Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 14
De mannen, op kleine dunne kussens neergeknield, nemen het hooger gedeelte der kerk in. Zij zijn gekleed in een op de borst overgeslagen jas, die een wit hemd zonder kraag te voorschijn laat komen, dat aan den hals met passement is versierd; een hooge zwarte kollah (muts) en een wijde blauw katoenen pantalon voltooien dit alles behalve smaakvolle kostuum. De vrouwen zitten naast elkander aan het benedeneinde der kerk. De groote, met smaak gedrapeerde zijden doeken op haar hoofd, de zijden japonnen, waarvan de vorm met dien der jassen van de mannen overeenkomt, en die om de heupen door een gordel van filigraan zilver worden saamgehouden, staan haar zeer goed; dit kostuum zou inderdaad bevallig mogen genoemd worden, wanneer het benedenste gedeelte van het gelaat niet geheel bedekt werd door een zwaren witten doek of sluier, die mond en kin onzichtbaar maakt, en op den duur wezenlijk misvormt. De armenische vrouwen dragen dien doek niet enkel als zij uitgaan, maar als zij getrouwd zijn, leggen zij dien ook in huis niet meer af. Zoowel in de kerk als op straat, zijn de christelijke vrouwen geheel gehuld in een wijden witten mantel, dien zij met zeer veel smaak weten te drapeeren.
Na afloop van de mis verlaten de vrouwen en de lieden uit de volksklasse het klooster; de meer aanzienlijken, die hunne opwachting bij den Padri willen maken, begeven zich naar eene kamer, waar thee wordt gepresenteerd. Het bezoek is heden buitengewoon talrijk. Bij de aankomst van een christelijken vreemdeling, is het de gewoonte dat al zijne geloofsgenooten hem komen bezoeken en verwelkomen. Wij maken dan nu ook kennis met personen van allerlei nationaliteit, die echter niet allen bij de mis zijn tegenwoordig geweest. De meesten toch, Engelschen, Duitschers of Hollanders, behooren niet tot de armenische kerk, maar komen niettemin hunne opwachting maken bij de gasten van het klooster.
Ons eerste tegenbezoek geldt, den volgenden morgen, den armenischen bisschop, die ons gisteren ook is komen begroeten.
Zijne woning, met den weidschen naam van paleis versierd, ligt in eene met fraaie lommerrijke boomen beplante straat. De poort geeft toegang tot eene zeer ruime binnenplaats, waarop de kerk staat, die thans gesloten is. Links van den ingang ziet men eene lange galerij, waar, in steenen sarkophagen, de lijken rusten van de armenische bisschoppen, aan wie de moeilijke en dikwijls gevaarvolle taak was opgedragen, om de kleine christelijke kudde, te midden der mohammedaansche wereld verloren, te hoeden en te verdedigen.
De tegenwoordige armenische bisschop, hoewel nog jong, vervult, naar men zegt, met veel takt zijne niet gemakkelijke taak. In voorkomen en manieren heeft hij iets zeer gedistingeerds. Een ruim kleed van granaatkleurig kashmîr omhult zijne slanke gestalte; een zwart zijden kap doet zijn ernstig vriendelijk gelaat op het voordeeligst uitkomen. Als alle hooge dignitarissen van de armenische geestelijkheid, is ook hij monnik; alleen die geestelijken, die de gelofte van kuischheid hebben afgelegd en tot hunne benoeming in het klooster blijven waar zij zich op de studie toeleggen, hebben aanspraak op de bisschoppelijke waardigheid; terwijl de leden van de wereldlijke geestelijkheid, die eenmaal in hun leven mogen huwen, daardoor ook afstand doen van alle bevordering in de kerkelijke hiërarchie.
De bisschop bedient alle weken de mis; maar de geloovigen wonen die in den regel slechts op hooge feestdagen bij: zij beschouwen het heilig offer als te verheven, om het dagelijks te herhalen. De armenische prelaten staan onder het gezag van den patriarch van Etsjmiadzin, den katholikos, die hen wijdt en benoemt. Zij erkennen den Paus als den eerste onder de bisschoppen, maar niet als het hoofd der kerk. Hoewel het dogma der armenische kerk op gewichtige punten van dat der katholieke afwijkt, wordt zij toch slechts als schismatiek en niet als kettersch beschouwd. De door armenische geestelijken toegediende doop wordt dan ook als geldig erkend; en de geestelijken zelven, die tot de katholieke Kerk overgaan, behoeven niet op nieuw de wijding te ontvangen, maar worden aangemerkt als geschorste priesters, aan wie de bisschop de rechten van hun priesterlijk ambt terug geeft.
De bisschop geleidt ons zelf naar de kerk, die in den vorm van een grieksch kruis is gebouwd en gedekt met een hoogen koepel, waarvan het onderste gedeelte van acht ramen is voorzien. Op de wandpaneelen tusschen die vensters heeft men in fresko medaillons geschilderd op een blauwen grond met goud en arabesken. De muren zijn bedekt met schilderijen, het werk van italiaansche monniken; die schilderijen zijn nu wel niet allen meesterstukken, maar toch wordt het oog bekoord door het warme levendige koloriet, in zoo volkomen harmonie met het blauw van het gewelf, het goud van den koepel en de fraaie mozaïeken onder de schilderijen. De kerk is keurig netjes onderhouden en vertoont nergens een spoor van verval, zelfs niet van ouderdom.
Behalve de kapel van het bisschoppelijk paleis en die van het katholieke klooster, zijn slechts twee kerken weder voor de uitoefening voor de christelijke eeredienst geopend.
XIV
De feesten van den Ramadân zullen over drie dagen zijn afgeloopen; het oogenblik is dus gekomen om vergunning te vragen tot het bezoeken van de moskeeën en andere godsdienstige gebouwen der mohammedaansche stad. Dat zal waarschijnlijk niet gemakkelijk gaan: de mollahs, die zich altijd tegen het verleenen van zulke vergunningen verzetten, zullen dit te meer doen nu de gouverneur Zelleh-Sultan, de oudste zoon van den Shâh, afwezig is en dus zijn persoonlijk gezag niet kan laten gelden om de fanatieke geestelijkheid in bedwang te houden. Voor zijn vertrek uit Ispahan, heeft de prins een vice-gouverneur benoemd, maar de eigenlijke leiding der zaken opgedragen aan zijn geneesheer en vertrouweling, den generaal Mirza Taghuy-Khan.
De generaal heeft ons dadelijk na onze aankomst een bezoek gebracht. Op aanbeveling van zijn ouden leermeester, dokter Tolozan, heeft hij ons zijne diensten en zijne hulp aangeboden; maar hij heeft ons niet verzwegen dat de bevolking van Ispahan over het geheel niet vriendelijk gezind is jegens de Christenen, en ons aangeraden voorzichtig te zijn en geen pogingen aan te wenden om in eene moskee door te dringen, voordat wij, krachtens een bevel van Zelleh-Sultan, van den imam Djoema en den moesjteïd eene behoorlijke vergunning zullen hebben verkregen.
In afwachting van de terugkomst van den koerier, die in allerijl naar Boeroesjerd, waar de prins zich ophoudt, is gezonden, bezoeken wij alle monumenten, die geen godsdienstig karakter dragen.
Hoewel er in Ispahan geen enkel oud gebouw te vinden is, kan men toch aan de stad geen hoogen ouderdom ontzeggen; reeds hare ligging aan den Zendeh-Roed, de eenige rivier van geheel Irak, pleit daarvoor. Ongelukkig is het niet mogelijk, te midden van allerlei fabelen en legenden, de historische waarheid te ontdekken. Volgens de Perzen zou Ispahan gesticht zijn door Dsjemsjid, den stamvader van het aloude perzische koningshuis. In den _Shâh-Nameh_, in de twaalfde eeuw door Firdoesi geschreven, wordt verhaald, hoe een smid van Ispahan, Kaveh genoemd, den verfoeilijken tiran Zoak verdreef, die om twee zweeren op zijne schouders te genezen, daarop pleisters legde van menschenhersens. Toen Kaveh vernam, dat ook zijne dochter was aangewezen om door de koninklijke apothekers te worden gedood, bond hij zijn leeren schootsvel aan een stok, verzamelde een aantal ontevredenen rondom dien standaard, verjoeg den overweldiger, en herstelde Feridoen op den troon zijner voorvaderen. Ter herinnering aan deze gebeurtenis werd de geïmproviseerde vlag van den beroemden smid eerbiedig bewaard en aan de bewaking der bezetting van Ispahan toevertrouwd. Door alle opvolgers van Feridoen met goud en edelgesteenten versierd, werd de standaard eindelijk zoo groot en zoo zwaar, dat er tijdens de verovering door de Arabieren zes mannen noodig waren om de relikwie te dragen. De muzelmansche soldaten verdeelden dien kostbaren buit onder elkander en verrijkten zich met de sedert eeuwen opgehoopte schatten, hoewel deze _hagedisseneters_ een groot gedeelte der steenen, waarvan zij de waarde niet kenden, zoek maakten.
Volgens den arabischen schrijver Yakoed, droeg Ispahan oorspronkelijk den naam van Djeï, en stond op de plaats van het tegenwoordige Sheristan. Na de inneming van Jeruzalem, zond Bakhtr en Nasr (Nebukadnezar) de Joden in ballingschap naar Iran. Zij zwierven langen tijd door het land rond om eene woonplaats te kiezen, en vestigden zich eindelijk te Djira, waar de grond en het water het meeste overeenkwamen met die van hun vaderland. Zij bouwden eene stad, welke den naam ontving van Yaöediëh (Jodenstad); het ging den ballingen goed in het vreemde land; Yaöediëh ontwikkelde zich ten koste van Djeï en werd het tegenwoordige Ispahan.
Dit verhaal is natuurlijk eene legende; zooveel alleen is zeker, dat geene enkele der aloude hoofdsteden, hetzij van de medische, hetzij van de perzische koningen, of van de dynastieën der Parthen en der Sassaniden, met het latere Ispahan kan worden vereenzelvigd.
Onder het khalifaat van Omar werd Ispahan door de Arabieren ingenomen. De stad werd met verschooning behandeld; zij moest eene schatting betalen, en de inwoners die weigerden zich tot den Islam te bekeeren, moesten naar elders verhuizen. De provincie Irak bleef tot de tiende eeuw onder arabische heerschappij; vervolgens kwam zij achtervolgens in handen van de Seldsjoeken en andere turkomanische dynastieën, aan wier heerschappij de Mongolen, eerst onder Dsjenghis-Khan en daarna onder Tamerlan (Timoer Lang, d. i. Timoer de Kreupele) een einde maakten. Timoer veroverde Ispahan in 1385, en behandelde de stad aanvankelijk, naar het schijnt, met betrekkelijke gematigdheid; maar tengevolge van een oproer gaf hij bevel de bevolking der weerspannige stad om het leven te brengen. Naar men wil, zouden op een enkelen dag ruim honderdduizend inwoners zijn vermoord, en zouden de hoofden van zeventigduizend slachtoffers tot eene gedrochtelijke pyramide zijn opgestapeld.
Perzië bleef nu een deel van het groote mongoolsche rijk, tot het in het laatst der vijftiende of het begin der zestiende eeuw een zekeren Imaël al Safi gelukte, eene nationale dynastie te stichten en Perzië van de heerschappij der mongoolsche sultans te bevrijden. De koningen uit de dynastie van Safi of Sofi waren in onophoudelijke oorlogen gewikkeld, zoowel buiten- als binnenslands, en in den eersten tijd hunner regeering schijnt Ispahan niet op den voorgrond te zijn getreden. Maar in 1585 bracht Shah Abbas zijne residentie naar de oevers van den Zendeh-Roed over, en versierde de nieuwe hoofdstad met moskeeën, paleizen en bazars; ook trachtte hij zooveel mogelijk hare bevolking te vermeerderen, onder anderen door, zoo als wij reeds verhaalden, de Armeniërs van Dsjoelfa te dwingen, naar Ispahan te verhuizen. De rampspoedige regeering zijner zwakke en wreede opvolgers verhinderde evenwel den bloei der nieuwe hoofdstad niet, wier bevolking tot zeshonderdduizend zielen klom, en wier pracht en weelde door geheel Azië beroemd was.
Onder de regeering van Shâh Hoesein trof Ispahan een nieuwe ramp, bijna nog vreeselijker dan de inval der Mongolen. De perzische gouverneurs van Kandahar hadden, door willekeurige maatregelen en vervolgingen van de sonnitische Afghanen, de verbittering opgewekt van dit krijgshaftige volk, dat de sjiîtische Perzen reeds als ketters verfoeide. De Afghanen kwamen in opstand; met groote moeite werden zij overwonnen, en hun aanvoerder, Mir Weis, als gevangene naar Ispahan gevoerd, waar hij zich met eigen oogen van de zwakheid van het koninklijk gezag en den jammerlijken toestand des rijks kon overtuigen. Weder in vrijheid gesteld en naar Kandahar teruggekeerd, begon hij aldra een nieuwen opstand voor te bereiden: en inderdaad gelukte het zijn zoon Mahmoed gansch Perzië te veroveren. Wel leed hij in 1721, bij een eerste treffen, de nederlaag, maar spoedig daarop sloeg hij, aan het hoofd van een leger van twintigduizend Afghanen, het beleg voor Ispahan.
Het perzische leger, zestigduizend man sterk, trok den vijand te gemoet en leverde hem slag, op zes mijlen afstands van de stad, bij Golnabad. Ondanks hunne meerderheid werden de koninklijke troepen verslagen en namen overhaast de wijk achter de muren der stad, die met meer dan vierhonderd kanonnen gewapend was. De Afghanen bezetten nu Dsjoelfa, trokken over de rivier, en omsingelden Ispahan, dat zij van alle kanten insloten. Het beleg begon in Maart 1722: in Augustus moesten de paarden, de muilezels en kameelen worden geslacht; in September voedde men zich met honden en katten; toen met brood van boomschors; eindelijk werden zelfs de lijken van menschen en dieren verslonden. Pater Krusinski, een poolsch monnik, die zich destijds te Ispahan bevond, heeft omtrent dit beleg verschrikkelijke bijzonderheden medegedeeld. Eindelijk was de toestand onhoudbaar geworden; het water van den Zendeh-Roed was bedorven door de lijken, die in de rivier werden geworpen: de hongersnood richtte de vreeselijkste verwoestingen aan. Er moest een einde aan komen, want ook het hof begon gebrek te lijden. Men trad in onderhandeling; en om de plundering en verwoesting zijner hoofdstad te voorkomen, besloot Shâh Hoesein afstand te doen van de regeering ten behoeve van Mahmoed.
Den 23_sten_ October steeg de koning te paard en begaf zich, in rouw gekleed, naar het door hem zelven gestichte paleis Farah-Abad, welks naam, woning der vreugde, nu welhaast eene bespotting scheen. Aan den ingang van zijn paleis moest de ongelukkige monarch een geruimen tijd wachten, omdat de overwinnaar zijne siësta hield; toen men hem eindelijk naar de groote zaal geleidde, zag hij den afghaanschen rebel op den koninklijken troon zitten.
"Mijn zoon, sprak hij op waardigen toon tot Mahmoed, die niet eens was opgestaan om den overwonnen koning te ontvangen; daar Allah niet wil dat ik langer regeere, en naar zijn raadsbesluit het uur gekomen is van uwe verheffing op den troon van Perzië, draag ik u het rijk over. Moge uwe regeering gelukkig zijn!"
"Onstandvastig en wisselvallig is alle menschelijke grootheid, antwoordde de overwinnaar. God beschikt naar goedvinden over de koninkrijken der aarde: Hij ontneemt ze den een om ze den ander te geven."
Op bevel van Mahmoed werd den onttroonden Shâh een klein paleis ter woning aangeboden, waar hij zeven jaren doorbracht en over het algemeen met zachtheid behandeld werd. Toen daarna het geluk den overweldiger dreigde te verlaten, werd de ongelukkige vorst, die gevaarlijk worden kon, om het leven gebracht.
Ispahan had gedurende het beleg vreeselijk geleden. Niet alleen was de grootste helft der bevolking bezweken, maar de gansche omtrek was eene wildernis geworden: de tuinen, akkers en dorpen waren verwoest en de kanalen verstopt. Ook hield de stad op de residentie te zijn: Karim-Khan maakte Shiraz, zijne vaderstad, tot hoofdstad; en de dynastie van Kadsjar verlegde den zetel der regeering naar het noorden, naar Teheran. Dit voltooide den ondergang van de oude metropolis der Sofis. Het grootste gedeelte der inwoners verhuisde naar elders; de paleizen en openbare gebouwen werden verwaarloosd, en veranderden langzamerhand in ruïnen. Toch zijn het nog de gedenkteekenen uit den tijd der Sofis, die aan de zoo diep vervallen stad haar karakter en hare belangrijkheid geven.
Mirza Taghuy-Khan brengt ons eerst naar het paviljoen Tsjeel-Soetoen (de veertig zuilen), dat in een grooten tuin verrijst, die door lage muren is omringd en met prachtige boomen en hooge rozenstruiken is beplant. Aan de noordzijde bevindt zich een langwerpige vijver, aan welks uiteinde eenige marmeren trappen naar het overdekte terras voor het paleis voeren.
Het paviljoen is door Shâh Hoesein gebouwd op de plek, waar een paleis van Shâh Abbas stond, dat ter gelegenheid van een feest in brand geraakte en in de asch werd gelegd. Volgens het verhaal had men den brand gemakkelijk kunnen blusschen; maar de Shâh wilde zich niet tegen het goddelijk raadsbesluit verzetten, en gaf bevel het paleis te laten branden, tevens zijn voornemen te kennen gevende om het nog prachtiger te herbouwen.
Achttien kolommen van cederhout, met ruitvormig gesneden spiegels bekleed, dragen het dak van de voorgalerij; de middelste zuilen rusten op marmeren leeuwen, uit wier muil een waterstraal in een marmeren bekken valt. Eene houten met mozaïek en schitterende sterren versierde kroonlijst draagt de zoldering, die in vierkante vakken is verdeeld, welke wederom zijn bezet met spiegels, waarvan de schuin geslepen rand in kristallen prisma's is gevat.
Uit deze voorgalerij treedt men in een open zaal of talâr, met een half koepelgewelf overdekt, dat geheel bekleed is met glazen platen, in metalen lijsten gevat. Ter wederzijde van deze zaal, waarin weleer de troon stond, die door de Afghanen werd vernield of medegevoerd, bevinden zich twee gesloten vertrekken, het een voor den Shâh, het andere voor zijne ministers bestemd. De uitwendige dekoratie van deze vertrekken en van de troonzaal bestaat uit spiegels van allerlei grootte en vorm, in vergulde lijsten gevat.--In den tegenwoordigen toestand van het paleis is het niet wel mogelijk een juist oordeel te vellen over het effekt van deze schitterende dekoratie, die, voor zoover ik weet, uitsluitend aan Perzië eigen is. De spiegels, waarvan het verfoeliesel ten deele is afgevallen, zijn met eene dikke stoflaag bedekt, en zien er uit als oude zilveren platen, door den tijd verkleurd en dof gemaakt.
Drie deuren van houtmozaiek voeren uit den talar naar eene groote zaal, die de volle breedte van de troonzaal en van de beide aangrenzende vertrekken beslaat. Deze ruime hal is gedekt met drie koepels, waarvan de middelste rood en de beide anderen blauw zijn geschilderd; de pendentieven prijken met gouden arabesken. De wandpaneelen onder de koepels zijn versierd met freskoos, koninklijke audiëntiën of gevechten voorstellende. Deze schilderijen hebben al de goede hoedanigheden, maar ook al de gebreken van perzische kunstwerken: een overdreven zorg aan bijzaken en details gewijd, ten nadeele der hoofdfiguren; rijkdom van coloriet; stijfheid van houdingen en standen, en volslagen onbekendheid met de wetten der perspektief. Op een dezer schilderijen, een gevecht voorstellende, ziet men pikzwarte negers gezeten op sneeuwwitte olifanten. Nabij den oostelijken ingang is Shâh Abbas afgebeeld, indische gezanten ten gehoore ontvangende. Alle bijzonderheden van gelaatsvorm en kleeding zijn met groote nauwkeurigheid weergegeven; ongelukkig heeft de kunstenaar meer zorg besteed aan de prachtige met gouddraad doorweven stoffen en de schitterende edelgesteenten, dan aan de juiste evenredigheden der danseressen op den voorgrond.
Mirza Taghuy-Khan heeft zijne prachtige, rijk vergulde uniform van generaal eerste klasse aangetrokken, en wordt in zijne bewegingen wel wat gehinderd door een langen degen, die telkens tusschen de beenen van zijn nevenman verward raakt. Niemand meene echter, dat onze zoo fraai uitgedoste vriend inderdaad een krijgsman is: hij is een zeer vreedzaam man en zijn titel van generaal is een bloote eeretitel, die in Perzië zeer dikwijls aan hooge burgerlijke beambten gegeven wordt. Behalve zijne vele andere functiën, is de generaal ook nog belast met de redactie van het dagblad van Ispahan, het officieele orgaan van den gouverneur van Irak. Hij moet zich des te meer gestreeld gevoelen door dit bewijs van vertrouwen van den prins Zelleh Sultan, daar de Shâh zelf, zeer bedachtzaam, de voorlichting van het publiek nooit aan een zijner dienaren heeft durven toevertrouwen. Met eigen koninklijke hand schrijft hij zelf het officieele dagblad, aldus verzekerd dat de pers zijn volk op geen dwaalspoor zal brengen. Naar ik meen, zou Mirza Taghuy-Khan, bij zijne vele andere titels, ook nog gaarne dien voegen van rector der universiteit te Ispahan.
Ik mag van deze universiteit niet zwijgen, al kunnen wij ook geene kennis maken met de studenten, die juist vacantie hebben. De prins-gouverneur drukt de voetstappen van zijn vader, in zoo verre hij zich beijvert om de scholen zooveel mogelijk te onttrekken aan den uitsluitenden invloed van de geestelijkheid en naast de theologie ook nog ruimte te laten voor de beoefening van andere wetenschappen. Jammer genoeg is het aantal der leerlingen van de medresseh al even gering als dat der professoren. De colleges in de physika, de mathesis, de geschiedenis en de vreemde talen zijn opgedragen aan een jong geleerde, die zich bijna den geheelen dag bezig houdt met het rooken van opium. Deze evenknie van Pico della Mirandola heeft zijne opvoeding te Parijs en te Londen ontvangen; maar in stede van te studeeren en in den omgang met beschaafde Westerlingen zijn geest te ontwikkelen, heeft hij, zoo als trouwens bijna alle jonge Perzen die naar Europa komen, niet anders gedaan dan de ondeugden, hem als Aziaat eigen, te vermeerderen met de verfoeilijkste verkeerdheden en misbruiken onzer westersche beschaving.
De professor en de studenten van de universiteit van Ispahan zijn gehuisvest in een allerbevalligst paviljoen, te midden van een grooten tuin grenzende aan dien van het Tsjeel-Soetoen. Dit paleis, vroeger door Feth-Ali Shâh gebouwd om als zomerresidentie te dienen, draagt den naam van Heisht-Besjet (acht paradijzen), omdat het, behalve de koninklijke appartementen, vier vleugels met twee verdiepingen bevat, bestemd voor de acht favoriten van den koning.
De weg van het Tsjeel-Soetoen naar het Heisht-Besjet loopt langs een vijver, ter wederzijde omgeven door echt perzische tuinen. Van deze tuinen kunnen noch de engelsche parken met hunne groote grasperken, door bloembedden en boomgroepen afgewisseld, noch de oud-fransche tuinen, met hun geschoren hagen en symmetrischen aanleg, eenig denkbeeld geven; de perzische _bagh's_ zijn uitgestrekte velden, beplant met hooge platanen tot aan den top gesnoeid, en voorts bedekt met bloemen, zonder eenige orde of schikking, in de bontste verscheidenheid naast en door elkander gezaaid. De aanblik van deze reusachtige bloemperken is zeer eigenaardig; vooral uit de verte gezien, maken zij, door de zon beschenen, met hunne bonte mengeling van kleuren een verrassend effekt. Aan het einde van den vijver verrijst het achthoekige paviljoen van Heisht-Besjet, bestaande uit eene groote zaal in het midden van het gebouw, uit vier portieken en vier zijgebouwen.
Op de wanden der vertrekken nabij de portiek ziet men twee groote muurschilderingen: de eene stelt Feth-Ali Shâh voor, omgeven door zijne zoons; de andere verbeeldt denzelfden monarch jacht makende op wilde dieren. De koning, over den hals van zijn paard gebogen, steekt zijne lans in den muil van een dier, waarvan ik niet kan zeggen of het een leeuw, dan wel een panther moet voorstellen.
Het Heisht-Besjet is thans geheel ontmeubeld; en van de acht favoriten des konings, die eens deze vertrekken bewoonden, is geen spoor of herinnering overgebleven. De generaal Mirza Taghuy Khan had wel gelijk toen hij mij opzettelijk mededeelde dat wij ons in eene school bevonden, want zonder zijne verzekering zou ik dat nooit vermoed hebben. Er zijn noch banken, noch tafels, noch boeken, noch een katheder voor den leeraar: al deze dingen zijn in eene perzische school niet noodig. De Perzen, groot en klein, oud en jong, schoonschrijvers van beroep of eerstbeginnende leerlingen, schrijven allen op een velletje papier dat in de palm der linkerhand rust; men heeft dus niet anders te doen dan een tapijt op den vloer uit te spreiden, en het schoollokaal is gereed. Natuurlijk behooren daartoe ook een riet en de noodige roeden voor het toedienen van de bastonnade.
XV