Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 19

Chapter 19 3,776 words Public domain Markdown

Het paleis van Shâh Soliman is van gebakken steenen gebouwd; desniettemin verkeert het in even rampzaligen toestand als dat van Farah Abad. Gelukkig echter, dat de Afghanen, die het paleis verwoestten, het prachtig panorama niet konden vernietigen, dat zich van deze hoogte voor de blikken ontrolt. Als men zich op eene eenigszins uitstekende punt, aan den voet van een toren plaatst, overziet men de gansche vlakte van Ispahan, den weg naar Shiraz, en aan den schemerenden horizon, in blauwachtigen nevel gehuld, de vallei van Golnabad, die eene treurige beroemdheid verwierf door den slag, welke hier tegen de legers der Afghanen geleverd werd. Gedurende hunne korte heerschappij gingen de overweldigers zoo ruw en tyranniek te werk, en de herinnering aan hunne wreedheden en buitensporigheden is nog, na verloop van meer dan eene eeuw, bij de bewoners van Ispahan zoo levendig gebleven, dat bijna iedereen u allerlei bijzonderheden weet te vertellen van den slag bij Grolnabad en de daarop gevolgde belegering der hoofdstad.

Ik heb reeds gewezen op de oorzaken van den opstand der afghaansche stammen; ik heb ook reeds gesproken van de onderwerping van Kandahar, de gevangenschap van Mir Weis en de herhaalde pogingen tot het verwekken van een opstand, na zijn terugkeer in het vaderland; ik heb verder verhaald, hoe zijn zoon Mahmoed een inval in Perzië deed en het beleg sloeg voor Yezd en Kirman.

Na herhaalde vruchtelooze pogingen om zich van die beide steden meester te maken, brak de afghaansche veldheer het beleg op, trok rechtstreeks naar de hoofdstad van Perzië, en sloeg in vermetelen overmoed zijn kamp op bij Golnabad. Toen hij in het gezicht van Ispahan kwam, was zijn leger, verzwakt door lange geforceerde marschen en door de herhaalde gevechten die hij had moeten leveren: Mahmoed had toen niet veel meer dan twintigduizend man onder zijn bevelen. Een honderdtal kleine kanonnen, door kameelen gedragen, en waarmede kogels van een tot twee pond konden worden geschoten, waren ten eenemale onvoldoende om bres te schieten in de muren eener stad, die meer dan vierhonderd stukken van het zwaarste kaliber op hare muren had staan. De stad, die door middel van twee goed verdedigde bruggen in gemeenschap stond met hare twee voorsteden op den rechteroever, Dsjoelfa en Abbas-Abad, was tegen verrassing gewaarborgd door de rivier, die langs hare wallen vloeide. Naar het zich dus liet aanzien, zou de poging van een weinig talrijk leger, dat door de garnizoenen van Yezd en Kirman van alle gemeenschap met zijn vaderland kon worden afgesneden, niet anders kunnen eindigen dan met een jammerlijke mislukking.

Na het paleis van Farah Abad te hebben verlaten, had Shâh Hoesein zich in zijne hoofdstad terug getrokken en de leiding der zaken opgedragen aan twee mannen van zeer uiteenloopend karakter. De eerste minister, Mohammed Koely-Khan, zich beroepende op de vergeefsche pogingen der Afghanen om Yezd en Kirman te bemachtigen, verzekerde dat de vijand nooit de hoofdstad zou kunnen innemen, aangezien hij het beleg van veel minder goed verdedigde steden had moeten opbreken; hij gaf mitsdien den wijzen raad, het in der haast bijeen geroepen en slecht geoefende perzische leger niet in het open veld te stellen tegenover een geharden, onverschrokken, aan den krijg gewenden vijand, die noch voor vermoeienissen, noch voor gevaren terugdeinsde, en door uitmuntende legerhoofden werd aangevoerd. Het opperhoofd der arabische stammen in dienst van Perzië, de wali van Arabië, stelde een geheel ander krijgsplan voor. In den krijgsraad voer hij hevig uit tegen hetgeen hij de lafhartigheid van den eersten minister noemde. "Wanneer een bandiet als Mahmoed, zeide hij, aan het hoofd van een handvol ellendige soldaten, de majesteit van den troon van Perzië kan beleedigen en de hoofdstad des rijks belegeren; wanneer wij achter onze muren en wallen opgesloten moeten blijven, in plaats van het vijandelijk kamp te vuur en te zwaard te verwoesten,--dan zou het nog beter zijn, het land, dat wij niet langer kunnen verdedigen, in handen van den vijand te leveren. Willen wij dat niet doen, laat ons dan onverwijld tegen de Afghanen oprukken en onze eer wreken door de vernietiging van vijanden, wier kracht alleen in onze angstvallige behoedzaamheid ligt."

Deze ijdele grootspraak, zoo wel passende bij den nationalen trots der Perzen, bepaalde het besluit van den zwakken Shâh Hoesein, die aanvankelijk naar de wijze raadgevingen van zijn eersten minister geluisterd had, maar zich nu liet medesleepen door de pochende taal van den wali. Hij gaf bevel tot den slag, maar beging de schromelijke onvoorzichtigheid, het bevel over het leger toe te vertrouwen aan de beide mannen, die elkander vijandig waren gezind en wier adviezen in den raad lijnrecht tegenover elkander hadden gestaan. Het perzische leger, zestigduizend man sterk en uitmuntend uitgerust, verliet Ispahan onder die ongunstige omstandigheden.

De rechtervleugel, onder het kommando van Roestem-Khan, opperbevelhebber der koninklijke lijfwacht, leunde tegen het dorp Ispahaneh, dat wij in de vlakte, tegenover het paleis van Soliman, zien liggen; bij dezen vleugel voegde zich de wali van Arabië met zijne troepen. De eerste minister voerde den linkervleugel aan, ondersteund door den wali van Loristan, die vijfduizend ruiters onder zijne bevelen had. In het midden stonden de infanterie en de artillerie.

De afghaansche veldheer had zijn klein leger in vier afdeelingen gesplitst; door beproefde krijgers omringd, voerde hij zelf het bevel over den middentocht, terwijl het kommando over den rechtervleugel was toevertrouwd aan een zijner generaals, Aman Ullah-Khan. De linkervleugel, uitsluitend uit opgestane Parsis saamgesteld, werd door een hunner godsdienstige opperhoofden aangevoerd; aan het vierde korps werd de bewaking toevertrouwd van de artillerie, die met opzet achter den rechtervleugel was opgesteld. Voor het gevecht begon, reed Mahmoed op een olifant gezeten, langs de gelederen zijner soldaten: hij herinnerde hen aan de reeds bevochten zegepralen, vuurde hun moed aan door er op te wijzen dat de plundering van Ispahan de prijs der overwinning zou zijn, en toonde hun gevangenschap en een smadelijken dood in het verschiet, ingeval zij overwonnen werden. De rechtervleugel van het perzische leger opende het gevecht: de aanval was zoo hevig, dat de afghaansche troepen in verwarring geraakten. De wali van Arabië maakte eene zijdelingsche beweging en overrompelde het vijandelijke kamp; maar zijne Arabieren gingen zoo driftig aan het plunderen, dat hij hen niet meer kon verzamelen noch verder aan den strijd doen deelnemen.

Inmiddels had de eerste minister, aan het hoofd van den linkervleugel, den rechtervleugel der Afghanen aangetast. Aman Ullah-Khan gaf zijn troepen bevel, bij de nadering van den vijand te vluchten; de Perzen joegen in hunne blijdschap den wijkenden vijand na; maar deze verstrooide zich eensklaps, en nu stonden de vervolgers tegenover de honderd vuurmonden, die door geknielde kameelen werden gedragen. Een hevig, goed gericht vuur richtte geweldige verwoestingen aan in de eerste gelederen van deze legerafdeeling en verspreidde onder deze ongeoefende soldaten zulk een panischen schrik, dat zij, toen de schijnbaar vluchtende Afghanen eensklaps den aanval hervatten, voor een groot deel werden neergesabeld en in de uiterste verwarring op de vlucht sloegen, het gansche leger medeslepende. Aman Ullah-Khan maakte aanstonds van het verkregen voordeel gebruik: hij tastte de onverdedigd gelaten perzische artillerie aan, doodde de kanonniers bij hunne stukken, en richtte nu de vuurmonden op de perzische infanterie, die nog stand hield. Toen de Perzen hunne gelederen zagen vallen door hun eigen geschut, lieten zij den moed geheel zakken; in wanorde vluchtten zij van het slagveld en zochten eene toevlucht binnen de muren van Ispahan. Een aantal hunner deserteerden voor goed en keerden naar hunne dorpen terug.

Mahmoed liet de gelegenheid om tegelijk met de vluchtenden Ispahan binnen te dringen, ongebruikt voorbij gaan; overbluft door zijn geluk, trok hij zich binnen zijne verschansingen terug, en liet zelfs toe, dat eenige stukken geschut, die op het slagveld waren achtergebleven, door de Perzen werden weggevoerd. Eerst toen hij van spionnen vernomen had, hoezeer de nederlaag van het koninklijke leger schrik en ontsteltenis in de hoofdstad had verspreid, besloot hij de vijandelijkheden te hervatten. De overwinnaar trok nu naar Dsjoelfa, dat eene bestorming van twee dagen doorstond, maar zich toen moest overgeven. De christelijke stad kocht eene plundering af voor eene schatting van zeventigduizend tomans; bovendien moesten vijftig jonge meisjes uit de eerste familiën voor den harem van den overwinnaar worden uitgeleverd. Mahmoed sloeg daarop het beleg voor Ispahan zelf, dat weldra aan al de ellenden van den hongersnood ten prooi was. Shâh Hoesein deed, zooals wij weten, ten behoeve van Mahmoed afstand van den troon: daardoor redde hij de hoofdstad van de gruwelen eener plundering en menschenslachting op groote schaal, maar leverde het perzische rijk over in handen der Afghanen, die er eenige jaren den meester speelden.

14 September.--Heden morgen uitgaande, richtten wij onze schreden naar de oevers van den Zendeh-Roed, en volgden den loop der rivier tot wij aan den tuin van den Tsjaar-Bagh kwamen, en wel in dat gedeelte dat vroeger uitkwam in een groot park, onder den naam van Hezar Djerib bekend. Vuile aardhoopen, door den regen half weggespoeld, en een fraai duivenhok--ziedaar alles wat van de voormalige pracht dezer tuinen nog overig is. Voortgaande, bespeuren wij in den lommer van eenige platanen een zeer bevallig paviljoen, de Ainak Khaneh (Huis der spiegels.)

De naar de rivier gekeerde zijde prijkt met een smaakvolle portiek, gevormd door twaalf zuilen, die vroeger met geslepen spiegels waren bekleed. De zolderingen van cypressen- en platanenhout, met gouden biezen afgezet, de lambrizeeringen van gekleurd porselein, het kunstig gesmeede traliewerk der deuren en vensters: dit alles te zamen vormt een zeer schoon, echt vorstelijk geheel.

Vlak naast dit sierlijke paviljoen, waar de koningen uit de dynastie van Kadsjar gewoonlijk audiëntie verleenen, wanneer zij te Ispahan vertoeven, ligt over den Zendeh-Roed de brug Hassan-Beg, die wel de aandacht waard is. Dit met groote zorg en bijzondere weelde uitgevoerde kunstwerk dient tevens tot brug en tot dam of stuw. De pijlers rusten op eene bedding van zes-en-twintig el breedte, die het water tot twee el boven peil moet opstuwen; elke boog bestaat uit een kruisgewelf, rustende op vier massieve gemetselde pijlers. Wanneer men zich onder de brug begeeft en midden op den weg gaat staan, kan men het gansche bouwwerk in zijne lengte overzien, als eene galerij, gevormd door eene reeks van met koepels gedekte vertrekken. Het geheele ondergedeelte van den bouw, zooals de bedding, de onderlaag en de pijlers, zijn van gehouwen steen; de bovenbouw is van fraaien baksteen, met veelkleurige porseleinen tegels bekleed.

De rijweg der brug wordt omzoomd door twee galerijen, voor voetgangers bestemd. In het midden van die galerijen verheffen zich twee achtkantige paviljoenen, die verschillende vertrekken bevatten, welke gratis ten gebruike voor reizigers worden afgestaan. De witgepleisterde muren zijn voor een deel met opschriften en spreuken bedekt.

15 September.--Ons laatste uitstapje in de onmiddellijke nabijheid der hoofdstad geldt Sheristan, eigenlijk het oudste gedeelte van Ispahan, dat de plaats inneemt van het oude Djeï, maar dat nu ongeveer twee farsaks van de moderne stad verwijderd ligt.

Men volgt aanvankelijk den rechter oever van de rivier en komt dan in de aardige voorstad Abbas-Abad, evenals Dsjoelfa gebouwd langs belommerde grachten. Dan houdt de weg op en volgt men een spoor, dat aangewezen wordt door de hoeven van paarden op den zandigen grond. Na een rit van een uur gaan wij over de rivier en bevinden ons dan in de nabijheid van eene prachtige minaret, die eene hoogte bereikt van ruim negen-en-dertig el en met eene inscriptie in mozaïek is versierd. De minaret dagteekent uit den tijd der mongoolsche heerschappij.

In de nabijheid ligt nog eene brug over de rivier, van welke evenwel zeer weinig gebruik wordt gemaakt. Het vlek is zeer stil en schijnt zoo weinig bewoond, dat zelfs onze komst niet meer dan een twintigtal nieuwsgierigen op de been heeft gebracht. Behalve de minaret en de brug is er niets, dat eenigszins de aandacht verdient in deze kleine vergeten voorstad, waar niets meer aan het oude Djeï herinnert.

17 September.--Wij hebben, in tegenwoordigheid van den Padri, in behoorlijken vorm een contract gesloten met den tsjarvadar-bashi van eene armenische karavaan, die naar Shiraz moet vertrekken, en waarbij wij ons wenschen aan te sluiten. Wij hebben daarbij vijftien muilezels gehuurd voor het vervoer van onze bedienden en onze bagage, benevens twee rijpaarden voor ons zelven. Nadat alles geregeld en bepaald was, ontving de tsjarvadar-bashi, door zijn meesterknecht bijgestaan, de helft van den bedongen huurprijs voor zijn ezels en paarden; hij onderzocht nauwkeurig elk muntstuk en schoot er omstreeks honderd uit, die hij onder verschillende voorwendsels weigerde in ontvangst te nemen. Toen deze ceremonie was afgeloopen, deelde onze vriend mede dat hij den volgenden dag zou terugkeeren om de bagage te wegen en zich te overtuigen dat elke vracht niet meer bedroeg dan het voorgeschreven gewicht van dertien batmans tabrisi (vijf-en-zeventig kilos) of honderd-vijftig kilos voor elk muildier. De wegen van Ispahan naar Shiraz zijn zoo slecht, dat het gevaarlijk is, de dieren zwaarder te belasten.

"Wanneer vertrekken wij? vroeg ik.

--God is groot! antwoordde de meesterknecht van den tsjarvadar; een van onze reizigers is ziek; als hij niet binnen drie of vier dagen komt te overlijden, zal zijne ziekte van langen duur zijn, en dan zullen wij hem wel dwingen, zich op weg te begeven. Loopt het daarentegen met hem ten einde, dan zullen wij wachten tot na zijn dood; want een sterfgeval gedurende de eerste dagen van de reis ware een zeer slecht voorteeken."

Kom aan, ik zie wel dat wij al den tijd hebben om onze toebereidselen te voltooien. In het gelukkige Oosten heeft niemand ooit haast.

19 September.--Twee dagen lang zijn wij bezig geweest met het telkens op nieuw verpakken van onze bagage, om de verschillende vrachten zoo te verdeelen, dat het reglementaire gewicht niet worde overschreden. Na eindeloos gehaspel is de bagage dan nu toch eindelijk in orde; alles is behoorlijk vastgemaakt en de vrachten zijn gelijkelijk over de muilezels verdeeld.

Heden morgen hebbon wij afscheid genomen van onze vrienden van Dsjoelfa en Ispahan. Van allen ondervonden wij de meeste hartelijkheid: wij zouden eene gansche karavaan hebben kunnen bevrachten met de geschenken aan vruchten, sorbets en confituren, die men ons met alle geweld wilde opdringen. De Padri en eenige andere heeren zullen ons uitgeleide doen tot halfweg de eerste halte. Met weemoed scheiden wij van Dsjoelfa; maar wij mogen niet toegeven aan droevige stemmingen: wij gaan naar Shiraz, het land van den wijn, de rozen en de dichters.

XIX

19 September.--Tegen zonsondergang namen wij afscheid van den eerwaarden Padri en van de andere heeren, die ons tot dusver hadden vergezeld en nu naar Dsjoelfa terugkeerden. In alles behalve vroolijke stemming vervolgden wij nu stil onzen weg, gevolgd door den tsjarvadar, die de muildieren geleidt, en door een armenischen bediende, Arabet genoemd. Deze arme jongen heeft, onder bittere tranen, afscheid genomen van vrouw en kinderen, en zich als intendant bij ons verhuurd; ook hij gaat zijn geluk in Indië beproeven. Te Boeshir zal hij ons verlaten om met zijn verdiend loon den overtocht te betalen naar Bombay.

Nauwelijks is de zon aan de kim weggezonken, of duisternis omvangt ons. Het Oosten kent geene schemering: op den vollen dag volgt bijna zonder overgang de nacht. Het is doodstil: slechts het eentonig geschreeuw van enkele vogels, het nog eentoniger gezang van den muilezeldrijver, en het gekletter der hoeven op de keien, verbreken het diepe zwijgen der sluimerende natuur.

Wij verlaten de groote heirbaan en slaan een zijweg in, die ons eindelijk op eene open heide brengt. Na een poos omgedwaald te hebben, vinden wij de karavaan, die reeds voor het meerendeel in diepen slaap gedompeld ligt. Daar wij evenwel geen trek hebben om onder den blooten hemel te overnachten, dwingen wij den tsjarvadar, zeer tegen zijn zin, de reis voort te zetten. Na verloop van een kwartier komen wij aan een groot dorp; de intendant klopt aan het eerste huis het beste; maar wij zijn op het platte land, waar de boeren doodelijk bang zijn voor dieven: men opent dus niet eens de deur. Dezelfde poging wordt drie-, viermaal, met even weinig gevolg herhaald; eindelijk komen wij aan het huis van den ket-khoda.

"Doe open, in naam van den Shâh Zadeh!" roept mijn echtgenoot op gebiedenden toon, zoo goed mogelijk den tongval van Ispahan nabootsende.

Een paar knechts openen de deur op eene kier, en weldra vertoont zich de heer des huizes, die op het zien van onze witte helmhoeden een scheef gezicht trekt.

Gelukkig is de kok bereid borg voor ons te spreken.

"Deze Faranguis," zegt hij, "zijn rustige en vreedzame lieden, die gij zonder eenige vrees in uw huis ontvangen kunt: gij zult bovendien voor uwe gastvrijheid ruimschoots worden betaald.

--Ik heb nimmer, ook zonder betaling, gastvrijheid geweigerd aan ware geloovigen; maar ik mag geene ongeloovigen onder mijn dak ontvangen, zonder toestemming mijner vrouwen; wacht een oogenblik: ik ga met haar spreken."

En de ket-khoda keert in huis terug, zijne bedienden tot bewaking der deur achterlatende. Weldra dringt een verward gekrijsch tot ons door. Het voorstel van den heer des huizes heeft in den anderoen zulk een storm van verontwaardiging opgewekt, dat de gelukkige echtgenoot ons weldra, niet zonder eenige verlegenheid, komt berichten, dat hij ons onmogelijk ontvangen kan.

"Aan het uiteinde van het dorp," zegt hij, "staat eene oude moskee, waarin de tsjarvadars soms hun bivouak opslaan; gij zult daar een goed nachtverblijf vinden, en zoo gij er heen wilt gaan, zal ik zorgen dat er hout en kolen worden gebracht."

Op weg dan maar naar de moskee.

Dit bedehuis is rondom eene vierkante binnenplaats gebouwd: rechts en links van het heiligdom bevonden zich voorheen overwelfde galerijen, die nu in puin zijn gevallen; tegenover den hoofdingang is de eigenlijke zaal des gebeds, die in weinig beter staat verkeert dan de zijvleugels; maar in een der hoeken zijn nog drie koepelgewelven overgebleven, die althans een zekere schuilplaats aanbieden. De levensmiddelen, de dekens en mantels worden uitgepakt; de ket-khoda is zoo goed als zijn woord en zendt ons eene vracht hout; het vuur wordt aangestoken, onze eenvoudige avondmaaltijd klaar gemaakt, thee gezet; en hoewel wij bijna stikken van den rook, zitten wij toch heel huiselijk in de moskee, zeer verheugd dat wij, bij deze nachtelijke koude, althans niet in de open lucht behoeven te slapen.

20 September.--Toen ik des morgens wakker werd, scheen de zon in vollen luister: het is zeven uren; vliegen en bijen zwermen gonzend in het rond; en deze vervallen moskee, die 's nachts een zoo somberen indruk maakt, tooit zich voor een oogenblik met al de schoonheid van het landschap, dat men door de spleten en scheuren der half ingestorte muren ontdekt. Marcel is reeds sedert lang op de been: ik sta op mijn beurt ook op, en ben weldra buiten, aan den ingang van een fraai dorp; wat ik gisteravond voor eene kale heide hebt aangezien, blijkt nu vruchtbaar en bebouwd land te zijn.

Op driehonderd el afstands van de moskee is de karavaan in de vlakte gelegerd. Nog nooit sedert onze komst in Perzië, heb ik zooveel paarden en koopwaren bij elkander gezien. Van de grenzen van het dorp af is het, over eene lengte van ongeveer een kilometer, eene ophooping van kisten met opium en tabak, reusachtige balen in doeken van geitenhaar gewikkeld, van opgerolde tapijten, van hout, zeildoek voor tenten, van allerlei waren en goederen, sedert vier maanden in de karavanserais van Ispahan opgehoopt. Vrouwen, in de schaduw van de stapels neergezeten, trachten zich onder dichte sluiers en dekens aan de nieuwsgierige blikken te onttrekken; terwijl de mannen om het kamp vuren aanmaken en den dagelijkschen pilauschotel bereiden; een zestigtal tsjarvadars zijn hier en daar bezig de muildieren te roskammen of geleiden ze naar de slooten om te drinken. Daar is een reden voor de zoo buitengewone beteekenis van de karavaan: sedert het begin van den zomer zijn al de paarden en muildieren in beslag genomen voor het vervoer der tenten en verdere benoodigdheden van het kamp van den Shâh Zadeh, zoodat het karavanenverkeer tusschen Ispahan en Shiraz heeft stil gestaan.

Terwijl ik met welgevallen dit levendig tooneel gadesloeg, kwam Marcel naar mij toe, vergezeld van den tsjarvadar-bashi.

"Weet gij wel waar wij zijn?" vroeg hij mij lachende. "Te Ispahaneh, in het dorp dat men ons van de hoogte van het paleis van Soliman heeft gewezen. Wij hebben een marsch van vijf uren gemaakt om een paar mijlen af te leggen en dan den nacht door te brengen in een zoo kostelijk logement, als waarin wij nu geslapen hebben. Als wij op deze wijze voortgaan, zullen wij voor de reis naar Shiraz ongeveer even veel tijd noodig hebben als de kinderen Israëls voor hun tocht door de woestijn!"

Niets maakt mij zoo driftig als de opgeruimde stemming van mijn man, wanneer het ons op eene of andere manier tegenloopt.

"Als gij van plan mocht zijn, ons hier eenige dagen op te houden," zeide ik, rood van kwaadheid, tot den aanvoerder der karavaan, "dan waarschuw ik u, dat ik naar Dsjoelfa terugkeer.

--Waarom maakt gij u toch boos, Excellentie? Gij zijt onbillijk. De meeste van uwe reisgezellen wachten hier sedert drie dagen op het teeken om te vertrekken, en toch beklagen zij zich niet. Ik kan onmogelijk binnen vier-en-twintig uren eene karavaan van ruim vierhonderd muildieren en tweehonderd personen organiseeren. Wij zijn wel genoodzaakt, een algemeen vereenigingspunt aan te wijzen, waarheen al de koopmansgoederen worden gebracht en waar al de reizigers samenkomen, naar gelang zij gereed zijn. In zulke omstandigheden is het onmogelijk, in eene karavanserai te kampeeren. Nog zijn alle goederen niet bezorgd, maar de karavaan zal, zonder fout, dezen avond zich op weg begeven. Bovendien heb ik besloten, niet langer op de achterblijvers te wachten: alle reizigers verstrooien zich op den weg naar Ispahan: de een gaat zijn pijp zoeken, die hij vergeten heeft; een ander moet nog eens, voor het laatst, van zijne vrouw en kinderen afscheid nemen; een derde moet noodzakelijk nog wat zout of peper koopen;--maar wat er ook gebeure, ik vertrek dezen nacht. Bevalt het u echter niet in de mastsjed, gaat dan naar de karavanserai van Ali-Khan, op den weg naar Shiraz: een uur voor de komst der karavaan, zal ik u laten waarschuwen, en gij kunt met ons trekken."

Tevreden met de beloften van den tsjarvadar-bashi en met het vooruitzicht dat wij een ordentelijk nachtverblijf zouden hebben, wanneer de omstandigheden onzen vriend mochten beletten aan zijn voornemen gevolg te geven, laat ik dadelijk de paarden zadelen. Wij rijden langs de karavaan, die mij nog talrijker en grooter schijnt, nu wij haar aldus kunnen overzien, en komen na een rit van twee uren aan de prachtige karavanserai van Kala Shoer, gebouwd door den nauwgezetten ambtenaar, die weleer eigenaar was van het paleis van Koladoen, en dien de Shâh Zadeh naar Mekka ter bedevaart zond, ten einde de poorten van het paradijs voor hem te openen.