Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 12

Chapter 12 3,836 words Public domain Markdown

Ik moet er echter bijvoegen, dat op verre na niet alle karavanseraïs van dergelijke onderaardsche vertrekken en terrassen voorzien zijn. In zeer velen moet men eenvoudig onder de arkaden of op de binnenplaats overnachten.

Toen wij te Kashan kwamen, wilden wij onzen intrek nemen in de ruime karavanseraï buiten de poort der stad; wij stonden op het punt, binnen te treden, toen twee bedienden naar ons toekwamen en ons uit naam van hunnen heer, den directeur van de telegraaf, uitnoodigden onzen intrek te nemen in het station, waar logies voor ons was gereed gemaakt op de vriendelijke aanbeveling van den kolonel Smith, den hoofddirecteur van de telegraaflijn, die Hindostan met Engeland verbindt.

Volgens verscheidene oostersche schrijvers zou Kashan door de beroemde sultane Zobeïde, de echtgenoote van den Khalief Haroen ar-Rashîd, zijn gesticht; naar luid van andere berichten evenwel, zou zoowel Kashan als Koem reeds tijdens de Sassaniden hebben bestaan. Wellicht dankt de tegenwoordige muzelmansche stad haar oorsprong aan de sultane. Kashân heeft doorgaans het lot gedeeld van het naburige Ispahan. In de achttiende eeuw werd de stad door de Afghanen verwoest en door Hadji-Hoesein Khan herbouwd.

Nog tegenwoordig heeft deze stad een veel meer welvarend voorkomen dan de meeste andere perzische steden, en onderscheidt zij zich gunstig door haar nijverheid en haar niet onbelangrijken handel. Niettemin deelt ook zij in het algemeene verval, waaronder geheel het Oosten wegkwijnt: hare bevolking, die vroeger dertigduizend zielen bedroeg, is sedert den laatsten hongersnood tot op tienduizend geslonken. De van leemen tichels gebouwde huizen zien er goed onderhouden uit; de meeste straten zijn geplaveid en in het midden van een goot of riool voorzien, waardoor het water kan wegvloeien; de openingen der putten zijn met zerken gedekt, zoodat ruiters en voetgangers tegen ongelukken beveiligd zijn; ja zelfs worden--en dit is in het Oosten iets geheel buitengewoons--de straten zorgvuldig schoongeveegd.

De ruime bazar, met zijne breede straten en reeks van kleine koepels naast elkander, is van afstand tot afstand voorzien van eigenaardige gebouwen of paviljoenen, die men goederen-karavanseraïs zou kunnen noemen, waar koopwaren worden geborgen en uitgestald. Het fraaiste van deze paviljoenen of entrepôts, zoo ge wilt, is wel de zoogenoemde Nieuwe (Tasa) karavanseraï, voor rekening eener corporatie van kooplieden gebouwd, en waarvan de plaat op bladz. 325 een zeer juist denkbeeld geeft.

In deze prachtige karavanseraï, verkoopt men zijden en andere geweven stoffen, die in de stad zelve vervaardigd worden. Het is wel de moeite waard, zulk eene werkplaats te bezoeken. Uit hoofde van de buitengewone droogte der lucht, zijn de wevers, om te voorkomen dat de zijden draden afbreken, wel verplicht in onderaardsche kamers te werken, die door een luchtgat niet meer dan het hoog noodige licht ontvangen. Op den grond staan onderscheidene kommen met water gevuld, waarvan de uitdamping de atmosfeer vochtig moet houden. Ieder werkman, het bovenlijf geheel naakt, voor zijn hoogst eenvoudigen weefstoel gezeten, vervaardigt alleen zijn werkstuk.

De stoffen zijn van tweeërlei soort: de eene, licht en dun, dient tot voering voor kleederen; de andere, zwaar en dik, wordt gebruikt tot het overtrekken van kleine gecapitonneerde matrassen, die de Perzen rechtop tegen den muur zetten om daartegen te leunen. De witte, gele en groene teekeningen van deze zijden stoffen komen doorgaans helder uit op een fraaien rooden grond; daarenboven zijn er nooit twee stukken die volkomen op elkander gelijken: er is steeds eenig verschil, hetzij dan in het patroon, hetzij in de schikking en mengeling der kleuren, waarbij ieder zoowat zijn eigen smaak en ingeving volgt.

Behalve deze Nieuwe-karavanseraï verdient vooral die der kopersmeden de aandacht. Vier- of vijfhonderd van die lieden zijn hier voortdurend aan den arbeid, in lange galerijen, waar ge telkens karavanen kunt ontmoeten van kameelen, die het in platen opgerolde koper uit Rusland aanvoeren, of geheele ladingen van koperen ketels en dergelijke voorwerpen komen halen, die van hier naar alle steden in Perzië worden verzonden.

Het verschrikkelijk gehamer en geklop in deze karavanseraï is niet alleen voor Europeanen onuitstaanbaar, ook de Perzen kunnen het te midden van dit helsch rumoer niet uithouden. Zoo haastig mogelijk wijzen zij de voorwerpen aan, die zij verlangen, en waarmede dan de koopman aan hunne woning moet komen om rustig over den koop te onderhandelen.

In eene oude kroniek lezen wij het volgende verhaal, dat, ondanks de overdrijving, toch wel geschikt is om een denkbeeld te geven van dit oorverdoovend geraas.

Toen de beroemde wijsgeer en geneeskundige Avicenna te Ispahan woonde, waar hij een leerstoel bekleedde, kwam hij op zekeren dag bij den koning om zijn beklag te doen. "De koperslagers van Kashan, zeide hij, maken in de laatste dagen zulk een leven, dat het mij onmogelijk is mijne studiën voort te zetten.

--Dat is zeer jammer, zeide de Shâh glimlachend; ik zal aanstonds een koerier zenden om hun te gelasten, tijdelijk hun arbeid te staken; gij kunt dan uwe studiën voltooien."

Den volgenden morgen liet Avicenna den koning zijn dank betuigen; geen enkel gerucht had hem in zijne studiën gestoord, en van de stilte en rust had hij gebruik gemaakt om bijna een geheel hoofdstuk van zijn groot geneeskundig werk af te werken.

Maar na verloop van vier dagen van gedwongen werkeloosheid, begonnen de koperslagers van Kashan zich bitter te beklagen over de schade die zij leden ten gevolge van de dwaze grillen van een man, die op drie dagreizen afstands van hun bazar woonde.

"De koning heeft eene week stilte aan zijn geneesheer beloofd," zeide de gouverneur; "daarvan zijn reeds vier dagen verstreken; neemt dus gerust den hamer weer ter hand: het is onmogelijk, dat men te Ispahan het leven zou kunnen hooren, dat gij hier maakt. In ieder geval zal ik Zijne Majesteit waarschuwen; de koning zal zich dan zelf kunnen overtuigen van de kwade trouw van Avicenna."

Het werk werd dus hervat, en zoo luid en lustig als ooit weerklonken de hamerslagen op het weergalmend koper.

Dien eigen avond verscheen Avicenna ten paleize. "De bevelen van Uwe Majesteit worden door Hare gouverneurs slecht nageleefd: sedert dezen morgen hebben de koperslagers van Kashan hun bazar weer geopend."

7 Augustus.--In antwoord op de kennisgeving van onze aankomst, heeft de gouverneur, gedurende onze afwezigheid, een prachtig geschenk gezonden, bestaande uit vier zakken vol pasteken, meloenen, perziken en abrikozen, benevens twee mooie aardige lammetjes, het eene sneeuwwit en het andere met zwarte pootjes en bekje. Als vergoeding voor dit geschenk verzocht hij ons, hem te paard te fotografeeren. Deze wonderlijke liefhebberij van alle aanzienlijke Perzen maakt het ons vrij lastig; maar hoe zouden wij kunnen weigeren aan het verlangen te voldoen van die groote kinderen, die ons zoo beleefd ontvangen en ons den toegang openen tot de eerwaardigste heiligdommen. Het bezoek wordt dus bepaald tegen twee uren voor zonsondergang.

Ten bepaalden tijde verschijnt de gouverneur, omringd van zijn gevolg, aan het station; naast en achter zijn prachtig zwart paard loopen de mirzas en een ordonnans-officier, voorafgegaan door een aantal bedienden met stokken gewapend; een kamerdienaar draagt over zijn schouder het prachtig gestikte dekkleed, dat, krachtens bijzondere vergunning van den Shâh, alleen de hooge dignitarissen mogen gebruiken om over hun paard te werpen, als zij afstijgen.

De hakem (gouverneur) is omtreeks veertig jaar oud. Zijn plompe lichaamsbouw, zijn bruine kleur en zijne grove alledaagsche gelaatstrekken teekenen duidelijk zijne afkomst: hij is de zoon van een schoenlapper van Teheran en is zijn hoogen rang verschuldigd aan den invloed zijner zuster Anizeh Doowlet, eene der meest geliefde bijzitten van Nasr ed-Dîn Shâh, die zelve haar buitengewoon geluk aan een zonderling toeval te danken heeft.

Op zekeren dag ter jacht uitrijdende, ontmoette de koning in den bazar eene jonge boerin, die eene kruik op het hoofd droeg. De prachtig schoone oogen en de levendige sprekende gelaatstrekken van het meisje maakten zulk een diepen indruk op Nasr ed-Dîn, dat hij aanstonds bevel gaf, haar naar het paleis te brengen en al spoedig met haar een huwelijk aanging voor negen-en-negentig jaren.

Het is misschien niet overbodig in herinnering te brengen, dat bij de Mohammedanen, zoowel bij de Sjîiten als de Sonnieten, de echtscheiding geoorloofd en veelvuldig in gebruik is. De wet is op dit punt zeer toeschietelijk, en vergunt bovendien het sluiten van tijdelijke huwelijken, bij voorbeeld voor een jaar of nog korter. De vrouwen, die op gewone wijze gehuwd zijn, mogen eerst drie maanden na de ontbinding van haar huwelijk een nieuwen echtgenoot toebehooren; maar bij tijdelijke huwelijken duurt die tijd niet langer dan vijf-en-twintig dagen. Ondanks dat worden deze huwelijken als wettig beschouwd, en zijn ook de kinderen, die daaruit geboren worden, wettig, zoodat zij aanspraak hebben op hun aandeel in de vaderlijke nalatenschap.

Anizeh Doowlet, vroolijk en opgewekt van aard, geestig en vernuftig op haar manier, wist zich de bijzondere genegenheid van haar koninklijken gemaal te verwerven, die haar in die mate boven zijne wettige gemalinnen begunstigde, dat zij weldra de eerste plaats bekleedde in den koninklijken anderoen. Met den allen vrouwen aangeboren takt wist zij zich spoedig, tot zekere hoogte, de fijnere hoofsche manieren eigen te maken, al behield zij, niet zonder opzet, zekere vrijheid en ongegeneerdheid, die haar als kind des volks deed kennen en den Shâh vermoedelijk niet ongevallig was. Evenwel begrijpende, dat de omgang met haar onbeschaafde bloedverwanten den koning niet aangenaam zou zijn, wist zij die handig te verwijderen, door hun hooge en winstgevende betrekkingen te doen geven. Zoo werd een harer broeders gouverneur van Kashân; en zijn nieuwe rang bevalt den man zoo goed, dat hij zelf zijne nederige afkomst schijnt vergeten te hebben.

Een schoenmaker van Teheran, op zekeren dag te Kashân zijnde, wilde een bezoek gaan afleggen bij zijn ouden vriend, den gouverneur, en begaf zich naar het paleis. De goede man was niet rijk en zeer eenvoudig gekleed; maar de herinnering aan de oude vriendschap, die hem in vroeger dagen met den tegenwoordigen zwager van Nasr ed-Dîn verbonden had, gaf hem moed; vroolijk glimlachende trad hij, met uitgestoken hand, op zijn ouden kameraad toe.

"Wie ben-je?" vroeg de gouverneur van Kashan, op zeer hoogen toon, zoo als zelfs de aanzienlijkste mannen zelden of nooit aannemen.

De schoenmaker, beteuterd door dit onverwacht onthaal, deed een stap terug; maar zijne kalmte hernemende, sprak hij:

"Ik ben Ali Mohammed, uw oude buurman uit den bazar der schoenmakers. Men heeft mij te Teheran verteld, dat gij, ten gevolge van overmatige inspanning, ziek geworden waart; ik heb mij gehaast tot u te komen om u moed in te spreken en te zien of ik u helpen kon. Maar, helaas! gij zijt er nog erger aan toe, dan ik gedacht had. Gij zijt reeds geheel blind, mijn arme vriend, daar gij zelfs uwe oudste kameraden niet meer kunt herkennen."

Bij zijne komst aan het telegraafkantoor laat de schoonbroeder van Zijne Majesteit zich aanstonds in een fauteuil neder, en kijkt, onder het drinken van een kop thee, telkens met nieuwsgierige blikken naar een klein orgel, dat in een hoek der kamer staat.

"Ik zou wel eens iets op dat instrument willen hooren spelen", zegt hij.

De directeur van het telegraafkantoor verontschuldigt zich, zeggende dat hij ter nauwernood de noten lezen kan; de gouverneur blijft aandringen; op vriendelijk verzoek van mijn gastheer, zet ik mij eindelijk aan het klavier. Mijn publiek is niet van dien aard, dat ik mij daarover zenuwachtig zou maken; lastiger is de vraag, wat ik spelen zal. Na eenige aarzeling, besluit ik den knoop door te hakken, en begin.... _la Fille de madame Angot!_ Ten einde meer op zijn gemak van de schoonheden dezer muziek te kunnen genieten, laat de gouverneur zich zachtkens van zijn stoel glijden en gaat op zijne hurken zitten. Eensklaps roept hij mij toe:

"Die muziek is allerliefst; maar gij speelt veel te gauw; men kan het niet bijhouden. Doe dat nog eens over, maar langzaam, en sla zoo hard ge kunt."

Ik begin nog eens, op eene zoo statige maat, als moesten wij de jongejuffer Angot zelve gaan begraven; nu kent de geestdrift geen perken meer: de gouverneur schudt met zijn hoofd heen en weer, als de kinderen, die Koranverzen moeten opzeggen; de mirzas en de bedienden volgen het voorbeeld van hun heer en geven luide hunne bewondering te kennen;--zij allen gelijken wel een troep idioten.

Ik sta op en noodig den hakem uit, om nu op zijne beurt ook eens iets te spelen.

"Dat wil ik wel," antwoordt hij; "ik ben een groot liefhebber van muziek; maar ik zie dat gij zoowel de handen als de voeten gebruikt en dat uw geheele lichaam in beweging is; dat is zeer vermoeiend. Zou ik niet met mijn vingers alleen hetzelfde geluid kunnen maken?"

Uit mijne korte ophelderingen trekt Zijne Excellentie het besluit, dat de kunstenaar, die zich zelven respecteert, alleen op het klavier moet slaan; maar dat het in beweging brengen van de pedalen niets meer dan gewone handenarbeid is, op zijn best goed genoeg voor een Farangui. Hierdoor gerust gesteld, zet hij zich voor het orgel, en gebiedt twee ferachs op den grond te gaan liggen en de pedalen op en neer te doen gaan, terwijl hij zelf in het honderd op de toetsen trommelt. Zijne vreugde kent geen perken; hij juicht, schatert van lachen, zit geen sekonde stil, en geeft elk oogenblik een slag of een schop aan de op den grond liggende bedienden, omdat zij niet voor den noodigen wind zorgen. Deze ongelukkigen werken hoe langer zoo meer met de pedalen; het kleine orgel snuift en blaast, en de directeur ziet het oogenblik komen, waarop het barsten zal. Om zijn instrument te redden, herinnert hij er aan, dat de zon ter kimme daalt en dat het oogenblik gekomen is om de fotografie van den gouverneur te maken.

Het geheele gezelschap defileert voorbij mijn toestel. De mirzas en de ordonnans-officier verlangen dat er een behoorlijke afstand zij tusschen hen en de ondergeschikte bedienden. Een hunner heeft zelfs zijn dochtertje laten halen, een kind van vier of vijf jaar: zij verscheen op den arm van een jongen neger, die juist op het oogenblik toen ik den toestel zou ontblooten, haastig in de groep plaats nam, ten einde ook zijn zwart bakkes op de plaat te kunnen zien.

Tot belooning voor mijne moeite en als herinnering aan het aangename muziekpartijtje, vraag ik van den gouvorneur vergunning om de moskeeën van Kashan te mogen bezoeken. Hij belooft mij, dat hij er nog dien eigen avond den iman Djoema over spreken zal; wordt ons verzoek toegestaan, dan zal hij er mij aanstonds kennis van geven.

8 Augustus.--De hakem is een man van zijn woord. Zijn secretaris bracht ons dezen morgen de vergunning om de mastsjed Meïdan te bezoeken. De stichting van dit heiligdom, midden in de stad in een der volkrijkste wijken gelegen, klimt op tot de veertiende eeuw. Daar de richting van de moskeeën bepaald wordt door haar positie met betrekking tot de Kaäba, waarheen de vrome muzelman bij het verrichten van zijn gebed het gelaat wenden moet, is de bouwmeester verplicht geweest, den voornaamsten ingang van het bedehuis schuin op de as der straat te plaatsen. Om dit gebrek te verhelpen, heeft hij, in eene evenwijdige façade met die van de mastsjed Meïdan, den ingang aangebracht van eene medresseh, en vervolgens den schuinen hoek verborgen achter een lossen gevel.

De moskee is ruim en in goeden stijl gebouwd; maar de voornaamste merkwaardigheid van dit monument, uit een artistiek oogpunt, is zijn prachtige mihrab, bekleed met porseleinen tegels, waarvan de heerlijke metaalglans niet onderdoet voor dien der porseleinen bekleeding in den beroemden imam Zaddeh te Weramin. Het is trouwens niet vreemd, hier zulk een uitnemend kunstwerk te vinden: Kashan is toch het eigenlijke vaderland van die metaalachtige tegels, waarvan de kleurenpracht een zoo tooverachtig schoon effekt maakt.

Van de moskee begeef ik mij met mijn fotografie-toestel naar den bazar. Hier is de drukte en beweging in vollen gang; bedienden gaan inkoopen doen; handelaars in perziken en komkommers bieden den voorbijgangers hunne heerlijke vruchten aan; dan weer trekken muilezels of kameelen in lange rijen voorbij, beladen met pakken en balen, die zij naar de karavanseraïs moeten brengen. De weg is reeds te smal voor al deze menschen en dieren; en het zou mij onmogelijk zijn, hier met mijn toestel te werken, indien eenige liefhebbers van de fotografie niet zoo vriendelijk waren, de woelende menigte tegen te houden: natuurlijk in de hoop dat zij dan ook op de afbeelding zullen voorkomen.

Ik stond juist op het punt den doek weg te nemen, toen mijne beleefde helpers, die op eigen gezag de circulatie hadden gestremd, haastig ter zijde traden voor eenige bedienden, gevolgd door een gezelschap vrouwen, gezeten op ezels met rijk geborduurde dekkleeden versierd.

De nieuw aangekomenen stormen op mij los en gelasten mij onmiddellijk ter zijde te gaan, om ruimte te maken voor den stoet. Het bevel wordt op zoo onbeleefden toon gegeven, het plaatsen van den toestel heeft mij zooveel moeite gekost, en ik heb voor mijn werk zoo weinig tijd noodig, dat ik ten stelligste weiger mij te verwijderen.

"De khanoems (dames) kunnen gerust voorbijgaan, zeg ik tegen de bedienden; er zal haar geen ongeluk overkomen."

Deze opmerking baat niet; mijne aanvallers pakken den toestel aan en dringen mij, zoowel als mijn echtgenoot, die op het gerucht was toegesneld, in een winkel van den bazar.

Niettegenstaande in Perzië de zeden en de aard der bevolking veel minder ruw en veel zachtzinniger zijn dan in Aziatisch-Turkije, is toch ook daar een Europeaan, zoodra hij zich eene vernedering laat welgevallen, aanstonds zijn prestige kwijt; van dat oogenblik af is hij in de oogen der menigte niets meer dan een Christenhond, een paria, tegen wien men zich ongestraft alles veroorloven mag. Het is volstrekt noodig met kracht op te komen tegen de behandeling, die men ons heeft aangedaan: anders zullen wij gedurende ons verder verblijf te Kashan en misschien ook nog daarna, er de onaangename gevolgen van ondervinden. Op gebiedenden toon geeft Marcel aan onze bedienden den last, zich onmiddellijk naar het paleis te spoeden om eene klacht in te dienen bij den gouverneur; vervolgens verwijderen wij ons langzaam uit den bazar, gevolgd door een zwerm van jongens. Die deugnieten, getrouwe en vrijmoedige tolken van de gevoelens der menigte, maken allerlei bokkesprongen, en schelden ons uit voor honden, voor hondenkinderen, voor onreinen, wier vaders in de hel braden, en voegen ons meer dergelijke liefelijkheden toe, wel zorgende steeds buiten ons bereik te blijven.

Nauwelijks zijn wij in het telegraafstation teruggekeerd, of de eerste mirza van den gouverneur komt verschrikt aanloopen. De hakem had reeds voor de komst onzer bedienden vernomen, wat er in den bazar was voorgevallen; bij de karavaan, wier verschijning tot de moeilijkheden aanleiding had gegeven, bevond zich de echtgenoote zelve van den gouverneur, die na eene afwezigheid van eenige dagen te Kashan terugkeerde. Evenmin als hare bedienden, wist zij dus dat er in die stad twee vreemdelingen uit Europa waren aangekomen.

Zijne Excellentie verzocht ons de ruwheid der bedienden wel te willen verschoonen; tevens laat hij ons weten dat hij, om de beleediging ons aangedaan uit te wisschen, heeft gelast, den dienaars de bastonade te geven; wij worden uitgenoodigd, bij de strafoefening tegenwoordig te zijn. Wij zijn met deze ophelderingen volkomen tevreden, bedanken voor de uitnoodiging en vragen genade voor de schuldigen, wier tuchtiging wij niet verlangen.

Maar de zaak was daarmede nog niet uit. Tegen het vallen van den avond verschijnt eene muzelmansche dienstbode, die mij verlangt te spreken.

"Bij hare komst aan het paleis," zoo zeide zij, "heeft mijne meesteres gevraagd naar den naam van de twee Faranguis, om wier wille haar stoet een oogenblik was opgehouden. Vernemende dat een dezer twee fotografen eene khanoem (dame) was, heeft zij den wensch te kennen gegeven, haar eigen portret te laten maken. De hakem heeft geweigerd aan dat verlangen te voldoen; daarop heeft mijne meesteres besloten, in stilte uwe hulp in te roepen. Morgen zal zij zich, zonder eenig gevolg en als dienstmaagd verkleed, naar de woning begeven van den imam Djoema, aan wiens vrouw zij vooraf het kostuum zal zenden, dat zij bij deze gelegenheid wil aantrekken."

Wij spreken dus af, dat ik morgen, drie uren na zonsopgang, hare meesteres ontmoeten zal. Mijn echtgenoot moet een bezoek gaan afleggen bij den imam; ik zal hem vergezellen, en bij de intrede in het huis, zal ik in een donkere gang de dienstbode vinden, die mij naar den anderoen geleiden moet.

9 Augustus.--Het vastgestelde programma is punt voor punt uitgevoerd. Op het oogenblik toen ik den drempel der woning van den imam Djoema had overschreden, geleidden twee vrouwen mij door een doolhof van donkere gangen naar den anderoen van den hoogen geestelijke. Eindelijk kom ik in een tuin, waar de twee dames mij in groote spanning afwachten.

De echtgenoote van den hakem maakt nog eens hare verontschuldiging over de ruwheid harer bedienden en dankt mij voor de vriendelijkheid, dat ik gekomen ben. Zij is zeer mooi.... voor eene perzische vrouw. Haar vollemaansgezicht zou zeker door de dichters van haar land bezongen worden, die dan ook niet zouden verzuimen uit te weiden over haar blanke huid en rozenwangen, over den gloed harer groote zwarte oogen, en het karmozijn harer ietwat dikke lippen. Op dit oogenblik heeft haar gelaat onbetwistbaar eene zeer bekoorlijke uitdrukking.

De vrouw van den iman Djoema daarentegen is zonder omwegen leelijk en heeft dan ook wijselijk alle zweem van koketterie laten varen.

"Gij kunt _ax_, maken, zegt de gemalin van den gouverneur tot mij. _Ax_ is het perzische woord voor fotografie; het beteekent, het tegenovergestelde, de keerzij. Gij zijt de _ackaz bashi doowlet faranca_ (de opperfotograaf van de fransche regeering)?

--Zeker, antwoord ik zonder aarzelen, want ik wil hier niet bekend staan als eene dilettante zonder klandisie.

--Hoeveel madakhel maakt gij wel jaarlijks in die betrekking? (_Madakhel_ is eene beleefde uitdrukking voor alle oneerlijke praktijken en oplichterijen, waaraan alle perzische ambtenaren zich ten nadeele van de koninklijke schatkist schuldig maken).

--Geene, antwoord ik haastig, met zekere naïeve verontwaardiging.

--Dan verrijkt uw man zich dus voor zich zelven en voor u."

Om aan dit gesprek een einde te maken, begin ik mijn toestel in orde te brengen. Terwijl ik daarmede bezig ben, praten de beide dames op zachten toon met elkander; onder mijn doek verborgen, verlies ik geen woord van haar gesprek.

"In Faranguistan," zegt de vrouw van den gouverneur tot de echtgenoote van den iman, die zij blijkbaar als eene onwetende ziel behandelt,--"zijn de vrouwen veel ongelukkiger dan bij ons; de mannen dwingen haar om te arbeiden. Deze hier is ackaz-bashi; anderen zijn mirzas of moallem (geleerden); sommigen, zoo als de dochter van den Shâh der Oeroes (Russen) bekleeden den rang van generaal en kommandeeren de troepen.

--Gij spot met mijne onwetendheid," zegt de andere op een toon van twijfel en ongeloof.

--Allamdalla! ik zeg de zuivere waarheid, lieve. Niet alleen zijn er in Faranguistan vrouwen die legers aanvoeren, maar eene is zelfs shâh. Vraag het maar aan de khanoem ackaz-bashi; zij zal u zeggen dat deze vorstin een gezant heeft te Teheran. En--voegt zij er bij, als om te toonen dat zij goed op de hoogte is--terwijl de dochter van den koning der Oeroes een helm en epauletten draagt, draagt de khanoem Shâh nog bovendien een paar lange snorren."