# Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

## Part 15

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/perzie-chaldea-en-susiane-de-aarde-en-haar-volken-1885-1887-13901/index.md

1 September.--Toen wij gisteren in het klooster terugkeerden, deelde de Padri ons mede, dat de onder-gouverneur ons heden, twee uren na zonsopgang, zou ontvangen. Nauwelijks kleurde het schijnsel van den dageraad den wolkenloozen hemel, of de luide stem van den goeden Padri weerklonk op het terras, waar hij gewoonlijk slaapt naast zijn trouwen bediende, den veelzijdig ontwikkelden knaap Katsjik. Onze paarden moesten behoorlijk opgepoetst en geroskamd worden, om een goed figuur te maken bij onze intrede in het paleis van den vice-gouverneur.

Met al deze voorbereidingen gaat vrij veel tijd verloren; het bepaalde uur is reeds verstreken; om den tocht zooveel mogelijk te bekorten, gaan wij, aan den oever van den Zendeh-Roed gekomen, rechtstreeks te water en doorwaden de rivier. Er staat niet veel meer dan een el water in den Zendeh-Roed, maar de stroom is zeer snel, zoodat wij een eind weegs worden medegevoerd, en ik moeite heb, mij in den zadel te houden. Aan den overkant gekomen, leidt de Padri ons door eene straat, met vervallen paleizen omzoomd; vervolgens gaan wij door de tuinen van het Tsjeel-Soetoen, en houden eindelijk stil voor eene lage poort. Na door een soort van kronkelende gang te zijn gegaan, komen wij op eene ruime binnenplaats, met vruchtboomen en rozenstruiken beplant en versierd met priëelen van wingerdloof.

De vertegenwoordiger van den prins ontvangt ons in eene zeer eenvoudige zaal; het deftige kostuum van den hoogen staatsambtenaar bewijst echter, dat de audiëntie een officieel, statig karakter draagt. De vice-gouverneur staat bekend als een der aangenaamste praters van Perzië; hij spreekt zeer zuiver het dialekt van Shiraz, zijne vaderstad, en drukt zich met gemak en met groote eenvoudigheid uit. Wij hebben, zooveel in ons vermogen was, de perzische geschiedenis bestudeerd en konden dus met den vice-gouverneur, die een geleerde is, een belangrijk gesprek voeren, voornamelijk over het leven en de daden van Shâh Abbas, die den bijnaam van den Groote verwierf, en wiens herinnering nog steeds te Ispahan voortleeft.

De vice-gouverneur geleidt ons naar het paviljoen, dat prins Zelleh-Sultan bewoont, wanneer hij zich te Ispahan ophoudt. De dekoratie van dit smaakvolle paviljoen bestaat geheel uit spiegels en herinnert aan die van het Tsjeel-Soetoen. Elk der vier achthoekige pilaren, die het dak der zaal dragen, rust op eene groep van vier jonge meisjes, die leeuwenkoppen ondersteunen, waaruit waterstralen in het marmeren bekken, dat het midden der zaal inneemt, vallen. Als men deze beelden ziet, begrijpt men aanstonds dat de perzische kunstenaars niet gewoon zijn, het menschenbeeld te behandelen; toch hebben deze figuren, de eenigen die ik in Perzië heb gezien, zekere naïeve bevalligheid, hoe onbeholpen zij wezen mogen.

Ter wederzijde van de zaal bevinden zich eenige kleinere vertrekken. Het grootste is in europeeschen stijl gemeubeld en voorzien van een grooten toiletspiegel, waarin de prins gaarne zich zelven beschouwt, om te zien of zijne houding en bewegingen de bevalligheid en majesteit hebben, die aan zijn hoogen rang en zijne doorluchtige geboorte uit den stam van Kadsjar passen. Zelleh-Sultan heeft van de natuur uitmuntende geestesgaven ontvangen, maar met uiterlijk schoon is hij niet bedeeld. Te oordeelen naar zijne vele portretten, is de zoon des konings klein van gestalte en zeer dik; ten gevolge van een slag, dien hij als kind gekregen heeft, is het eene oog bijna gesloten; men zou zeggen, dat koketterie voor hem niet te pas komt. Maar een prins, en met name een oostersche prins, komt niet licht tot het bewustzijn dat hij leelijk is, en al ware hij voor zich zelven daarvan overtuigd, dan zouden zijne vleiers hem wel het tegendeel weten te beduiden. Prins Zelleh-Sultan houdt zich dus waarschijnlijk voor een Apollo, en de zorg voor zijn persoon en zijne kleeding is niet eene van zijne minste bezigheden. Hij heeft in zijne garderobe de uniformen van alle souvereinen van Europa en trekt die beurtelings aan; niet lang geleden zag hij eene fraaie fotografie van den hertog van Connaught in de uniform van engelsch generaal; hij liet zijn kleermaker, een agent van de firma Holz, ontbieden en zeide tot hem:

"Laat mij zulk een pak maken.

--Hoogheid, de roode kleur doet alle gebreken van een verkeerd geknipten rok dubbel uitkomen; het ware daarom wenschelijk dat ik de maat mocht nemen, opdat het kleed Uwe Hoogheid goed zou passen.

--Dat is niet noodig, hernam de prins, die evenmin als zijn doorluchtige vader dulden kan dat een zijner onderhoorigen zoo zeer den verschuldigden eerbied uit het oog verliest om hem aan te raken:--dat is niet noodig: zeg aan den kleermaker dat deze uniform bestemd is voor een welgebouwd jonkman, wiens gestalte majestueuser is dan die van den hertog van Connaught."

De agent gaf aan zijn correspondent last, om voor de maat zoowat den omvang van een biervat te nemen; toch was de uniform, toen zij afgeleverd werd, nog te nauw voor den perzischen prins.--Gelukkig dat men, naar het schijnt, den prins geen ernstiger gebreken kan verwijten: zijne geboorte, zijne opvoeding, zijne schier onbeperkte macht en de tradities van zijn huis hadden erger ondeugden bij hem kunnen ontwikkelen dan deze onschuldige koketterie.

Achter dit paviljoen bevindt zich de anderoen of harem voor de bijwijven van Zelleh-Sultan, die na den dood der dochter van den emir nizam geene tweede wettige gemalin genomen heeft. Daar de prins niet tegenwoordig was, om mij den toegang te verschaffen, heb ik dit gedeelte van het paleis niet kunnen bezoeken; maar ik heb iets anders gezien, in zijne soort ruim zoo merkwaardig als odalisken, althans volgens de verklaring der bedienden: namelijk vier vette varkens, welgedaan en in blakenden welstand. Deze varkens zijn de eenige exemplaren van hunne soort, die in geheel Perzië te vinden zijn. De invoer van varkens, levend of dood, is ten strengste verboden, en hier zoudt ge te vergeefs varkensvleesch zoeken, in welken vorm ook. Naar men zegt, had de prins met het invoeren dier varkens in zijn eigen paleis geene andere bedoeling, dan om het verbod van den Korân te trotseeren en de geestelijkheid te ergeren: is dit zoo, dan verdient zijne handelwijze onbepaalde afkeuring en is zij een verstandig man, bovenal een vorst, ten eenemale onwaardig.

Het is dan ook niet vreemd, dat de mollahs niet zeer ingenomen zijn met Zelleh-Sultan en zijne liberale neigingen; maar zij zijn wel genoodzaakt een prins te ontzien, die het bestuur voert over al de zuidelijke provinciën van Perzië, en van wien men verwacht, dat hij, bij den dood zijns vaders, zal trachten een onafhankelijk rijk te stichten, voorloopig het noorden overlatende aan zijn broeder, dien hij dan later zijn land ontnemen kan, wanneer althans de Russen hem daarbij niet voor zijn geweest. Zelleh-Sultan is te machtig en te eerzuchtig om vrijwillig afstand te doen van de hooge positie die hij inneemt; komt de kroonprins op den troon, dan zal hij genoodzaakt zijn, zich van een zoo geduchten vasal te ontdoen. Men houdt zich in Perzië dan ook vrij algemeen overtuigd, al durft men het niet uitspreken, dat de troon zal worden ingenomen door dengeen van de twee broeders, die het eerst den ander zal kunnen laten dooden.

Van het paleis terugkeerende, volgden wij den grooten weg van den Tsjaar-Bagh, die ons naar Dsjoelfa brengen zal; deze weg, doorgaans eenzaam en verlaten, wordt alleen tegen den avond wat levendiger, als de karavanen zich op weg begeven. Welk een verschil met de drukte en beweging, de pracht en weelde, die hier voor tweehonderd jaren heerschten! Toen zag men, op de met marmeren zerken geplaveide middenlaan, de aanzienlijke heeren van het hof van den Shâh wandelen, gedost in kostbare gewaden, schitterende van goud en purper, en bezaaid met edelgesteenten; en in de zijlanen draafden op prachtige paarden smaakvol gekleede ruiters, die hunne schitterend opgetuigde rossen lieten steigeren en dansen voor de oogen der schoone dames, verborgen achter de getraliede vensters van de Bala-Khaneh, aan het einde der dreef. Over de platte daken der naburige huizen gaande, heb ik dat beroemde paviljoen bezocht en van daar uit een blik geworpen in den Tsjaar-Bagh. De sierlijke ruiters, de voorname hovelingen zijn verdwenen; enkele voetgangers sleepen zich voort, gebogen onder de vracht op hunne schouderen; de reusachtige platanen met hunne kale stammen zijn beroofd van het gebladerte, dat voor de gezondheid en het leven der boomen noodig is; de zerken gezakt en losgeraakt; de kanalen zijn uitgedroogd; de vijvers, met stilstaand stinkend water gevuld, zijn vuile poelen; de van heesters en planten beroofde perken missen die groote wilde rozelaren, die haast in iederen tuin groeien.

Toch beklaagde ik mijn bezoek in de Bala-Khaneh niet. De vertrekken zijn versierd met lambrizeeringen van verwonderlijk schoone porseleinen tegels. Deze geëmailleerde tegels vormen schilderijen, waarop verschillende tafreelen uit het leven in den harem zijn voorgesteld. In kostbare kleederen van brokaat gedost, met tulbanden of diademen van edelgesteenten op het hoofd, zitten de dames in fraaie tuinen, en eten bonbons en vruchten. Vermoedelijk heeft de kunstenaar zich op chineesche modellen geïnspireerd, want de gelaatsvorm en de trekken der dames wijken ten eenemale af van den iranischen type. Deze onderstelling behoeft niet te verwonderen, want men vindt in Perzië blauw beschilderde schotels en vazen, die bijna niet van echt chineesch porselein zijn te onderscheiden. Bijna alle figuren op de wanden van de Bala-Khaneh zijn met een hamer stuk geslagen of zeer beschadigd. Deze barbaarsche schending had meer dan waarschijnlijk plaats onder Shâh Abbas II, die, althans in den eersten tijd zijner regeering, zich door bijzonder strenge vroomheid onderscheidde, en voor wien dus deze beschilderde paneelen, als in strijd met den Korân, een gruwel waren.

3 September.--Reeds verscheidene malen ben ik langs den voorgevel van de medresseh (school) van Shâh Sultan Hoesein gegaan, en steeds levendiger werd bij mij de begeerte om dit gebouw te zien, waarvan de monumentale poort en de blauw geëmailleerde koepel in de hoogste mate mijne bewondering hadden opgewekt. De enorme boog, die den ingang van de medresseh vormt, verheft zich in het midden van een bijna honderd el breeden voorgevel met twee verdiepingen. Een breede band van geëmailleerd blauw porselein, op albasten voetstukken rustende, omzoomt den geheelen boog. De deur is van cypressenhout en bekleed met kunstig geciseleerde zilveren platen. Binnentredende komt men in een ruime achtkantige vestibule, met een koepel gedekt; rechts en links ziet men houten stellages, waarop handelaars in levensmiddelen heerlijke perziken, prachtige druiven, melk, komkommers, vleeschspijzen en andere mondbehoeften ten toon stellen.

Deze vestibule, waar meesters en leerlingen zich op het etensuur van het noodige komen voorzien, heeft aan alle zijden hooge en breede poorten, die hetzij naar andere portalen, hetzij naar de binnenplaats voeren. Deze ruime binnenhof is beplant met heerlijke platanen, die ditmaal niet geschonden zijn, maar al hunne takken hebben behouden.

Tooverachtiger aanblik dan van dezen binnenhof is niet te bedenken. Op den voorgrond weerspiegelen zich de meer dan honderdjarige boomen in de heldere wateren van langwerpige albasten bassins; hun dicht donker gebladerte vormt de wonderschoone lijst van eene weergalooze dekoratie. Op den achtergrond, als in een lichtenden nevel gehuld, verrijzen de koepel en de minarets, van onderen tot boven bekleed met veelkleurige geëmailleerde tegels, schitterende in de stralen der zon. Tegen het hemelsblauwe fond van den koepel teekenen zich bevallige witte voluten af, en licht gele arabesken, omzoomd door een rand van donker blauw of zwart. De bekleeding van het benedengedeelte van het gebouw bestaat uit melkwitte porseleinen tegels, beschilderd met een donkerblauw netwerk.--De kunstenaars, die dit bewonderenswaardige monument hebben geschapen, hebben alle aanspraak op onze hulde en bewondering: het is niet mogelijk, in architekturale dekoratie iets voortreffelijkers te leveren, of met meer smaak en takt partij te trekken van de hulpmiddelen die de eigenaardige natuur van het Oosten aanbiedt. Ik ken in geheel Europa geen enkel monument, waarvan men zulk een indruk ontvangt als van de medresseh van Shâh Hoesein.

De leerlingen zijn in dezen tijd des jaars niet talrijk vertegenwoordigd. Zonder de uitstallingen der kooplieden in de voorhal, en zonder enkele mollahs, die voor de deur hunner cel hunne pijp zitten te rooken, zou de medresseh wel geheel uitgestorven schijnen.

Om, vooral bij de heerschende hitte, alle noodelooze vermoeienis te vermijden, stelt onze onwaardeerbare gids, de Padri, ons voor, niet op het midden van den dag naar Dsjoelfa terug te keeren, maar ons dejeuner te gebruiken in de karavanserai, waar zich de magazijnen bevinden van Kodja Yoessoef. Het kantoor van onzen vriend ligt juist in het drukste gedeelte van deze buurt. Nergens, zelfs niet te Constantinopel, te Teheran of te Kashan, zag ik zulk eene drukte en zulk een gewoel als in deze bazars; de schoonste en meest bezochte van het geheele Oosten. Potten en schotels van oud-chineesch en japansch porselein, vazen van geciseleerd koper uit den tijd van Shâh Abbas, hanglampen van massief zilver met turkoizen en parelen bezet: deze en dergelijke kostbaarheden versieren de winkels en maken dien bazar tot een waar museum. Museum is inderdaad het juiste woord: ge moogt al deze kunstwerken vrij bewonderen, maar behoeft er niet aan te denken, ze te koopen; de kooplieden, die trotsch zijn op het bezit van deze schatten, waarvan zij de waarde zeer goed kennen, willen die tot geen prijs afstaan. Overigens dienen deze kostbare voorwerpen niet enkel tot dekoratie: zij prijken allen met reusachtige bouquetten van witte en gele rozen, van hyacinthen en jasmijnen, waarvan de doordringende geuren de vrij bedorven lucht in den met menschen overvulden bazar althans eenigermate zuiveren.

In dezen tijd des jaars levert vooral de bazar der fruit- en groentenverkoopers een verrassenden aanblik op. Aan alle zijden ziet ge stapels van reusachtige, blozende, donzige perziken, pyramiden van zoete lemoenen, van geurige meloenen en komkommers; in het midden gespleten pasteken lokken u met hun malsch rood vleesch, zwellende van welriekend sap; in bonte wanorde liggen op den grond donkerblauwe druiven en kolossale melansaanappels en velerlei andere vruchten, een mozaïek van kleuren vormende, waaraan uw oog zich verlustigt. En niet verre van daar wordt uwe aandacht getrokken door de uitstallingen der kruideniers, der apothekers en drogisten, waar, beschenen door het uit de koepels neervallende licht, reeksen van glazen bokalen en flesschen schitteren, gevuld met allerlei zouten en mineralen, met peper en safraan en andere specerijen, die bij de toebereiding van sommige spijzen worden gebruikt.

De binnenplaats van de armenische karavanserai, waarin zich het kantoor en de magazijnen van Kodja-Yoessoef bevinden, is omgeven door eene rij van diepe kamers, die met houten luiken worden gesloten. Op het midden van den dag zijn al die luiken zorgvuldig gegrendeld, Want de rijke kooplieden brengen slechts eenige uren in hun kantoor door; terwijl de kleine handelaars van den bazar aan de buitenzijde den ganschen dag in hun winkel blijven.

De Padri klopt aan; bedienden geleiden ons naar eene overwelfde zaal, waarin eene verkwikkelijke koelte heerscht. Uit eene naburige gaarkeuken halen onze bedienden, voor ons dejeuner, heerlijke kiëbabs in eene fijne broodkorst gewikkeld, en gekonfijte, sterk gekruide vruchten, die in Perzië bij eiken maaltijd worden gegeten. Na afloop van het ontbijt laat Kodja-Yoessoef mij eenige kunstwerken in smeedwerk zien: vogels, schilden, schotels en kannen van geslagen ijzer, keurig gepolijst en ingelegd met fijne draden van goud of platina. Ook eenige voorname handelaren in tapijten komen ons bezoeken. Een hunner noodigt ons uit, in zijn huis een kop thee te komen drinken, daar zijne artikelen niet gemakkelijk te vervoeren zijn. Ik neem zijne uitnoodiging te gereeder aan, omdat hij, naar men zegt, met eene der mooiste vrouwen van Ispahan gehuwd is. Intusschen zal het mij niet gemakkelijk vallen, in den anderoen door te dringen; want de koopman, als meest alle anderen, misleid door mijne kleeding en mijn verbrand gelaat, houdt mij voor een jonkman. Hij ziet mij aan voor den zoon van mijn echtgenoot, en maakt hem een kompliment over mijne treffende gelijkenis met mijn onderstelden vader.

XVI

4 September--De armenische bisschop heeft ons door tusschenkomst van een zijner vicarissen, een geschenk gezonden bestaande in zes perziken, van zoodanigen omvang, dat zij eene geheele mand vullen; en ons tevens uitgenoodigd, in den namiddag bij hem het middagmaal te komen gebruiken in zijn tuin aan den oever van den Zendeh-Roed.

Gevolg gevende aan die uitnoodiging, komen wij, drie uren voor zonsondergang, aan den ingang van den bisschoppelijken tuin, die met een aarden wal is omgeven. Zijne Doorluchtigheid verschijnt weldra, gezeten op een prachtig zwart paard, en gevolgd door zijne vicarissen, mede te paard. De hooge prelaten in Frankrijk reisden vroeger ongetwijfeld op dezelfde manier.

Niet ver van den ingang bevindt zich een soort van esplanade, door een dicht gewelf van takken en bladeren overdekt. Onder dien beschermenden lommer schuilt een waterput, die door den Zendeh-Roed wordt gevoed. Het water wordt opgevoerd door een groot rad, dat knarsend en krakend om zijn as wentelt, en telkens de gevulde emmertjes uitstort in de besproeiingsriolen. Deze hoogst eenvoudige toestel wordt in beweging gebracht door vier prachtige ossen, die zich door hunne grootte en hun welgedaan voorkomen op het gunstigst onderscheiden van de ongelukkige dieren, die men elders op de akkers en velden ziet. Blijkbaar zorgt de bisschop dat zijne runderen goed voedsel ontvangen.

Op uitnoodiging van den bisschop, begeven wij ons naar het platte dak van een paviljoen, aan den ingang der groote laan. Van dit verheven punt kan men den geheelen omtrek overzien: ten noordoosten de muzelmansche stad met haar blauw geëmailleerde koepels en minarets; ten oosten, de rivier met hare twee monumentale bruggen; verder de koepeldaken van het klooster der derwîsjen en de minaret van Sjeristan, in het oudste gedeelte der stad, het voormalige Djeï; ten zuiden Dsjoelfa met haar door koepels afgewisselde platte daken en haar groenende tuinen, krachtig uitkomende tegen den achtergrond van violetkleurige bergen; eindelijk ten westen en ten noordwesten, de vruchtbare vlakte van Koladoen, als een onafzienbaar groen tapeet uitgespreid.

Omstreeks zonsondergang komen de genoodigden in grooten getale opzetten. Het zijn de voornaamste en godsdienstigste mannen van Dsjoelfa, die den bisschop steeds met raad en daad bijstaan; allen ongetwijfeld ontwikkelde en geleerde mannen, maar wat beschroomd en terughoudend in tegenwoordigheid van hun geestelijk opperhoofd.

Eer wij aan tafel gingen werd er thee gedronken; tegen negen uur zetten wij ons eindelijk aan den disch. De gasten waren van een mes, een lepel en een vork voorzien, welke ongewone voorwerpen zij met blijkbaar wantrouwen aanstaarden. Toen het er op aankwam, zich van deze instrumenten te bedienen, waren de aanzittenden zoo onbeholpen en zoo verlegen, dat ik er waarlijk spijt over gevoelde, dat ik mij niet over het vooroordeel had kunnen heenzetten en mijne vingers in den schotel dompelen. Het diner, dat overigens zeer goed en smakelijk toebereid was, was nu, om mijnentwil, voor de gasten eene ware pijniging.

Aan het dessert bracht de bisschop een toast uit in het armenisch; een der aanzittenden bracht, op zijn verzoek, de woorden in het perzisch over.

"Ik acht mij gelukkig, zoo sprak hij, dat ik de hoofden der voornaamste familiën van Dsjoelfa hier vereenigd mag zien, en dat ik hun de gelegenheid mag geven, hunne achting en sympathie te betuigen aan de gasten, die God mij gezonden heeft, aan de kinderen dier edele natie, die sedert zoo vele eeuwen de beschermster is van de Christenen in het Oosten. Frankrijk zal gewis de heilige traditiën zijner geschiedenis niet vergeten, en nooit de verdrukten beschamen, die op zijne hulp en bescherming rekenen."

Niet zonder aandoening hoorden wij die, met ernst en waardigheid uitgesproken, woorden, die bovendien niet van gewicht waren ontbloot. De prelaat, die ons aan zijne tafel genoodigd had en die, uit eerbied voor de traditie, zijne residentie te Dsjoelfa behoudt, bekleedt niet alleen den eersten bisschoppelijken zetel van Perzië, maar is, als primaat van Indië, het geestelijk opperhoofd en de vertegenwoordiger van alle schismatieke armenische Christenen in die uitgestrekte gewesten. De inkomsten van zijn zetel dankt hij zelfs voor een goed deel aan de edelmoedigheid der te Bombay of te Benares gevestigde Armeniërs; want, behalve de opbrengst van zijne tuinen en van eenige landerijen in den omtrek van Dsjoelfa, kan de bisschop op niet veel rekenen: zijne kudde in Perzië is te arm, om haar herder veel meer te kunnen aanbieden dan de eerstelingen van den oogst.

De inkomsten uit Indië zijn aanzienlijk, maar de manier waarop zij verkregen worden is voor het minst zonderling. De bisschop van Dsjoelfa beschikt naar goedvinden over alle pastoorsplaatsen in dat land, en hij geeft de best bezoldigde van die plaatsen aan de priesters, die rijk genoeg zijn om hem, bij hunne benoeming, eene zekere som ter hand te stellen als waarborg voor de voldoening van hetgeen zij hem jaarlijks schuldig zijn. Het bijeenbrengen van de noodige gelden om aldus eene vette winstgevende plaats te kunnen koopen, is dus uit den aard der zaak een van de voornaamste bemoeiingen van de leden der lagere geestelijkheid: de priesters ontzien zich niet tot allerlei min loffelijke praktijken de toevlucht te nemen om aan de geldelijke eischen van hun kerkelijk opperhoofd te kunnen voldoen. Dat hieruit de ergerlijkste misbruiken voortvloeien, spreekt van zelf; maar wie de kudde kent, zal den herder niet al te streng veroordeelen. Indien de bisschop geen waarborg vorderde, alvorens tot de benoeming van pastoors over te gaan, zou hij waarschijnlijk later geen cent ontvangen. De leden der lagere geestelijkheid toch, voor het meerendeel van zeer geringen stand, slecht opgevoed en niet veel beter onderwezen, zeer weinig waarde hechtende aan het gegeven woord, en in hun geestelijk ambt niets anders ziende dan eene gemakkelijke, min of meer winstgevende betrekking, zouden meer dan waarschijnlijk verzuimen, hunne geldelijke verplichtingen jegens den bisschop na te komen.

In de katholieke Kerk zouden dergelijke transactiën, die zeer stellig het karakter van simonie dragen, niet worden geduld; maar de Armeniërs schijnen daar geen kwaad in te zien, en laten deze contracten toe, ook in de hoogste rangen der hiërarchie. De patriarch van Etsjmiadzin, het erkende hoofd der schismatieke kerk, eischt van de door hem benoemde bisschoppen geschenken, geëvenredigd aan de inkomsten van hun bisdom; waar hij zelf dus liet voorbeeld geeft, kan hij het den bisschoppen niet kwalijk nemen dat zij hetzelfde doen tegenover de gewone priesters; te minder daar de prelaten, zich niet kunnende mengen in de juist niet altijd loffelijke praktijken en spekulatiën, waardoor de leeken hun fortuin maken, wel genoodzaakt zijn om van de lagere geestelijkheid te halen wat zij kunnen, om zich van hunne verplichtingen jegens den patriarch te kwijten, de onkosten van de eeredienst te bestrijden, en te voorzien in hun eigen onderhoud, benevens in dat der scholen en der gestichten van liefdadigheid.

