Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 17
Men verkeert in het onzekere omtrent den oorsprong en de bestemming dezer ruïnen, waaraan de bewoners van Ispahan, tamelijk willekeurig, den naam hebben gegeven van Ateshka (vuuraltaar). Het is zeer wel mogelijk, dat in vroeger eeuwen, ook op dezen heuvel altaren hebben gestaan, aan het heilige vuur gewijd; maar dat verklaart nog niet de aanwezigheid van zware muren op den top des bergs: immers, volgens de verzekering van Herodotus, hadden de vuuraanbidders geen tempels, maar bouwden zij hunne altaren in de open lucht. Uit eene nauwkeurige studie van de ruïnen van Ateshka schijnt veeleer af te leiden dat de oudste gebouwen de overblijfselen zijn van eene vesting uit den tijd der Sassaniden, die den loop van den Zendeh-Roed moest bestrijken, en misschien tevens aan den gouverneur van Djeï, in tijden van oorlog of opstand, eene wijkplaats aanbieden, waar hij genoegzaam tegen iederen aanval beveiligd was.
Toen de avond begon te vallen, besloten wij de rijtuigen van den prins te gaan opzoeken, die in een naburig dorpje waren gestald, en die wij spoedig vonden. Ik klom met Mirza-Taghuy Khan in een met zes paarden bespannen coupé. Pater Paschalis, mijn echtgenoot en nog eenige andere personen werden opeengepakt in een kales. Zoodra wij plaats genomen hebben, legt de koetsier de zweep op de paarden,--en voorwaarts gaat het! Wij rijden weg, onder de eerbiedige begroetingen en huldebewijzen van de saamgestroomde dorpelingen, die met verbazing de rijtuigen van den zoon des konings aanstaren en ons natuurlijk voor zeer hooge personages houden.
Weldra zijn wij buiten het dorp en rijden nu over smalle wegen, aan de eene zijde begrensd door muren, aan de andere door slooten, die wel niet diep zijn, maar toch diep en vooral steil genoeg om een leelijk ongeluk te krijgen, als wij er in mochten buitelen. De dertig ruiters van ons escorte, die vooruit draven, jagen zulke dichte stofwolken op, dat mijn reisgenoot en ik genoodzaakt zijn, mond en oogen dicht te houden, om niet te stikken en blind te worden; maar dit had nog niets te beduiden, vergeleken met de gymnastische oefeningen, die wij voortdurend in praktijk moesten brengen om ons ook maar eenigszins in evenwicht te houden.
Het in vollen ren hollende rijtuig springt als een elastieke bal, nu eens tegen de muren geslingerd, waarvan de stukken afvliegen; dan weer door slooten, greppels en kanalen gesleept, waarvan het water ons om de ooren spat; terwijl wij, ons krampachtig vastklemmende aan de portieren, ons best doen om niet met onze hoofden door de kap van het rijtuig te stooten.
Mirza-Taghuy Khan houdt zich goed: hij wil mij waarschijnlijk het bewijs leveren dat in Perzië alles mogelijk is: maar in zijn hart is hij gansch niet op zijn gemak. Als de rijtuigen eens braken! Gisteren nog heeft hij een vertrouwelijken brief van den prins gekregen, waarin deze zich beklaagde dat er te Boeroedjerd geene mooie vrouwen waren, en last gaf aanstonds eenige dames uit den anderoen te zenden. Ten einde de khanoems niet door eene lange reis te paard te vermoeien, moeten zij zorgvuldig ingepakt worden in de twee rijtuigen, waarmede wij thans zulk een fantastischen rit doen. Zijn de wegen te smal of de berghellingen te steil voor de paarden, dan moeten de soldaten van de vier compagnieën infanterie, die als escorte medegaan, de rijtuigen voorttrekken.--Wat zou Mirza-Taghuy Khan beginnen, als de equipages nu eens verongelukten!
Wij komen ten slotte toch behouden aan, en stappen, met een zucht van verlichting, vermoeid, half geledebraakt en onkenbaar van de stof, uit de rijtuigen van prins Zelleh-Sultan.
XVII
Ispahan, 8 September.--De godgeleerden van Ispahan, aan wie de moesjteïd de lastige taak had opgedragen, om in de heilige boeken een tekst te vinden, die hem vrijheid zou laten om een Christen te vergunnen de mastsjed Shâh te betreden, zijn voor hunne moeite beloond geworden: zij hebben zulk een tekst gevonden; en aan het bevel van den prins-gouverneur kan nu zonder gewetenswroeging worden voldaan.
Naar het schijnt bestaat de moskee uit vier gebouwen, die onderling door portieken verbonden zijn. Op de zeer ruime binnenplaats komen al de voornaamste toegangen uit: derhalve, zoo redeneeren de spitvondige casuïsten, moet deze binnenhof beschouwd worden als een soort van openbaren weg, waarop de ongeloovigen zich mogen bewegen, zonder de heilige wet te overtreden. De moesjteïd wijst ons evenzeer eene reeks vertrekken aan onder de bogen van de bovengalerijen, en vergunt ons bovendien over de platte daken te wandelen. In één woord, men laat ons de meest mogelijke vrijheid: onder deze eene voorwaarde, dat wij geene poging zullen aanwenden om in de zaal van den mihrab door te dringen. Wij hadden niet durven hopen, dat wij zoo veel verkrijgen zouden.
Den volgenden morgen, nog voor de zon boven de kim verschenen was, betrad onze kleine karavaan den Meïdan, in 1580 door Abbas den Groote aangelegd. Dit ruime langwerpige plein heeft eene lengte van driehonderd-zes-en-tachtig en eene breedte van honderd-veertig el; het is omringd van regelmatige gebouwen, waarin rijke bazars gevestigd zijn, die tot de fraaiste van Perzië behooren. Dat plein met zijne kolossale afmetingen, zijne grootsche lijnen en de volmaakte symmetrie der gebouwen, die het omlijsten, maakt inderdaad een verrassenden, overweldigenden indruk, te meer omdat men in het Oosten aan dergelijken aanblik niet gewend is. Naar mijn gevoelen bestaat er zelfs in geheel Europa geen plein, dat in uitgestrektheid, in symmetrie, en zelfs in schoonheid, met den Meïdan voor de moskee van den Shâh kan wedijveren; en in deze meening sta ik niet alleen. De eerste maal dat ik dit plein bezocht, dacht ik echter onwillekeurig aan de Piazza San-Marco te Venetië. Beiden zijn omgeven door gebouwen met zuilengangen, op den achtergrond verbonden door een prachtigen tempel; de moskee van Sheikh Loft Oellah, links van de mastsjed Shâh, herinnert door hare ligging, aan den Torre dell' Orologio te Venetië; terwijl rechts de plaats van den campanile wordt ingenomen door het paviljoen, bekend onder den naam van Ali Kapoe.
Ik wil de vergelijking niet verder uitwerken: Italië zou er niet bij winnen. Venetië mist dien helderen, donkerblauwen hemel, waartegen de rijk gekleurde geëmailleerde koepels en minarets zoo onbeschrijfelijk schoon uitkomen; en die stralende zon, die over alle gebouwen een goudglans werpt; op het plein van San-Marco zoekt ge vergeefs die talrijke karavanen van kameelen, die zich als het ware verliezen in de onmetelijke ruimte, en die muzikanten, die--misschien als eene herinnering aan de oud-perzische eeredienst--de zon bij haar opgang en haar ondergang komen begroeten. Groote trompetten en trommels spelen de hoofdrol in dit schilderachtige concert, dat 's morgens en 's avonds plaats neemt op een der terrassen vóór den Negareh Khaneh of den talar van het paleis Ali Kapoe, het hoogste monument in geheel Ispahan.
In dienzelfden talar, waarvan de beschilderde en vergulde zoldering door twaalf pilaren van cederhout gedragen wordt, schaarden zich ook, in den tijd der Sofis, de hovelingen van den Shâh, wanneer de koning op zijn rechterstoel zat of de feesten bijwoonde, die sedert den bouw van de mastsjed Shâh steeds op den Meïdan gegeven werden. Van hier gezien, vertoonde de moskee zich voor 's konings oogen in al haar pracht; zelfs verdwijnt dan voor een deel het ongunstig effect van den onregelmatigen aanleg: immers terwijl de buitenpoort recht op het plein staat, ligt de moskee zelve geheel ter zijde, in de richting van Mekka.
Do eerste steen van de mastsjed Shâh werd in 1580 gelegd en met den bouw zooveel mogelijk voortgang gemaakt. De groote poort, die op den Meïdan uitkomt, wordt gevormd door eene wijden boog, omgeven door een driedubbelen band van geëmailleerd turkoois-blauw. De wanden en het gewelf van het portaal zijn, even als de muren en de minarets, geheel bekleed met geëmailleerde tegels, waarop in sprekende kleuren arabesken en bloemen zijn geschilderd, omgeven door gewijde teksten en spreuken. Deze bekleeding met porseleinen tegels, zoo als die aan de monumenten uit den tijd der Sofis is aangebracht, is goedkoop en in de uitvoering vrij gemakkelijk, maar ook veel minder duurzaam dan die uit den tijd der Seldsjoeken, en veel minder artistiek dan de mozaïeken uit het tijdvak der Mongolen.
Ten bewijze voor de onsoliditeit der bekleeding met porseleinen tegels, beroep ik mij op het eerwaardige houten geraamte, dat voor den hoofdingang staat opgericht. Naar het schijnt is de bestemming van die stellage, om de tegels te vervangen, die in den winter door de vocht losraken en uitvallen; maar, volgens het algemeene zeggen, heeft deze toestel eene geheel andere bestemming. Immers bij menschen heugenis heeft men nimmer aan de moskee van den Shâh eenige reparatie, hoe gering ook, uitgevoerd; maar door zijne tegenwoordigheid bij den hoofdingang legt deze houten toestel, voor alle vreemdelingen die Ispahan bezoeken, getuigenis af van de zorg der regeering voor het behoud der historische monumenten; en, wat nog meer van belang is, de bouwmeester en de mollahs, met de uitvoering en het opzicht van de zoogenaamde herstellingswerken belast, kunnen, zoo lang die stellage daar staat, billijk aanspraak maken op de uitbetaling hunner jaarwedden, die de koning niet wel weigeren kan. Zoo zegt men: en het verhaal draagt zeer zeker den stempel der waarschijnlijkheid. Maar mocht men ooit overgaan tot de herstelling van de poort der moskee, dan zal men moeten beginnen met de reparatie van de stellage, waarop geen sterveling den voet zou durven zetten.
Achter het portaal ligt een ruime vestibule, van waar men de groote binnenplaats der moskee kan overzien met hare twee galerijen boven elkander. In deze vestibule staat een groote porfieren vaas, niet ongelijk aan een doopvont; zij is met helder, frisch water gevuld, bestemd om den dorst der geloovigen te lesschen.
Een twintigtal mollahs, door den moesjteïd gezonden om ons te geleiden, wachten geduldig onze komst af, gezeten op de albasten banken onder de groote poort. Sommigen zijn getooid met een omvangrijken tulband van witte mousseline; anderen dragen een blauwen tulband, die in Perzië het onderscheidingsteeken is van de beweerde afstammelingen van den Profeet, zoo als in de orthodoxe sonnitische landen de groene tulband en de groene gordel.
Niet ver van deze groep staat een personage, bekleed met eene _koledja_ (jas) van grijs laken en gedekt met de gewone hooge muts der Perzen. Met zeker voornaam welbehagen stelt hij zich aan ons voor als de _beschermer der vreemdelingen_, door den Shâh Zadeh van Ispahan belast met de zorg voor de veiligheid der reizigers. "Ik ben, zeide hij, met mijn hart en mijn leven bereid om te waken voor het hoofd van Uwe Excellentiën, gedurende al den tijd van uw gezegend verblijf te Ispahan."
Marcel dankt dien welbespraakten heer voor zijne vriendelijke woorden, en verontschuldigt zich dat hij geen bezoek bij hem heeft afgelegd en niet met hem in overleg is getreden ter zake van het bezoek aan de moskeeën en andere heiligdommen.
"Wanneer wenscht gij de moskeeën te bezoeken, Çaheb?" antwoordt hij, op huichelachtigen toon; ik zal al mijn best doen om Uwe Excellentiën ter wille te zijn. Gij zult, naar ik hoop, tevreden zijn over mijn ijver en mijne toewijding, en een gunstig getuigenis omtrent mij kunnen afleggen bij Zijne Majesteit en bij Zijne Hoogheid, den prins Zelleh-Sultan.
--Wel, nu aanstonds; de mollahs, door den moesjteïd gezonden, zijn gereed om ons te vergezellen.
--Zou het dan toch waar zijn! zoudt gij dan inderdaad in de mastsjed willen binnengaan! Allah zij geprezen, die uw slaaf vergunt hier te zijn, opdat hij u terugbrenge van uw voornemen!
--Maar welk gevaar loopen wij dan? Zijt gij er dan niet om ons te beschermen, en overeenkomstig uwen last voor onze veiligheid te zorgen?
--Ik zou met u de mastsjed binnentreden? Groote God! En wanneer u een ongeluk overkwam? Ik ben gekomen om u te beschermen tegen uwe eigene dwalingen; want mijn geest is sterk, maar mijn arm is zwak, en zoo het tot eene botsing kwam, zou ik geene macht hebben over het opgewonden volk. De menschen, in wie Allah zijne wijsheid gelegd heeft, weten ongelukken te vermijden, door zich aan geen gevaren bloot te stellen.
--Is dat alles wat gij mij te zeggen hebt? Ik dank u voor uw goeden raad, maar ik zou u nog dankbaarder zijn, zoo ge mij geen tijd liet verspillen. Weet gij niet dat uw Profeet gezegd heeft: "Ieder mensch draagt zijn lot om zijn hals." Ga naar uw anderoen, en laat uwe vrouwen u onderrichten en moed inboezemen."
Dit gezegd hebbende, keeren wij den "beschermer der vreemdelingen" den rug toe, en gaan de mollahs begroeten.
Om Cerberus te temmen, moest men hem een honigkoek toewerpen. Daar ik geen honigkoeken bij mij heb, stel ik den heeren voor, hun portret te maken. Aanvankelijk weigeren zij: de Koran verbiedt zeer stellig het maken van afbeeldingen. Maar hunne deugd is tegen de verzoeking niet bestand; zij zien elkander aan, fluisteren met elkander, en scharen zich eindelijk glimlachend voor mijn toestel. Na met het grootste geduld op hunne vragen geantwoord en hun hunne beeltenissen getoond te hebben, meen ik eindelijk het recht verworven te hebben om de galerijen te betreden en naar de platte daken op te klimmen. Een mollah en een seyed gaan voorop, en geleiden ons door de moskee overeenkomstig het programma den vorigen avond vastgesteld; vervolgens klimmen wij met hen op de daken der bazars en der huizen, en komen zoo op de terrassen der moskee. Vandaar kan men de uitgestrektheid van dit monument overzien, en de beteekenis waardeeren van den reuzenarbeid, dien Shâh Abbas wist te voltooien.
Voor ons rijst een prachtig portaal, geflankeerd door twee minarets, met porseleinen tegels bekleed. Dit portaal is als het ware de voorhal van het heiligdom, dat reeds van verre kenbaar is aan den blauwen koepel, gekroond met een gouden bol en eene halve maan van hetzelfde metaal, die vijf-en-vijftig el boven den beganen grond verheven is. De beide vleugels, die zich aan het middengebouw aansluiten, prijken met portalen van geringer afmeting en met kleinere koepels. Aan deze gebouwen grenzen dubbele galerijen, waarvan het platte dak met eene laag aarde is bedekt. Rechts en links van het middengebouw bevinden zich twee langwerpige binnenplaatsen, door portieken omgeven en met vijvers versierd. Des vrijdags en op feestdagen zijn deze binnenhoven voor het volk toegankelijk, terwijl het waterbekken in den voorhof bestemd is voor hen, die dagelijks de moskee bezoeken, om de voorgeschreven gebeden te verrichten.
Het plan van de mastsjed Shâh is, zooals men ziet, volkomen in overeenstemming met de eischen van de mohammedaansche eeredienst. De moskee onderscheidt zich, even als de kerk, voornamelijk hierin van den heidenschen tempel, dat zij eene plaats der samenkomst is, toegankelijk voor iedereen. Maar hoe eenvoudig ook, was de stichting van dergelijke bedehuizen een moeilijke taak, want voor de komst van Mohammed bestond er geene arabische architektuur. De Kaäba, dit gewrocht der ismaëlitische oudheid, dat de Profeet genoodzaakt was tot het groote heiligdom van het nieuwe geloof te verheffen, was berekend naar de behoeften van afgotische nomaden, gewoon aan het leven in tenten. Toen het dagelijksch gebed tot Allah den muzelmannen als de eerste der plichten werd voorgeschreven, ontstond de behoefte aan geschikte bedehuizen; onder leiding van vreemde, waarschijnlijk byzantijnsche architekten, brachten zij de zuilen bijeen der door hen verwoeste tempels, plaatsten op deze pilaren, rondom eene vierkante ruimte gerangschikt, een houten dak, en verkregen alzoo overdekte galerijen. Het eigenlijke heiligdom was een zaal, door rijen kolommen in verschillende schepen verdeeld. Een met porselein of kostbaar marmer versierde nis, zonder beeld of altaar, aan het einde van het middenschip, trok door haar versiering het oog tot zich en wees de richting aan, waar de heilige stad met de Kaäba lag.
In de onmiddellijke nabijheid van den mihrab of de nis des gebeds bevond zich de minbar of predikstoel, waartoe een vrij steile trap toegang gaf. Nevens het eigenlijke heiligdom strekten zich open portieken uit, waar de geloovigen eenige oogenblikken konden uitrusten, eer zij het bedehuis binnentraden; hooge platten nabij den hoofdingang boden den priesters de gelegenheid, om vijfmaal per dag de geloovigen ten gebede op te roepen.
Dit is de eerste en eenvoudigste type der moskee, een voor allen toegankelijk bedehuis, waar de voorbijganger koelte en schaduw vindt, en de reiziger helder water om zijn dorst te lesschen en zich te reinigen, eer hij zich voor God nederbuigt. Naar dit model zijn de oudste moskeeën in Kaïro gebouwd, die van Amroe, van Hakem en van Toeloen. Maar naarmate de macht van den Islam zich uitbreidde, begon men iets anders te verlangen dan een bedehuis van zoo eenvoudige constructie. Aan de boorden van den Tigris verhief zich een monument, dat door de muzelmansche wereld beroemd was en, volgens de legende, was gebouwd door den grooten Khosroës. Dat was het prachtige paleis van Ktesiphon, waarvan het gewelf--altijd volgens de legende--op den dag der geboorte van Mohammed scheurde.
Hassan, de sultan van Egypte, wilde aan Allah een tempel wijden, die niet behoefde onder te doen voor het paleis van den grooten monarch; met dat doel zond hij een zijner architekten naar Mesopotamië, om liet oude gebouw te bestudeeren. Deze architekt strekte zijne reis uit tot Perzië, en werd levendig getroffen door de schoonheid en majesteit der koepels, die godsdienstige en burgerlijke gebouwen kroonden. Nog vol van die indrukken, keerde hij naar Kaïro terug en bouwde daar de moskee van Hassan, den prototype van eene andere soort van moskee, waarin het koepelgewelf het platte dak der oude zuilenhal vervangt.
Dit geschiedde in de veertiende eeuw. Honderd jaren later hield Mohammed II, na de inneming van Constantinopel, zijn intocht in de Sinte-Sofia, de aloude byzantijnsche kerk van Justinianus. De indruk dien deze kathedraal op den veroveraar en zijne soldaten maakte, was zoo groot en levendig, dat het hun niet genoeg was, de eerwaardige kerk in eene moskee te herscheppen, maar dat zij, bij den bouw van nieuwe bedehuizen, den ouden muzelmanschen type vaarwel zeiden en eenvoudig de Aja-Sofia kopieerden, zonder er aan te denken dat het grondplan van deze kerk geen ander is dan de gedaante van het zoo gehate kruis. Het plein of de voorhof voor het gebouw is slechts de herhaling van het atrium der oude basilieken. Werkelijk muzelmansch zijn alleen de slanke minarets en de waschbekkens.
Zoo is dan de laatste type van het mohammedaansche bedehuis, die in alle orthodoxe sonnitische landen regel geworden is, eene navolging van de byzantijnsche kerken uit den tijd vóór den Islam. Die navolging is zoo volkomen, dat wanneer de Turken uit Europa verjaagd werden, de Christenen aanstonds bezit zouden kunnen nemen van de moskeeën te Constantinopel, en daarin hunne eeredienst zouden kunnen vieren, zoo goed als in de Aja-Sofia zelve.
Yoor de arabische verovering hadden de Perzen geen tempels; want volgens de verzekering van Herodotus en andere klassieke schrijvers werden de altaren voor Ahoeramazda in de open lucht opgericht. Hier vielen dus geene bestaande heiligdommen voor de nieuwe eeredienst in te richten: de Perzen namen eenvoudig de bedehuizen hunner overwinnaars over. Zij bouwden moskeeën naar het model van die van Amroe te Kaïro: met dit onderscheid alleen, dat zij de zaal van den mirhab ook uiterlijk onderscheidden door een hoogen koepel, die sedert eeuwen in hunne architektuur inheemsch was; en dat zij, bij gebrek van hout, de houten daken door kleine gewelven vervingen.
Aan dit plan zijn zij steeds getrouw gebleven: bij vergelijking van de perzische moskeeën met die van Amroe, blijkt dat de perzische bouwmeesters van vroegeren en lateren tijd nooit zijn afgeweken van den oorspronkelijken type van het mohammedaansche bedehuis: hunne moskeeën zijn inderdaad moskeeën in den ouden klassieken zin van dat woord.
Er waren niet veel menschen in de moskee van den Shâh, toen wij haar binnentraden, zoodat wij het gebouw in alle bijzonderheden op ons gemak konden bestudeeren; maar toen wij onze photografietoestellen gereed maakten, begonnen de geloovigen, die op het voorplein bij het waschbekken en op de terrassen vergaderd waren, zeer duidelijke en luide teekenen van afkeuring en verontwaardiging te geven. Op aansporing van een dwergachtigen, mismaakten seyed, met den blauwen tulband van de afstammelingen van den Profeet gedekt, stormde weldra de gansche menigte naar het terras, waarop wij ons bevonden.
Pater Pascal heeft ons niet zonder verdediging willen blootstellen aan de niet zoo geheel denkbeeldige gevaren, aan het bezoek der moskeeën verbonden; hij is zelf medegegaan en herinnert nu de dienaars van den moesjteïd aan hun plicht, om de menigte den toegang tot de terrassen te beletten, door zich voor de smalle trap te plaatsen, die het platte dak van den bazar met dat van de moskee verbindt--"Het is zaak te zorgen, zoo voegt hij er bij, dat uwe geloofsgenooten ons geen letsel aandoen, eer wij hun mededeeling hebben kunnen doen van de bevelen der wereldlijke en geestelijke overheid, krachtens welke wij hier zijn".--Nauwelijks zijn de noodigste maatregelen genomen, of onze vijanden verschijnen eensklaps op de lagere terrassen. De vrome schaar is buiten adem van den snellen loop en de haastige bestijging der trappen; bovendien hebben een aantal volgelingen van den kleinen seyed onderweg eens nagedacht over de mogelijke gevolgen van eene beleediging den Faranguis aangedaan; zij zijn voorzichtigheidshalve achtergebleven, en de aanstoker van de geheele beweging heeft nauwelijks twintig man achter zich.
Zie, daar is hij, die geduchte strijder voor het geloof! Hij snelt vooruit en zal den aanval doen.... daar waggelt eensklaps zijn groote blauwe tulband; de dwerg, door zijn drift medegesleept, is verward geraakt in de plooien van zijn lang kleed; hij wankelt op de trap en valt achterover op de hoofden zijner volgelingen, met zijn magere kromme beentjes spartelende in de lucht. Hij is niet zwaar, en dood niemand in zijn val; maar toch hebben wij den strijd gewonnen; want als men den seyed weer opricht en hij daar staat, met zijn kale kruin en zijn afschuwelijk grijnzend gelaat, terwijl de mooie tulband naar beneden rolt, is hij zoo bespottelijk, dat van alle kanten een algemeen gelach opgaat. Als een bekwaam veldheer, maakt pater Pascal aanstonds van dit oogenblik gebruik: op zijn aansporing treedt het hoofd van ons escorte vooruit en bedreigt de onvoorzichtigen, die ons overlast zouden willen aandoen, met den toorn van den Shâh-Zadeh; terwijl hij zelf eenige vriendelijke woorden richt tot den ontkroonden hoofdman der bende, wiens gezag voor het oogenblik verdwenen is.
Nadat de bende zich weer verstrooid had, kwam de Padri naar ons toe op het terras, waar wij ons zoo rustig mogelijk gehouden hadden. "Zie zoo, zeide hij, nu zijn wij van deze lastige klanten verlost; maar toch is het voorzichtig hier niet te blijven, want straks komen de muzelmannen in grooten getale voor het middaggebed; misschien zou het ons voor een tweeden keer niet gelukken, het fanatisme der menigte tot bedaren te brengen; en het is beter, het zoo aan te leggen, dat wij niet bij ongeluk of vergissing van de moskee naar beneden kunnen geduwd of geworpen worden."
De raad van den bedachtzamen Padri verdient te meer behartiging, omdat de terrassen geheel van borstweringen ontbloot zijn. Mijn echtgenoot verklaart dan ook, dat zijn werk hier afgeloopen is, en verzoekt dat men ons naar de galerijen van de eerste verdieping zal brengen, tot groote blijdschap van onze geleiders, die blijkbaar tegen hun zin de partij moeten nemen van ongeloovigen tegenover geloofsgenooten, wier vromen ijver zij in hun hart ten volle goedkeuren.