Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 20
21 September.--Midden in den nacht worden wij gewekt door een bode, dien de tsjarvadar-bashi heeft afgezonden. Wij staan aanstonds op en zetten ons op de leemen banken langs den weg neder, om de komst der karavaan af te wachten. Weldra hooren wij in de verte het eigenaardig geluid dat hare nadering aankondigt: het getjingel der bellen, dat aanvankelijk klinkt als het geruisch van den wind in de bladeren van een bosch of het verwijderd gezang van vogels. Maar weldra wordt dit geluid al sterker en sterker; het geschreeuw van kinderen, het geroep der tsjarvadars vermengt zich met het duizendstemmig gerinkel der bellen en met de vele andere geluiden van eene talrijke karavaan op marsch. Het was inderdaad niet noodig, ons vooruit te waarschuwen; eene voorbijtrekkende karavaan maakt zulk een leven, dat zelfs de zeven slapers van Efeze wel wakker zouden worden.
Zoodra de eerste muildieren zichtbaar werden, plaatsten wij ons beiden aan het hoofd van den stoet, terwijl onze bedienden nog wachtten om zich bij de achterhoede te voegen. Wanneer men zich niet op de zware pakken uitstrekt, op den rug der lastdieren vastgebonden, maar als ieder Farangui te paard zit, dan is het niet geraden, zich tusschen de lastdieren te begeven, als men er ten minste niet op gesteld is, zijn beenen te breken of platgedrukt te worden. De muildieren, door een lofwaardigen ijver gedreven, trachten elkander in te halen, loopen in schuine richting, bijten hier, duwen daar, en bedienen zich zoo handig van hunne vracht als van eene wigge, dat men het grootste gevaar loopt, door de kisten en balen gewond of gekneusd te worden.
Wij nemen onzen intrek in eene fraaie karavanserai, onder Shâh Abbas gebouwd. Zij is tegenwoordig zeer vervallen; toch zouden er betrekkelijk slechts weinig belangrijke herstellingen noodig zijn, om de karavanserai weder in bruikbaren toestand te brengen. Maar wie, in het tegenwoordige Oosten, waaruit alle leven geweken schijnt en waar alles ruïne is, wie denkt er aan herstelling van wat ook?
Dezen avond zagen wij voor de eerste maal de armenische vrouwen van onze karavaan. Het zijn de moeder, de echtgenooten, de schoonzusters van twee kooplieden in Dsjoelfa, die eenige jaren geleden te Bombay een handelshuis hebben gesticht en nu genoeg verdienen om hunne familie tot zich te kunnen nemen. Een der beide broeders is naar Dsjoelfa gekomen, heeft de ouderlijke woning verkocht, en keert nu met de vrouwen, de kinderen en bedienden naar Indië terug.
Onze tsjarvadars volgen de kwade gewoonte van hunne collega's, die ons naar Teheran hebben geleid: zij wekken ons geregeld des avonds ten tien uren, opdat wij gereed zouden zijn om tegen middernacht te vertrekken. Op die manier blijven ons, na zonsondergang, maar een paar uren over om te slapen. De afstand tusschen de halten bedraagt gemiddeld acht à negen uren; de zeer koude, bijna ijzige temperatuur des nachts stijgt zoo zeer tegen het midden van den dag, dat wij den tijd voor de siësta bestemd, doorbrengen met ons af te koelen en een rusteloozen strijd te voeren tegen de vliegen, wier venijnige steken ons martelen. Wat is de statistiek toch eene mooie, ernstige wetenschap! Volgens haar fraaie theorie van de gemiddelden, bevinden wij ons in een warm, maar toch altijd gematigd klimaat: de waarheid is, dat wij 's nachts bijna bevriezen en des daags zwoegen onder eene tropische hitte!
Na door de vruchtbare vlakte van Koemisheh te zijn getrokken, kwamen wij den volgenden dag te Yezd-Khast, waarvan de eigenaardige ligging mijne aandacht trok. Midden in eene vruchtbare, bloeiende vallei, vol tuinen en akkers, rijst eene langwerpige rots omhoog, omstreeks vijfhonderd el lang en honderd-zeventig el breed. Die rots is bedekt met huizen, waarvan de buitenmuren eene voortzetting schijnen van de steile rotswanden. Deze natuurlijke vesting, die door eene ophaalbrug met het hoogste gedeelte der vlakte verbonden is, wordt doorsneden door enkele straten, evenwijdig loopende met de lengte-as der rots. De huizen ontvangen allen hun licht van de buitenzijde: deze afwijking van de vaste bouworde in het Oosten vindt hare verklaring in de ligging op eene vrij aanzienlijke hoogte en in het gebrek aan de noodige ruimte op het rotsvlak.
De in verhouding tot de grootte van het vlek zeer talrijke bevolking van Yezd-Khast verheugt zich in die gouden middelmaat, die volgens de dichters het toppunt van geluk is. Zij dankt haar welwaart aan de vruchtbaarheid van den grond, aan het overvloedige water, dat in den winter langs beide zijden van de rots afstroomt, en vooral aan de zorg, waarmede de landlieden zich op den graanbouw toeleggen. Daarentegen valt nu juist niet te roemen op de openbare zindelijkheid in het vlek. Daar zij in de rots geen putten en riolen kunnen of willen graven, werpen de inwoners alle faecaliën en verdere onreinheden eenvoudig uit de ramen hunner woningen; de vloeibare stoffen worden door het water van de beek medegevoerd; de vaste hoopen zich op, verharden en vormen rondom het dorp een krans van bruine, scherp gepunte stalagmiten. Als die stalagmiten al te dicht tot de uitstekende balkons der huizen naderen, slaan de eigenaars de harde massa's stuk, en voeren ze naar beneden in het dal, waar zij door het bevloeiingswater worden opgelost en aan den grond die spreekwoordelijk geworden vruchtbaarheid schenken.
Is de uitmuntende hoedanigheid van het brood van Yezd-Khast te danken aan de zuiverheid van het water der beek, of aan de kwaliteit van het koren, op dezen zoo uitstekend vruchtbaren grond geteeld? Ik weet het niet; maar reeds te Tauriz hoorde ik de lichtheid en den heerlijken smaak roemen van de brooden van Yezd. "Niets in deze wereld is te vergelijken met den wijn van Shiraz, het brood van Yezd-Khast en de vrouwen van Kirman", zegt een perzisch spreekwoord. Als echte Perzen exploiteeren de inwoners van het vlek de reputatie van hun brood en oefenen zij allen min of meer het beroep van bakker uit. Zij bieden hun brood te koop, en de reizigers verzuimen nooit, daarvan den noodigen voorraad op te doen; na verloop van eene week is het brood zoo hard als een steen, zoodat men het aan stukken moet slaan en in water weeken, maar dat hindert niet: het is immers altijd het brood van Yezd-Khast?
De Perzen zijn er altijd op uit, in den handel elkander te bedriegen, maar niemand wil dat laten merken of toegeven dat hij beet genomen is. De goedkoopste levensmidden worden, evenals voorwerpen van groote waarde, bij het gewicht verkocht; mits de schalen er bij te pas komen, zijn koopers en verkoopers tevreden. Twee mandjes, met koorden vastgemaakt aan een stok, dien men in het midden vasthoudt; steenen van verschillende grootte, waaraan slechts het ijkmerk ontbreekt om wezenlijke gewichten te zijn: ziedaar het min of meer problematische instrument, dat de weegschaal der gerechtigheid voorstelt. Is de hoeveelheid, die gewogen moet worden, lichter dan de kleinste steen, dan herstelt de koopman het evenwicht door op de eene schaal nog iets, wat dan ook te werpen: en Themis zou wel zeer kitteloorig moeten zijn, als zij daarmede geen genoegen nam.
Dezen morgen wilde ik een meloen koopen, die iets meer dan een batman woog; na vruchtelooze pogingen om de schalen in evenwicht te krijgen, wierp de fruithandelaar eindelijk zijn pantoffel op de schaal.
"Hoeveel weegt uw pantoffel? vroeg een al te nauwgezet toeschouwer.
--Een tiende van een batman.
--Met of zonder stof?
--Zonder stof.
--Waarom hebt ge dan uw pantoffel niet eerst uitgeslagen?
--Gij hebt gelijk," antwoordt de koopman, en zijn pantoffel opnemende, klopt hij die, met het ernstigste gericht, op zijn dij uit, waarna hij die weder op de schaal legt.
Ik heb inderdaad geen recht, om mij over mijne drie stuivers te beklagen.
De koopman van zijn kant onderzoekt nauwkeurig de geldstukjes, laat ze op een steen vallen om den klank te beproeven, eischt dat ik twee van de drie zal ruilen, en verklaart zich ten slotte voldaan.
XX
25 September.--"Wij zullen voortaan onze eigene muziek hebben. In de karavaan zijn namelijk allerlei beroepen vertegenwoordigd: wij vinden er onder anderen een koopman in katten en een harpenaar. Vroeger zeer goede vrienden, hebben zij te zamen een muilezel gehuurd, onder voorwaarde dat ieder op zijn beurt daarop rijden zou; maar tegen hunne verwachting hebben zij twist gekregen, die zoo hoog is geloopen, dat zij nu geslagen vijanden zijn. De een beweerde, dat het miauwen der katten hem stoorde in zijne muzikale studiën; de ander hield staande dat zijne katten ziek en zenuwachtig werden van het ellendig getokkel van den harpspeler.
Tengevolge van deze ruzie heeft de kattenkoopman, die door de fortuin meer begunstigd is dan de jonger van Apollo, den tsjarvadar-bashi omgekocht, en zich zelven als den eenigen eigenaar van den muilezel doen erkennen. De ongelukkige muzikant, niet wetende wat te doen en vreezende in de karavanseraï achtergelaten te worden, is ons komen smeeken, dat wij hem in onze dienst zouden nemen. Hij zal onze maaltijden opvroolijken met zijne muziek, en tot belooning mag hij met zijn instrument plaats nemen op een onzer muildieren.
De harp van onzen bard heeft de gedaante van een boog en is voorzien van eene enkele snaar, waarop hij met de rechterhand met een houten hamer slaat, terwijl hij met de linkerhand, die geheel met wol omwikkeld is, het instrument vasthoudt. Die wollen band is geen ijdel sieraad: want zonder deze bedekking zou de kunstenaar groot gevaar loopen, zijne vingers te verbrijzelen, wanneer hij, in heilige geestdrift ontstoken, in den blinde op de snaar loshamert, en aan zijn instrument tonen ontlokt, niet minder welluidend dan die van een tamboerijn.
De vijand van onzen harpenaar, de koopman in katten, is een inwoner van Yezd, die een twintigtal fraaie angorakatten van Tauriz naar Bombay voert. Sedert eenige jaren reist hij onophoudelijk tusschen Perzië en Indië heen en weder; en naar het schijnt, levert zijn handel hem aardige winsten op.
Zoo de oostersche katten al even weinig als hare europeesche zusters op klassieke muziek gesteld zijn, heeft men geen recht haar dat kwalijk te nemen; het komt mij zelfs voor, dat zij wel eenige reden hebben om uit haar humeur te zijn, nu zij gedwongen worden zulk eene lastige en onaangename reis te maken. Kan men voor een huiselijk poesje iets tergenders en ergers bedenken dan eene reis van zestig dagen per karavaan, gevolgd door een zeereis van dertien dagen? Metterdaad zou het niet mogelijk zijn, dieren van een zoo onafhankelijk en zoo moeilijk te temmen karakter als de katten, op deze wijze te vervoeren, indien de eigenaar niet stipt toezag, dat onder zijne bende de strengste tucht werd gehandhaafd. Bij de aankomst in de karavanserai zoekt de koopman een afgelegen vertrek uit, zoo ver mogelijk van den muzikant verwijderd; hij steekt twee ijzeren haken stevig in den grond en bevestigt daaraan een lang touw, waarvan de koorden worden vastgebonden, die aan de halsbanden der katten zijn vastgemaakt. De dieren worden gerangschikt naar hunne grootte, met eene tusschenruimte van een halve el; zij zitten of liggen op den linnen zak, waarin zij 's nachts verblijf houden. De jonge katjes worden met de moeder opgesloten in eene soort van kooi, waarvan de tralies ver genoeg van elkander verwijderd zijn, dat zij er uit kunnen kruipen.
Die bende brengt den geheelen dag half slapende en soezende door, en wordt eerst wakker, als de tijd voor voedering gekomen is. Dan geraakt alles in beweging: de katten springen, miaunen, schreeuwen, maken een leven dat hooren en zien vergaat. Zoodra de portie schapenvleesch is rondgedeeld, wordt alles weer stil; ieder eet rustig zijn deel op en gaat dan weer liggen dutten. De kleine katjes schijnen beter tegen de vermoeienissen van de reis bestand te zijn, dan de groote: zij spelen met elkander en denken er niet aan weg te loopen, terwijl de grootere katten onophoudelijk pogingen aanwenden, om met haar tanden en haar nagels de stevige touwen van geitenhair te verscheuren, waarmede zij gebonden zijn. Is de tijd voor het vertrek gekomen, dan wordt elke kat opgesloten in den zak, die haar tot tapijt verstrekte; de zakken worden twee aan twee gebonden en op een paard gelegd, dat zeker niet zeer ingenomen is met eene vracht, die onophoudelijk aan hare ontevredenheid lucht geeft door een concert van de meest wanluidende kreten.
De katten, die op deze wijze naar Indië vervoerd worden, zijn witte langharige angora's; ter plaatse der bestemming aangekomen, kosten zij vijftig tot zestig francs per stuk.
26 September.--Wij zijn te Abadeh, eene naar het schijnt vrij belangrijke stad, die niet alleen een telegraafkantoor, maar ook een gouverneur bezit. Deze laatste kan ons van dienst zijn: de tsjarvadar-bashi weigert, overeenkomstig zijne belofte, een dag te Abadeh op te houden, om ons den tijd te geven, een uitstapje te maken naar de de oase van Eklid, waar zich eene zeer merkwaardige moskee moet bevinden.
Mijn echtgenoot zou zeer ongaarne van dit uitstapje afzien; wij maken dus aanstonds van de gelegenheid gebruik om de tusschenkomst van den gouverneur in te roepen, die den tsjarvadar-bashi voor zich laat ontbieden. "Hoe, ellendige aardworm," voert hij hem te gemoet, "gij hebt u bij geschreven overeenkomst verbonden om te Abadeh halt te houden en dezen heeren de gelegenheid te geven om naar Eklid te gaan, en gij weigert uwe belofte te houden! Weet gij wel, dat zoo Hunne Excellentiën goedvonden, uwe karavaan, met of zonder contract, tien dagen hier te doen blijven, ik u zou dwingen te gehoorzamen?
--Hakem (gouverneur), ik kan hier niet blijven. Mijne muildieren zijn sterk en kunnen zonder eenige moeite de reis vervolgen; vierhonderd muilezels eten op een dag vrij wat stroo en haver; ik heb verkeerd gedaan met te beloven, dat ik hier zou blijven, maar ik moet morgen vertrekken.
--Kunt gij zwemmen?" roept de gouverneur, terwijl hij zijn dienaren een wenk geeft.
Nauwelijks heeft hij deze woorden gesproken, of nog eer de tsjarvadar-bashi iets heeft kunnen zeggen, wordt hij door vier mannen bij de armen en beenen gegrepen en opgetild, met de bedoeling om hem in een vijver, midden op den binnenhof, te werpen. Gelukkig heb ik nog juist den tijd, de mannen tegen te houden en genade te vragen voor den ongelukkigen tsjarvadar: tot groote teleurstelling der toeschouwers, die zich reeds verheugden in het vooruitzicht, hem in het water te zien spartelen en met doorweekte en gescheurde kleederen uit den vijver te zien kruipen.
"O, Çaheb! zegt de tsjarvadar tot mij, gij redt mij het leven: ik ben zestig jaren oud en geheel van mijn streek door de woorden van den hakem; wat zou er van mij geworden zijn zonder uwe tusschenkomst. Mijne karavaan zal volgens uw bevel marcheeren, maar vertoef zoo kort mogelijk in den omtrek van Eklid; zoo ik ongelijk had, mijn woord te verbreken, heb ik u toch niet bedrogen, toen ik zeide dat de streek onveilig was.
--Houd uw mond, hondekind! schreeuwt de gouverneur. Wilt gij dat ik u tweehonderd stokslagen laat toedienen? Wie durft er te spreken van roovers in eene provincie, waarover ik het bewind voer? Allah zij geloofd! mijn zoon zal zelf deze doorluchtige vreemdelingen naar Eklid vergezellen en voor hunne veiligheid waken. Ga weg; morgen ochtend, tegen zonsopgang, moeten de paarden dezer heeren en van hunne bedienden hier zijn; zoo wil ik het!"
Dit alzoo geregeld zijnde, begeven wij ons naar den bazar, de eenige plaats waar de vreemdelingen in de steden van het Oosten zich een denkbeeld kunnen maken van den handel en de nijverheid der plaats. De bazar van Abadeh kenmerkt zich vooral door keurig snijwerk in hout; wij zien hier smaakvol bewerkte lepels, bekers, spiegels, inktkokers en juweelkistjes, waarop met zeer veel kunst het perzische wapen is uitgesneden.
Ondanks de bevelen van den hakem, vertrokken wij den volgenden morgen toch eerst vrij laat van Abadeh, en sloegen den weg in naar Eklid, vergezeld van den zoon van den gouverneur, een jonkman van omstreeks zestien jaren, die waarschijnlijk zeer tegen zijn zin den anderoen verlaten had, hem vóór drie maanden door zijn vader geschonken, om met ons een tocht naar het gebergte te ondernemen. Hij liet evenwel daarvan niets merken, maar deed alles wat in zijn vermogen was om ons aangenaam te zijn. Na een rit van omstreeks zes uren door een dor, heuvelachtig terrein, zien wij tegenover ons eene natuurlijke opening in de heuvelreeks, waarin zich de weg verliest.
"Het land Eklid begint achter die poort," zeide onze gids; "maar wat willen toch de lieden, die ik daar op de hoogten zie?"
Nauwelijks heeft hij dit gezegd, of geweerschoten knallen en kogels vallen niet ver van ons op den grond.
"Zal men ons aanvallen, en moeten wij op die schoten antwoorden?" vroeg ik.
--Schiet in de lucht, zoodat die honden zien dat gij gewapend zijt; onderwijl zal ik onderzoeken wat dit beteekent. Allah moge ons beschermen! Draagt zorg, niemand van deze bandieten te kwetsen, want als er bloed vloeit, zullen wij allen vermoord worden. Misschien zal men ons plunderen; maar als gij voorzichtig zijt, zal u geen leed geschieden."
Dit gezegd hebbende, zet hij zijn paard in galop, zwaait met zijn armen in de lucht en laat ons op den weg achter. De lieden op den heuvel bemerken spoedig de signalen van den zoon van den gouverneur; zij dalen in de vallei af, en omringen, ten getale van acht of tien, het paard van den jonkman. Hij wenkt ons nu, naderbij te komen, en weldra bevinden wij ons te midden van eenige bewoners van Eklid, met vuursteengeweren gewapend, waarmede zij op ons geschoten hebben.
Eklid is geen dorp, zoo als wij gedacht hadden, maar eene groote oase, die zich over eene lengte van bijna dertig mijlen uitstrekt aan den voet der uitloopers van de bergen van Loristan. Talrijke beken dalen van die bergen af en schenken aan het geheele plateau eene buitengewone vruchtbaarheid. De hooge ligging van de oase begunstigt de kultuur van vruchtboomen uit koudere streken, zoo als noten en appelboomen; maar het voornaamste voortbrengsel is koren, dat hier zoo rijke oogsten oplevert, dat de bewoners van deze gezegende streek nimmer de plaag hebben gekend van den hongersnood, die in Perzië dikwijls voorkomt, vooral ook tengevolge van het gemis van middelen van gemeenschap. Ongelukkig kan Eklid, in tijden van gebrek, niets van zijn overvloed mededeelen aan de omringende landstreek, want de vrees voor plundering houdt elk vervoer tegen.
Gedurende den laatsten hongersnood, nu drie jaren geleden, trachtten de boeren van Eklid koren naar Abadeh te brengen, maar zij moesten daarvan afzien, hoewel de afstand niet veel meer dan veertig mijlen bedraagt en een khalvar (driehonderd pond) koren te Eklid vijftien en te Abadeh zestig francs kostte. De bewoners van den omtrek wachtten de karavanen op bij den uitgang der oase, plunderden ze en vermoordden de kooplieden, die zich wilden verdedigen. Ook na het einde van den hongersnood behielden de bandieten de gewoonte om op dezen weg te stroopen: zij roofden de schapen van de herders en plunderden de kleine karavanen. De bewoners der oase beklaagden zich bij den koning: natuurlijk te vergeefs: Nasr ed-Din had persoonlijk noch door den hongersnood, noch door de rooverijen geleden, en bekommerde er zich dus niet om. De boeren richtten toen eene soort van eigene militie op, die de toegangen moest bewaken en onbekende ruiters, die hun weg namen naar Eklid, moesten tegenhouden.
De zeer uitgestrekte oase komt mij echter voor, minder schoon en vooral minder schilderachtig te zijn dan die van Koeroet. Zij wordt doorsneden door paden, die ter wederzijde door prachtige tuinen zijn omzoomd, waartusschen zich talrijke beekjes slingeren; maar de grond is zoo vlak, dat men zich moeielijk een denkbeeld maken kan van de uitgestrektheid der bouwlanden, terwijl de oase van Koeroet, die zich amphitheatersgewijze verheft, een veel grootscheren aanblik oplevert en met één oogopslag is te overzien. Nauwelijks hebben wij onze bagage en onze wapenen geborgen in de woning van een rijken grondbezitter, die op het oogenblik afwezig is, of wij vragen aanstonds dat men ons naar de moskee zal brengen. Men geleidt ons nu door een groot dorp, dat half in puin ligt, en vervolgens naar een bosschage van prachtige notenboomen; daar worden wij, zonder eenig tegenstribbelen, binnengeleid in eene kleine uit leem opgetrokken moskee; de zaal van den mihrab, gedekt met een afschuwelijken koepel van dezelfde gemeene bouwstof als de muren, is half eene ruïne. Daarentegen wordt het gebouw vrij netjes onderhouden: de muren zijn gewit en versierd met groen geschilderde teksten uit den Koran.
Ik weet niet, of ik mij boos zal maken, dan wel in stomme verbazing berusten. Hoe nu: wij hebben onzen tsjarvadar-bashi in ongelegenheid gebracht, ons zelven blootgesteld aan de kans om doodgeschoten te worden, en een omweg van zeventig kilometers gemaakt, en dat alles ter wille van eene hoogst alledaagsche leelijke dorpsmoskee.
Met het heilige voornemen, voortaan minder lichtgeloovig te zijn, verlaten wij de moskee en richten onze schreden naar de beroemde bronnen van Eklid. Het water welt op verschillende plaatsen uit de rots op en vormt verschillende diepe kommen, waarin reeds menige onvoorzichtige, die zich daarin baden wilde, is verdronken. Om niets over te slaan, bezoeken wij ook nog de volstrekt onbeteekenende bouwvallen van een klein paleis uit den tijd der Sofis, en keeren eindelijk naar ons logies terug, zeer vermoeid en nog meer ontstemd en teleurgesteld.
28 September.--Het klimaat van Eklid is, naar men zegt, zeer gezond, en dat is ook wel te begrijpen: de zuivere lucht, de overvloed van helder stroomend water, en de rijkdom van prachtig geboomte maken dit plekje grond tot eene bij uitzondering gezegende streek. De gezondheid der bewoners zou dan ook niets te wenschen overlaten, indien zij niet de verfoeilijke gewoonte hadden aangenomen van zich te kleeden in engelsch katoen, dat door kooplieden uit Ispahan naar Abadeh wordt gezonden; deze verkeerdheid, gevoegd bij de noodzakelijkheid om, bij het schoonmaken der bevloeiingsbeken, met de voeten in het water te staan, heeft hier longtering en rhumatiek inheemsch gemaakt.
Nog voor de dag was aangebroken, hoorden wij aan de buitenpoort onzer woning kloppen. Weldra was het voorhuis opgevuld met kranken, die gedurende den nacht met hunne bloedverwanten, uit den geheelen omtrek hierheen waren gekomen, in de hoop dat wij hen zouden kunnen genezen. Onder deze bezoekers bevinden zich ook twee schoone vrouwen van den stam der Bakhtyaris, die in de bergen van Loristan woont. Eene van haar vernam van een harer bedienden, die gisteren te Eklid vertoefde, dat wij daar waren aangekomen. Zij is aanstonds vertrokken, in gezelschap van hare zuster, en heeft den ganschen nacht doorgereisd, een kind medevoerende van vijfjaren, dat er jammerlijk zwak en lijdend uitziet en nog niet staan kan.
Het consult was bijna afgeloopen, toen de zoon van den gouverneur van Abadeh onze kamer binnentrad:
"De paarden zijn gereed, zeide hij; ik heb wachten voor uwe deur laten zetten om verderen aandrang van patiënten af te weren. Als gij naar de klachten van al deze lieden wilt luisteren, dan komt er nooit een einde aan. Wij moeten vertrekken, want wij hebben een langen weg af te leggen, wij hebben nog nauwelijks den tijd om vóór den nacht te Soerneh te komen, waar wij de karavaan moeten aantreffen."
De raad is goed, maar niet gemakkelijk in praktijk te brengen; nauwelijks zetten wij den voet buiten de deur, of wij worden bestormd door zieken, die allen tegelijk spreken, ons hunne kwalen vertellen, op hunne oogen, hun borst, hunne armen wijzen, en elkander al twistende verdringen en wegduwen, om tot ons te naderen. De wachters maken met moeite ruim baan, en wij rijden eindelijk weg.