Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 22

Chapter 22 3,720 words Public domain Markdown

--Dring er niet verder op aan; ik zal u nooit toestaan, dezen tocht te wagen. Gij weet niet, welk eene zonderlinge gewaarwording zich meester maakt van iemand, die vijftien ellen boven den grond aan een touw hangt te zweven. Ik ben er ook volstrekt niet zeker van, dat gij vasten voet zoudt weten te zetten op het plat, of dat gij u stevig zoudt vastbinden bij het aflaten. Gij gaat niet naar de graven."--Dit zeggende gaf hij den mannen boven op de rots een teeken dat zij naar beneden konden komen.

Natuurlijk protesteerde ik tegen het verbod van mijn echtgenoot, maar het baatte niet: voor de eerste maal sedert ik hem gehoorzaamheid gezworen had, moest ik mij aan zijn wil onderwerpen.

Aangenomen dat mij, bij het bezoek der graven, een ongeluk ware overkomen, dan zou dit toch stellig minder opzien hebben gebaard, dan toen voor omstreeks vier-en-twintighonderd jaren de ouders van Darius, bij eene dergelijke gelegenheid, het leven verloren. De koning had hen uitgenoodigd, zijn graf te komen zien, en droeg aan veertig magiërs de zorg op, om de mand naar boven te hijschen, waarin de oude lieden waren gezeten. De veertig priesters klauterden op den top der rots, grepen de touwen en trokken de ouders van hun koning voorzichtig en langzaam naar boven. Maar zie, daar schoot eensklaps eene reusachtige slang uit de rots te voorschijn en verspreidde een panischen schrik onder de magiërs, die in hunne verbijstering de touwen loslieten, zoodat de mand met haar kostbare vracht tegen den grond plofte. Darius, wiens toorn en droefheid geene palen kende, liet de ongelukkige priesters gevangen nemen en voor zijne oogen spietsen.

Onder de graven der oude koningen bevinden zich de beroemde beeldwerken uit den tijd der Sassaniden, waaraan de geheele groep van monumenten aan den ingang der vlakte van de Merdash den naam te danken heeft van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem).

Een dezer bas-reliefs, dat eene lengte heeft van ongeveer elf meter, moet de zegepraal vereeuwigen door den koning Shapoer over keizer Valerianus behaald. De perzische koning zit te paard; de romeinsche keizer, met den lauwerkrans om de slapen, schijnt geknield de barmhartigheid van den overwinnaar af te smeeken. De onderworpen houding van den gevangen Caesar verhinderde niet, dat de Shâh hem zes jaren lang bij het te paard stijgen, als voetbank gebruikte, en hem ten slotte liet spietsen en zijn lijk in triomf voor het leger uitdragen. Eene inscriptie vermeldt de overwinning bij Edessa, door Shapoer op de Romeinen behaald.

Het onderwerp van het tweede bas-relief is minder gemakkelijk te begrijpen. Twee koningen, te paard gezeten, houden te zamen een ring of een dergelijk voorwerp vast, misschien een teeken van bondgenootschap. Hunne rustige kalme houding vormt een scherp contrast met de krijgshaftige drift van twee gewapende mannen, die, op een derde bas-relief met gevelde lans op elkander aanstormen. Dit laatste bas-relief, dat bijna gelijk met den grond is, heeft ongelukkig zeer veel geleden.

De monumentale beeldhouwkunst uit het tijdperk van de Sassaniden schijnt meer aan de romeinsche, dan aan de grieksche kunst verwant. De beelden, door de Muzelmannen zoo veel mogelijk vernield, verkeeren thans in zoodanigen toestand, dat het niet meer mogelijk is over de bewerking van het naakt te oordeelen; maar de handen, die in vele gevallen nog ongeschonden zijn, zijn plomp en zeer oppervlakkig behandeld; de drapeering is onnatuurlijk en gezocht en mist daardoor waarheid. Daarentegen is de houding der koningen edel en eenvoudig, en verraden de dieren, met name de paarden, de hand van bekwame meesters, die zich vrij wat beter rekenschap wisten te geven van de eischen der dekoratieve kunst, dan de vervaardigers van de bas-reliefs in het bovenste gedeelte van de vier koningsgraven.

Het laatste en misschien het belangrijkste monument in de groep van Nahkshe Roestem bevindt zich zuidwaarts van de grafkamers.

Dit zijn twee Atesh-ka (vuuraltaren), die op de plaats zelve in de rots zijn uitgehouwen. Zij bestaan uit eene vierkante tafel, rustende op vier massieve rondbogen, die gedragen worden door vier pilaren in hoog relief. De bovenrand van het altaar bestaat uit eene soort van krans van driekantige kanteelen. De geheele bewerking is ruw en barbaarsch, en getuigt van eene kunst, die op vrij wat lager trap stond dan die, welke de monumenten uit den tijd van Cyrus schiep. Let men daarenboven op het zuiver assyrisch karakter der kanteelen, der bogen en pilaren, dan komt men gedeeltelijk tot het besluit dat de Atesh-ka van Nakhshè Roestem de oudste monumenten in de vlakten van den Polvar en de Merdash zijn en uit den tijd vóór Cyrus dagteekenen.

De eerwaardige herinneringen en vrome traditiën, aan deze antieke vuuraltaren verbonden, waren vermoedelijk een der redenen, die Darius bewogen, den naburigen berg uit te kiezen als koninklijke begraafplaats. Ongetwijfeld lieten later de Sassaniden, om dezelfde redenen, in dien rotswand de bas-reliefs beitelen, die hunne overwinningen moesten vereeuwigen. Ten allen tijde waren de Atash-ka van Nakhshè Roestem, voor de aanhangers van Zoroaster, eene bij uitnemendheid gewijde en druk bezochte bedevaartsplaats; en nog in onze dagen, nu de betrekkelijk weinige Parsis welhaast de herinnering van hun roemrijk verleden hebben verloren, komen de pelgrims uit Indië in grooten getale, om een bezoek te brengen aan de vuuraltaren, en aan het mausoleum, dat in den omtrek bekend staat onder den naam van de Kaäba der Guebers.

XXIII

6 October.--De noodzakelijkheid om ons op nieuw van levensmiddelen te voorzien, de onmogelijkheid om nog langer de martelingen van de muskieten uit te houden, hebben ons twee dagen geleden doen besluiten, om ons afschuwelijk krot te verlaten en een onderkomen te zoeken in het dorpje Kenareh, op twee farsaks afstand van het persepolitaansche paleis. Wij zijn nu wel verplicht, 's morgens en 's avonds, een vrij langen rit te maken om de ruïnen te bereiken; maar wat zou men niet doen, om aan de muskieten te ontkomen, die u geregeld iederen nacht den slaap ontrooven?

Wij hebben een behoorlijk logies gevonden in de opperzaal van eene boerenwoning. De muur en de zoldering zijn van leem; een strooien mat op den vloer en een koperen kan, vormen het gansche ameublement. De inrichting lijdt dus niet aan bovenmatige pracht; maar toch zijn wij hier op ons gemak; de hooge ligging van de kamer beveiligt ons tegen de vochtige ongezonde uitwasemingen van den grond en vergunt ons de zuivere, frissche berglucht in te ademen, die door den oostenwind wordt aangevoerd. Deze voordeelen moeten echter met eenige offers worden gekocht: daar wij gedwongen zijn op het platte dak ons middagmaal te gebruiken, en daar ook de clichés te bereiden, zijn wij het voorwerp geworden van de belangstellende nieuwsgierigheid van een aantal vrouwen, ouden en jongen, die op de naburige daken samenscholen.

Het komt mij voor, dat de type van het ras gaandeweg eene verandering ondergaat: ik zie jonge vrouwen van eene slanke gestalte, met blauwe oogen en blonde zijdeachtige haren, zoo als ik in Perzië nog niet gezien heb; onze tsjarvadar, een inboorling dezer streek, is rossig en heeft paarsachtig groene oogen. Dit trok mijne aandacht; op mijne navraag, vernam ik, dat rossig blonde haren en groene oogen steeds minder zeldzaam worden, naarmate men verder naar het zuiden komt. Over het algemeen wordt de type schooner. Ik moet er echter bijvoegen, dat ook te Kenareh, zoo als trouwens in het geheele Oosten, de bejaarde vrouwen erg vervallen en terugstootend leelijk zijn: de verregaande onzindelijkheid, die met name in Farsistan heerscht, maakt haar nog afzichtelijker. De boerinnen kammen bijna nooit heur haar, wasschen zich uiterst zelden, en dragen haar kleederen, zonder wasschen, tot zij haar aan flarden bij het lijf hangen. Een katoenen rok, halverwege den buik vastgemaakt en nauwelijks tot de knieën reikende; een wijd hemd, dat op de borst geopend is, maar niet verder gaat dan het middel:--ziedaar haar eenige kleeding.

Maar indien alzoo het lichaam aan alle invloeden van lucht en klimaat is blootgesteld, wordt daarentegen het hoofd zorgvuldig beschermd tegen de zon en de koude, en wel door middel van een geheele vracht vieze sluiers en smerige doeken, die om het hoofd gewonden worden. De boerinnen zijn goede moeders en houden alle lappen en vodden niet voor zich alleen: de kleine kinderen, voor wier gezondheid het schadelijk zou zijn, als zij voor hun derde jaar gewasschen werden, zijn zelfs in den winter geheel naakt, maar ook bij hen wordt het hoofd bedekt en omwikkeld met zulk eene vracht van lappen en doeken, glaskoralen en amuletten, dat zelfs de grootsten en sterksten klein en nietig schijnen onder dit monsterachtig kapsel, ten eenemale buiten verhouding tot hunne gestalte. Deze eigenaardige methode van kleeding, gevoegd bij de gewoonte om de pasgeboren kinderen op den derden dag te aderlaten, ten einde het onreine bloed der moeder af te tappen; bij de wonderlijke manier om hen al aanstonds met waterachtige vruchten te voeden, en vooral bij de onbeschrijfelijke onreinheid, is eene voldoende verklaring van het ontzaglijk sterftecijfer der kleine kinderen. Perzische moeders, die tien of twaalf kinderen ter wereld hebben gebracht, beschouwen het dan ook als een bijzonder voorrecht, als zij er drie of vier in het leven mogen behouden.

Men zou haast meenen dat Mohammed, toen hij zijn volgelingen de vijf dagelijksche wasschingen voorschreef, de dorpen van Farsistan had bezocht.

De bewoners dezer streek kunnen zich, tot verontschuldiging van hunne onzindelijkheid, ook niet beroepen op gebrek aan water of op hunne armoede: de omstreken van Persepolis worden door talrijke kanalen doorsneden en de grond is bij uitnemendheid vruchtbaar en goed bebouwd. Overal echter waar het water niet heengeleid kan worden, is de grond dor en onbebouwd; toen ik mij dus, vergezeld van onze toefangtsjis, naar de ruïnen begaf, was ik zeer verwonderd, dicht bij den Takhteh, die boven een kaal plateau oprijst, zes pas opgeworpen aardhoopen te ontdekken.

"Waarvoor delft men kuilen in deze woeste vlakte? vroeg ik aan onze gidsen.

--Deze aardhoopen bedekken de graven van gepleisterden, antwoordde een hunner. Hier liggen zes bandieten begraven, die de vorige maand gevangen en voor eenige dagen ter dood gebracht zijn. Sedert eenige jaren werd de provincie bestuurd door een broeder des konings, een vroom man, maar te goedhartig en te zwak. Verzekerd van straffeloosheid, maakten bandieten en moordenaars de openbare wegen onveilig en plunderden de karavanen, tot de Shâh eindelijk tot het besluit kwam om zijn broeder terug te roepen en in zijne plaats zijn kleinzoon te benoemen, een kind van twaalf jaren. Terzelfder tijd voegde hij als voogd aan den jongen prins een onder-gouverneur toe, die in geheel Iran om zijne strengheid bekend was.

--Maar wat is nu die bepleistering?

--O Çaheb, te oordeelen naar de kreten en stuiptrekkingen van den patiënt, moet het eene verschrikkelijke straf zijn. Men graaft een kuil in den grond en plaatst dwars daarover eene ijzeren staaf, waaraan de voeten van den veroordeelde worden vastgemaakt, zoodat zijn hoofd bijna den grond van den kuil raakt; dan laten de beulen gips of pleister in den kuil vloeien. Is de kuil daarmede gevuld, dan werpt men de uitgegraven aarde weer daarover heen, en zoo ontstaan de hoopen, die gij ziet."

Overdreven gevoeligheid wordt op reis, vooral in het Oosten, spoedig afgestompt; toch kon ik, op het hooren van dit eenvoudig verhaal, geene beweging van afgrijzen onderdrukken.

"Gij keurt misschien de handelwijze van den gouverneur af? hernam de toefantsjis.

--Ja, zeer zeker.

--Gij hebt gelijk. Het is inderdaad jammer, op deze wijze eene aanzienlijke hoeveelheid pleister te verspillen, daar men de bandieten toch op veel goedkooper manier kon laten doodslaan; maar gij zoudt toch de hoogere uitgave niet afkeuren, zoo gij wist welk een heilzamen invloed deze strafoefening op alle roovers uitoefent."

Naar de redeneering van mijn gids luisterende, bereik ik den voet van een terras van tien el hoogte, uit zorgvuldig saamgevoegde steenblokken opgetrokken. Deze kolossale onderbouw, in Perzië bekend onder den naam van den Takhteh Dsjemsjid (troon van Dsjemsjid), rust tegen eene kale bergketen en herinnert aan het terras van Madereh Soleïman, waarvan dit gebouw zeker eene kopie is. De bovenvlakte van het terras is in drie verdiepingen verdeeld. Een prachtige dubbele trap van honderd-zes treden, door twee breede portalen afgewisseld, voert uit de vlakte naar de tusschenverdieping. De helling van de trap is zoo groot en de hoogte der treden is zoo gering, dat men zonder moeite te paard op- en af kan stijgen; tien mannen naast elkander kunnen te gelijk deze koninklijke trap beklimmen. Ik stijg naar boven en bevind mij in Persepolis.

De traditioneele geschiedenis van Perzië, zoo als die door de nationale heldendichters wordt verhaald, geeft niet veel licht voor de studie der monumenten van Persepolis. Raadpleging van de grieksche schrijvers zou dan nog de voorkeur verdienen: maar de ontcijfering van de inscripties in spijkerschrift op de wanden der paleizen heeft aan de tot dusver bestaande onzekerheid en de heerschappij der algemeen aangenomen legenden een einde gemaakt. Wij weten nu dat de Takhteh Dsjemsjid het werk is van Darius en zijne eerste opvolgers.

Heeft men de trappen beklommen, dan staat men tegenover twee reusachtige stieren met menschenhoofden, die in de steenen posten van eene hooge poort zijn uitgehouwen. Deze fantastische dieren komen in gedaante overeen met de dieren van Ninive, maar zijn grooter en fraaier bewerkt dan de wachters der paleizen van Esar-Haddon en Sanherib. Even als hunne assyrische voorbeelden, dragen ook zij de koninklijke tiara der oude vorsten van Chaldea; de zes gekromde hoornen aan de tiaar zijn de teekenen van de goddelijke natuur van het dier.

Deze hybridische wezens, vervaardigd naar het beeld van een fabelachtig dier, dat de legendarische held Isdoebar op de jacht doodde, waren sedert de oudste tijden de wachters, men mag wel zeggen de beschermgeesten der paleizen van het oude Oosten. De assyrische monarch Assoer Banipal beroemt er zich op, reeds in de negende eeuw voor Christus, dat hij de gevleugelde stieren heeft omgeworpen van de poorten der paleizen van Elam, "waaraan tot dien tijd nog niemand had geraakt."

Boven de sierlijk gekromde vleugels van de stieren zijn drie inscripties in spijkerschrift, in drie verschillende talen, aangebracht; wij leeren daaruit dat deze grootsche portiek het werk is van Xerxes.

"Een groote god is Ahoeramazda: hij heeft de aarde gemaakt, hij heeft den hemel gemaakt, hij heeft den mensch gemaakt; hij heeft den mensch het geluk gegeven: hij heeft Xerxes gemaakt tot eenigen koning over duizenden menschen, tot eenigen heerscher over vele duizenden."

"Ik ben Xerxes, de groote koning, de koning der koningen, de koning van de volkrijke landen, de koning der aarde, die heerscht van verre en nabij. Ik ben de zoon van Darius, den koning uit het huis der Achemeniden."

"Xerxes, de groote koning, zegt alzoo: "Deze poort, genaamd Viçadahyu, heb ik gebouwd, nevens vele andere monumenten, die ik gebouwd heb in dit Parça; ik heb ze gebouwd, zoo als mijn vader ze gebouwd heeft, en al deze heerlijke gebouwen hebben wij gemaakt door de genade van Ahoeramazda."

"Xerxes, de koning, spreekt alzoo: "Dat Ahoeramazda mij bescherme, mij en mijn rijk, en mijn werk, en de werken van mijn vader! Dat Ahoeramazda die bescherme!"

Achter de deurpijlers ziet men de overblijfselen van vijf zuilen, die de zoldering van de portiek droegen; daarachter, aan de andere zijde van de portiek, staan weder twee stieren, geheel overeenkomende met de eersten. Als men de vestibule, die door deze indrukwekkende geniën wordt bewaakt, is doorgegaan, beklimt men eenige trappen en betreedt de _apadâna_ van Xerxes.

De apadâna of troonzaal komt overeen met den talar, waarin de perzische koningen nog heden plechtige audiëntiën verleenen, de gezanten van vreemde mogendheden ontvangen of, ter gelegenheid van de feesten van het nieuwe jaar, de hulde en de geschenken van hunne onderdanen.

Het paleis van Xerxes bestond uit eene groote zaal, waarvan de zoldering door zes-en-dertig zuilen werd gedragen, en die aan drie zijden door portieken was omgeven. De zolderingen dezer portieken rustten op twee rijen pilaren, waarvan de kapiteelen gevormd werden door de aaneenverbonden voorlijven van twee stieren. Op deze zuilen rustte eene vlakke houten zoldering. Daar de perzische architektuur, sedert Cyrus, geene andere dan zeer elegante, dunne zuilen kende, was het niet mogelijk daarop, als bij de egyptische tempels, zware steenen architraven en zerken aan te brengen. Dat de zolderingen niet anders dan van hout kunnen geweest zijn, volgt reeds uit de groote ruimte tusschen de kolommen, uit hunne hoogte en zeer geringen omvang; ook ziet men nog aan de kapiteelen, tusschen de schouders der stieren, de plaats waar de balken werden ingevoegd; maar elke twijfel is onmogelijk geworden, sedert men, nu eenige jaren geleden, de verkoolde overblijfselen van het hout gevonden heeft. Deze zoldering was van cederhout, dat alzoo van grooten afstand, uit de bosschen van den Libanon, moest worden aangevoerd. De zoldering werd met eene laag aarde bedekt, om de warmte af te weren, en deze laag weder met een vloer van gebakken steenen belegd.

Men heeft het paleis van Xerxes vergeleken met den Tsjeel Soetoen van Ispahan, en met het oog op de lichte en luchtige zoldering van den talar in laatstgenoemd paleis, beweerd, dat ook de paleizen te Persepolis slechts eene eenvoudige houten zoldering zonder aardlaag hadden. Dit is onjuist; vergeleken bij het klimaat van Persepolis, is de temperatuur te Ispahan betrekkelijk koel; eene bedekking, die aan de oevers van den Zendeh-Roed ten volle aan de vereischten beantwoordt, zou in de vlakte van de Merdash ten eenemale onvoldoende zijn, om het paleis in het warme jaargetijde bewoonbaar te maken.--Doch wat hiervan zij, en welke dan ook de vorm der zoldering moge geweest zijn, zooveel is zeker, dat de apadâna een grootschen aanblik moet hebben opgeleverd. Als ik mij eene voorstelling maak van de groote hal, met haar portieken, haar marmeren of porfieren zuilen, haar kapiteelen met de stierenbeelden, waarvan de oogen, de hoornen en de halskettingen verguld waren; met haar zoldering van cederhout, haar wandbekleeding met gekleurde tegels en email; haar rijk gekleurde en vergulde kroonlijsten; haar zijden draperiën voor de deuren, de fijne, zachte, kleurrijke tapijten op den vloer;--dan kan ik zeer goed begrijpen, welk een machtigen indruk de paleizen van den grooten koning op de bezoekers moesten maken.

Na dit gebouw nauwkeurig te hebben opgenomen, ga ik om een tweede monument heen, ten einde aan de oostzijde de trappen te gaan opzoeken, die daarheen toegang geven. Twee trappen, evenwijdig met den voorgevel, voeren naar eene op acht zuilen rustende portiek, het voorportaal van een paleis, dat, naar mij voorkomt, de bijzondere vertrekken van den monarch bevatte. Eene deur, ter wederzijde door twee vensters geflankeerd, geeft uit de portiek toegang tot een zuilenhal, waarvan de zoldering door zestien kolommen gedragen wordt. Deze zaal heeft vijf groote openingen of doorgangen, die de gemeenschap vormen met verschillende kamers en vertrekken, welke de middelste hal omringen. In de wanden ziet men verder, behalve de reeds genoemde vier vensters, die op de portiek uitkomen, groote rechthoekige nissen, overeenkomende met de takhtsjés, die men nog tegenwoordig in de perzische woningen vindt. De posten, de lijsten en de bekroningen der deuren en der vensters, alsmede de voetstukken der zuilen, zijn van donker-grijs porfier en uitmuntend bewerkt.

Rondom de nissen en de vensters, aan de binnenzijde der deuren, op de draagmuren der trappen, zijn, bij wijze van ornament, inscripties in zeer fraai spijkerschrift aangebracht. Deze opschriften deelen ons belangrijke bijzonderheden mede aangaande de stichting van dit paleis; wij vernemen daaruit dat het door Darius werd begonnen en door zijn zoon Xerxes voltooid.

Van het meeste belang zijn in deze oude vorstelijke woning wel de beeldwerken in bas-relief, waarmede zij versierd is. Deze beeldwerken, even als de inscripties, op de zijwanden der trappen en in de doorgangen der deuren aangebracht, verdienen niet alleen de aandacht en de belangstelling om hunne artistieke waarde, maar ook om hetgeen wij daaruit kunnen leeren ten aanzien van de kleederdracht en het huisraad der oude Perzen.

Tot op de regeering van Cyrus, droegen de Perzen het met beestevellen gevoerde gewaad, dat door de grieksche schrijvers, en met name door Aristophanes, onder den naam van het perzische wordt aangeduid. Dat is de tuniek, waarmede Cyrus op het bas-relief van Madereh-Soleïman is bekleed. Later, na de verovering van Medië, zoo verhaalt ons Herodotus, namen de veroveraars de verwijfde kleederdracht aan van de noordelijke Ariërs en de lange geborduurde kleederen der groote heeren van Ekbatana. De perzische koningen namen zelfs de tunieken, de drievoudige pantalons, de dubbele vesten en den mantel der medische dames over.

De eerste tuniek was wit en reikte niet verder dan tot aan de knieën; de tweede was met bloemen geborduurd en hing tot op de voeten; de mantel was in den winter van purper, en des zomers mede met bloemen geborduurd; de aanzienlijken droegen op het hoofd eene tiara, in vorm vrij wel overeenkomende met de hooge wollen mutsen, die nog heden ten dage de boeren in Farsistan dragen; de lieden uit de volksklasse droegen eene soort van muts van zachte vilt, die onder de kin werd vastgeknoopt. Herodotus schrijft aan dit soort van hoofddeksel de weinige vastheid en dikte van den schedel der Perzen toe.

De verandering in de mode, waarvan Herodotus en Strabo melding maken, wordt volkomen bevestigd door de bas-reliefs van Madereh-Soleïman en van Persepolis: het kostuum van Darius en zijne opvolgers verschilt ten eenemale van dat van Cyrus en komt daarentegen volkomen overeen met de tot ons gekomen beschrijving. Dit feit, waarvan ieder zich door de beschouwing der monumenten overtuigen kan, bevestigt ook hetgeen ik reeds vroeger opmerkte, dat de paleizen van Persepolis van jonger dagteekening zijn dan de gebouwen in de vlakte van den Polvar, en dat het bas-relief van Madereh-Soleïman inderdaad den grooten Cyrus voorstelt.

Het eerste bas-relief dat mijne aandacht trekt, stelt een jachttafreel voor. Op de jacht, en vermoedelijk bij alle gelegenheden als hij zijne volle vrijheid van beweging noodig had, bond de koning zijne tweede tuniek op en stak die in zijn gordel, terwijl hij zijn mantel over den schouder wierp. Zoo is hij te Persepolis afgebeeld. Een leeuw, soms ook een fabelachtig monster, staat op de achterpooten voor den koning, gereed hem aan te vallen. De monarch wacht den aanval af met die volmaakte kalmte, welke den echten Oosterling nooit verlaat, en steekt het monster met de rechterhand een dolk in de borst. De teekening en het modelé van dit beeldwerk, waarvan het onderwerp zoo vaak terugkeert, zijn in een zeer goeden stijl; de uitwerking is onberispelijk; het dier is blijkbaar naar de natuur bestudeerd, en ook de behandeling van de draperiën verraadt eene niet onbeteekenende mate van studie.