waarschijnlijk dacht. Zij zeide, dat zij zich ten volle beloond achtte voor alle moeiten en ontberingen op hare zwerftochten door de landen van Azië, met het leger des konings, nu zij hier deelnam aan een feest in het prachtige paleis der groote koningen van Perzië. Maar nog meer genoegen zou het haar doen, indien zij, bij wijze van tijdverdrijf en vreugdevuur, het paleis van dien Xerxes mocht verbranden, die de stad Athene had verbrand, en dat vooral indien het haar vergund werd, met eigen hand het vuur te ontsteken in tegenwoordigheid en onder de oogen van een zoo doorluchtig vorst als Alexander, opdat men in volgende eeuwen zou kunnen verhalen hoe de vrouwen, die zijn kamp volgden, op schitterender wijze wraak hadden genomen over het kwaad, dat de Perzen weleer aan Griekenland hadden berokkend, dan immer eenig grieksch krijgoverste ooit te land of ter zee had gedaan. Niet zoodra had zij deze woorden gesproken, of de gunstelingen van Alexander, die daarbij tegenwoordig waren, begonnen aanstonds in de handen te klappen en luid te juichen, zeggende dat dit een voortreffelijk denkbeeld was, den koning aansporende om daaraan gevolg te geven.

"Alexander gaf aan dien aandrang toe; hij sprong overeind, drukte zich een bloemkrans op de haren, nam een brandende toorts in de hand en liep vooruit; zijne gunstelingen, bekranst als hij en met fakkels in de handen, volgden hem dansende en juichende en gingen rondom het paleis.

"De andere Macedoniërs, bemerkende wat er gaande was, kwamen haastig toegeloopen met brandende fakkels en flambouwen, zeer verheugd zijnde, omdat zij in hetgeen gebeurde een teeken zagen dat Alexander naar het vaderland wilde terugkeeren en niet zijne residentie vestigen onder de barbaren, daar hij zelf het koninklijk paleis in brand stak en vernielde. Zoo werd, naar men zegt, het paleis verwoest en verbrand; maar sommigen beweren, dat het niet aldus, bij wijze van spel geschiedde, maar na rijpe beraadslaging en overweging in 's konings raad. Wat hiervan zij, dit wordt door allen erkend, dat Alexander aanstonds berouw had van zijne daad en last gaf dat men het vuur zou blusschen."

De eigenlijke stad--wel te onderscheiden van den koninklijken burcht,--die door de arabische schrijvers Istakhar wordt genoemd, deelde aanvankelijk niet in het lot van het koninklijk paleis; volgens de verzekering van sommige perzische schrijvers zou zij nog zeer lang in stand zijn gebleven. Nog in het jaar 632 onzer jaartelling was Istakhar de residentie van den laatsten koning uit de dynastie der Sassaniden. Kort daarop zou zij door Omar geheel zijn verwoest en zouden hare bewoners naar Shiraz zijn overgebracht. Sedert bleef de oude koningsstad eene verlaten ruïne.

Zeer waarschijnlijk zouden er te Persepolis nog zeer belangrijke ontdekkingen zijn te doen, maar de lucht is er zoo ongezond, de hitte zoo onuitstaanbaar, de muskieten zoo nijdig en de nabij gelegen tsjapar-khaneh zoo slecht, dat de weinige reizigers, die hier komen, niets haastigers te doen hebben dan dit verpeste land te ontvluchten, nadat zij een dag hebben gewijd aan de ruïnen van den Takhteh-Dsjemsjid.

XXV

6 October.--Toen wij gister-avond te Kenareh terugkwamen, vond ik buiten het dorp een kamp van Guebers, die een pelgrimstocht deden naar Nakhshe-Roestem. In Perzië worden met den naam van Guebers de volgelingen aangeduid van de aloude leer van Zoroaster, die vóór de invoering van den Islam de nationale godsdienst van Iran was; in Hindostan heeten deze aanhangers van een overigens schier vergeten cultus, Parsis. Heden morgen heb ik aan de nieuw aangekomen gasten laten vragen, of zij mij wilden ontvangen, waarop een gunstig antwoord volgde. Het hoofd der familie is gekleed als de Perzen uit de lagere volksklasse, met dit onderscheid dat zijne kleedingstukken, van goed laken vervaardigd, zich onderscheiden door onberispelijke zindelijkheid. Hoewel zij nieuw schijnen, is toch op den schouder een lap ingezet van eene andere kleur dan de tuniek; dit onderscheidingsteeken is voor de Guebers verplicht, om hen steeds van de muzelmannen te kunnen onderkennen. De nog jonge vrouw is van eene slanke rijzige gestalte en heeft iets elegants in haar voorkomen: haar type verschilt overigens niet van dien der mohammedaansche bevolking van Farsistan. Haar kostuum vertoont eene treffende overeenkomst met dat van Shapoer, in het bas-relief van Nakshe-Roestem: ook zij draagt de drie pantalons, en de tuniek met mouwen van de oude Mediërs, benevens de mitra met den kleinen tulband, die sinds de alleroudste tijden het hoofddeksel was der bewoners van Iran.

Onze nieuwe kennissen willen met ons naar de ruïnen gaan; zeer gaarne neem ik hun voorstel aan, en wij begeven ons te zamen naar den Takhteh. Het spijt mij zeer, dat ik het perzische dialekt, dat onze reisgenooten spreken, niet verstaan kan: ik kan mij thans niet met hen onderhouden dan door tusschenkomst van onze toefantsjis, die zij blijkbaar--en met reden--vertrouwen.

Intusschen verneem ik toch van hen, dat de godsdienst van Zoroaster, hoezeer belangrijk gewijzigd, nog heden beleden wordt door ongeveer achtduizend Gruebers, die bijna allen te Yezd woonachtig zijn, welke stad door hen de stad des lichts wordt genoemd. Geholpen en ondersteund door hunne talrijke en voor een goed deel zeer vermogende geloofsgenooten in Hindostan, onderhouden zij verschillende scholen, zij zijn tot dusver aan de dweepzieke onverdraagzaamheid der muzelmannen ontkomen, omdat zij een brief bezitten van Ali, waarin deze schoonzoon van Mohammed hun zijne bescherming belooft.

De Guebers zijn zeer ontwikkeld, verstandig en arbeidzaam; hunne zeden zijn zuiver; veelwijverij is bij hen onbekend; hunne vrouwen en dochters zouden zich ongesluierd in het publiek vertoonen, indien de perzische wet zulk een inbreuk op het mohammedaansche gebruik toeliet. Zij onderscheiden zich gunstig van hunne landgenooten door hunne waarheidsliefde en hunne spreekwoordelijke eerlijkheid in den handel. Door deze in het Oosten zeldzame eigenschappen hebben zij zich van den geheelen handel der zuidoostelijke provinciën des rijks weten meester te maken.

Op mijne vragen betreffende hunne godsdienstige gebruiken ontving ik veel minder volledige en bevredigende antwoorden. Ik vernam van mijne tochtgenooten dat de Guebers sommige monumenten van Persepolis als gewijd beschouwen, en dat zij uit alle landen, waarin zij verspreid zijn, in bedevaart naar de Atesh-ka, de koningsgraven en den vierkanten toren van Nakhshe-Roestem trekken. Zij mogen de lijken hunner afgestorvenen door roofvogels laten verslinden; maar het is hun verboden, hunne eeredienst in de open lucht uit te oefenen, zich te paard binnen de steden te vertoonen, of kleederen te dragen zonder een opgezetten lap.

De godsdienst, welke nog heden door de Guebers of Parsis beleden wordt, is een gewijzigde, verbasterde vorm van het mazdeïsme, eene zeer oude eeredienst, waarin de overoude godsdienstige denkbeelden der Ariërs, zoo als wij die uit de heilige boeken der Indiërs leeren kennen, hunne uitdrukking vonden. De Meden waren meer in het bijzonder dualisten; de Perzen, ten minste onder hunne eerste koningen, bleven monotheïsten, althans in dien zin dat de geest des kwaads altijd ondergeschikt bleef aan dien des goeds. Zij erkenden een oppermachtigen, alomtegenwoordigen God, aan wiens verschillende eigenschappen en attributen zij echter tot op zekere hoogte een zelfstandig bestaan toekenden. Volgens de overlevering, zou de profeet Zoroaster deze godsdienst bij de Mediërs hebben ingevoerd. Wanneer leefde die groote wetgever? Ik weet het niet, en het is mij een troost, niet de eenige te zijn, die op deze vraag geen antwoord kan geven. De klassieke schrijvers kennen hem eenparig een hooge oudheid toe. Hermippos en Eudoxos zeggen dat hij zes- of zevenhonderd jaar vóór Alexander, Plinius, dat hij duizend jaar vóór Mozes leefde; volgens anderen zou hij zeshonderd jaren voor de regeering van Darius geleefd hebben; de opgaven loopen dus tamelijk uiteen. Eenige moderne schrijvers zijn van meening, dat Zoroaster een tijdgenoot van Darius is geweest; dit schijnt echter minder juist, want Darius beroemt er zich op, dat hij de door de magiërs verwoeste altaren weder heeft opgericht, waaruit dus volgt dat de oude eeredienst reeds voor zijn tijd bestond.--Inderdaad weet men niet met zekerheid, of Zoroaster ooit bestaan heeft.

Volgens de iranische traditie werd Zoroaster te Oermiah in Medië, in de tegenwoordige provincie Azerbeïdsjan, geboren. Zijne kindsheid en jeugd was eene aaneenschakeling van worstelingen met booze demonen; op zijn dertigste jaar verscheen hem een hoogere geest, die hem in tegenwoordigheid van Ahoeramazda bracht. De profeet mocht der godheid allerlei vragen stellen over de plichten van den mensch, de wijze van godsvereering, de geestenwereld, de engelen en demonen en wat dies meer zij. Hij ontving nu van den oppersten God de Avesta of het boek der wet, waarmede hij naar de aarde terugkeerde. Hij begaf zich daarop naar het hof van Gusthasp, koning van Baktrië, bracht de magiërs des konings, die hem weerstonden en ter dood wilden brengen, door allerlei wonderen en teekenen tot zwijgen, en wist eindelijk te bewerken dat de koning met zijn gezin de nieuwe godsdienst omhelsde.

De Zend-Avesta was eene soort van kanonische encyclopedie en tevens een liturgisch boek, dat niet alleen voorschriften bevatte omtrent de zedeleer, maar ook omtrent de eeredienst. Zeer langen tijd was deze heilige schrift der Perzen in het Westen ter nauwernood bij naam bekend; nu ongeveer een eeuw geleden, werd zij door Anquetil-Duperron naar Frankrijk gebracht.

Niet minder dan een-en-twintig boeken werden aan Zoroaster toegeschreven en vormden te zamen de Zend-Avesta; volgens de overlevering bestond de verzameling nog kompleet ten tijde van Alexander. Tegenwoordig bezit men nog twee verzamelingen van fragmenten: de Vendîdâd Sâdeh en de Yesht Sâdeh. De eerste van deze verzamelingen bestaat uit den Vendîdâd of het boek tegen de demonen, uit den Yaçna, het boek der offerande, en den Vispered, het liturgische boek; al deze boeken zijn in het zend of medisch geschreven.

Voor alle dingen beveelt de godsdienst van Zoroaster haar volgelingen de aanbidding van Ahoeramazda, den goeden en wijzen geest, den lichtende en stralende, den zeer goede, zeer groote, zeer volmaakte, zeer schoone en zeer werkzame. Hij is de gevleugelde god, dien Darius op de bas-reliefs der koningsgraven aanbidt. Ahoeramazda werd in zijn werk der wereldschepping en onderhouding bijgestaan door zes Amescha Çpentas en door een groot aantal lagere geesten, de Yazatas; onder de Yazatas staan nog andere geesten of beschermengelen, die ieder voor een bijzonderen persoon hadden te zorgen. Deze geesten, Sa-fravashi genoemd, waren te gelukkiger naarmate zij hunne taak op aarde beter konden volbrengen.

Terzelfder tijd dat Ahoeramazda, wiens naam Alwetende Heer beteekent en die ook Çpenta Mainyoe genoemd wordt, de wereld schiep, vertoonde zich het beginsel des kwaads onder de gedaante van Angro Mainyoe of Ahriman. Angro Mainyoe schiep uit niets alles wat kwaad, verderfelijk en schadelijk was, zooals Ahoeramazda het licht, de schoonheid en het goede geschapen had. Ook de geest des kwaads had medehelpers noodig voor de vervulling zijner noodlottige taak; daarom schiep hij de deavas, die overal ellende, jammer en zonde moesten brengen. De zes machtigsten onder deze demonen waren de aangewezen tegenstanders van de Amescha Çpentas.

De maatschappelijke en zedelijke voorschriften van de Avesta munten uit door wijsheid. De wetgever heeft zich de vorming eener rustige, welvarende en gelukkige maatschappij voorgesteld. Tot grondslag van geheel zijn ekonomisch stelsel, dat van een zeldzame mate van doorzicht en zorgvuldige behartiging aller belangen getuigt, neemt hij den landbouw, den oudsten en eerwaardigsten menschelijken arbeid. De eigenlijke voorschriften der moraal en der godsdienst zijn eenvoudig; Zoroaster verlangt alleen dat de mensch de godheid met gebeden en offers zal eeren; voorts beveelt hij eenvoudigheid des harten, waarheidsliefde en eerlijkheid in handel en wandel aan.

Ahoeramazda had noch tempel, noch standbeeld, maar op de toppen van gewijde bergen en heuvels stonden altaren, waarop de priesters het eeuwige vuur moesten onderhouden. De Perzen offerden ter eere van den god ossen, paarden, geiten en schapen; het vleesch van die dieren werd voor het vuur geplaatst, maar niet in aanraking gebracht met de vlam zelve, die daardoor zou zijn verontreinigd geworden. De vrees om hetzij de aarde, hetzij het water, hetzij het vuur te verontreinigen, was dan ook de reden waarom de volgelingen van Zoroaster hunne dooden niet begroeven, niet in de rivier wierpen en ook niet verbrandden. Zij legden de lijken neder in eene soort van torens, die van boven onbedekt bleven, en waar zij door de roofvogels konden worden verslonden. Gedurende drie of vier dagen na het overlijden, vertoefde de ziel nog in de nabijheid van haar stoffelijk omhulsel; dan verscheen zij voor het goddelijk gericht. De engel Rashnoe plaatste in eene weegschaal hare goede en hare zondige handelingen, en bracht haar vervolgens naar eene smalle brug, die boven de hel was gebouwd. Hadden de zondige daden het overwicht boven de goede, dan stortte de ziel in den afgrond en werd de prooi van Ahriman; in het tegenovergestelde geval schreed zij ongedeerd over de brug en verscheen voor den aartsengel Vohoe-Mano, die haar naar Ahoeramazda geleidde.