Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 13
De vrouw van den iman Djoema is nog maar half overtuigd en wil meer weten.
"Heeft die khanoem Shâh," zoo vraagt zij na eenige oogenblikken van diep gepeins, "ook verschillende echtgenooten in haar anderoen?"
Ik reken dat het nu tijd is om onder mijn doek van daan te komen. Mij in het gesprek mengende, geef ik aan de dames de stellige verzekering, vooreerst dat de Koningin van Engeland geen baard en geen snorren draagt; ten andere, dat zij maar één echtgenoot heeft gehad; en eindelijk dat zij in haar partikulier leven een voorbeeld is van alle vrouwelijke deugden.
De fotografie is klaar, en dit is eene ware uitkomst, want ik zou mij schamen over te vertellen wat de beide dames met de meeste vrijmoedigheid onderling bespraken. Juist toen ik gereed was, kwam eene oude vrouw, die op den uitkijk was gezet, mij waarschuwen dat de saheb (Marcel) wegging. Ik nam haastig afscheid van de beide khanoems en vond mijn echtgenoot in de donkere gang, waar ik hem verlaten had.
XIII
11 Augustus.--Twee karavanenwegen verbinden Kashan met de hoofdstad van Irâk. De een, die gewoonlijk in den winter gebruikt wordt, loopt langs de woestijn, over Nateins, waar men de bouwvallen ziet eener moskee, die vroeger met prachtige porseleinen tegels was bekleed; de andere weg, die gedurende het koude jaargetijde onbruikbaar is, slingert zich langs de hellingen van hooge bergen. Wij volgen dezen laatsten weg, en de schoonheden van het landschap doen ons weldra de bezwaren van den tocht vergeten. Bij den buitengewoon helderen maneschijn ziet de berghelling er uit als ware zij door elektrisch licht bestraald, terwijl het diepe smalle dal in donkere schaduw is gehuld. Intusschen wordt de weg steeds slechter en straks bijna geheel onbegaanbaar; de lucht wordt zeer koel en wij krijgen weldra den hoogsten top van dit gedeelte der bergketen in het gezicht: volgens de waarnemingen van de beambten der engelsche telegraaflijn, bereikt die top eene hoogte van drieduizend-vijf honderd-vijf-en-negentig el boven de zee.
Na acht uren stijgens bereikt de karavaan een bergpas. Wij treffen daar herders met hunne schapen aan; zij bieden ons kaas en melk; de paarden rusten een oogenblik, daarna stijgen wij op nieuw in het zadel, om onzen rit naar het dorp Koroet te vervolgen. Dit dorp, te midden van rotsen en groen verloren, herinnert mij levendig aan sommige landschappen in de Alpen en de Pyreneën: zonder de minarets en de platte daken, zou ik mij kunnen verbeelden, ergens in de omstreken van Interlaken of van Luchon te zijn.--De landlieden van Koroet, door hunne hooge gebergten en steile rotsen beveiligd tegen de invallen der Arabieren en Mongolen, den ganschen winter onder de sneeuw begraven en gedurende de helft van het jaar verstoken van alle gemeenschap met de bewoners der vlakte, hebben hun ras en hunne taal zuiver bewaard, zonder bijvoeging van vreemde elementen.
Als in alle berglanden, bestaat de rijkdom der dorpelingen in hunne kudden: hunne prachtige schapen munten niet alleen uit door den malschen smaak van hun vleesch en de fijnheid van hunne wol, die voor de vervaardiging van tapijten wordt gebruikt, maar vooral ook door den geweldigen omvang van hun ronden staart, die het geheele achterlijf bedekt en somwijlen, ten gevolge van de mesting, zoo zwaar wordt, dat de herders genoodzaakt zijn, dien reusachtigen staart op een klein wagentje te laten rusten. De Perzen eten overigens dit lichaamsdeel niet; zij koken den staart en vermengen het afkomende, zeer fijne vet met boter: dit mengsel, woughan genoemd, wordt gebruikt bij het toebereiden van alle spijzen.
12 Augustus.--De honderdgradige thermometer teekent, als wij tegen elf uren in den avond Koroet verlaten, niet meer dan zes-en-een halve graad. Gisteren stond hij te Kashan, in de schaduw, op zes-en-veertig graden: dit kolossale verschil van temperatuur is vooral te wijten aan het verschil in hoogte tusschen de beide stations. Sedert onze laatste pleisterplaats zijn wij omstreeks zeventienhonderd el gestegen. Onze bedienden, in hunne lichte katoenen kleeding, bibberen van koude, en zouden zeer zeker hunne toevlucht nemen tot onze garderobe, indien zij niet, als goede muzelmannen, vreesden zich te verontreinigen door het aanraken der kleederen van Christenen.
Wij stijgen allen af en beklimmen met haastigen stap den top van de bergketen. Voorbij den pas--tweeduizend-negenhonderd el boven de zee--wordt het pad beter; de weg daalt over kale, met rotsen bezaaide hoogvlakten, al lager en lager en brengt ons eindelijk aan het dorp Seau, aan den ingang der vlakte, die zich zuidwaarts tot Ispahan uitstrekt.
Den volgenden morgen vervolgen wij onze reis naar Ispahan. De vallei, waardoor onze paarden ons in snellen draf voeren, is omsloten door twee heuvelrijen en loopt uit op fraai gevormde bergen, wier majestueuse lijnen en warme tinten aan de bergen van Hellas herinneren. De hoofdstad van Irâk, in een doorzichtigen azuren nevel gehuld, rust aan den voet dier steile, kale rotswanden; en tegen dien achtergrond komt de breede groene gordel van gaarden en tuinen, die Ispahan omgeeft, verrukkelijk schoon uit. In de stralen der dalende avondzon schittert de blauwe koepel van de Mastsjed Shâh; en tegen den onbeschrijfelijk helderen hemel teekenen zich de fijne omtrekken van slanke minarets. Overal verrijzen zware torens, met mozaïeken versierd; tallooze zwermen duiven, wier vlucht voor een oogenblik het licht onderschept, reppen zich met vroolijk wiekgeklep naar de tooverachtige stad.
Daar ligt zij, deze "helft der wereld", Ispahan de schoone, het wonder der wonderen, de bloeiende paradijsroos, om strijd door de perzische dichters bezongen en verheerlijkt. Lommerrijk zijn de wegen en paden die tot haar voeren; een eeuwige lente tooit de vallei met alle weelden der natuur; de bloemen vervullen de lucht met haar zoete geuren; de wateren der murmelende beekjes zijn vloeiend kristal, als de bronnen in het paradijs. Het koeltje, dat door het dicht gebladerte der bosschages suist, zingt met de zoete stem der duive, of bootst den orgeltoon der nachtegalen na. Dat de regen u besproeie, o Ispahan; dat de dauw des hemels u verfrissche boven alle andere steden, terwijl de donder in de verte rommelt, en de blauwe bliksemstralen de zwarte wolken klieven! Hamadan is een oord vol liefelijkheid, waar ieder wonen wil; maar Ispahan is het beeld van het paradijs.
Wij trekken door eenige kleine, half vervallen dorpen, en door dichte boomgaarden en tuinen, waar de meloenen reeds rijp zijn. De zwarte en vochtige aarde, gedrenkt door het bevloeiingswater; de beken, die zich kronkelen door de met maïs en sorgho beplante velden: zij voeren mij in gedachte terug naar de oevers van den Nijl, als het water begint te vallen, en naar de wonderschoone tuinen van Sioet, de koningin van Opper-Egypte.
Wij naderen de muren en gaan door de vestingwerken; in gespannen verwachting zie ik rondom mij--en onwillekeurig houd ik eensklaps stil. Welk eene wreede teleurstelling! Ben ik in eene met storm overweldigde, half verwoeste stad? Aan de binnenzijde van den wal zie ik nauwe steegjes, met eene dikke laag van vuil en onreinheid bedekt; rechts en links aanschouw ik verlaten bazars, uitgestorven straten, ter wederzijde omzoomd door bouwvallige muren, die elk oogenblik dreigen in te storten. Er is geene levende ziel te bespeuren in deze voorsteden, die eene schuilplaats zijn van schorpioenen en slangen; de verwoesting is volkomen, en het is als ware men bij de vernieling stelselmatig te werk gegaan: vensters en deuren zijn van houtwerk beroofd; men heeft de platte daken opgebroken om de balken weg te nemen waarop zij rusten; de tegels zijn stuk geslagen of gestolen; de aarden muren, door den regen gehavend, zijn nog alleen staande gebleven.
In een ander kwartier, zoo mogelijk nog erger gehavend en vervallen, zijn boeren bezig met het puin der huizen te laden in strooien korven, op den rug van kleine ezels vastgebonden. Deze van salpeter doortrokken baksteenen hebben zeer groote waarde voor de bemesting der landerijen.
De "helft der wereld", de "bloeiende paradijsroos", de koninklijke stad is tegenwoordig voornamelijk een kweektuin van pasteken en sappige komkommers.
Mijmerende over de lotgevallen van staten en steden, vervolg ik mijn weg, en kom eindelijk aan den ingang van den Tsjaar-Bagh (vier tuinen). Deze heerlijke wandeldreef, door Shâh Abbas aangelegd, wordt aldus genoemd omdat zij het terrein beslaat van vier kerkelijke domeinen, aan eene moskee behoorende, en die de koning huurde voor onbepaalden tijd, onder de verplichting om jaarlijks zekere som als pacht te betalen. De dreef wordt gevormd door vijf breede lanen, overschaduwd door minstens driehonderdjarige platanen. Ongelukkig zijn een aantal boomen gestorven of omgevallen, en heeft men de daardoor ontstane gaten en open plekken niet aangevuld.
De Tsjaar-Bagh heeft eene lengte van ruim drie mijlen. De midden-allée, voor voetgangers bestemd, is geplaveid en wordt doorsneden door een kanaal, dat een reeks vijvers van verschillenden vorm en grootte van het noodige water moet voorzien; de zijlanen zijn voor ruiters bestemd. Ter rechter- en ter linkerzijde zie ik de ruïnen van een tiental paleizen, vroeger door de aanzienlijkste heeren van het hof bewoond; in het voorbijgaan werp ik een bewonderenden blik op den buitengevel van de medresseh (school) van de Moeder des Konings, en kom eindelijk aan een prachtige brug over den Zendeh-Roed, gebouwd door Allah Verdi-Khan, den vriend en veldmaarschalk van Abbas den Groote. De brug is tweehonderd-vijf-en-negentig el lang en rust op drie-en-dertig pijlers, op gelijke afstanden van elkander geplaatst. Een breede en goed onderhouden rijweg is voor de karavanen bestemd; ter wederzijde loopt eene overdekte galerij voor de voetgangers. De brug is geheel van gebakken steen; alleen de voetstukken der pijlers zijn van natuurlijken steen.
Aan den overkant gekomen, sla ik rechts af en bevind mij al spoedig in de armenische stad of wijk, Dsjoelfa genoemd, waar alle Christenen wonen: volgens eene oude, nog van kracht zijnde wet, is het hun verboden, in Ispahan zelf te wonen. Aanstonds word ik getroffen door het contrast tusschen de mohammedaansche en de christelijke stad. Ook hier vindt men, achter grauwe muren, onaanzienlijke leemen huizen; maar de straten zijn net en zindelijk, en de smalle gracht, die de meeste straten in twee gelijke deelen verdeelt, is met fraaie boomen beplant, die eene weldadige schaduw verspreiden en in wier lommer menige fruithandelaar en menige slager zijn kraampje opslaat. Het is echter ook hier doorgaans stil op straat; er heerscht thans eenige levendigheid, want een aantal armenische kinderen, met roode wollen mutsen op het hoofd, komen uit de school en roepen ons vroolijk een _bonjour mossioû_ of een _good morning!_ toe. Enkele, in witte sluiers gehulde vrouwen wandelen met langzame schreden langs de muren.
Zware poorten, die des nachts gesloten worden, geven toegang van de eene wijk tot de andere; nabij eene dezer poorten voert een smal steegje naar het klooster der Mekitaristen, waar sedert twee-en-twintig jaren pater Paschalis Arakélian woont, de eenige zielenherder van de kleine gemeente der geuniëerde Armeniërs van Dsjoelfa. Alle Europeanen, die Ispahan bezoeken, trachten zich onder bescherming te stellen van dezen eerwaardigen geestelijke en komen een beroep doen op zijne gastvrijheid, die niemand afwijst.
Wij worden gewacht; bij den eersten slag met een zwaren klopper, wordt de deur wijd geopend door een knaap, die de verschillende betrekkingen vervult van portier, huisknecht, kamerdienaar en koster. De eerwaarde pater komt ons aanstonds tegemoet; volgens oud-christelijk gebruik omhelst en kust hij mijn echtgenoot, en brengt ons, over een met grafzerken geplaveiden binnenhof, naar eene ruime zaal.
"Verwacht niet," zeide de geestelijke, met zijne diepe welluidende stem, "dat de monniken wier overste ik was, u komen begroeten en verwelkomen: al mijne broeders zijn overleden en slapen onder de zerken op den binnenhof; zij bezweken, na eenige jaren verblijf in dit land, aan heimwee en ontmoediging. Dank zij mijn oosterschen oorsprong en mijn krachtig gestel, heb ik aan den noodlottigen invloed van het klimaat weerstand kunnen bieden: ik ben besloten te Dsjoelfa te blijven, tot God mij van mijn post afroept. Ik dank Hem, dat Hij ook u bewogen heeft, naar Ispahan te komen; gij kunt u niet voorstellen, welk eene verkwikking het voor mij is, nu en dan aan mijne treurige overdenkingen te worden ontrukt. Weest dus van harte welkom; het geheele klooster staat tot uwe beschikking; het zal mij een genoegen zijn, u te vergezellen, wanneer gij zulks mocht verlangen, of u alle inlichtingen te geven, die gij begeeren mocht. Uwe kamer is overdag zeer koel, en naar ik hoop, zal ze u wel bevallen, maar 's nachts zou zij te bedompt zijn; daarom heb ik voor u den toren in gereedheid laten brengen, waar ik 's zomers altijd slaap."
Toen het avond geworden was, noodigde de pater ons uit, plaats te nemen aan eene tafel, die van smakelijk toebereide gerechten was voorzien; vervolgens bracht hij ons naar een met populieren en wijngaarden beplanten tuin, waarin eene wilde gazelle in alle vrijheid ronddartelde. Op mijne vraag naar den oorsprong dezer armenische kolonie in het hart van een mohammedaansch land, deelde de priester, zelf een Armeniër, mij het volgende mede.
In de vierde eeuw onzer jaartelling namen de Armeniërs het Christendom aan, en daarmede begon voor hen een tijdvak van welvaart en bloei en intellektueelen vooruitgang. Beroemde schrijvers vertaalden de Heilige Schrift en andere hebreeuwsche, syrische en grieksche boeken, en vervaardigden zelfs eene overzetting van Homerus in het armenisch; de armenische literatuur bereikte haar hoogste ontwikkeling tijdens het concilie van Chalcedon, na de scheiding tusschen de grieksche en de armenische kerk. De liturgische schriften uit dien tijd bevatten heerlijke gebeden en lofzangen in de oude armenische taal, die niet onbelangrijk verschilt van het tegenwoordige armenisch, dat met vele vreemde woorden vermengd is.
Eeuwen en eeuwen lang was Armenië de schouwplaats van een geweldigen strijd tusschen de Parthen en de Romeinen, en later tusschen de Perzen en de Byzantijnen. Niet dan met groote moeite, en dan nog maar zelden geheel, kon het aloude armenische rijk, dat zijne stichting terugvoerde tot op Haik, een zoon van Japhet, zijne onafhankelijkheid bewaren; binnenlandsche beroerten en de splitsing van het rijk in twee zelfstandige staten, Groot-Armenië en Klein-Armenië, verhaastten den ondergang der aloude monarchie. Perzen, Arabieren, Mongolen, Seldsjoeken, Turken overstroomden beurtelings het ongelukkige land, waarvan het eene stuk voor, het andere na werd afgescheurd en dat eindelijk voor een deel aan Perzië, maar voor verreweg het grootste gedeelte aan Turkije kwam. De laatste koning van Klein-Armenië was Leo IV, uit het huis van Lusignan, maar van moederszijde een afstammeling uit het aloude armenische koningsgeslacht der Bagratiden. Door den sultan van Egypte overwonnen en gevangen genomen, begaf hij zich, na zijn ontslag uit de gevangenschap, naar Parijs, waar hij in 1398 overleed.
Het verlies van hunne politieke zelfstandigheid en de verdrukking waaronder de christelijke Armeniërs eeuwen lang hadden te lijden, hebben er zeker niet weinig toe bijgedragen om dit volk door alle landen van het Oosten te verstrooien en bij hen dien zin voor handel, bepaaldelijk ook voor geldhandel te ontwikkelen, die hen door het geheele Oosten tot zoo geduchte mededingers van de Joden maakt. De Armeniërs zijn overigens vreedzaam van aard, onderworpen en geduldig, vlijtig en arbeidzaam; in hunne zeden en gewoonten hebben zij nog veel van de oude, aartsvaderlijke eenvoudigheid behouden.
Toen Shâh Abbas, in 1585, zijne residentie van Kasbin naar Ispahan overbracht, wilde hij de stad, die sedert de verwoesting door de Mongolen bijna verlaten was, niet alleen in haar vroegeren luister herstellen, maar ook hare welvaart verzekeren. Met dat doel noodigde de groote Shâh een aantal Armeniërs uit, zich in de nieuwe hoofdstad te komen vestigen; hij verzekerde hun de vrije uitoefening hunner godsdienst, schonk hun belangrijke privilegiën en stelde aanzienlijke geldsommen tot hunne beschikking; maar daar de Christenen bleven aarzelen om aan zijne uitnoodiging gevolg te geven, beval de Shâh dat de geheele bevolking van Dsjoelfa--eene stad op de tegenwoordige grens tusschen Rusland en Perzië--naar Ispahan zou worden overgebracht. Om de inwoners tot die verhuizing te noodzaken, liet hij de bronnen dichtstoppen, de kanalen dempen en de bruggen afbreken; de lieden van Dsjoelfa, nu gedwongen hun land, dat in eene wildernis herschapen was, te verlaten, trokken met hunne gezinnen en hunne kudden naar Ispahan. Velen hunner bezweken onder weg; anderen vestigden zich in de dorpen, die zij doortrokken; naar men zegt, bereikten honderd-zestig-duizend landverhuizers de nieuwe hoofdstad van het perzische rijk. Shâh Abbas schonk hun landerijen op den rechteroever van den Zendeh-Roed; vergunde hun aan hunne nieuwe woonplaats den naam te geven van hunne vaderstad; liet kerken bouwen voor de uitoefening der christelijke godsdienst, en bruggen over de rivier, opdat de Armeniërs te allen tijde de bazars en karavanseraïs der mohammedaansche stad zouden kunnen bezoeken. Aldus begunstigd en bevoorrecht, ontwikkelde de nieuwe kolonie snel; niet alleen wisten de Armeniërs van Dsjoelfa zich meester te maken van bijna den ganschen handel van Perzië, maar ook van den buitenlandschen handel op China en Indië.
Deze voorspoed duurde echter niet veel langer dan het leven van Abbas-Shâh. Zijne opvolgers, belust op de schatten der Armeniërs, begonnen hun zware schattingen op te leggen en weldra op allerlei wijze te kwellen en te plunderen. Haat tegen de Christenen voegde zich bij de hebzucht der perzische monarchen; de armenische bevolking van Dsjoelfa werd op de wreedste wijze verdrukt en vervolgd, zoodat de kolonie bijna geheel werd te gronde gericht. Onder de regeering van Nadir-Shâh werd de toestand schier onhoudbaar. Gedurende een vol jaar moest de armenische kolonie een schatting opbrengen van dertig-duizend francs per dag; en toen het eindelijk onmogelijk geworden was, die som bijeen te brengen, liet de despoot twintig der voornaamste inwoners ter dood brengen. Den volgenden dag werd den Christenen gelast, hunne kerken te sluiten en onverwijld den Islam te omhelzen. De meergegoeden verhuisden in massa naar elders; de armen, die niet konden vertrekken, bleven ten prooi aan allerlei kwellingen en mishandelingen. Het werd hun verboden, te paard binnen Ispahan te komen: zij moesten te voet gaan en hun paard bij den teugel leiden; zelfs werd hun het recht van zelfverdediging ontzegd, en wie een Christen beroofde of doodde, kon zeker zijn van straffeloosheid. De eerwaarde Padri, die mij dat alles verhaalde, voegde er echter ook bij, dat veel in den laatsten tijd anders was geworden. De Armeniërs hebben weer vergunning gekregen om hunne kerken te openen en mogen hunne godsdienst vrijelijk uitoefenen; niettemin leven de Christenen, wier aantal nog ruim vierduizend bedraagt, geheel afgescheiden van hunne voormalige verdrukkers, jegens wie zij nu juist niet vriendelijk gezind zijn. De mannen alleen spreken perzisch; de vrouwen stellen er eene eer in, de taal der overheerschers niet te verstaan, en er zijn te Dsjoelfa misschien geen tien vrouwen, die ooit over de rivier zijn gegaan en Ispahan hebben bezocht, waar zij trouwens ook niet toegelaten zouden worden dan gesluierd en naar mohammedaansch gebruik gekleed. De thans zeer verarmde kolonie zou sinds lang hebben opgehouden te bestaan, indien de mannen niet de gewoonte hadden aangenomen, om in Hindostan hun fortuin te gaan beproeven. Niet zonder smart verlaten zij het land, waar de herinnering aan de vroegere welvaart huns volks, hun de tegenwoordige ellende bijna doet vergeten; de jonge man neemt zooveel geld mede als zijn gezin misssen kan en zendt zijne overgewonnen spaarpenningen getrouw naar Dsjoelfa. Is de fortuin hem gunstig, dan laat hij zijne vrouw en kinderen overkomen: onderscheidene aanzienlijke armenische familiën te Benares en te Bombay stammen af van landverhuizers uit Dsjoelfa. Is de fortuin hem niet gunstig, dan tracht hij met hard werken althans zooveel te verdienen, dat hij na zijn terugkeer in zijn onderhoud kan voorzien.
"De toestand mijner geloofsgenooten, zeide de Padri, zou nog wel dragelijk zijn, indien niet de voorrechten, door de mohammedaansche wet aan renegaten toegekend, voor velen eene voortdurende verlokking waren. Deze ellendelingen worden gevierd, in triomf naar den bazar gevoerd, van nieuwe kleederen voorzien, met geschenken overladen, en verkrijgen door hun overgang het uitsluitend recht op de nalatenschap hunner ouders en bloedverwanten, met voorbijgang van broeders, zusters en kinderen. De muzelmannen zelven beroepen zich vaak op niet bestaande banden van bloedverwantschap, om rechtens de Christenen te kunnen berooven. Daar het nu, bij gebrek van een burgerlijken stand, zeer moeilijk is, de ongegrondheid hunner beweering aan te toonen, en daar in dergelijke geschillen uitspraak moet worden gedaan door fanatieke mollahs, gebeurt het dikwijls dat gegoede, welvarende christelijke familiën, bij den dood van het hoofd des gezins, eensklaps tot de diepste armoede vervallen. Ik moet echter tot eer van mijne volksgenooten getuigen, dat zij, in spijt van de voorrechten, den afvalligen toegekend, bijna allen aan het geloof hunner vaderen getrouw blijven."
Den volgenden morgen worden wij, in ons luchtig slaapvertrek in den toren, vroegtijdig gewekt door het luiden der klokken vlak boven onze hoofden. Ik spoed mij naar beneden, naar de kerk, waar de dienst reeds begonnen is. De kapel is groot en ruim; de wit gepleisterde muren dragen een gewelf, in den italiaanschen smaak van de achttiende eeuw versierd. Eenige schilderijen, door de Dominikaner-monniken, aan wie het klooster vroeger behoorde, vervaardigd, geven aan deze kapel eenige gelijkenis met eene of andere dorpskerk in Toskane. Op den vloer zijn fraaie tapijten uitgespreid, even als in de moskeeën; de voetstappen der binnenkomenden zijn daardoor onhoorbaar, te meer daar het de gewoonte is, bij het binnentreden in de kerk zijne schoenen uit te trekken.
De geuniëerde of katholieke Armeniërs--dat zijn zij, die met behoud overigens van hun ouden nationalen ritus, tot de katholieke Kerk zijn toegetreden,--zijn niet veel meer dan driehonderd zielen sterk; de overige bevolking van Dsjoelfa behoort tot de schismatieke armenische kerk en staat onder het bestuur van een bisschop, door den patriarch of katholikos van Etsjmiadzin benoemd en van drie ondergeschikte priesters.