Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 2

Chapter 2 3,502 words Public domain Markdown

7 April.--Op onze karavanenreis hebben wij de eerste pleisterplaats bereikt. De tocht heeft acht uren geduurd. Het genot van te paard te rijden en verlost te zijn van die afschuwelijke russische diligence, die telkens dreigde om te vallen, heeft mij alle vermoeienis doen vergeten. Toen wij Djoelfa verlaten hadden, hebben onze gidsen ons een grooten omweg laten maken, om in zeker dorp de flinke paarden, door den heer Ovnatamof, den directeur van het telegraafkantoor te Djoelfa, voor ons gehuurd, te verruilen tegen jammerlijke knollen, die bijna niet voort kunnen. De ruil werd zoo handig uitgevoerd, dat wij er in het eerst niets van bemerkten; de goede paarden keerden naar Djoelfa terug.

Vijf uren lang trokken wij door een woesten bergpas, waarop eene vlakte volgde, door hooge heuvelen doorsneden, die geheel van plantengroei zijn ontbloot, maar waarvan toch de kleur nu eens zweemt naar het zachtste groen, om dan, door allerlei schakeeringen heen, over te gaan tot het donkerste rood. Tegen het vallen van den avond beraadslaagden onze gidsen te zamen over de vraag, of wij zouden overnachten in een kurdisch kamp, aan onze rechterhand opgeslagen, dan of wij onze reis zouden vervolgen naar een dorp, aan den voet van den berg. Gedurende deze overleggingen waren de nomaden ons genaderd en staarden ons met weinig vriendelijke blikken aan; er werd dus besloten, dat wij onzen weg zouden vervolgen, hetgeen dan ook geschiedde, midden door het veld, in de richting van het dorp. Van een weg of pad was geen spoor te ontdekken: het is mij nog onbegrijpelijk, hoe wij, bij de volslagen duisternis die rondom heerschte, het dorp hebben kunnen vinden.

De karavanserai bestaat uit eene vrij ruime binnenplaats, door een leemen muur omringd, waartegen in het rond, van dezelfde stof, eene reeks vertrekjes of hokken met platte daken zijn gebouwd. Ieder reiziger krijgt zulk een vertrekje tot zijne beschikking; dadelijk na zijne aankomst, bergt hij daar zijn bagage en zijne mondbehoeften; maar daar de maand Maart in dit bergachtige land vrij koud is, maken de muilezeldrijvers van deze al te luchtige vertrekken geen gebruik, en logeeren liever in den stal, waar eene aangename warmte heerscht. Men wijst ons tot verblijf een klein vochtig vertrek aan, zonder venster, waarvan de deur, bij gebrek van een slot, met een touwtje gesloten wordt. Deze onderscheiding laat mij koud, en ik vraag de gunst om ook in den stal te mogen logeeren, even als de weinige reizigers, die voor ons zijn aangekomen. Er is ruimte genoeg, want de Perzen, die voor niets zoo bang zijn als voor koude en winterweer, gaan niet dan in den uitersten nood in dezen tijd des jaars op reis. Maar de kou is niet de eenige oorzaak van het afnemen van het getal karavanen: in het vorige jaar zijn de invallen der Kurden in bijzondere mate talrijk en noodlottig geweest; die woeste horden hebben de grensdorpen geplunderd, de bewoners vermoord, en de gansche provincie met schrik en ontzetting vervuld. De landlieden, wier leven en have bij uitzondering gespaard bleef, hebben toch hun akker niet kunnen bebouwen; door honger gedreven, hebben zij zelven het rooversbedrijf ter hand genomen, en de karavanen, die te zwak waren om zich te verdedigen, overvallen en uitgeplunderd.

Toen wij den eenzamen woesten bergpas doortrokken, voegden zich vijf of zes wel bereden en uitgeruste Perzen bij ons; in plaats van vooruit te rijden, vormden deze ruiters steeds de achterhoede, ons de eer latende, aan het hoofd der karavaan te rijden. Dezen avond hooren wij hen nu elkander geluk wenschen met het gunstige toeval, dat hun veroorloofd had de reis te doen in gezelschap van dappere Faranguis, die zoo zeldzaam door roovers worden aangevallen, want de bandieten kennen de kracht der europeesche wapenen, en weten ook dat de Westerlingen niet gewoon zijn zich te laten uitplunderen, zonder zich te verdedigen. Na ook voor den verderen tocht onze reisgezellen onze bescherming te hebben aangeboden, beginnen wij onze bagage te ontpakken. Met bewondering zien wij, hoe uitmuntend onze reisgenooten zijn uitgerust, hoe hun niets ontbreekt van hetgeen voor zulk eene karavanenreis noodig is; en wij verzuimen de gelegenheid niet, om ons hieromtrent zoo volledig mogelijk op de hoogte te stellen. Intusschen kunnen wij hetgeen ons ontbreekt eerst te Tauris aanschaffen: tot zoo lang moeten wij ons dus maar behelpen.

Groote zakken, van tapijtstof gemaakt en met lederen riemen gesloten, bevatten perzische bedden, bestaande uit een grooten dik gewatteerden deken van gekleurd katoen. Die deken wordt vierdubbel gevouwen; een der uiteinden wordt bij wijze van hoofdkussen opgerold, en het geheel op den grond uitgespreid; dit zeer praktische bed wordt in geheel Perzië gebruikt. In den winter gebruikt men daarbij nog een soort van laken of sprei; maar des zomers is dit geheel onnoodig, want het is ook hier niet de gewoonte, zijn kleeren uit te trekken als men gaat slapen. In diezelfde zakken wordt ook schoon ondergoed geborgen, benevens tapijten, die op de pleisterplaatsen op den grond worden uitgespreid.

In andere kleinere zakken bergt men allerlei huisraad: ketels en pannen, waschkommen en kannen, een samovar om thee te kunnen zetten, alsmede alle mondbehoeften, zooals rijst, brood, vleesch, groenten, suiker, enz., die men wel gedwongen is mede te nemen op eene reis, waarop men, aan de pleisterplaats gekomen, doorgaans niet veel anders vindt dan stroo voor de paarden en een nachtverblijf voor de ruiters.

Dien eersten avond op perzisch grondgebied doorgebracht, deed ik niet veel meer dan met een stillen naijver de uitrusting van onze reisgenooten opnemen; wij moesten ons behelpen met een dunne plaid voor matras, onze reiszakken voor hoofdkussen en een met bont gevoerden deken. Ook onze reiscantine bleek hoogst onvolledig: wij hebben niet genoeg keukengereedschap, en onze nieuwe bedienden, een kok en een hofmeester, beiden in lompen gehuld, beklagen zich dat zij niet de noodige schotels hebben en dus niet, zooals de perzische étiquette dat vordert, de verschillende gerechten tegelijk op tafel kunnen zetten. Ik stel hen zooveel mogelijk gerust, en geef hun de verzekering, dat ik mij te Tauris een geheel volledig eetservies en al het noodige gereedschap zal aanschaffen. Omstreeks tien uren is alles in de karavanserai in rust gedompeld; de lichten worden uitgeblazen, en men ziet niets meer dan de gloeiende vuurhaard, waarlangs zich nu en dan de donkere gestalte beweegt van een man, die half slapende eenige kolen op het vuur werpt.

8 April.--De tsjarvadar bashi (de opperste der muilezeldrijvers) wekt ons met den dageraad, door zijn luid geroep van: "Yah Allah!" De grond is wel hard, en ik ben zeer blij dat het dag is; want mijn geheele lichaam, van het hoofd tot de voeten, is stijf. Weldra zijn wij allen op de been en tot vertrek gereed; de reiszakken van onze tochtgenooten zijn dicht gemaakt; elke muilezeldrijver neemt de vracht op van zijn paard, die met touwen aan het pakzadel is bevestigd; en wij verlaten de karavanserai, eenige muntstukjes achterlatende voor den huisbewaarder, wiens dankbetuigingen en goede wenschen ons nog uit de verte tegenklinken. Deze luide dankbetuigingen verwonderden mij eenigszins, als niet strookende met de gewoonte der Perzen; maar een onzer tochtgenooten van gisteren deelde mij mede, dat de meeste karavanserais, evenals de moskeeën, stichtingen zijn van particuliere liefdadigheid, en in den regel ook door de nakomelingen van den stichter worden onderhouden. Een door hen aangestelde huisbewaarder ontvangt de karavanen, en opent en sluit, 's morgens en 's avonds, de deuren; de reizigers zijn hem geene vergoeding hoegenaamd schuldig, hoe lang zij ook in de karavanserai verblijven, dan alleen voor zoo ver zij persoonlijke diensten van hem mochten verlangen. Hij geniet alleen eene geringe winst op het stroo, het hout en de melk, die hij aan de muilezeldrijvers verkoopt.

Deze karavanserais, wier aantal vroeger langs de groote gemeenschapswegen zeer belangrijk was, waren voor den handel van het grootste gewicht. Doorgaans goed gebouwd, door hooge muren met torens omringd, waren zij niet licht bij verrassing te nemen, en in behoorlijken staat van tegenweer. De vroegere koningen, wien de welvaart van hun volk en de bloei van hun rijk ter harte ging, stichtten eene menigte karavanserais; Shah Abbas liet er, volgens de kronieken, niet minder dan negenhonderd-negen-en-negentig bouwen, en verzekerde daardoor eene spoedige en gemakkelijke gemeenschap tusschen de verschillende deelen van zijn uitgestrekt rijk. De meeste van deze koninklijke karavanserais zijn tegenwoordig niet meer dan ruïnen, die de reizigers geene schuilplaats meer aanbieden, maar daarentegen de vereenigingspunten zijn geworden van roovers en bandieten, die zich daarin nestelen. Aan den ondergang dezer zoo nuttige gebouwen heeft echter niet alleen de tijd schuld: de opvolgers van Shâh Abbas, die niet zijn onbekrompen geest en helder inzicht hadden geërfd, verpachtten de karavanserais aan de meest biedenden, waardoor de pachters gedwongen werden de karavanen zooveel mogelijk geld af te persen. De gevolgen van deze averechtsche politiek bleven niet uit: de handel verminderde van dag tot dag, de koninklijke herbergen stonden ledig en werden eindelijk verlaten voor de particuliere karavanserais, waar de reizigers een goed en zeer goedkoop onderkomen konden vinden.

Wij trekken door vruchtbare en goed bebouwde valleien; men legt zich hier van ouds op de veeteelt, bepaaldelijk op de paardenfokkerij toe. Reeds in den tijd van Darius en zijne opvolgers moest deze provincie voor de koninklijke stallen twintigduizend veulens leveren. Boomen ontbreken geheel in dit eentonig landschap, slechts door enkele heuvelreeksen afgewisseld: nergens is een enkele stam, nergens zelfs kreupelhout te zien, dat eenige bescherming tegen de zonnestralen zou kunnen verleenen. Even zeldzaam als het geboomte zijn de gehuchten en alleen staande woningen. Sedert wij ons in Perzië bevinden, heb ik niet anders gezien dan meer of minder belangrijke dorpen en kampementen van nomaden; nergens eene boerewoning of hofstede te midden van velden en akkers. Het noordelijk gedeelte van Azerbeïdsjan ziet er dan ook, ondanks de welbekende vruchtbaarheid van den grond, onbeschrijfelijk doodsch en verlaten uit. De dorpen zelven liggen ver van elkander; en de reiziger mag zich gelukkig rekenen, als hij aan het eind van iedere dagreis een dorp vindt.

9 April.--Marande is een groot vlek met drie- of vierduizend inwoners; het is het oude Mandagarana van Ptolemaeus. Het stadje ligt aan den oever eener aardige rivier, in wier midden zilveren populieren en donkergroene wilgen welig groeien; het water, in een aantal beekjes gesplitst, stroomt met snel verval midden door de voornaamste straat. De huizen hebben slechts eene verdieping; zij zijn van in de zon gedroogde tichelsteenen gebouwd en hebben platte daken, door eene borstwering omgeven. Eene zware buitendeur geeft toegang tot de woning, die aan de straatzijde geen vensters heeft: de kamers ontvangen allen haar licht van de binnenplaats. Sommige aanzienlijke huizen hebben echter aan de rivierzijde een groot vierkant venster, van houten traliewerk voorzien, waardoor de vrouwen naar buiten kunnen kijken, zonder zelven gezien te worden.

Volgens de armenische traditie zouden de velden van Marande met die van Erivan op de onderscheiding aanspraak mogen maken, van het eerst na den zondvloed weder bewoond te zijn geworden. De traditie verhaalt zelfs, dat de aartsvader Noach, toen hij eindelijk, oud en des levens zat, den adem uitblies, te Marande werd begraven.

De karavanserai binnentredende, loop ik bijna een ouden bedelaar tegen het lijf: zijn van groeven en rimpels doorploegd gelaat en zijn sneeuwwitte baard getuigen, dat hij lange jaren op deze aarde heeft rondgewandeld. Zijne kleeding is bij uitstek schilderachtig; op het hoofd draagt hij een hoogen papash in den vorm van een suikerbrood; in betere dagen was hij gehuld in twee koledjas (eene soort van lange jassen of kaftans), de eene blauw, de andere rood. Maar tegenwoordig is het bovenkleed zoo gescheurd en het andere zoo versleten en uitgerafeld, dat de roode lappen heenkijken door de gaten in het blauwe kleed, en beiden een geheel vormen, waarvan het op het eerste gezicht niet gemakkelijk is de ware kleur te onderkennen. Maar hoe goed kleeden hem die pittoreske lompen, en hoe uitmuntend past die veelvervige rok bij het door ouderdom bijna eerwaardige voorkomen van dien grijzen bandiet!

Onze tegenwoordige herberg is van vrij wat beter gehalte dan die, waarin wij den vorigen nacht hebben doorgebracht. De binnenplaats is zeer ruim, en wij zijn gehuisvest in eene kamer met wit gepleisterde muren, voorzien van vensters, die met geolied papier zijn beplakt; een kleine schoorsteen, waarbij wij ons warmen kunnen, behoort niet tot de minste geriefelijkheden van dit vertrek. In den hoek bevindt zich eene deur, die naar eene smalle trap geleidt; ik bestijg die en kom op het platte dak, van waar ik gemakkelijk in de naburige woningen een kijkje kan nemen.--Te midden van eene binnenplaats staan eenige vrouwen met den heer des huizes te praten; niet vermoedende dat zij bespied worden, laten zij haar gelaat onbedekt; eene dienstbode, op den grond neergeknield, kneedt van koemest, gehakt stroo en aarde het leem, waarmede de breuken en scheuren in de muren worden hersteld.

De bazar, die van allerlei waren goed voorzien is, bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van onze karavanserai. De levensmiddelen zijn er zoo goedkoop, dat onze tsjarvadars aan de verzoeking om een feestje aan te leggen, geen weerstand kunnen bieden. Een hunner, de redenaar van den troep, vraagt of hij ons een verzoek mag doen; dit toegestaan zijnde, verlangt hij uit naam van allen, twee tomans (eene perzische munt), om daarvoor een schaap en rijst te koopen, ten einde zich tot Tauris te kunnen voeden. De goede raadgevingen van den heer Ovnatamof komen mij te binnen; ik begin dan ook met te weigeren, en vraag vervolgens aan den spreker, waar het geld gebleven was, dat zij te Djoelfa ontvangen hadden.

"Dat moesten wij immers aan onze vrouwen en kinderen laten?" hervat de brave man.

Dit antwoord treft mij, en ik haal mijn echtgenoot over om de twee tomans uit te betalen, noodig voor den aankoop van het schaap.

10 April.--Wij hadden al spoedig berouw over onze goedhartigheid: heden morgen zijn al onze tsjarvadars stomdronken!--Halverwege onzen tocht maken wij een halt van ettelijke uren bij de ruïnen van een der negenhonderd-negen-en-negentig karavanseraïs, waarvan de stichting aan Shâh-Abbas wordt toegeschreven. Het gebouw is vierkant; hare uit fraaien rooden steen opgetrokken, van sterke torens voorziene muren maakten de karavanserai tot eene vesting, die bij vijandelijke invallen en strooptochten eene veilige schuilplaats bood. De half in puin gevallen poort prijkt met een fraai mozaïek van blauwe tegels en rooskleurige baksteenen. Ook deze karavanserai is gedurende langen tijd een waar rooversnest geweest, evenals zoovele anderen; onze tsjarvadars aarzelden en beefden als een riet, toen wij het bevel gaven, met de karavaan hier stil te houden, ten einde eene afbeelding van de karavanserai te maken.

Toen wij weder op weg waren, kwam een der gidsen naar mij toe en zeide op vertrouwelijken toon:

"Eene maand geleden zouden wij op deze vervloekte plek zijn uitgeplunderd geworden. Tegenwoordig zijn er minder roovers, omdat de prins, gouverneur dezer provincie, den prefect van policie te Tauris veertig slagen op de voetzolen heeft doen toedienen.

--Maar welke betrekking kan er dan bestaan tusschen het hoofd der policie en de bandieten? vroeg ik hem. Ik kan toch niet onderstellen dat een zoo hoog geplaatst ambtenaar, die voor de openbare veiligheid moet zorgen, tevens rooverhoofdman zal zijn.

--Gij vergist u. Bandieten en magistraatspersonen leven, ten onzen koste, in zeer goede onderlinge verstandhouding, antwoordde hij; maar sedert zijne laatste tuchtiging doet de prefect van policie zijn best om de rooverij tegen te gaan.

--Hoe kan hij dat doen, nadat hij zijn gezag verloren heeft?

--Maar zijn gezag is onveranderd gebleven, herneemt de spreker, niet zonder verbazing; eenige dagen nadat hij de welverdiende strafoefening had ondergaan, zond de prins, die verder geen reden had om boos op hem te zijn, hem een khalat of eerekleed, als vergoeding voor de geleden pijn; en nu onlangs heeft hij hem in zijn ambt hersteld.

--Maar dat is niet mogelijk: de gouverneur kan toch zijn vertrouwen niet schenken aan iemand, die publiek geschandvlekt is.

--Maar de bastonnade is geene schande, mijn jonge meester. En wie zou ook beter de rooverij kunnen tegengaan en beteugelen, dan de prefect? Hij heeft in persoonlijke betrekking gestaan met de bandieten, en weet aan welke straf hij zich blootstelt, als hij te veel toegevendheid jegens hen gebruikt. Zoo het Gode behaagt, zullen wij dan ook nu zonder gevaar of hinder te Tauris komen; zoo niet, zouden de voeten van Zijne Excellencie het moeten ontgelden."

Na eene lange en vrij vermoeiende dagreis bereikten wij des avonds Sofia; den volgenden morgen van hier vertrekkende, kunnen wij nog in den voormiddag Tauris, de hoofdstad van Azerbeïdsjan, bereiken.

III

12 April.--Toen wij gisteren aan de pleisterplaats kwamen, lieten wij ons, uitgeput van vermoeidheid, neervallen op een tapijt, dat in allerijl in eene der kamers van de karavanserai was uitgespreid. Sedert langen tijd had ik niet te paard gereden, en die rit van tien uren, stapvoets, had mij zoo uitermate vermoeid, dat ik bijna niet meer wist waar ik was of wat ik deed, en zelfs de geuren van pilau en kiëhbab mij onverschillig lieten. Dezen morgen gevoel ik mij veel beter: de eetlust is weergekeerd, en bij een flauw vuurtje gezeten, verslinden wij met ons beiden wat de gulzigheid der bedienden heeft overgelaten. Sedert ons vertrek van Djoelfa zijn wij ruim vijfhonderd el gestegen; de lente heeft op deze hooge bergvlakte haar invloed nog niet doen gevoelen. De lucht is zwaar bewolkt en ziet er dreigend genoeg uit: maar wij kunnen ons daardoor niet laten ophouden. De sneeuw, door een scherpen oostenwind voortgedreven, jaagt ons in het gezicht en overdekt ons met haar dichte vlokken. Toen de sneeuwjacht een weinig bedaarde en wij een weinig voor ons uit konden zien, bespeur ik aan onze voeten eene reeks van reusachtige molshoopen, die van den voet des bergs, welken wij zoo juist bestegen hebben, uitgaan en naar de vlakte afdalen. Reeds na ons vertrek uit Djoelfa was mijne aandacht getrokken geworden door diepe cirkelvormige kuilen langs den weg. Inlichtingen bij onze tsjarvadars ingewonnen, brachten mij op de hoogte.

De hooge bergvlakten van Perzië zijn van nature droog en onvruchtbaar; om ze voor bebouwing geschikt te maken, moeten de inwoners, in de nabijheid der bergketenen, onderaardsche sprengen opsporen, en het water door middel van lange uitgegraven galerijen of tunnels naar de hooge gronden voeren. Deze waterleidingen zijn niet gemetseld; de helling wordt met groote nauwkeurigheid berekend en bepaald; hare lengte bedraagt somtijds dertig tot veertig kilometers, en hare diepte, bij het punt van uitgang, ruim honderd el.

De welvaart, men mag bijna zeggen het leven van Perzië, hangt aan het aantal en het behoorlijk onderhoud van deze onderaardsche galerijen. De aanleg van eene nieuwe waterleiding maakt het mogelijk, eene zekere uitgestrektheid gronds in kultuur te brengen, en te midden der nieuw ontgonnen velden verrijst al spoedig een dorp. Raakt de waterleiding in verval, dan wordt de van water beroofde vlakte al ras een woestijn. Hoe slordig de Perzen ook mogen zijn, en hoe weinig zij zich in het algemeen bekommeren om de instandhouding van werken van openbaar nut, voor het behoorlijk onderhoud van hunne waterleidingen ontzien zij geene moeite.

Een blik op de geologische gesteldheid van den bodem overtuigt ons van de noodzakelijkheid dezer reusachtige werken. Perzië is een tafelland, rondom door bergen, waarvan sommigen eene aanzienlijke hoogte bereiken, ingesloten; de hoogvlakte, die zeer ongelijk van hoogte is en in het midden tot driehonderd el boven de zee daalt, wordt bovendien door enkele berg- en heuvelreeksen, meestal in de richting van het zuidoosten naar het noordwesten loopende, doorsneden. De geaardheid van den bodem en talrijke zoutvelden bewijzen dat in een vroeger tijdperk deze gansche terrasvormige vlakte met water was overdekt. Uit die zee verhieven zich de bergketenen en heuvelreeksen, die nu nog het tafelland begrenzen en doorsnijden. De steile hellingen en afgebrokkelde toppen dier bergen zijn geheel van aarde, en dus ook van boomen en plantengroei ontbloot; het regenwater stroomt alzoo ongehinderd naar beneden, dringt door den grond en verzamelt zich in uitgestrekte onderaardsche kommen en valleien, die zich ver en breed onder den bodem uitstrekken. De eerste bewoners van het land zagen zich genoodzaakt, deze onderaardsche wateren te gaan opsporen, ten einde de bebouwing van hun nieuw vaderland mogelijk te maken. Volgens Strabo zouden de eerste waterleidingen zijn aangelegd door de mythische koningin Semiramis. Polybius verhaalt dat Ecbatana gedrenkt werd door onderaardsche galerijen van buitengewone lengte, en van zoo oude dagteekening, dat de Perzen zelven niet den oorsprong dezer waterleidingen onbekend waren. Deze werken waren uitgevoerd op last van de eerste medische koningen; de werklieden, die deze galerijen hadden gegraven, genoten gedurende vijf geslachten de opbrengst van de aldus besproeide landen.

Tegenwoordig zijn deze waterleidingen voor het meerendeel privaat eigendom en worden voor zeer hooge prijzen verpacht; sommigen, in den omtrek van Teheran, vertegenwoordigen eene waarde van twee tot drie millioen en leveren jaarlijks een onzuiver inkomen op van omstreeks vierhonderdduizend francs. Om den aanleg en het onderhoud der waterleidingen gemakkelijker te maken, worden zij door middel van putten of kuilen, op onderlinge afstanden van twintig tot dertig el gegraven, met den bovengrond in gemeenschap gebracht. De uit deze putten afkomstige specie, die aan den rand wordt opgestapeld, vormt die reeksen van aardhoopen, die zoo zeer mijne nieuwsgierigheid hadden geprikkeld.