Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 18
De galerijen, waarheen men ons nu brengt, zijn bestemd voor de woningen der priesters; wij worden gebracht in de kamer van een hunner, een eerwaardigen grijsaard, wiens indrukwekkend bronskleurig gelaat schilderachtig afsteekt bij zijn witten tulband en lang wit kleed. Hij noodigt ons uit, nevens hem op het tapijt plaats te nemen, laat pijpen komen en biedt ons een kop thee aan, in afwachting dat het gebed zal zijn afgeloopen en dat hij ons in de loggia voor zijne kamer kan laten. Van uit de kamer kunnen wij evenwel de godsdienstige handeling gadeslaan. De geloovige treedt de moskee binnen met zijne muilen in de hand; hij richt zijne schreden naar het waschbekken, en neemt zijn tulband af, zoodat zijn kale schedel zichtbaar wordt. Die schedels zijn niet allen op dezelfde wijze geschoren. Zij, die een tulband dragen, laten zich het geheele hoofd kaal scheren; wie zich dekt met een bonten of vilten muts, behoudt ter wederzijde, boven de ooren, een grooten krullenden haarlok, waarop de muts komt te rusten. Deze belangrijke waarnemingen kunnen alleen in de moskee of bij den barbier aan huis geschieden: want de Oosterling acht het in strijd met alle regelen van wellevendheid, met ongedekten hoofde in het publiek te verschijnen. Na zijn tulband op zijn pantoffels te hebben nedergelegd, hoest en spuwt de geloovige, spoelt zich den mond, snuit zijn neus, wascht zijn gelaat, zijn hoofd en zijne handen, en voldoet verder aan alle voorschriften van zijne wet, die hem verbiedt voor Gods aangezicht te verschijnen, zonder zich vooraf gereinigd te hebben. Indien de muzelman op reis of krank is en geen water tot zijne beschikking heeft, moet hij zich het gelaat en de handen met stof, in plaats van water, inwrijven.
Na zich aldus gewasschen te hebben, zet de geloovige zijn tulband of muts weer op, neemt zijne pantoffels in de hand en begeeft zich naar de zaal van den mihrab; daar plaatst hij zich met het gelaat naar de richting van de Kaäba, hurkt neder op de tapijten, die hier den vloer bedekken, en buigt zich met het aangezicht ter aarde. Dan zich weer oprichtende, en de armen langs het lijf latende hangen, begint hij zijn gebed op te zeggen, met alle teekenen van den diepsten eerbied.
Ten aanzien van de houding der armen en handen, is er onderscheid tusschen de Sonnitten en de Sjiîten; maar de buigingen, waardoor het gebed bij herhaling wordt afgebroken, zijn bij beiden dezelfden. "Gij zult hen zien, geknield en neergebogen, het aangezicht Gods en zijne genade zoeken. Op hunne voorhoofden zult gij een teeken zien, ten bewijze hunner vroomheid."--Deze herhaalde buigingen en het gebod om met het voorhoofd den grond aan te raken, noodzaken de muzelmannen hoofddeksels te dragen zonder rand of klep. Daar het echter voor lieden, die gewoon zijn op matten of tapijten neer te knielen, moeilijk is een zichtbaar teeken van hunne vroomheid te vertoonen, is ieder geloovige voorzien van een ronde of vierkante potscherf, die hij bij het nederknielen met zijn voorhoofd aanraakt. In alle karavanserais vindt men, ten behoeve van de reizigers en de tsjarvadars, eene volledige verzameling van zulke scherven. Na afloop van het gebed, neemt ieder zijn muilen weer op, die hij aan den ingang van de zaal van den mihrab heeft neergezet, en verlaat de moskee.
10 September.--"Zet de ladder goed. Staat ze niet te steil? Zijn de sporten niet gebroken of vergaan? Loopt het plat geen gevaar van te bezwijken?"--vraagt pater Pascal aan de bedienden van de Iman Djoema, die ons op de platte daken van deze beroemde moskee moeten geleiden, welke Abbas-Shâh een oogenblik van plan was af te breken om de materialen te gebruiken voor den bouw van de mastsjed Shâh.
--"Vrees niets en geef mij de hand, khalifè (naam, dien de Perzen aan de christelijke monniken geven). Zoo gij voorzichtig, de een na den ander, opklimt, zult gij, zoo het Gode behaagt, zonder ongeval boven komen."
Getrouw aan zijn rol van waarnemer, is de beschermer der vreemdelingen ons dezen morgen weer lastig komen vallen met zijne raadgevingen en dienstaanbiedingen; nu zet hij zich neder aan den voet van den muur, met het vaste besluit om daar onze terugkomst af te wachten. De Padri, Marcel en ik klauteren met moeite omhoog langs de ladder, waarvan de sporten meer dan vijftig duim van elkander verwijderd zijn; terwijl onze geleiders als katten van het eene plat op het andere springen. Nauwelijks hebben wij den top van de ladder bereikt, of wij moeten ons wagen op smalle balken, over kleine gebroken koepeltjes gelegd. Door deze gaten kunnen wij een blik werpen op het oudste gedeelte van de moskee, naar men zegt, in het jaar 755 door den khalief Al-Mansoer gebouwd, en de inscripties in koefisch schrift bewonderen rondom den ouden mihrab. Daarna begeven wij ons naar de zijgalerijen, van waar wij het gansche binnenplein overzien.
De verschillende bijvoegingen en restauraties, die de moskee in onderscheidene tijden heeft ondergaan, hebben dit aloude heiligdom, dat sedert de stichting van de mastsjed Shah ook slechts de tweede plaats inneemt, van alle artistieke beteekenis beroofd. Toch staat deze moskee nog in hoog aanzien, en heeft zij hare aloude voorrechten behouden. In de moskee Djoema wordt nog steeds iederen vrijdag de zoogenoemde Koninklijke dienst verricht. Volgens de wet moest de Shâh zich op den gedenkdag van de vlucht van den Profeet naar Medina, naar de moskee begeven en daar met luider stemme het plechtige gebed uitspreken. Daar de Shâh evenwel niet de gave der alomtegenwoordigheid bezit, zendt hij een vertegenwoordiger, den Iman Djoema, die in zijn naam deze plechtigheid moet volbrengen. Na afloop van het gebed wordt door de mollahs een gedeelte van den Koran voorgelezen of verklaard, terwijl het overige van den dag aan verschillende godsdienstoefeningen is gewijd.
Het schijnt door het noodlot bepaald, dat wij te Ispahan geene moskee kunnen bezoeken zonder dat ons iets overkomt. Dank zij de noodige voorzorgen, die wij bij het afklimmen van de wrakke ladder in acht nemen, komen Marcel en ik zonder ongeval op den grond; maar onze vriend, de Padri, is niet zoo gelukkig. Meer gewoon zijn prachtig paard te berijden, dan gymnastische kunsten te verrichten, zet hij, ondanks onze waarschuwingen, zijne voeten midden op de sporten. Met angstige blikken volgen wij zijne bewegingen: een gekraak laat zich hooren: een der sporten is gebroken. De Padri zweeft een oogenblik in de ruimte; met vaste hand omklemt hij nog bijtijds de ladder en komt schijnbaar zonder zich bezeerd te hebben op den grond.
De mollahs, die moeite hebben om zich goed te houden en hunne vreugde te verbergen, omringen den khalifè, die ondanks zijne bleekheid zich goed houdt. Zij betuigen hem hunne deelneming, en geven last den eigenaar van de ladder op te zoeken, ten einde hem eene dracht stokslagen toe te dienen. Natuurlijk is de man niet te vinden; en wij stijgen te paard, om naar Dsjoelfa terug te keeren.
"Ik heb mij het been geschaafd, zegt de Padri, na verloop van eenige oogenblikken tot mij: ik heb meer pijn dan ik aan deze kerels bekennen wou; wij zullen bij een mijner beste vrienden binnen gaan, die in de nabijheid van de mastsjed woont; ik zal daar mijne wond met water kunnen wasschen."
Het huis, dat wij weldra binnentreden, omsluit aan de vier zijden eene ruime binnenplaats. De hooger gelegen talar of opperzaal in elken vleugel is ter wederzijde ingesloten door wit gepleisterde vestibules. De receptiezaal is met een fraaien koepel overwelfd; door het geschilderd raam valt een zacht getemperd licht in het vertrek.
Een man met een zeer innemend voorkomen zit, te midden van boeken, op kussens op den grond. Tot mijne groote verbazing draagt hij dien afschuwelijken blauwen tulband, die steeds voor ons een noodlottig voorteeken was. De heer des huizes rijst haastig op, luistert met belangstelling naar het verhaal van het ongeval, dat den Padri is overkomen, en geeft aanstonds bevel, een waschkom, eene kan met water en eenige kruiden te brengen om op de wond te leggen. Terwijl hij zich gereed maakt zelf den patiënt te verbinden, noodigt hij mij uit, zijne kinderen te volgen, die mij naar hunne moeder zullen geleiden.
Het inwendige van den anderoen, die op de binnenplaats uitkomt, is voor aller oogen verborgen door zijden gordijnen, die voor alle openingen gespannen zijn. Shirin-Khanoem, de eerste vrouw van den seyed, rookt haar pijp. Bij mijn binnentreden noodigt zij mij uit, te gaan zitten, en haar pijp uit den mond nemende, biedt zij mij die zeer beleefd aan. Even beleefd weiger ik: de muzelmannen--ik weet het--gebruiken zeer ongaarne iets dat door een Christen is aangeraakt, en even weinig zijn wij er op gesteld, eene pijp tusschen onze lippen te nemen, die reeds van mond tot mond is gegaan.
Shirin-Khanoem schijnt de reden van mijne weigering te begrijpen. Zij dringt er verder niet op aan, maar voegt mij alleen toe: "Gij zijt hier bij vrienden." Wij spreken gedurende eenige oogenblikken over de moskeeën der stad, en ik maak gebruik van de verschijning eener bezoekster om afscheid te nemen en mij weder bij mijn gezelschap te voegen. De heeren staan juist gereed te paard te stijgen.
"Gij zoekt dus uwe beste vrienden onder de seyeds, die onverbeterlijke geestdrijvers? zeg ik tot den Padri, op onzen terugweg naar Dsjoelfa.
--Ik houd innig veel van den seyed Mohammed Hosein, antwoordt hij, omdat die man een Christen van een gewissen dood heeft gered. Eenige jaren geleden kwam een Franschman te Ispahan. Uw landgenoot was geen priester, maar, door vurigen geloofsijver bezield, trad hij toch als zendeling onder de Perzen op. Het duurde niet lang, of ook hij kwam tot de overtuiging, dat zijne pogingen om de muzelmannen te bekeeren steeds vruchteloos zouden blijven; daarom trachtte hij de schismatieke Armeniërs van Dsjoelfa tot de katholieke Kerk terug te brengen.
"Zijne pogingen bleven niet lang verborgen voor den voorganger van den tegenwoordigen bisschop. Verontwaardigd over het bericht, dat de prediking van Eugène Bourrée op sommige Armeniërs een diepen indruk had gemaakt, stookte hij de schismatieke gemeente zooveel mogelijk tegen den zendeling op. Op bevel van den prelaat trachtten eenige geestdrijvers zich van den prediker meester te maken om hem te steenigen; zij zetten voor het huis waarin hij de wijk genomen had, eenige slechte kerels op wacht, met last om hem te grijpen zoodra hij zich buiten zou vertoonen. De toestand werd zoo gespannen, dat de lieden bij wie hij zich verscholen had, inderdaad vreesden dat hun huis zou worden overvallen en geplunderd.
"Mohammed Hosein, onderricht van het gevaar, waarin mijn vriend verkeerde, aarzelde geen oogenblik om hem te redden. Door een aantal bedienden vergezeld, verscheen hij in Dsjoelfa, ging naar het huis, waar Eugène Bourrée als muzelman gekleed hem wachtte, nam den prediker in zijn gevolg op, en begaf zich met hem naar Ispahan. De Armeniërs begrepen wel, dat hunne prooi hun ontsnapte, maar durfden geen aanval wagen op den talrijken, gewapenden stoet, aan welks hoofd een der achtenswaardigste seyeds van Ispahan zich bevond. Zij zonden gewapende mannen naar de gevaarlijkste punten van de karavanenwegen naar Shiraz en Kashan, met uitdrukkelijken last om den zendeling dood of levend in hunne handen te leveren.
"De seyed hield den Christen gedurende een maand in zijn huis verborgen, en toen hij eindelijk vernam dat de Armeniërs de hoop hadden opgegeven om hem te vangen, geleidde hij den prediker in persoon naar Kashan. Van daar kon de vluchteling, zonder verder gevaar, een haven aan de Kaspische-zee bereiken.
--Padri, vroeg ik, stammen alle bewoners van Ispahan van den Profeet af? Ik zie vandaag niets dan blauwe tulbanden.
--Hun aantal is inderdaad zeer groot in de provincie Irak en hunne macht niet minder. Hoewel Mohammed bij zijn dood maar ééne dochter, Fatma, achterliet, die met haar neef Ali was gehuwd, schijnt zijn geslacht zich op schier wonderdadige wijze te hebben vermenigvuldigd: te oordeelen althans naar het niet te berekenen aantal groene of blauwe tulbanden, die men overal in het Oosten ziet.
"De begeerte om aan hun geslacht een hoogen ouderdom te verzekeren, en zich een blauwen of groenen tulband op het hoofd en een dito gordel om de lendenen te mogen winden, is echter niet de eenige reden die vele muzelmannen beweegt om aanspraak te maken op dezen godsdienstigen adeldom;--zij hebben daarbij een praktisch doel. Mohammed heeft zorg gedragen, dat het hem en den leden van zijn geslacht ook aan geene aardsche goederen ontbreken zou. Op grond van verschillende uitspraken van den Korân, maakten de afstammelingen van den Profeet, na zijn dood, aanspraak op het vijfde deel der inkomsten van alle geloovigen, en hieven gedurende eenige eeuwen zware belastingen van hunne geloofsgenooten. De voordeelen, aan deze afstamming verbonden, droegen er zeker niet weinig toe bij, om het aantal nakomelingen van Mohammed op verrassende wijze te vermeerderen.
"Tegenwoordig is de gewoonte om eene geregelde belasting aan de seyeds te betalen, nagenoeg in onbruik geraakt; maar in de groote steden, zoo als te Ispahan bij voorbeeld, waar de zoogenaamde afstammelingen van Mohammed een zeer talrijk gilde vormen, oefenen zij nog een overwegenden invloed uit, en maken daarvan gebruik om vooral de kleinere kooplieden te plunderen, die hun geld of hunne goederen aan deze heilige mannen niet kunnen weigeren.
"Bovendien worden zij, zelfs vóór de mollahs, belast met het beheer over alle kerkelijke goederen, en trekken zij daaruit en uit andere bronnen zeer aanzienlijke inkomsten, die velen hunner in staat stellen om te leven, zonder zelven iets te verdienen. Natuurlijk zijn zij jegens de Europeanen zeer vijandig gezind. Wij zijn echter den Iman Djoema en den moesjteïd dank verschuldigd, dat zij ons eenige seyeds ten geleide hebben gegeven, want hunne tegenwoordigheid was voor ons de beste waarborg: zonder hen zouden wij waarschijnlijk van ons bezoek aan de moskeeën niet zoo goed zijn afgekomen."
Gelukkig zijn wij met onze bezoeken aan moskeeën en dergelijke gebouwen nu bijna klaar: wij moeten nog slechts den Iman Zadeh Jaffary gaan ziet. "Evenmin als de andere grafkapellen, ter eere van den heiligen Iman in de voornaamste steden van Perzië opgericht, bevat ook deze kapel het stoffelijk overschot van den metgezel van den Profeet. Toch geniet dit heiligdom in Ispahan eene bijzondere vereering; pater Pascal heeft ons dan ook aangeraden, nog voor zonsopgang uit Dsjoelfa te vertrekken, ten einde den Iman Zadeh te bereiken, eer de geloovigen hunne woningen verlaten om naar de moskee of naar den bazar te gaan.
Het monument verrijst te midden van een onregelmatig pleintje, aan alle zijden door armzalige, in de hoogste mate bouwvallige gebouwen omgeven. Het is een fraai achthoekig gebouwtje in mongoolschen stijl, met een koepel gedekt, waarboven zich vroeger een soort van pyramidaal dak verhief, zooals men dat nog bij de graven der sheikhs ziet. De kroonlijst en de fries, met arabische opschriften en bloemkransen versierd, schitteren nog in al de kleurenpracht van hun blauw geëmailleerde tegels. Uitgenomen eenige beschadigingen aan een deel van de kroonlijst en het gemis van het dak, is de Iman Zadeh nog zeer goed bewaard gebleven, en maakt een zeer aangenamen indruk door haar sierlijke afmetingen en den fijnen smaak der versiering.
Nauwelijks had ik mijn photografiestel weggeborgen, of ik bespeur tot mijn schrik aan het eind der straat een grooten blauwen tulband. De vijand nadert met een haast, die niets goeds voorspelt; hij stormt het pleintje binnen, heft zijn handen ter hemel, en barst los in een vloed van verwenschingen, die wij maar half verstaan. Eindelijk gelast de seyed ons, op hoogen toon, dadelijk heen te gaan en niet langer door onze tegenwoordigheid deze heilige plaats te bezoedelen. Wij lachen hem in zijn gezicht uit: zijne drift kent nu geene perken meer, en na op nieuw de straf des hemels over onze hoofden te hebben ingeroepen, verwijdert hij zich en spoedt zich naar den bazar. Eenige minuten later dringen een aantal kooplieden, door hem medegesleept, op het pleintje door; wij worden omsingeld, aangegrepen en vrij onzacht buiten de deur gezet.
Gelukkig hadden wij, Marcel en ik, ons kalm gehouden, en wetende met wie wij te doen hadden, geen weerstand geboden; maar zoodra wij uit de handen der menigte waren bevrijd, begaven wij ons naar den Padri en met hem naar de woning van den moesjteïd om ons over den seyed te beklagen en een geleide te verzoeken. Dit verzoek wordt aanstonds ingewilligd; eenige eerwaardige mollahs en een twintigtal bedienden gaan met ons, en zoo keeren wij naar den Iman Zadeh terug. De deur is zorgvuldig gesloten: de afstammeling van Mohammed heeft den lompen houten sleutel mede genomen, waarmede het hoogst eenvoudige slot wordt geopend. Door zulk eene kleinigheid mogen wij ons niet laten terughouden: de dienaars lichten de deur er uit, en wij treden allen te zamen op het pleintje, van waar de menigte ons een uur geleden met geweld verdreven heeft. De toeschouwers zijn zwijgend getuigen van het tooneel. Wij maken geen misbruik van onze overwinning en keeren, na eenige oogenblikken oponthoud, naar Dsjoelfa terug.
Wij zouden nu eigenlijk nog de ruïnen van eene mongoolsche moskee moeten bezoeken, maar wij hebben meer dan genoeg van mollahs, seyeds, platte daken, ladders en beschermers der vreemdelingen; wij bepalen er ons dan ook toe, eene afbeelding te maken van eene zeer fraaie minaret, die met fraai gekleurde tegels is versierd, in den trant der ornamenten der Iman Zadeh Jaffary.
De moskeeën van Ispahan zijn buiten kijf zeer fraai en zeer belangwekkend, maar het gaat niet gemakkelijk ze te bezoeken. Slechts aan het zeer stellig bevel van den Shâh Zadeh, aan de onverschrokken vastberadenheid van pater Pascal, en--ik mag het wel zeggen--aan onze eigene kalme volharding was het te danken, dat wij alle hinderpalen te boven kwamen.
XVIII
12 September.--Zijn de moskeeën in de muzelmansche stad en op den linkeroever van den Zendeh-Roed te vinden, de zomerpaleizcn, door de opvolgers van Shâh Abbas gebouwd, liggen allen op den rechteroever van de rivier, in de nabijheid van de christelijke stad. Het grootste en voornaamste van deze koninklijke lustverblijven, Farah Abad, werd aan den voet van den Koe-Sofi (Sofiberg) gebouwd door dienzelfden Shâh Hosein, die de Armeniërs zoo bitter vervolgde en een einde maakte aan den bloei van Dsjoelfa.
Naar dit paleis voerde een breede lommerrijke weg, eenige kilometers lang en ter wederzijde omzoomd door overwelfde galerijen, van afstand tot afstand voorzien van paviljoenen, voor de lijfwachten des konings bestemd. Deze prachtige heerbaan liep uit op een ruim plein, aan drie zijden omgeven door het koninklijk paleis. Kanalen, tusschen wit marmeren boorden gevat, voerden stroomende wateren naar eene wijde porseleinen kom in het midden van het gebouw, en naar de wonderschoone tuinen, waarvan de reizigers uit de zeventiende eeuw met zoo grooten ophef spreken.
Wat men ook Shâh Hosein verwijten kan, niet dat hij schatten heeft verspild aan kostbare steen- of houtsoorten. Alle muren en alle gewelven zijn van in de zon gedroogde tichelsteenen gemaakt; de wanden zijn met pleister bekleed en vertoonen geen spoor meer van beeld- of schilderwerk of eenige versiering; houten vloeren waren in het Oosten nooit in zwang: de aarde werd eenvoudig met matten belegd, waarover men tapijten uitspreidde; in sommige vensteropeningen ziet men nog sporen van beschilderd glaswerk, maar de meesten hadden in het geheel geene sluiting en waren eenvoudig van zeilen voorzien, om de zonnestralen te keeren. Een zoo slordig en uit zulke gemeene materialen opgetrokken paleis heeft natuurlijk aan den tijd geen weerstand kunnen bieden: de waterleidingen zijn vernield, de marmeren bekleedingen zijn verdwenen, de leemen wanden zijn ingestort, de tuinen zijn eene wildernis geworden. Zoo als het er nu uitziet, eene ruïne, kan men geen oordeel vellen over het paleis van Farah Abad, een van de grootsten, die ik ooit gezien heb. Toch houd ik het er voor, dat het ook vroeger niets groots of monumentaals in zijn voorkomen had: de nog overgebleven koepels zijn te plomp, de muren der galerijen rondom de binnenplaatsen te laag. De grootste bekoorlijkheid van deze koninklijke residentie was wel te danken aan den overvloed van stroomend water, aan den heerlijken lommer der bosschages, aan den rijkdom van planten en bloemen, aan de schoonheid van het landschap, en vooral aan de weelde van een oostersch hof.
Op een der terrassen van den berg staat nog een ander paleis, dat wel een bezoek waard is. Wij rijden de lange heerbaan weer af, beklimmen de steile hellingen van den Koe-Sofi, en bereiken langs een weg in zigzag een vrij smal platform, kunstmatig in de rots uitgehouwen. Een erg vervallen paleis--wederom een bouwval--staat voor ons.
De geschiedenis van dit paleis is een niet onaardig staaltje van de zonderlinge wijze, waarop de koningen van Perzië te allen tijde hun luimen en grillen wisten bot te vieren en aan hunne zonderlingste begeerten te voldoen.
Shâh Soliman, op zekeren dag in het gebergte ter jacht zijnde, rustte een poosje uit in den lommer van eenige boomen, aan wier voet eene bron uit den bodem welde.
"Welk een verrukkelijk landschap!" zeide hij tot zijn grootvezier, terwijl hij zijne blikken liet dwalen over de uitgestrekte vlakte aan zijne voeten; "ik zou wel gaarne mijne moeder hier brengen om haar Ispahan te laten bewonderen: op geen ander punt heeft men zulk een schoon gezicht op de stad".
De vezier zeide niets, maar reeds den volgenden dag zond hij vierduizend werklieden naar den berg, met last om de rots uit te graven en een terrein te effenen voor den bouw van een paleis. Tevens liet hij een weg in zigzag aanleggen, ten einde de noodige kalk en andere materialen naar boven te kunnen brengen.
De inwoners van Ispahan vernamen spoedig wat de vezier in zijn schild voerde, en begaven zich naar de werkplaats, om hun oordeel uit te spreken over de keus van de plek en den spoedigen voortgang van het werk gade te slaan. Toen de vezier van dit drukke bezoek hoorde, kwam hij op den wonderlijken inval om daarvan partij te trekken, en de nieuwsgierige kijkers te dwingen, een vracht steen of kalk naar boven te dragen.
"Bij het hoofd des konings!" riep hij, "als hij soms een onwillige ontmoette: gij zult werken, zoo goed als ik zelf, want aldus is het welbehagen van Zijne Majesteit. Wie zou zoo vermetel en zoo onbeschaamd durven zijn, dat hij gehoorzaamheid weigerde aan het bevel des konings?"
Deze woorden deden allen de schrik om het hart slaan. Mannen, vrouwen en kinderen laadden kalk en steenen op hunne schouders en droegen ze naar het platform, in de stellige overtuiging dat de Shâh, van hun ijver onderricht, hen daarvoor beloonen zou. Enkele gunsten en belooningen, aan sommigen ten deel gevallen, vuurden den ijver dezer geïmproviseerde metselaars en opperlieden zoo zeer aan, dat het vervoer der materialen genoegzaam niets kostte.
"Onze wandeling," zeide de Padri, "herinnert mij aan eene karakteristieke bijzonderheid uit het leven van den stichter van dit paleis. Shâh Soliman was niet minder bijgeloovig dan grillig. Toen hij, in het begin zijner regeering, door eene ernstige ziekte werd aangetast, schreef hij die, naar de verzekering zijner waarzeggers, toe aan den noodlottigen invloed van den stand der sterren bij zijne kroning. Daar hij nu geen man was om zich te laten beheerschen door gemeene sterren, verwisselde hij zijn naam Sussi tegen dien van Soliman en liet zich nog eens kronen, toen de stand der sterren gunstiger was. Het is inderdaad ongelukkig, dat dit hulpmiddel om rampen af te wenden, buiten het bereik ligt van gewone stervelingen!"