Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 21

Chapter 21 3,864 words Public domain Markdown

Soerneh, waar wij na een rit van zes uren aankomen, is een klein stadje, door aarden wallen omringd; in vroeger tijd was het vlek vermoedelijk van meer beteekenis dan thans, want tusschen de tuinen ziet men nog de overblijfselen van eene oude vesting uit den tijd der Sassaniden. Op eenigen afstand van het dorp vindt men nog sporen van oude vestingwerken uit de eerste eeuwen onzer jaartelling.

XXI

28 September.--Wij hebben Dehbid bereikt, tweeduizend-vierhonderd el boven de zee, het hoogste punt van den weg van Ispahan naar Shirâz. Het kleine, zeer armoedige dorpje bestaat uit eene oude, zeer vervallen citadel, enkele uit leem opgetrokken huizen en een station van de engelsche telegraaflijn: alles even ellendig.

De beide laatste etappen duurden zeer lang en waren buitengewoon vermoeiend: de met losse keien bedekte wegen waren zeer steil en dus zeer bezwaarlijk te bestijgen; de paarden struikelden en vielen telkens, en moesten dan weer van hunne vracht ontdaan worden om zich te kunnen oprichten. De armenische vrouwen zijn uitgeput van vermoeienis; de kinderen huilen den ganschen dag; de reiziger, die reeds krank was toen wij van Ispahan vertrokken, schijnt zijn einde nabij. Ook wij zelven maken zeker eene droevige figuur. Die nachtelijke tochten, zonder tusschenpoozen op elkander volgende, zijn moordend; ik heb mij nog nimmer zoo moede, zoo geheel af gevoeld als sedert de laatste twee dagen, en snak naar het oogenblik waarop wij te Persepolis zullen aankomen.

De tsjarvadar-bashi zou gaarne aan zijne karavaan een dag rust hebben gegund, alvorens den tocht over de bergen te ondernemen; maar hij heeft geen hooi meer voor zijne paarden: wij moeten ons dus wel op weg begeven. Het vertrek is bepaald op heden avond acht uur: wij mogen ons gelukkig rekenen, als wij vóór den volgenden morgen tien uur, Madereh Soleiman bereiken.

Omstreeks middernacht hield de geheele karavaan, op het geroep der tsjarvadars, eensklaps stil: de zieke is kort na ons vertrek uit Dehbid overleden, en het lijk moet nu voor zonsopgang ter aarde worden besteld. Er worden toortsen aangestoken; de tsjarvadars, met messen en stokken gewapend, delven een kuil in het midden van den weg; dan halen zij den doode, dien men van zijne beste kleederen heeft ontdaan, en leggen het bijna nog warme lijk in het pas gedolven graf, Het eenige onderscheid tusschen zulk eene begrafenis en die van een hond bestaat wel hierin, dat men de moeite genomen heeft om een derwisj--die altijd met een tijgervel over de schouderen verscheen --uit zijn slaap te wekken, en hem heeft verzocht om het hoofd van den doode in de richting van Mekka te leggen en onder zijne armen de krukken te plaatsen, waarmede hij zich moet oprichten, als de roepstem weerklinkt van den engel Azraël. De kuil wordt daarop weer gevuld en de grond gelijk gestampt; vervolgens werpt men eenige steenen op het graf, en alles is afgeloopen. De weinige nieuwsgierigen, die waren afgestegen, bestijgen hun paarden of ezels weder: de slapenden ontwaken een oogenblik op het geroep der tsjarvadars en de karavaan vervolgt haar marsch.

30 September.--Wij hebben gisteren een bij uitnemendheid vermoeienden dag gehad, en na veertien nachten achter elkander te paard te hebben doorgebracht, is het inderdaad een onwaardeerbaar genot, zich weder eens in eene goed gesloten kamer, op een op den vloer uitgespreid tapijt te mogen neervlijen. Heden morgen was alle vermoeienis en alle ontstemming voorbij; ik kon met lust den arbeid hervatten en de ruïnen gaan bezoeken. Reeds gisteren hebben wij een kleinen heuvel bestegen, waarop zich een groot, uit kalksteen opgetrokken terras verheft, dat bij de inwoners van het dorp Deh-No, waar wij ons thans bevinden, onder den naam van Takhteh Madereh Soleïman (troon van de moeder van Salomo) bekend is, en dat aanstonds aan de terrassen herinnert, waarop de koningen van Babel hunne paleizen plachten te bouwen. Het is echter duidelijk, dat op dezen kunstmatigen heuvel nooit een gebouw heeft gestaan, want het terras zelf is niet voltooid.--Op eenigen afstand van den Takhteh bevindt zich een klein gebouwtje, waarheen wij thans onze schreden richten.

Dit monument had de gedaante van een vierkanten toren. De muren waren opgetrokken van kalksteenen, die met ijzeren bouten onderling waren verbonden. Een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, voerde naar de deur in het midden van den voorgevel. Op de vier hoeken bevonden zich uitspringende pilaren: eene soort van uitgetande kroonlijst sloot het monument van boven af. Ongetwijfeld hebben wij de ruïnen voor ons van een grafmonument, voor een koning of althans voor een aanzienlijk man opgericht.--Wij dalen af naar de vlakte: het onderzoek van een hoop steenen, waarboven eene zuil oprijst, zal ons misschien eenige inlichting verschaffen omtrent den ouderdom dezer gebouwen. Naderbij gekomen, zien wij dat de zuil van kalksteen is; hare hoogte bedraagt ruim elf, en haar doorsnede iets meer dan een el. De gladde schacht rust op een rond voetstuk van zwart bazalt; het kapiteel is verdwenen of licht misschien in gruis op den grond. In de onmiddellijke nabijheid ziet men nog, op regelmatige afstanden, eenige andere voetstukken van zwart bazalt: blijkbaar stonden daarop in vroeger tijd dergelijke zuilen als de eenige, die tot dusver gespaard bleef.

Niet ver van deze zuilen staan drie zware pilaren, eveneens van kalksteen vervaardigd. Zij zijn acht el hoog en bestaan uit drie steenblokken boven elkander, die aan eene zijde gedeeltelijk zijn uitgehold, zoodat zij eene nis vormen; aan het bovengedeelte ziet men eene inscriptie in spijkerschrift. Ongetwijfeld is dit de beroemde perzische, medische en assyrische tekst, die, naar de vertaling der geleerden, aldus luidt: "Ik, Cyrus, koning van het geslacht der Achemeniden."--Zonder moeite herkent mijn echtgenoot den naam van den stichter der perzische monarchie en den titel Khshâyatrya, overeenkomende met het _Sar_ der Semitische volken en met het grieksche _basileus_. Ongetwijfeld is de titel van Shâh, waarmede nog heden de beheerscher van Perzië wordt aangeduid, niet anders dan eene afkorting van dit woord.

Verder vinden wij nog eenige gebroken platen van zwart bazalt, aan de binnenzijde met beeldwerk versierd, benevens talrijke sporen van fondamenten, ten deele onder het puin begraven. Uit hetgeen nog gespaard bleef, mogen wij veilig besluiten dat wij hier de overblijfselen voor ons hebben van eene groote zuilenhal, die met een houten dak was gedekt, en vermoedelijk ter wederzijde geflankeerd door kleinere vertrekken, die met de portiek voor de zaal in gemeenschap stonden.

Niet ver van dit gebouw zie ik, meer oostwaarts, een groote steenen paal of stèle; wij gaan daarheen. Op de eene zijde zie ik, onder eene inscriptie in drie talen, een fraai beeld in basrelief, dat ongelukkig door den tijd heeft geleden en ten deele met mos is begroeid. Het is een man in de kracht des levens, met een zuiver europeesch gelaatstype; de schedel is kaal geschoren; de haren langs de slapen en aan het achterhoofd zijn in tressen gevlochten, die in den hals hangen; de baard is kort en gefriseerd. Hij draagt een lang overkleed, dat aan de zijde wordt toegeknoopt, zooals de Perzen nog heden des winters dragen: het zonderlinge hoofddeksel, waaraan men den egyptischen uraëus herkent, herinnert aan de kroon van sommige egyptische godheden: aan de schouders zijn groote vleugels bevestigd, als die der cherubim; in de hand houdt hij een beeld, waarvan de kroon mede met den uraëus prijkt.

Naar de meening van Marcel is dit beeld, versierd met de attributen van de goden der aan Iran grenzende landen, niet de beschermgod van Cyrus, maar het portret van den koning zelven.

Cyrus, beheerscher geworden van een reusachtig rijk, dat zich van Egypte tot de oevers van de Kaspische-zee uitstrekte, zou de behoefte gevoeld hebben, om, voor zijne eigene rekening en in zijn belang, de grieksche of egyptische traditie in eere te houden, volgens welke de koninklijke geslachten van de goden afstamden: met dat doel zou hij zich getooid hebben met de attributen ontleend aan het pantheon van alle volken, die het perzische rijk omvatte, ten einde op die wijze zijn gezag in zekeren zin te wijden en te bevestigen.

Dit basrelief is een van de belangrijkste monumenten van het oude Perzië: het geeft niet alleen belangrijke inlichtingen omtrent den oorsprong van de beeldhouwkunst in Iran; maar het gunt ons daarenboven een blik op de godsdienstige en politieke inzichten en denkbeelden van Cyrus en bewijst het eclecticisme van dezen monarch, die hoegenaamd geen onderscheid maakte tusschen de nationale goden en die der volkeren, welke bij het perzische rijk waren ingelijfd. [2]

In het dorp teruggekeerd, vind ik den tsjarvadar-bashi in ons kamp. "Ik vertrek heden met de karavaan," zegt hij tot ons; "ik zal u twee mannen achterlaten om voor de rijpaarden en den muilezel, die uwe dagelijksche bagage draagt, te zorgen. Hoewel het mij moeilijk valt, van mijne dieren te scheiden, maak ik mij toch niet ongerust over hen, want de door den gouverneur van Shirâz gezonden toefangtsjis, die u tot geleide moeten dienen, zijn er ook om toezicht te houden. Ik moet u echter ten dringendste aanraden, bij den tocht door de bergpassen van den Polvar, de soldaten niet achter te laten; om op de afschuwelijke wegen, die gij volgen moet, af te stijgen; om te zorgen dat gij de beesten niet vermoeit, en om ze zorgvuldig te dekken als gij aan de pleisterplaats zult gekomen zijn.

--Wij zullen voor uwe beesten zoo goed zorgen als voor ons zelven, dat beloof ik u plechtig; antwoordde ik. "Wat kunt gij meer verlangen?

--Kunnen wij de andere zijde van den berg niet bereiken, zonder door de passen van Maderèh Soleîman te trekken? vroeg mijn echtgenoot op zijne beurt.

--Neen, Çaheb; meent gij dan dat wanneer de tsjarvadars, al ware het ook ten koste van een langen omweg, dien weg konden vermijden, zij ieder jaar in die noodlottige passen bagage en muildieren zouden laten verloren gaan? Als het water laag is, volgen de karavanen de oevers van den Polvar en trekken zonder bezwaar door den pas; maar des winters moet men een weg volgen, die voor onheugelijke tijden in de loodrechte rotswanden is uitgehouwen.

--Als ge u oostwaarts wildet richten en naar Kirman gaan, zoudt ge ook dan nog de passen moeten doortrekken? Zoudt ge dan niet op zeker punt links kunnen afslaan?

--Neen, zeker niet. De woestijn ten oosten van Meshed Moergab is de dorste en meest waterlooze wildernis, die in geheel Perzië te vinden is, dat toch geen gebrek heeft aan wildernissen. Geene enkele karavaan zou zich in die woestijn durven wagen.

--Het is dus, volgens u, uitgemaakt, dat men niet van Kirman naar Madereh Soleîman kan gaan, dan over Darab en den Takhteh Dsjemsjid?

--Dat staat vast, Çaheb. Vraag het maar aan alle tsjarvadars; zij zullen u hetzelfde zeggen. Men behoeft daarvoor niet eens zestig jaren lang de karavanen te hebben begeleid.

--Waarom vraagt ge toch al die inlichtingen omtrent de wegen, die naar het oosten voeren, vroeg ik aan Marcel. Wij zijn immers niet voornemens, Kirman te bezoeken.

--Omdat wij hier in de nabijheid zijn van den weg, dien Alexander op zijn terugkeer uit Indië volgde, en dat het van het hoogste belang is te weten, dat de macedonische koning niet naar Persepolis is kunnen gaan, den weg nemende over Kirman, Madereh Soleîman en de passen van den Polvar, maar dat hij de karavanenwegen heeft moeten volgen en over Darab en de passen van Sarvistan naar Perzië is moeten trekken."

XXII

1 October.--Bij het aanbreken van den dag stijgen wij te paard, en de ruïnen van den Takhteh en van het paleis ter linkerhand latende liggen, rijden wij naar een dorp van een ellendig voorkomen, dicht bij den rand van het ravijn, waarin de Polvar stroomt. De van leem opgetrokken huizen rusten op antieke fondamenten van witten steen. Het zou wel de moeite waard zijn, die fondamenten te onderzoeken, maar men zou daartoe de huizen moeten wegruimen: dit is dus voorloopig onmogelijk. Iets verder verheft zich een klein monument, waarvan de matte goudkleur mij aan de warme tinten van het prachtige pentelische marmer herinnert. Het monument ligt buiten het dorp en is zeer gemakkelijk te genaken. Wij rijden over een kerkhof en houden stil aan den voet van het gebouwtje, waaraan de Engelschen den naam van het graf van Cyrus geven, maar dat bij de Perzen bekend is onder dien van Gabre Madereh Soleîman.

Van alle gedenkteekenen in de vlakte van den Polvar is dit buiten kijf het belangrijkste en het best geconserveerde. Het archaïstisch karakter van den griekschen bouwstijl van den naos en de fronton daarboven--de eenige in geheel Perzië--trekken dadelijk onze aandacht. Het graf rust op eene soort van pyramide, gevormd door zes trappen, die op een breeden sokkel rusten; een gedeeltelijk vernielde trap voerde naar boven. Het geheel is opgetrokken van reusachtige blokken kalksteen, die met de grootste zorgvuldigheid zijn uitgezocht en saamgevoegd; het deksel van de sarkophaag is massief en even als al het overige van steen. De grafpyramide was omgeven door eene portiek; aan drie zijden zijn nog de sporen van de basementen en zelfs van de schachten der zuilen te vinden. Drie lage en smalle deuren gaven toegang tot den binnenhof; de posten dier deuren zijn nog staande gebleven.

Ik beklim de trappen van den gabre (de grafpyramide); ik stoot eene houten deur open en bevind mij in een klein vertrekje. Een der zijden prijkt met een mirhab, die eerst in later tijd is aangebracht; de andere wanden zijn vlak. Metalen lampen hangen aan koorden, die aan houten krammen zijn bevestigd; verder ziet men er allerlei bonte lappen, die daar bij wijze van ex-voto's zijn nedergelegd.

Ik vroeg mijn echtgenoot, wat hij van dit graf dacht.

"Dit gebouwtje," antwoordde hij, "is zeer zeker niet het graf van Cyrus; dit staat bij mij vast. Er is inderdaad niet de minste overeenstemming tusschen dit monument en het graf van Cyrus, zooals dit beschreven wordt door Arrianus en Strabo, of liever door Aristobulus, die dit graf bezocht en op bevel van Alexander liet herstellen, en wiens beschrijving door de beide eerstgenoemden is overgenomen."

Het graf van den grondlegger der perzische monarchie verrees midden in de koninklijke tuinen; het was omringd door boomen, grasperken en stroomende wateren. Het was een vierkante toren van geringe hoogte, zoodat hij door het geboomte geheel verborgen werd. In het bovenste gedeelte bevond zich de grafkamer, met een dak van steen, en waartoe eene zeer smalle deur toegang gaf. Aristobulus zag daar een gouden bed, eene tafel met bekers en vazen, eene vergulde wasch- of badkuip, en eene menigte kleederen, edelgesteenten en andere kostbaarheden. Door middel van een trap had dit vertrek gemeenschap met eene andere kamer, waar de priesters verblijf hielden, met de bewaking van het graf belast.

Op de buitenzijde van het graf was, in de perzische taal, het volgende opschrift gebeiteld: "O mensch, ik ben Cyrus, de zoon van Kambyses. Ik heb de monarchie der Perzen gesticht en over Azië geheerscht. Benijd mij dit graf niet."

"Een Griek," voegde mijn echtgenoot er bij, "zou nooit op de gedachte zijn gekomen om den Gabre Maderèh Soleîman te vergelijken bij een vierkanten toren; evenmin als hij gemeend zou hebben eene voldoende beschrijving te hebben gegeven van den onderbouw met zijne zes trappen, door eenvoudig te spreken van de stevigheid en soliditeit van het onderste gedeelte. Daar komt bij, dat het volstrekt onmogelijk zou zijn geweest, om in een vertrekje van zes vierkante meters oppervlakte ruimte te vinden voor de sarkophaag, voor het gouden bed, de tafel, de vergulde badkuip en de groote menigte kleederen en kostbaarheden, die Aristobulus in het graf zag. En waar is de inscriptie, die de Grieken lieten vertalen?

"Ik ben veeleer geneigd om, ook in verband met de overlevering, volgens welke dit monument het graf zou zijn van de moeder van Salomo, daarin het mausoleum eener koningin te zien; misschien wel van de echtgenoote van Cyrus, wiens naam thans bij het volk geheel in vergetelheid is geraakt en verdrongen door dien van Salomo, die zoo dikwijls in den Koran wordt genoemd."

Wat hiervan zij, de ruïnen, die wij in de vlakte van den Polvar gevonden hebben, de Takhteh, de vierkante toren, het paleis en het mausoleum zijn de laatste overblijfselen van de monumenten, door den grooten Cyrus, in de zesde eeuw voor Christus, opgericht. Deze ouderdom blijkt ten duidelijkste uit den geheelen bouwstijl, uit de ornamenten en alle bijzonderheden der architektuur. Evenzeer is het onmogelijk, de nauwe verwantschap te miskennen tusschen deze monumenten en de ionische gebouwen. Zouden wij hier de prototypen voor ons hebben van de monumenten in de grieksche koloniën langs de kust van Klein-Azië? Ik geloof dit niet. Voor de verovering van Lydië waren de bewoners van Farsistan nimmer in aanraking geweest met de Grieken; zij verkeerden nog in een toestand van meer dan halve barbaarschheid, toen Cyrus bij de Ariërs de heerschappij der Meden vernietigde en daarvoor die der Perzen in de plaats stelde. Misschien behoorde de architekt, die deze gebouwen maakte, wel tot de omgeving van Croesus, die na de verovering van Sardes de vriend en raadsman van zijn overwinnaar geworden was.

5 October.--Na twee dagreizen zijn wij thans gehuisvest in den tsjapar khaneh van Kenareh, op eenige duizenden ellen afstands van het eenmaal zoo beroemde Persepolis.

Na Maderèh Soleîman verlaten te hebben, betraden wij de enge passen van den Polvar. Aanvankelijk volgden wij den oever der rivier, geheel met dichte rietbosschen en biezen begroeid, waarin wij elkander uit het oog verloren. De tsjarvadar-bashi had er niets te veel van gezegd, toen hij dezen weg een helschen weg noemde; maar daar hij uitsluitend de meerdere of mindere bruikbaarheid der wegen voor zijne paarden in het oog hield, had hij ons niet gesproken van de schilderachtige schoonheid der passen, die de bezwaren aan den tocht verbonden vergoeden en voor een deel doen vergeten.

De monumenten van Persepolis worden in twee groepen verdeeld, bekend onder de namen van Nakhshè Roestem (teekeningen van Roestem) en Takhteh Dsjemsjid (troon van Dsjemsjid); de afstand tusschen de beide groepen bedraagt acht tot tien kilometers. Eene ellendige hut, met den naam van tsjapar khaneh versierd, staat omstreeks halverwege: ons eskorte heeft dit krot voor ons ten verblijve uitgekozen. De reizigers houden zich doorgaans te Persepolis niet op, uithoofde van de ongezonde lucht, die men hier inademt; de postdienst is in Farsistan alles behalve voortreffelijk ingericht; de platte daken en de opperzaal van onze herberg liggen dan ook in puin. De eenige kamer, waarin wij logeeren kunnen, is opgevuld met paardentuig, met weggeworpen rommel en met den schralen voorraad van den tsjapartshi (den bewaarder of concierge), wiens ongelukkig voorkomen juist niet pleit voor de gezondheid der streek. Op ons verzoek wordt de kamer schoongemaakt en tot onze beschikking gesteld.

Na afloop van den maaltijd begon ik medelijden te gevoelen met onze bedienden, en noodigde ik hen uit, in het eenige bewoonbare vertrek te komen slapen.

"Wij zullen ons wel wachten, in een besloten ruimte te gaan slapen," antwoordde de kok; "zoodra gij het licht zult hebben uitgedaan, zult gij door de muskieten vermoord worden; het eenige middel om niet levend te worden verslonden, is onder den blooten hemel den nacht door te brengen."

Helaas! de kok had gelijk; nauwelijks hadden wij een oogenblik stil gelegen, of wij werden als door duizenden naalden geprikt en gestoken. De muskieten van Persepolis maken geen geluid, maar zoo zij door hun gegons niet hinderen, hunne beten zijn des te venijniger. Tot ons ongeluk, heeft de natuur hen zeer klein en dun geschapen, zoodat zij door de kleinste gaatjes in de kleeding kunnen kruipen. Wij meenden de aanvallen van deze onverbiddelijke vijanden te kunnen afweren, door de pijpen van onze pantalons om onze beenen toe te binden, onze voeten in stevige lederen schoenen te steken en onze handen met doeken te omwikkelen. Het eenige gevolg was, dat de bloeddorstige beulen zich schadeloos stelden op ons gezicht en vooral op onze lippen, die wij wel onbedekt moesten laten, ten einde te kunnen ademen. De vrees van op nieuw door de koorts te worden aangetast, als wij op het platte dak gingen slapen, hield ons in de kamer terug: maar reeds voor de dag aanbrak waren wij op de been. Zonder op ons gezwollen gelaat en ontstoken lippen acht te slaan, stijgen wij te paard en richten ons naar den steilen rotswand, dien wij den vorigen avond aan onze rechterhand hadden laten liggen. Toen wij den rotswand naderden, werd mijne aandacht aanstonds getrokken door de voorgevels van vier grafkamers, en door een klein vierhoekig monument tegenover den berg, dat geheel overeenkomt met het vernielde gebouwtje hetwelk wij in de vlakte van den Polvar gezien hebben. Te Maderèh Soleîman is echter nog maar eene van de vier zijden overgebleven: het grafteeken dat wij hier voor ons hebben, is nog geheel volledig: er ontbreekt geen enkele steen. De gedaante van het gebouw is die van een vierkanten toren, waarvan het benedengedeelte geheel massief is. Het bovengedeelte wordt geheel ingenomen door eene zeer eenvoudige zaal, waarvan de zoldering uit fraaie zerken bestaat; de muren zijn kaal en de hoeken afgerond. Dit vertrek is voorzien van eene kleine deur, die langs een trap, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn, werd bereikt. Eene getande kroonlijst sluit het monument van boven af; groote platen van zwart bazalt, aan drie zijden aangebracht, maken den indruk van vensters, hoewel het gebouwtje in werkelijkheid geene andere opening heeft dan de deur. Marcel is van oordeel, dat de lijken der koningen voorloopig in deze torens werden nedergelegd, om na in zekere mate tot ontbinding te zijn overgegaan, naar de in de rots uitgehouwen graven te worden overgebracht. Deze beide torens in de vlakte van den Polvar en hier, geven ons ongetwijfeld de voorbeelden te aanschouwen van de koninklijke mausoleën, die Cyrus, na zijn terugkeer uit Ionië invoerde; de grafkamers daarentegen, naar egyptischen trant, in den berg van Nakhshè Roestem uitgehouwen, waren de graven van de eerste vorsten uit de tweede Achemeniden-dynastie.

Aan de voorzijde der graven van Darius en zijne opvolgers is, in relief, op den loodrechten rotswand, een gebouw afgebeeld, met zuilen versierd, waarvan de kapiteelen worden gevormd door twee stieren, ter halverlijve met elkander verbonden. De deuren hebben van boven eene egyptische kroonlijst.--Boven een troon ziet men den koning, gebeden richtende tot den god Ahoeramazda, die in de lucht zweeft.

De platten of terrassen voor den ingang der grafkamers zijn te hoog boven den grond en de rotswand is te steil, dan dat men die van uit de vlakte zou kunnen bereiken. Wil men de grafkamers zelven bezoeken, dan moet men zich aan een touw laten ophijschen door mannen, die boven op de rots klauteren. Marcel is de eerste, die deze expeditie onderneemt, en niet zonder angst zie ik hem tusschen hemel en aarde zweven aan een touw, dat mij niet dikker toeschijnt dan een draad. Hij komt zonder ongeval weer beneden, en nu maak ik mij gereed om de luchtreis te ondernemen.

"Wat wilt gij daar boven gaan uitvoeren? zegt mijn echtgenoot; de kamers zijn ruw in de rots uitgehouwen, en de wanden vertoonen geen enkel spoor van beeld- of schilderwerk; de zolderingen zijn bij wijze van gewelf gemaakt, en de in den steen uitgehouwen sarkophagen verschillen in niets van de egyptische.

--Ik wil het gezicht van Darius van nabij bekijken. Ik verbeeld mij ook, dat ik daar boven een prachtig uitzicht zal hebben over de vlakte van de Merdash.